Home

Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 13 juli 1983

Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 13 juli 1983

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
13 juli 1983

Uitspraak

ARREST VAN 13. 7. 1983 — ZAAK 152/82 FORCHERI / BELGIË

In zaak 152/82,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de vrederechter van het vierde kanton te Brussel, in het aldaar aanhangig geding tussen

Sandro Forcheri en Marisa Marino, echtgenote Forcheri, te Linkebeek,

en

Belgische Staat, in de persoon van de minister van Nationale opvoeding en Franse cultuur,

en

ASBL Institut supérieur de sciences humaines appliquées — École ouvrière supérieure, te Anderlecht,

HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: A. O'Keeffe, kamerpresident, P. Pescatore, G. Bosco, T. Koopmans en K. Bahlmann, rechters,

advocaatgeneraal: S. Rozès

griffier: P. Heim

het navolgende

ARREST

De feiten

De feiten, het procesverloop en de krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG ingediende opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:

I — De feiten en het procesverloop

Marisa Forcheri, van Italiaanse nationaliteit, is de echtgenote van een in Brussel tewerkgestelde ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen. Zij volgde een opleiding van drie jaar aan het Institut supérieur de sciences humaines appliquées te Brussel, die onder meer voorbereidt op het beroep van maatschappelijk werkster. Bij het begin van de schooljaren 1979/80 en 1980/81 moest zij bij haar inschrijving een aanvullend inschrijvingsgeld, het zogenaamde collegegeld voor buitenlandse studenten betalen:

Het collegegeld voor buitenlandse studenten moet in België sinds het begin van het schooljaar 1976 in beginsel worden betaald door alle studenten die niet de Belgische nationaliteit bezitten en waarvan de ouders niet in België woonachtig zijn. Het beginsel ervan is neergelegd in de wetten houdende de onderwijsbegroting.

De bepalingen inzake de heffing vn het collegegeld voor buitenlandse studenten in instellingen voor hoger onderwijs — zoals vorengenoemd Institut supérieur — zijn neergelegd in circulaires van het ministerie van Nationale Opvoeding, Franstalig regime. Volgens een ten tijde van de feiten van kracht zijnde circulaire van 8 juni 1978 was het collegegeld voor buitenlandse studenten niet verschuldigd door Belgische, Luxemburgse en — onder bepaalde voorwaarden — Franse studenten (met name grensbewoners), door, in het bijzonder, kinderen van in België wonende buitenlandse werknemers en van in België tewerkgestelde buitenlandse ambtenaren, noch door studenten waarvan de echtgeno(o)t(e) in België woonachtig was, er arbeid in loondienst verrichtte en belasting afdroeg aan de Belgische schatkist. Volgens een circulaire van 12 mei 1981, dus van latere datum dan de onderhavige feiten, moet de echtgeno(o)t(e) van een in België woonachtige ambtenaar van de Europese Gemeenschappen hetzelfde inschrijvingsgeld betalen als Belgische studenten.

Voor het schooljaar 1979/80 bedroeg het collegegeld voor buitenlandse studenten aan de École ouvrière supérieure (een hogere beroepsschool) BFR 19 995, naast het door alle studenten te betalen schoolgeld van BFR 6 000. Voor het jaar 1980/81 bedroeg het BFR 21 723. Het Institut supérieur de sciences humaines appliquées was bij het begin van de schooljaren 1979/80 en 1980/81 tot de conclusie gekomen, dat mevrouw Forcheri niet viel onder een van de categorieën studenten die volgens de geldende circulaires waren vrijgesteld van collegegeld, en vordere van haar betaling van genoemd collegegeld.

Bij brief van 7 mei 1980 deelde het kabinet van de minister van Nationale Opvoeding op een vraag om toelichtingen van de heer Forcheri mee, dat mevrouw Forcheri als echtgenote van een Europees ambtenaar geen recht had op vrijstelling van collegegeld voor buitenlandse studenten, daar dat voorrecht slechts werd toegekend indien de echtgeno(o)t(e) van de student(e) arbeid in loondienst veracht en belastingen betaalt aan de Belgische schatkist, hetgeen niet het geval was met ambtenaren van de Gemeenschappen.

De heer en mevrouw Forcheri daagden de Belgische staat en het Institut supérieur de sciences humaines appliquées voor het Vredegerecht van het vierde kanton te Brussel, met het verzoek tot verklaring voor recht, dat van mevrouw Forcheri wettelijk geen collegegeld voor buitenlandse studenten had mogen worden gevorderd en dat mitsdien de onverschuldigd betaalde bedragen moeten worden terugbetaald. De vrederechter van het vierde kanton te Brussel heeft bij vonnis van 11 december 1981 de behandeling van de zaak geschorst en het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:

  1. Mag volgens het gemeenschapsrecht, inzonderheid in het licht van het onder meer in artikel 7 EEG-Verdrag en, voor het vrije verkeer van werknemers, in de artikelen 48 en 49 EEG-Verdrag neergelegde verbod van discriminatie tussen onderdanen van de EG-Lid-Staten, alsmede gelet op artikel 12 van 's Raads verordening nr. 1612/68 van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap, zoals gewijzigd bij 's Raads verordening nr. 312/76 van 9 februari 1976, en artikel 12 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen, in België van studenten die gehuwd zijn met een Europees ambtenaar, de nationaliteit van een der Lid-Staten bezitten en Ín België wonen omdat hun echtgenoot^) wegens zijn (haar) aanstelling bij een der Instellingen van de Europese Gemeenschappen verplicht is aldaar te wonen, betaling wordt verlangd van collegegeld voor buitenlandse studenten, welk collegegeld Belgische en Luxemburgse studenten niet behoeven te betalen?

  2. Wordt artikel 13, tweede alinea, van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen niet miskend, door aan voornoemde studenten vrijstelling van het collegegeld voor buitenlandse studenten te weigeren op grond dat hun echtgeno(o)t(e) als Europees ambtenaar geen belasting betaalt aan de Belgische schatkist?

Luidens artikel 12 van verordening nr. 1612/68 van de Raad betreffende het vrije verkeer van werknemers „(worden) kinderen van een onderdaan van een Lid-Staat, die op het grondgebied van een andere Lid-Staat arbeid verricht of heeft verricht, ..., indien zij aldaar woonachtig zijn, onder dezelfde voorwaarden als de eigen onderdanen van deze Staat toegelaten tot het algemene onderwijs, het leerlingstelsel en de beroepsopleiding.”

Het verwijzingsvonnis is op 14 mei 1982 ter griffie van het Hof ingekomen.

Krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG zijn op 23 juli 1982 schriftelijke opmerkingen ingediend door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door C. Durand, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde op 30 juli 1982 door de heer en mevrouw Forcheri, bijgestaan en vertegenwoordigd door E. Lebrun, advocaat te Brussel, en op 25 augustus 1982 door de Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd en bijgestaan door O. Fiumara van de Avvocatura generale delle Stato.

Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en gehoord de advocaatgeneraal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Vaststellende dat geen Lid-Staat noch een van de instellingen had verzocht de zaak in voltallige zitting te beslissen, heeft het Hof bij beschikking van 13 oktober 1982 besloten de zaak krachtens artikel 95, paragrafen 1 en 2 van het Reglement voor de procesvoering naar de Vierde kamer te verwijzen.

II — Schriftelijke opmerkingen

1. Opmerkingen van de beer en mevrouw Forcheri

Volgens verzoekers in het hoofdgeding is het gemeenschapsrechtelijk gezien onrechtmatig dat in België van studenten die, zoals mevrouw Forcheri, gehuwd zijn met een Europees ambtenaar, de nationaliteit van een der Lid-Staten bezitten en in België woonachtig zijn omdat hun echtgeno(o)t(e) wegens zijn (haar) aanstelling bij de Europese Gemeenschappen verplicht is aldaar te wonen, het collegegeld voor buitenlandse studenten wordt verlangd, terwijl Belgische en Luxemburgse studenten dat niet behoeven te betalen. Dit vereiste houdt geen rekening met onder meer het verbod van discriminatie tussen onderdanen van de Lid-Staten, zoals met name neergelegd in artikel 7 EEG-Verdrag en, wat het vrije verkeer van werknemers betreft, in de artikelen 48 en 49 EEG-Verdrag en artikel 12 van verordening nr. 1612/68 van de Raad.

Volgens verzoekers in het hoofdgeding vereiste het vrije verkeer, een aspect van het discriminatieverbod, luidens de considerans van vorengenoemde verordening dat de belemmeringen voor de mobiliteit van de werknemers uit de weg worden geruimd, „met name wat betreft het recht van de werknemer om zijn familie te doen overkomen en de voorwaarden voor de integratie van deze familie in het land van ontvangst”. Het collegegeld voor buitenlandse studenten vormt een belemmering voor de integratie in België van de familie van de werknemer die onderdaan is van een Lid-Staat van de Gemeenschap en in België woont. Dit is a fortiori het geval wanneer dat collegegeld moet worden betaald door de echtgeno(o)t(e) van een ambtenaar van de Gemeenschap die krachtens zijn Statuut verplicht is in zijn standplaats te wonen of op zodanige afstand daarvan, dat hij niet wordt gehinderd in de uitoefening van zijn werkzaamheden.

Artikel 12 van verordening nr. 1612/68 geldt slechts voor kinderen van onderdanen van een Lid-Staat; het lijdt evenwel geen twijfel, dat het toepassingsgebied zich ratione materiae moet uitstrekken tot alle gezinsleden van een werknemer die studeren, inzonderheid tot zijn (haar) echtgeno(o)t(e); de ratio legis van deze wet is immers, ingevolge het primordiale verbod van discriminatie tussen onderdanen van de Lid-Staten, de integratie van het gezin van de migrerende werknemer in het land van ontvangst. Overigens heeft het Hof dit artikel reeds extensief uitgelegd (zaken 9/74, Casagrande, Jurispr. 1974, blz. 773, en 32/75, Cristini, Jurispr. 1975, blz. 1085). Bovendien blijkt uit een verslag van het onderwijscomité dat op 27 juni 1980 door de Raad werd goedgekeurd, dat indien in een Lid-Staat collegegeld moet worden betaald, dit voor studenten uit andere Lid-Staten niet hoger mag zijn dan voor eigen studenten (PB C 316 van 1980, antwoord van de Commissie op schriftelijke vraag nr. 1246/80 van de heer Seal).

Ten overvloede merken verzoekers in het hoofdgeding op, dat het bestreden vereiste onverenigbaar is met artikel 12 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten, en dat Luxemburgse studenten geen collegegeld voor buitenlandse studenten behoeven te betalen; discriminatie tussen onderdanen van de verschillende Lid-Staten is gemeenschapsrechtelijk ontoelaatbaar.

Subsidiair stellen verzoekers in het hoofdgeding, dat de weigering om vrijstelling te verlenen van genoemd collegegeld op grond dat de heer Forcheri als Europees ambtenaar geen belastingen betaalt aan de Belgische schatkist, in strijd is met artikel 13, tweede alinea, van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten. Naar luid van deze bepaling zijn de ambtenaren en overige personeelsleden van de Gemeenschappen immers vrijgesteld van nationale belastingen op de door de Gemeenschappen betaalde salarissen, lonen en emolumenten. Deze bepaling wordt dan ook geschonden wanneer de echtgeno(o)t(e) van een Europees ambtenaar een voordeel wordt onthouden op de enkele grond dat laatstgenoemde over zijn salaris geen nationale belasting betaalt.

2. Opmerkingen van de Italiaanse regering

Volgens de Italiaanse regering lijdt het geen twijfel dat artikel 12 van verordening nr. 1612/68 ook geldt voor de echtgenote van de werknemer. In zaak 76/72 (Michel S., Jurispr. 1973, blz. 457) heeft het Hof beslist dat deze bepaling mede betrekking heeft op de maatregelen op het gebied van de schoolopleiding van minder-validen, ook al worden zij niet genoemd; volgens het Hof geeft dit artikel geen uitputtende opsomming van alle mogelijke hypothesen, maar moet het ruim worden uitgelegd in het licht van de aan de verordening ten grondslag liggende overwegingen, inzonderheid de noodzaak, de „voorwaarden voor de integratie van de familie in het land van ontvangst” te verzekeren (vijfde overweging)

Ook al heeft de communautaire wetgever bij de opstelling van de betrokken verordening waarschijnlijk niet gedacht aan de situatie van ambtenaren van de Gemeenschappen, niettemin moeten dezelfde beginselen en normen van de verordening worden toegepast op degenen die voor de Gemeenschappen werken, zeker indien dit onderdanen van een Lid-Staat zijn; zij oefenen per slot van rekening arbeid in loondienst uit op het grondgebied van een Lid-Staat, overeenkomstig communautaire voorschriften die als zodanig rechtstreekse werking hebben op het grondgebied van de betrokken Lid-Staat. Het zou overigens onaanvaardbaar zijn dat Europese ambtenaren een minder gunstige behandeling zouden genieten dan andere loontrekkenden die onderdaan zijn van een Lid-Staat. Gelijkheid van behandeling — die rechtstreeks voortvloeit uit het algemene beginsel van artikel 7 EEG-Verdrag, ongeacht en buiten het toepassingsgebied van verordening nr. 1612/68 — vormt een logische en onmiskenbare premisse van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten, dat bijgevolg voor de ambtenaren en overige personeelsleden van de Gemeenschappen enkel een aantal regels vaststelt strekkende tot het vergroten van hun onafhankelijkheid en mobiliteit en tot het regelen van enkele bijzondere punten in verband met hun positie (artikelen 12 e.V.).

De in de tweede vraag van de nationale rechter geuite aarzeling is onbegrijpelijk. Gezien de plaats die de Gemeenschappen innemen ten overstaan van de nationale rechtsorden, alsmede hun stelsel van eigen middelen, dient discriminatie ten nadele van ambtenaren van de Gemeenschappen die rechtstreeks berust op het feit dat deze niet behoeven bij te dragen aan de overheidsuitgaven, uitgesloten te zijn. Staande voor de keuze tussen een nationale en een communautaire belasting, en in aanmerking nemend dat dubbele belasting moet worden vermeden, is gekozen voor de tweede oplossing ten einde de ambtenaren van de Gemeenschappen een grotere onafhankelijkheid te waarborgen.

3. Opmerkingen van de Commissie

De Commissie wijst er om te beginnen op dat zij de Raad op 22 september 1978 een reeks voorstellen heeft voorgelegd (document COM(78)468 def.), met het oog op de opheffing van de belemmeringen van de mobiliteit van studenten op universitair niveau; een daarvan had betrekking op de beperking van het aantal inschrijvingen. Omtrent de financiële aspecten van deze vraag werd het volgende voorgesteld:

„In die Lid-Staten waar collegegeld moet worden betaald mag dit voor studenten uit andere landen van de Gemeenschap niet meer bedragen dan voor studenten uit eigen land.”

Wat de financiële aspecten betreft heeft de Raad in zijn resolutie van 27 juni 1980 ten vervolge op het voorstel van de Commissie een beperking aangebracht op het gelijkheidsbeginsel, volgens welke een Lid-Staat, wanneer maatregelen houdende kwantitatieve beperkingen of andere factoren de toevloed van studenten substantieel verstoren, passende maatregelen mag treffen om de gevolgen van deze verstoring te beperken. Volgens de Commissie mag deze beperking niet aldus worden uitgelegd dat zij een maatregel met algemene strekking, waardoor voor alle studierichtingen met inschrijvingsgeld voor studenten uit andere Lid-Staten hoger wordt dan voor eigen studenten, rechtvaardigt. Deze uitzondering moet juist zo worden verstaan, dat zij alleen van toepassing is indien het evenwicht daadwerkelijk is verstoord en de plaatsingsmogelijkheden van een Lid-Staat ontoereikend blijken te zijn. Voor het overige, aldus de Commissie, zal het Hof aan een dergelijke resolutie weliswaar geen rechtstreekse werking toekennen waaraan de justitiabelen rechten zouden kunnen ontlenen, doch zal het niet dulden dat een Lid-Staat zich erop beroept om zich te onttrekken aan de krachtens het Verdrag of het afgeleide recht op hem rustende verplichtingen.

De voorwaarden voor de integratie van de familie in het land van ontvangst omvatten niet alleen de mogelijkheden die — zoals uitdrukkelijk bepaald in artikel 12 van verordening nr. 1612/68 — aan de kinderen van de werknemer worden geboden, maar tevens die van de echtgeno(o)t(e) die zich bij de werknemer voegt, om een beroepsopleiding aan te vangen of te vervolledigen. Het is immers goed mogelijk dat de voorwaarden waaraan de echtgeno(o)t(e) moet voldoen om in een andere Lid-Staat te studeren, tot gevolg hebben dat de werknemer ervan afziet aldaar te gaan werken, of beslist zijn werk aldaar op te zeggen om terug te keren naar zijn land van herkomst. Voor zover die voorwaarden discriminerend zijn kunnen zij bijgevolg de mobiliteit belemmeren.

Met betrekking tot de eerste vraag oppert de Commissie, dat verzoekers' situatie afhangt van de rechtspositie die een ambtenaar van de Gemeenschappen voor zichzelf en zijn familie geniet; deze vloeit in de eerste plaats voort uit het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten. Zij wijst erop dat een ambtenaar ingevolge artikel 20 van het Statuut verplicht is, „in zijn standplaats te wonen of op zodanige afstand daarvan dat hij niet gehinderd wordt in de uitoefening van zijn werkzaamheden”.

Artikel 12, sub b, van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten, naar luid waarvan de ambtenaren en overige personeelsleden van de Gemeenschappen ... ongeacht hun nationaliteit, op het grondgebied van elk der Lid-Staten ... te zamen met hun echtgenoten en de te hunnen laste zijnde verwanten (zijn) vrijgesteld van immigratiebeperkingen en vreemdelingenregistratie 33, vertaalt twee basisgedachten die herhaaldelijk in het gemeenschapsrecht aan bod komen; het beginsel van de hereniging van gezinnen en het beginsel dat ambtenaren met inachtneming van een zo breed mogelijk geografische spreiding worden aangeworven. Mitsdien rijst de vraag, of met name de voorwaarden voor de integratie van de familie van de ambtenaar in de Lid-Staat waar hij moet gaan wonen, niet afdoen aan de vrijheid van de Gemeenschappen, hun ambtenaren met inachtneming van een zo breed mogelijke geografische spreiding te selecteren en aan te werven, en meer in het bijzonder, of de voorwaarden waaronder de gezinsleden van ambtenaren toegang kunnen krijgen tot het onderwijs en die een discriminatie op grond van de nationaliteit inhouden, wellicht het aantal potentiële gegadigden per land kunnen beperken of zelfs de stabiliteit van het gemeenschapspersoneel kunnen aantasten. Een dergelijke maatregel zou bovendien een aanzienlijk verschil in behandeling tot gevolg hebben, in strijd met het beginsel van gelijke behandeling van ambtenaren.

Zoals het Hof overwoog in zaak 208/80 (Lord Bruce of Donington, Jurispr. 1981, blz. 2205), dienen de Lid-Staten ingevolge de krachtens artikel 5 EEG-Verdrag op hen rustende verplichting, de Gemeenschap de vervulling van haar taak te vergemakkelijken, „geen maatregelen te nemen welke de interne gang van zaken van de instellingen van de Gemeenschap kunnen belemmeren”. Zelfs indien het onderwijsbeleid als zodanig niet binnen de werkingssfeer valt van het EEG-Verdrag, kan het in artikel 7 EEG-Verdrag neergelegde discriminatieverbod worden toegepast op een daarmee verband houdende maatregel, wanneer de uitoefening van een communautaire bevoegdheid — in casu de werking van de instellingen — in geding is.

Wat de tweede vraag betreft wijst de Commissie er vooreerst op dat artikel 13 van het Protocol ertoe strekt, een uniforme belasting van de salarissen van de ambtenaren te waarborgen evenals het recht van de instellingen om de werkelijke bedragen van de salarissen op uniforme wijze vast te stellen. Deze bepaling staat immers eraan in de weg, dat ten gevolge van de heffing van uiteenlopende nationale belastingen de werkelijke beloning van de ambtenaren zou verschillen naar gelang hun nationaliteit of woonplaats (zaak 32/67, Van Leeuwen, Jurispr. 1968, blz. 63). Weliswaar dragen ambtenaren van de Gemeenschappen niet onder dezelfde voorwaarden en in gelijke mate bij aan de algemene begroting van de staat waar zij hun standplaats hebben als de overige belastingplichtingen van die staat, maar het moet onaanvaardbaar worden geacht, dat het land van ontvangst door de aanwezigheid van de instellingen ongerechtvaardigde inkomsten zou genieten uit de heffing van belasting op de door die instellingen uit bijdragen van alle Lid-Staten betaalde ambtenarensalarissen. Dit wil evenwel niet zeggen, dat de ambtenaren van de Gemeenschappen niet bijdragen aan de algemene begroting van de ontvangende staat. In werkelijkheid dragen zij bij aan de inkomsten van die staat, indirect door de belastingen die zij aan de Gemeenschappen betalen, en direct door hun verblijf op het grondgebied van dit land.

Voor het overige zij vastgesteld, dat Belgische of Luxemburgse echtgenoten(s) van in België tewerkgestelde ambtenaren het collegegeld voor buitenlandse studenten volgens de betrokken maatregel niet hoeven te betalen. Hun echtgenoten(s) dragen echter in gelijke mate bij aan de algemene begroting van de Belgische Staat als ambtenaren wier echtgenoten(s) niet een van deze twee nationaliteiten bezitten en die het collegegeld wel moeten betalen; zij betalen evenmin nationale belasting over hun salaris. De Commissie vervolgt dat niettegenstaande deze belastingvrijstelling kinderen van in België wonende ambtenaren het collegegeld voor buitenlandse studenten sinds de invoering van de maatregel niet hebben behoeven te betalen. Op grond van het voorgaande kan worden vastgesteld, dat het argument ontleend aan de in artikel 13 voorziene belastingvrijstelling niet in alle situaties gelijkelijk opgaat. Bovenal kan worden geconcludeerd dat sprake is van discriminatie op grond van de nationaliteit.

III — Mondeling behandeling.

Ter terechtzitting van 25 november 1982 zijn mondelinge opmerkingen gemaakt door de echtgenoten Forcheri, vertegenwoordigd door E. Lebrun, advocaat te Brussel, de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door D. Donaldson, barrister, en de Commissie, vertegenwoordigd door C. Durand, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde.

De advocaatgeneraal heeft ter terechtzitting van 26 januari 1983 conclusie genomen.

In rechte

1 Bij vonnis van 11 december 1981, ingekomen ten Hove op 14 mei 1982, heeft de vrederechter van het vierde kanton te Brussel krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 7 en 48 EEG-Verdrag, verordening nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB L 257 van 1968, blz. 2) en de artikelen 12 en 13 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen.

2 Deze vragen zijn gerezen in een geding over het aanvullend inschrijvingsgeld, het zogenoemde collegegeld voor buitenlandse studenten, dat de Italiaanse echtgenote van een in Brussel tewerkgestelde ambtenaar van de Commissie, eveneens van Italiaanse nationaliteit, moest betalen bij het begin van het schooljaar in 1979 en 1980.

3 Dit collegegeld moet in België sinds het begin van het schooljaar 1976 in beginsel worden betaald door alle studenten die niet de Belgische nationaliteit bezitten of wier ouders niet in België woonachtig zijn. Volgens een ten tijde van de betrokken inschrijvingen geldende circulaire van het ministerie van Nationale Opvoeding, Franstalig regime, van 8 juli 1978 was in het nietuniversitair hoger onderwijs — waartoe het Institut supérieur de sciences humaines appliquées behoort waar Forcheri zich had ingeschreven — het collegegeld voor. buitenlandse studenten niet verschuldigd door studenten waarvan de ouders bij de Europese Gemeenschappen in België tewerkgestelde buitenlandse ambtenaren zijn of waarvan de in België woonachtige echtgeno(o)t(e) aldaar arbeid in loondienst verricht en belasting afdraagt aan de Belgische schatkist. Voor het academisch jaar 1981/82 evenwel gold ingevolge een circulaire van 12 mei 1981 ook voor de echtgeno(o)t(e) — dus niet alleen de kinderen — van een in België woonachtige ambtenaar van de Gemeenschappen dezelfde regeling als voor studenten die de Belgische nationaliteit bezitten.

4 Toen hij het ministerie van Nationale Opvoeding om uitleg verzocht, kreeg betrokkenes echtgenoot in een brief van 7 mei 1980 als antwoord, dat mevrouw Forcheri als echtgenote van een Europees ambtenaar geen recht had op vrijstelling van het collegeld voor buitenlandse studenten, daar dat voorrecht slechts werd toegekend indien de echtgeno(o)t(e) van de student(e) arbeid in loondienst verrichtte en belastingen betaalde aan de Belgische schatkist, hetgeen niet het geval was met ambtenaren van de Europese Gemeenschappen.

5 Daarop hebben verzoekers in het hoofdgeding de zaak aanhangig gemaakt bij de vrederechter van het vierde kanton te Brussel, die, oordelende dat voor de oplossing van het geschil de uitlegging van het gemeenschapsrecht noodzakelijk is, het Hof de volgende prejudiciële vragen heeft voorgelegd:

  1. Mag volgens het gemeenschapsrecht, inzonderheid in het licht van het onder meer in artikel 7 EEG-Verdrag en, voor het vrije verkeer van werknemers, in de artikelen 48 en 49 EEG-Verdrag neergelegde verbod van discriminatie tussen onderdanen van de EG-Lid-Staten, alsmede gelet op artikel 12 van 's Raads verordening nr. 1612/68 van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap, zoals gewijzigd bij 's Raads verordening nr. 312/76 van 9 februari 1976, en artikel 12 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen, in België van studenten die gehuwd zijn met een Europees ambtenaar, de nationaliteit van een der Lid-Staten bezitten en in België wonen omdat hun echtgeno(o)t(e) wegens zijn (haar) aanstelling bij een der instellingen van de Europese Gemeenschappen verplicht is aldaar te wonen, betaling worden verlangd van collegegeld voor buitenlandse studenten, welk collegegeld Belgische en Luxemburgse studenten niet behoeven te betalen?

  2. Wordt artikel 13, tweede alinea, van het Protocol betreffende de voorrechten eņ immuniteiten van de Europese Gemeenschappen niet miskend, door aan voornoemde studenten vrijstelling van het collegegeld voor buitenlandse studenten te weigeren op grond dat hun echtgeno(o)t(e) als Europees ambtenaar geen belasting betaalt aan de Belgische schatkist?

6 Met deze vragen wenst de nationale rechter de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht te kunnen beoordelen van een nationale bepaling ingevolge welke de echtgeno(o)t(e) van een gemeenschapsambtenaar die woont in de Lid-Staat waar hij zijn werkzaamheden uitoefent, voor het volgen van hoger onderwijs een inschrijvingsgeld moet betalen dat eigen onderdanen en hun echtgenoten(s) niet verschuldigd zijn.

7 Vooreerst moet erop worden gewezen, dat artikel 7 EEG-Verdrag, binnen de werkingssfeer van het Verdrag en onverminderd de bijzondere bepalingen daarin gesteld, elke discriminatie op grond van nationaliteit verbiedt.

8 In casu wordt niet betwist, dat de betrokken regeling Belgische onderdanen en onderdanen van de andere Lid-Staten onderscheiden behandelt. De vraag van de nationale rechter is derhalve, of in het geval van de echtgeno(o)t(e) van een gemeenschapsambtenaar die niet de Belgische of de Luxemburgse nationaliteit bezit, de betaling van het inschrijvingsgeld tot de „werkingssfeer” van het EEG-Verdrag behoort en, zo ja, of daarbij het feit dat in België gevestigde gemeenschapsambtenaren geen belasting aan de Belgische Staat behoeven te betalen, relevant is.

9 In antwoord op deze vraag moet worden opgemerkt, dat de rechtspositie van de gemeenschapsambtenaren in de Lid-Staat waar zij zijn tewerkgesteld om tweeërlei redenen tot de werkingssfeer van het EEG-Verdrag behoort, te weten hun dienstbetrekking met de Gemeenschap en op grond dat zij alle voordelen moeten genieten die ter zake van het vrije verkeer van personen, het vestigingsrecht en de sociale zekerheid voor de onderdanen van de Lid-Staten uit het gemeenschapsrecht voortvloeien.

10 Artikel 48 EEG-Verdrag bepaalt dat het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap uiterlijk aan het einde van de overgangsperiode tot stand wordt gebracht. Dit houdt de afschaffing in van elke discriminatie op grond van de nationaliteit tussen de werknemers der Lid-Staten, wat betreft de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden.

11 Volgens zowel de communautaire wetgevende praktijk als vaste rechtspraak van het Hof moet het recht van het vrije verkeer niet in enge zin worden uitgelegd. Luidens de considerans van verordening nr. 1612/68 van de Raad gaat het hierbij voor de werknemers en hun familie om een fundamenteel recht, aangezien de mobiliteit der arbeidskrachten in de Gemeenschap een van de middelen moet zijn om de werknemer de mogelijkheid tot verbetering van zijn levensomstandigheden en arbeidsvoorwaarden te waarborgen en de verbetering van zijn sociale positie te vergemakkelijken.

12 Volgens de vijfde overweging van de onderhavige verordening vereist het recht van het vrije verkeer, om volgens objectieve maatstaven van waardigheid en vrijheid te kunnen worden uitgeoefend, dat de gelijkheid van behandeling in alles wat de uitoefening van arbeid in loondienst en de toegang tot huisvesting betreft, in feite en in rechte verzekerd is, alsmede dat de belemmeringen voor de mobiliteit van de werknemers uit de weg worden geruimd, met name wat betreft het recht van de werknemer om zijn familie te doen overkomen en de voorwaarden voor de integratie van deze familie in het land van ontvangst.

13 Derhalve rijst de vraag, of de toelating tot een opleiding, met name tot een beroepsopleiding, tot de werkingssfeer van het EEG-Verdrag behoort.

14 Artikel 128 EEG-Verdrag bepaalt, dat de Raad op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité de algemene beginselen vaststelt voor de toepassing van een gemeenschappelijk beleid met betrekking tot de beroepsopleiding dat kan bijdragen tot een harmonische ontwikkeling zowel van de nationale economieën als van de gemeenschappelijke markt.

15 Ter uitvoering van deze bepaling heeft de Raad op 2 april 1963 besluit 63/266 genomen houdende vaststelling van de algemene beginselen voor de toepassing van een gemeenschappelijk beleid met betrekking tot de beroepsopleiding (PB 1963, blz. 1338). In de considerans van dit besluit heet het onder meer, dat de toepassing van een doeltreffend gemeenschappelijk beleid met betrekking tot de beroepsopleiding de verwezenlijking van het vrije verkeer van werknemers zal bevorderen en dat een ieder tijdens de verschillende perioden van zijn beroepsleven de mogelijkheid moet hebben een passende opleiding te ontvangen, zich verder te bekwamen en, indien nodig, herscholing te ontvangen.

16 Volgens het tweede in het besluit neergelegde beginsel dient het gemeenschappelijk beleid met betrekking tot de beroepsopleiding op een aantal fundamentele doelstellingen te zijn gericht — waaronder het scheppen van zodanige voorwaarden dat allen van het recht op het ontvangen van een passende beroepsopleiding metterdaad gebruik kunnen maken — die een ieder de mogelijkheid bieden om naar gelang van zijn ambities, zijn beroepsgeschiktheid, zijn kennis en zijn arbeidservaring een hoger niveau in zijn beroep te bereiken of zich voor te bereiden op een nieuwe beroepsarbeid van hoger niveau.

17 Hieruit volgt dat het beleid met betrekking tot het onderwijs en de opleiding als zodanig weliswaar geen deel uitmaakt van de gebieden waarop krachtens het EEG-Verdrag de gemeenschapsinstellingen bevoegd zijn, doch de toelating tot een dergelijke opleiding tot de werkingssfeer van het EEG-Verdrag behoort.

18 Wanneer derhalve een Lid-Staat een onderwijsprogramma voor met name de beroepsopleiding organiseert, vormt de omstandigheid dat een rechtmatig in die Lid-Staat verblijvende onderdaan van een andere Lid-Staat voor het volgen van lessen een inschrijvingsgeld moet betalen dat niet wordt gevorderd van eigen onderdanen, een door artikel 7 EEG-Verdrag verboden discriminatie op grond van de nationaliteit.

19 Met betrekking tot de bijzondere positie van de gemeenschapsambtenaar en zijn gezin zij erop gewezen, dat de ambtenaar krachtens artikel 20 Ambtenarenstatuut verplicht is in zijn standplaats te wonen. Voorts is hij weliswaar krachtens artikel 13, tweede alinea, van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen vrijgesteld van nationale belastingen op de door de Gemeenschappen betaalde salarissen, lonen en emolumenten, doch ingevolge artikel 13, eerste alinea, zijn die salarissen, lonen en emolumenten onderworpen aan een belasting ten bate van de Gemeenschappen, waaruit de ontvangende Lid-Staat als lid van de Gemeenschappen indirect voordeel haalt. De omstandigheid dat de ambtenaar geen loonbelasting aan de nationale schatkist afdraagt, vormt derhalve geen geldige grond om hem en zijn gezin anders te behandelen dan een migrerend werknemer wiens inkomsten aan de belastingregeling van het land van verblijf zijn onderworpen.

Kosten

20 De kosten door de regeringen van de Italiaanse Republiek en het Verenigd Koninkrijk en door de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),

uitspraak doende op de door de vrederechter van het vierde kanton te Brussel bij vonnis van 11 december 1981 gestelde vragen,

verklaart voor recht:

Wanneer een Lid-Staat een onderwijsprogramma voor met name de beroepsopleiding organiseert, vormt de omstandigheid dat een rechtmatig in die Lid-Staat verblijvende onderdaan van een andere Lid-Staat voor het volgen van lessen een inschrijvingsgeld moet betalen dat niet wordt gevorderd van eigen onderdanen, een door artikel 7 EEG-Verdrag verboden discriminatie op grond van de nationaliteit.

O'Keeffe

Pescatore

Bosco

Koopmans

Bahlmann

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 13 juli 1983.

De griffier

P. Heim

De president van de Vierde kamer

A. O'Keeffe