Hof van Justitie EU 06-11-1984 ECLI:EU:C:1984:334
Hof van Justitie EU 06-11-1984 ECLI:EU:C:1984:334
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 6 november 1984
Uitspraak
In zaak 177/83,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Landgericht München I in het aldaar aanhangig geding tussen
Th. Kohl KG, te Regensburg,
en1. Ringelhan & Rennett SA, te Annecy,
2. Ringelhan Einrichtungs GmbH, te Oberhausen,
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: Mackenzie Stuart, president, G. Bosco, O. Due en C. Kakouris, kamerpresidenten, A. O.'Keeffe, T. Koopmans, U. Everling, K. Bahlmann en Y. Galmot, rechters,
advocaatgeneraal: C. O. Lenz
griffier: P. Heim
het navolgende
ARREST
De feiten
De verwijzingsbeschikking, het procesverloop en de krachtens artikel 20 van's Hofs Statuut-EEG ingediende opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:
I — De feiten en het procesverloop
1. Deze zaak heeft betrekking op het gebruik van een onderscheidend teken door een Franse vennootschap op de Duitse markt. De Franse vennootschap Ringelhan & Rennett SA, verweerster sub 1 in het hoofdgeding, werd in 1971 opgericht als dochtermaatschappij van de Duitse vennootschap Ringelhan & Rennett die, na in 1982 failliet te zijn gegaan, werd ontbonden. Sinds dit faillissement treedt verweerster sub 2, Ringelhan Einrichtungs GmbH, in Duitsland op als vertegenwoordigster van de Franse vennootschap, die eerder reeds aan een derde was overgedragen. De vroegere Duitse vennootschap Ringelhan & Rennett en de firma Kohl KG, verzoekster in het hoofdgeding, behoorden tot de toonaangevende fabrikanten en installateurs van apotheekinrichtingen op de Duitse markt.
De vroegere Duitse vennootschap Ringelhan & Rennett en haar dochtermaatschappijen in andere Lid-Staten, waaronder de Franse vennootschap, presenteerden onder hun gemeenschappelijke handelsnaam een indentiek interieurprogramma voor apotheken; als bedrijfsvignet gebruikten zij de letters „r + r” in wit op rode achtergrond. Na het faillissement van de Duitse vennootschap bleven de Franse vennootschap en haar nieuwe vertegenwoordigster in Duitsland dit vignet gebruiken voor de presentatie en verkoop van hun produkten op de Duitse markt.
2. Op 27 januari 1983 verzocht de firma Kohl krachtens paragraaf 3 van het Duitse „Gesetz gegen den unlauteren Wettbewerb” (wet op de oneerlijke mededinging; hierna: UWG) het Landgericht München I verweersters te verbieden in het economisch verkeer in hun reclame voor apotheekinterieurs gebruik te maken van het vignet „r + r” van de vroegere vennootschap Ringelhan & Rennett, zonder daarbij duidelijk aan te geven dat er geen enkele juridische of economische band met die vennootschap bestaat.
Paragraaf 3 UWG luidt als volgt:
„Hij die in het economisch verkeer voor mededingingsdoeleinden misleidende mededelingen doet omtrent commerciële gegevens, met name omtrent de aard, de herkomst, de wijze van vervaardiging of de prijs van afzonderlijke goederen of commerciële diensten of van zijn gehele aanbod, omtrent prijslijsten, de wijze waarop of de bron waarbij goederen kunnen worden verkregen, omtrent verkregen onderscheidingen, de aanleiding of het doel van de verkoop of omtrent de omvang van voorraden, kan desgevorderd worden veroordeeld tot staking van deze mededelingen.”
Voor het Landgericht heeft verzoekster gesteld, dat het gebruik van het betrokken onderscheidend teken de onjuiste indruk wekt dat het om de vroegere Duitse vennootschap zou gaan, die een uitstekende reputatie genoot, ofschoon daarmee geen enkele band meer bestaat. Verweersters zouden aldus op onoirbare wijze profiteren van de goodwill van de vroegere vennootschap.
Verweersters hebben in hoofdzaak aangevoerd, dat de Franse en de Duitse yennootschap, voordat deze laatste failliet ging, een economische eenheid vormden met aan het hoofd een algemeen directeur. Zij hadden een gezamenlijk produktieprogramma en marketingconcept. Bij gelegenheid had ook de Franse vennootschap apotheekinterieurs naar de Bondsrepubliek Duitsland geleverd. Krachtens artikel 30 EEG-Verdrag was de Franse vennootschap derhalve ook na het faillissement van de Duitse vennootschap gerechtigd het vignet „r + r” ook op de Duitse markt te gebruiken, en men kon haar niet dwingen daaraan andere dan de in het economisch verkeer gebruikelijke aanduidingen toe te voegen.
3. In het kader van dit geschil heeft het Landgericht München I bij beschikking van 9 juni 1983 het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag de navolgende prejudiciële vraag gesteld:
„Indien
een buitenlandse (in casu: Franse) onderneming tot nog toe rechtmatig in haar eigen land (in casu: Frankrijk) in het handelsverkeer een vignet (in casu: „r + r” in witte letters op contrasterende achtergrond) heeft gebruikt ter aanduiding van de onderneming,
deze buitenlandse (in casu: Franse) onderneming een concern vormde met een onderneming in de Bondsrepubliek Duitsland, die in de Bondsrepubliek Duitsland hetzelfde vignet ter aanduiding van die onderneming gebruikte totdat deze (Duitse) onderneming failliet ging en verdween,
het gebruik van het betrokken vignet door de buitenlandse (Franse) onderneming in de Bondsrepubliek naar nationaal (Duits) mededingingsrecht niet is toegestaan, omdat dit vignet in het (Duitse) handelsverkeer wordt opgevat als een verwijzing naar de niet meer bestaande Duitse onderneming of in elk geval naar het (eveneens niet meer bestaande) concern, en een dergelijk gebruik derhalve misleidend is (par. 3 UWG),
staat het gemeenschapsrecht (met name artikel 30 EEG-Verdrag) dan in de weg aan een verbod aan de buitenlandse (Franse) onderneming om het vignet in de Bondsrepubliek Duitsland te voeren?
Is in dit verband de mate van misleiding van belang?”
4. De verwijzingsbeschikking is op 6 augustus 1983 ingeschreven ter griffie van het Hof.
Krachtens artikel 20 van's Hofs Sta-ţuut-EEG zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door Th. Kohl KG, verzoekster in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door H. Schwanhäusser, advocaat te München; Ringelhan & Rennett Sa en Ringelhan Einrichtungs GmbH, verweersters in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door J. Pagenberg, advocaat te München; de regering van de Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door M. Seidel, Ministerialrat bij het Bondsministerie van Economische Zaken, als gemachtigde; de regering van de Franse Republiek, vertegenwoordigd door J.-P. Costes, attaché bij het secretariaatgeneraal van het Comité interministeriel pour les questions de coopération économique européenne, als gemachtigde; en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door C. Bail, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde.
Op verzoek van de Bondsrepubliek Duitsland is de zaak krachtens artikel 95, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering naar het voltallige Hof verwezen.
Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en de advocaatgeneraal gehoord, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Het heeft partijen in het hoofdgeding evenwel enkele vragen gesteld, die binnen de gestelde termijn zijn beantwoord.
II — Bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen
De firma Kohl, verzoekster in bet hoofdgeding, en de Duitse regering betogen dat het gemeenschapsrecht zich niet verzet tegen een nationale wetgeving, op grond waarvan het gebruik van een misleidend onderscheidend teken in omstandigheden als in de prejudiciële vraag omschreven, kan worden verboden.
Overeenkomstig de „Cassis de Dijon”-rechtspraak moeten, bij gebreke van een gemeenschappelijke regeling, belemmeringen van het intracommunautaire handelsverkeer, die het gevolg zijn van dispariteiten van de nationale wettelijke regelingen, worden aanvaard voor zover de betrokken regeling, die zonder onderscheid van toepassing is op nationale en ingevoerde produkten, haar rechtvaardiging vindt in dwingende eisen verband houdende met, onder meer, de bescherming van de consumenten en de eerlijkheid van de handelstransacties. In een aantal arresten heeft het Hof rekening gehouden met verschillen tussen nationale regelingen, bijvoorbeeld op het gebied van slaafse nabootsing (zaak 6/81, Beele, Jurispr. 1982, blz. 707), het waarmerken van voorwerpen van edelmetaal (zaak 220/81, Robertson, Jurispr. 1982, blz. 2349), tekeningen en modellen (zaak 144/81, Keurkoop, Jurispr. 1982, blz. 2853) en verkoopbevordering door middel van geschenken (zaak 286/81, Oosthoek, Jurispr. 1982, blz. 4575). De Duitse rechters hebben zich aan deze rechtspraak geconformeerd, met name bij de toepassing van de Duitse wet op de oneerlijke mededinging.
De regeling van paragraaf 3 van deze wet, die zonder onderscheid van toepassing is op nationale en ingevoerde produkten, beantwoordt immers aan dwingende eisen verband houdende met de bescherming van de consumenten en de eerlijkheid van de handelstransacties. Een op deze bepaling gebaseerd verbod komt derhalve niet in strijd met de communautaire voorschriften inzake het vrije verkeer van goederen.
De Duitse regering is voorts van mening, dat de consumentenbescherming onder het in artikel 36 EEG-Verdrag bedoelde begrip „openbare orde” in ruime zin valt. Daarenboven blijkt uit artikel 1, lid 2, van het Unieverdrag van Parijs, dat de bescherming van de industriële en commerciële eigendom tevens de bescherming tegen oneerlijke mededinging op dit gebied omvat. Indien derhalve een verbod als in de onderhavige zaak aan de orde is, onder artikel 30 EEG-Verdrag zou vallen, zou het niettemin gerechtvaardigd zijn krachtens artikel 36 van het Verdrag.
De bescherming van de zojuist genoemde rechtsgoederen dient te worden verwezenlijkt met maatregelen die evenredig zijn aan het beoogde doel, maatregelen derhalve die het intracommunautaire goederenverkeer zo min mogelijk belemmeren. Een algeheel verbod om het hierbedoelde vignet te gebruiken, zou het beoogde doel voorbijschieten indien blijkt dat kan worden volstaan met een aanvullende vermelding omtrent de herkomst van het teken te verlangen. Daarbij moet aansluiting worden gezocht bij hetgeen in de Lid-Staat van invoer als een goed en eerlijk handelsgebruik wordt beschouwd (vgl. arrest van 22. 1. 1981, zaak 58/80, Dansk Supermarked, Jurispr. 1981, blz. 181). Het is dan ook de taak van de nationale rechter om enerzijds na te gaan of overeenkomstig het nationale recht sprake is van een misleidende aanduiding, en anderzijds de in verband daarmee noodzakelijke maatregelen te bepalen. Daarbij kan hij ook de mate van de misleiding in aanmerking nemen.
Volgens de vennootschappen Ringelhan, verweersters in bet hoofdgeding, en de Franse regering is een verbod als in de prejudiciële vraag bedoeld, onverenigbaar met de communautaire voorschriften inzake het vrije verkeer van goederen. Hiervoor zoeken zij steun bij's Hofs rechtspraak inzake de industriële en commerciële eigendom, met name het arrest van 3 juli 1974 (zaak 192/73, Kaffee Hag, Jurispr. 1974, blz. 731). Volgens dit arrest had de oude Duitse vennootschap zich voordat zij failliet ging, niet kunnen verzetten tegen de verkoop in de Bondsrepubliek Duitsland van door haar Franse dochtermaatschappij vervaardigde produkten die met haar toestemming waren voorzien van het gemeenschappelijk onderscheidend teken. Volgens het aangehaalde arrest kan de exclusiviteit van het betrokken recht, die het gevolg kan zijn van de territoriale gelding van de nationale wettelijke bepalingen, door de houder van het recht immers niet worden ingeroepen teneinde in een Lid-Staat het in de handel brengen te verbieden van goederen die in een andere Lid-Staat rechtmatig zijn geproduceerd onder een identiek merk dat dezelfde oorsprong heeft. A fortiori hadden derden een beroep op verwarring omtrent de herkomst van de betrokken produkten destijds niet kunnen baseren op paragraaf 3 UWG. Het faillissement van de vroegere Duitse vennootschap en de daaruit voortgevloeide verdwijning van het concern dat zij samen met verweerster sub 1 vormde, mogen niet tot gevolg hebben dat derden thans een beroep op misleiding kunnen doen, dat hun voordien ontzegd was.
De vennootschappen Ringelhan preciseren dat het merkrecht gemeenschapsrechtelijk ook is uitgeput wanneer, bij voorbeeld door een faillissement, de aanvankelijk gezamenlijke eigendom van het recht wordt opgesplitst. Zelfs schrijvers die de uitputting van het recht in geval van opsplitsing van overheidswege afwijzen, aanvaarden het in geval van faillissement. De vervreemding van een merkrecht na een faillietverklaring dient immers dezelfde rechtsgevolgen teweeg te brengen als een autonome en vrijwillige vervreemding van het recht voordat de faillissementsprocedure is ingeleid. In het onderhavige geval heeft de met de afwikkeling van het faillissement van de vroegere Duitse vennootschap belaste curator erin toegestemd, dat verweerster sub 1 het onderscheidend teken in Duitsland zou gebruiken. In zoverre liggen de feiten dus anders dan in de zaak-Kaffee Hag.
Ook's Hofs rechtspraak, volgens welke het vrije verkeer van goederen nationale bepalingen inzake oneerlijke mededinging in beginsel onverlet laat, leidt niet tot andere resultaten.
In casu heeft de toepassing van de Duitse wet op de oneerlijke mededinging immers slechts gevolgen voor produkten uit Frankrijk en uitsluitend wegens het feit dat zij worden ingevoerd met een onderscheidend teken tegen het gebruik waarvan als zodanig geen bezwaar kan worden gemaakt. De betrokken wet wordt in casu overigens niet zonder onderscheid toegepast op nationale en ingevoerde produkten, want indien de feiten van de onderhavige zaak zich volledig op de Duitse markt afspeelden, zou nimmer een verbod wegens oneerlijke concurrentie kunnen worden opgelegd.
Zelfs indien de Duitse wet toepasselijk zou zijn, zouden voor een geslaagd beroep op oneerlijke mededinging andere omstandigheden en verkoopmodaliteiten nodig zijn dan het enkele gebruik van het vignet. Volgens de rechtspraak is hierbij beslissend dat het produkt in de Lid-Staat van herkomst rechtmatig in de handel is gebracht. Verschil in smaak of presentatie, waarvan hier zelfs geen sprake kan zijn, zijn bij onder hetzelfde merk verkochte produkten onvoldoende grond om van een misleiding te spreken waartegen de consument zou moeten worden beschermd. Vereist is veeleer een gekwalificeerde misleiding, bij voorbeeld doordat produkten worden aangeboden die van mindere kwaliteit zijn dan voorheen, terwijl die kwaliteit volgens de reclame onveranderd zou zijn gebleven, of doordat de herkomst van de betrokken produkten opzettelijk verborgen wordt gehouden voor de consument.
Wanneer dit niet het geval is, kan op grond van het nationale recht betreffende de oneerlijke mededinging, van de buitenlandse gebruiker van een onderscheidend teken niet worden verlangd dat hij dat teken op zijn produkten of in zijn reclame op tentoonstellingen, in kranten of folders in een afwijkende vorm gebruikt of aanvult met vermeldingen die met het oog op de eerlijkheid in de handel niet gebruikelijk zijn en afbreuk kunnen doen aan de werfkracht van het teken. De buitenlandse rechthebbende op een opgesplitst onderscheidend teken heeft namelijk het recht om het te blijven gebruiken in de vorm die beantwoordt aan de normale handelsgebruiken in de gehele Gemeenschap.
Daarmee is tevens antwoord gegeven op de bijkomende vraag van het Landgericht, namelijk of de mate van „misleiding” van het betrokken publiek van belang kan zijn voor de toepasselijkheid van de gemeenschapsrechtelijke voorschriften. Indien vóór en na de opsplitsing van het concern dat rechthebbende was op het onderscheidend teken, op dit punt een opiniepeiling onder het Duitse publiek was gehouden, zou het resultaat in beide gevallen nagenoeg hetzelfde zijn geweest. De situatie vóór de opsplitsing was immers niet anders, noch wat het resultaat van een opiniepeiling, noch wat de rechtsgevolgen van een mogelijke misleiding betreft. Voor de toepassing van het gemeenschapsrecht is de ontbinding van het concern niet relevant.
De Commissie van de Europese Gemeenschappen deelt in grote lijnen de opvatting van Ringelhan, voor zover deze berust op de gemeenschapsrechtelijke uitputting van opgesplitste industriële eigendomsrechten; zij is van mening, dat het enkele gebruik van het onderhavige recht, zonder dat daar een ander element bijkomt, onvoldoende is om het bestaan van oneerlijke medediging jegens derden aan te nemen.
Het Duitse recht maakt onderscheid tussen onderscheidende tekens voor produkten of diensten, waarvan de bescherming uitsluitend in de merkenwet (Warenzeichengesetz) is geregeld, en onderscheidende tekens van ondernemingen (Unternehmenskennzeichen), die als zodanig niet als merk zijn geregistreerd en waarvan de bescherming ontstaat door het gebruik ervan op het nationale grondgebied. De bescherming van deze tekens is geregeld in het Bürgerliche Gesetzbuch en het Gesetz gegen den unlauteren Wettbewerb.
De Commissie meent dat de rechtspraak betreffende de uitputting van industriële en commerciële eigendomsrechten eveneens toepasselijk is op handelsnamen en onderscheidende tekens van ondernemingen. In al deze gevallen leidt de territoriale bescherming die de nationale wetten bieden, tot een afscherming van de nationale markten, welke in geval van opsplitsing van rechten van dezelfde oorsprong niet meer door een rechtmatig belang wordt gerechtvaardigd. Die rechtspraak geldt zowel voor het geval waarin een derde een rechtsvordering wegens oneerlijke mededinging instelt, als voor het geval waarin de rechthebbende aanspraak maakt op bescherming van zijn opgesplitst recht. De belemmering van het handelsverkeer als gevolg van een door een derde gevorderd verbod is immers geen uitvloeisel van dispariteiten tussen nationale wetgevingen, maar van de territoriale beperking van het betrokken beschermde recht. Onder deze omstandigheden moet de toepasselijkheid van de nationale wet worden beoordeeld ten opzichte van de door artikel 36 EEG-Verdrag geboden bescherming, en niet volgens de minder strenge maatstaven van de „Cassis de Dijon”-recht-spraak.
Maar ook wanneer geen beroep op artikel 36 kan worden gedaan om zich op grond van gevaar voor misleiding te verzetten tegen het gebruik van een onderscheidend teken als zodanig, behoudt het nationale recht inzake de oneerlijke mededinging zijn betekenis voor de beoordeling van _ bijkomende omstandigheden die erop wijzen, dat de gebruiker van het teken niet met de vereiste eerlijkheid handelt. De toepassing van nationale bepalingen op grond waarvan een verbod kan worden gevorderd, wordt evenwel beperkt door de eisen van het gemeenschapsrecht. De Commissie beklemtoont, dat een op gevaar van misleiding van de consument gebaseerd algemeen verbod aan een voormalig onderdeel van een onderneming om het vroegere concernteken in een Lid-Staat te gebruiken, niet verenigbaar is met artikel 30. De consument in de gemeenschappelijke markt maakt er zich in beginsel niet druk over, van welk concernonderdeel in welke Lid-Staat een onder een concernteken verkocht produkt afkomstig is. Ook het feit dat de consument bepaalde kwaliteitsverwachtingen heeft van onder een bepaalde benaming verkochte produkten, behoeft niet noodzakelijkerwijs beslissend te zijn. Indien de door de voortbestaande onderneming van het vroegere concern aangeboden produkten een aanzienlijk kwaliteitsverschil vertonen, zou men op grond van het evenredigheidsbeginsel hoogstens de eis kunnen stellen, dat het onderscheidend teken wordt aangevuld met vermeldingen die elke kans op verwarring uitsluiten. Uit de verwijzingsbeschikking blijkt echter niet dat zich in casu dergelijke bijkomende omstandigheden voordoen.
III — Mondelinge behandeling
Ter terechtzitting van 28 juni 1984 zijn mondelinge opmerkingen gemaakt door de firma Th. Kohl KG, verzoekster in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door H. Eichmann, advocaat te München; de vennootschappen Ringelhan & Rennett SA en Ringelhan Einrichtungs GmbH, verweersters in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door J. Pagenberg, advocaat te München; de regering van de Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door M. Seidel, Ministerialrat bij het Bondsministerie van Economische Zaken, als gemachtigde; en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door C. Bail, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde.
De advocaatgeneraal heeft ter terechtzitting van 19 september 1984 conclusie genomen.
In rechte
1 Bij beschikking van 11 augustus 1983, ingekomen ten Hove op 16 augustus daaraanvolgend, heeft het Landgericht München I krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 30 EEG-Verdrag, ten einde zich te kunnen uitspreken over de verenigbaarheid met dit artikel van een bepaling van de Duitse wet op de oneerlijke mededinging
2 Paragraaf 3 van de Duitse wet op de oneerlijke mededinging („Gesetz gegen den unlauteren Wettbewerb”) verbiedt het doen van „misleidende mededelingen ... omtrent de herkomst... van afzonderlijke goederen of ... de bron waarbij goederen kunnen worden verkregen... Hij die in het economisch verkeer voor mededingingsdoeleinden zodanige mededelingen doet, kan desgevorderd worden veroordeeld tot staking daarvan.
3 Met een beroep op deze bepaling verzet een in de vervaardiging en verkoop van apotheekinrichtingen gespecialiseerde onderneming, de firma Kohl ţe Regensburg, zich ertegen, dat een in Frankrijk gevestigde onderneming die op de Duitse markt dezelfde waren verkoopt als zijzelf, gebruik maakt van een onderscheidend teken dat vroeger werd gebruikt door een door de Duitse vennootschap Ringelhan & Rennett geleid concern.
4 Blijkens het dossier is de Franse vennootschap Ringelhan & Rennett SA, te Annecy (Frankrijk), in 1971 opgericht als dochteronderneming van de Duitse vennootschap Ringelhan & Rennett. Het aldus tot stand gekomen concern voerde het vignet „r + r”, in witte letters op contrasterende achtergrond, ter aanduiding van de tot het concern behorende ondernemingen. Na het faillissement en de ontbinding van de Duitse vennootschap Ringelhan & Rennett in 1982, bleef de inmiddels aan een derde overgedragen Franse vennootschap het onderscheidend teken gebruiken, na daartoe door de curator in het faillissement van de Duitse vennootschap te zijn gemachtigd. Voor de verkoop van haar apotheekinrichtingen op de Duitse markt bediende de Franse vennootschap zich van haar nieuwe vertegenwoordigster in de Bondsrepubliek Duitsland, de Duitse vennootschap Ringelhan Einrichtungs GmbH, te Oberhausen.
5 De firma Kohl verwijt de Franse vennootschap Ringelhan & Rennett SA en de nieuwe Duitse vennootschap Ringelhan Einrichtungs GmbH, dat zij in hun zakelijke betrekkingen en in hun reclame op de Duitse markt gebruik maken van het vignet „r + r”, zonder aan te geven dat er geen enkele juridische of economische band meer bestaat met de voormalige Duitse vennootschap Ringelhan & Rennett, die destijds in de betrokken branche een uitstekende reputatie genoot. Daarmee zouden de twee huidige vennootschappen Ringelhan het Duitse publiek hebben misleid.
6 De grief van de firma Kohl werd door de Duitse rechterlijke instanties, rechtsprekend in kort geding, gegrond geacht, voor zover de reclame van de twee huidige vennootschappen Ringelhan, door niet te vermelden dat geen band bestaat met de voormalige Duitse vennootschap, de indruk zou wekken dat de goederen afkomstig zijn van de voormalige vennootschap en niet van een buitenlandse onderneming. Bij beschikkingen in kort geding voorafgaand aan het hoofdgeding, werd de twee vennootschappen gelast, het gebruik van het onderscheidend teken voorlopig te staken.
7 Het Landgericht München I, dat ten gronde van de zaak kennis neemt, is van oordeel dat het gebruik van het vignet in de Bondsrepubliek Duitsland door de Franse vennootschap, ofschoon het in Frankrijk rechtmatig wordt gevoerd, naar Duits mededingingsrecht ongeoorloofd is, daar de betrokken economische sector in Duitsland dit vignet in verband zou kunnen brengen met de niet meer bestaande Duitse onderneming of in elk geval met het eveneens niet meer bestaande concern, en zodanig gebruik derhalve misleidend is in de zin van paragraaf 3 van de Duitse wet op de oneerlijke mededinging.
8 Hiervan uitgaand vraagt de nationale rechter, of het gemeenschapsrecht, en inzonderheid artikel 30 EEG-Verdrag, in de weg staat aan een verbod aan de Franse vennootschap om het onderscheidend teken op Duits grondgebied te voeren, en zo ja, of in dit verband de mate van misleiding van belang is.
9 Met deze vraag wenst de nationale rechter te vernemen, of een wettelijke regeling van een Lid-Staat inzake de oneerlijke mededinging is te beschouwen als een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking in de zin van artikel 30 EEG-Verdrag, voor zover ingevolge die regeling aan een in een andere Lid-Staat gevestigde onderneming het gebruik van een in die andere Lid-Staat rechtmatig gebruikt onderscheidend teken kan worden verboden op de enkele grond dat dit teken vroeger werd gebruikt door een concern waartoe de onderneming te zamen met een in de eerste Lid-Staat gevestigde en inmiddels ontbonden onderneming behoorde, en om die reden door het publiek zou kunnen worden begrepen als een verwijzing naar die verdwenen onderneming of dat verdwenen concern.
10 Vooreerst zij erop gewezen, dat in het onderhavige geval de onderneming die het verbod om het betrokken teken in de Bondsrepubliek Duitsland te gebruiken heeft gevorderd, niet heeft gesteld dat zij zelf rechthebbende is op een soortgelijk onderscheidend teken of op een ander voorwerp van industriële eigendom, zoals een handelsmerk, en dat het gebruik van het betrokken teken door de Franse vennootschap inbreuk maakt op haar rechten dan wel bij het Duitse publiek aanleiding kan geven tot verwarring van haar eigen produkten met die van de Franse onderneming. Zij heeft enkel aangevoerd, dat het gebruik van het betrokken teken „irreführend” (misleidend) is alleen al omdat het door het Duitse publiek zou kunnen worden begrepen als een verwijzing naar een andere, inmiddels niet meer bestaande Duitse onderneming.
11 Onder deze omstandigheden gaat het er in de gestelde vraag dus om, of met het Verdrag verenigbaar is een nationale wettelijke bepaling op grond waarvan het gebruik van een onderscheidend teken door een in een andere Lid-Staat gevestigde onderneming kan worden verboden, ofschoon het gebruik ervan in die andere Lid-Staat rechtmatig is en het ook in de Lid-Staat waaide door deze onderneming verkochte waren worden ingevoerd, rechtmatig was totdat het concern waarvan deze onderneming te zamen met een in de Lid-Staat van invoer gevestigde onderneming deel uitmaakte, werd ontbonden.
12 Dienaangaande hebben de firma Kohl, verzoekster in het hoofdgeding, en de regering van de Bondsrepubliek Duitsland gewezen op's Hofs rechtspraak, volgens welke, bij gebreke van een gemeenschappelijke regeling, belemmeringen van het intracommunautaire handelsverkeer als gevolg van dispariteiten tussen de nationale wettelijke regelingen moeten worden aanvaard voor zover een dergelijke regeling, die zonder onderscheid van toepassing is op nationale en op ingevoerde produkten, noodzakelijk is op grond van dwingende redenen verband houdende met, onder meer, de bescherming van de consument en de eerlijkheid van de handelstransacties.
13 Volgens de vennootschappen Ringelhan, verweersters in het hoofdgeding, de regering van de Franse Republiek en de Commissie is deze rechtspraak niet van toepassing in een geval als het onderhavige, waarin de door de toepassing van de nationale wetgeving geschapen handelsbelemmering het gevolg is van het faillissement van een Duitse vennootschap en de verdwijning van het concern dat zij tezamen met een Franse vennootschap had gevormd. Dergelijke omstandigheden mogen er niet toe leiden, dat een concurrent op de Duitse markt een beroep kan doen op de consumentenbescherming, terwijl hij zich vóór de ontbinding van het concern niet daarop kon beroepen.
14 Vooreerst moet worden onderzocht of een nationale wettelijke regeling als in deze zaak aan de orde is, voor wat haar invloed op het handelsverkeer tussen Lid-Staten betreft, kan worden geacht zonder onderscheid van toepassing te zijn op nationale en ingevoerde produkten. Dit is namelijk de voorwaarde waaronder de door de firma Kohi en de Duitse regering aangehaalde rechtspraak toepasselijk is, gelijk het Hof onder meer in zijn arrest van 17 juni 1981 (zaak 113/80, Commissie t. Ierland, Jurispr. 1981, blz. 1625) heeft verklaard.
15 Uit de door de nationale rechter vastgestelde feiten zoals weergegeven in de verwijzingsbeschikking, kan worden opgemaakt dat in een geval als het onderhavige niet aan deze voorwaarde is voldaan. Zelfs wanneer een bepaling van een nationale wettelijke regeling inzake de oneerlijke mededinging, zonder onderscheid van toepassing is op de verhandeling van nationale en van ingevoerde produkten, kan zij onmogelijk aan bedoelde voorwaarde voldoen zodra zij zo wordt uitgelegd, dat het gebruik van een onderscheidend teken kan worden verboden op de enkele grond, dat het publiek zou kunnen worden misleid met betrekking tot de binnen- of buitenlandse herkomst van de goederen, zonder dat andere bijzondere omstandigheden worden vastgesteld waaruit het bestaan van oneerlijke mededinging blijkt. In een dergelijk geval heeft deze bepaling in werkelijkheid uitsluitend betrekking op de verhandeling van ingevoerde produkten.
16 Voor zover een bepaling van een dergelijke nationale wet de mogelijkheid biedt om een dergelijk verbod op te leggen, kan zij niet worden beschouwd als een wettelijke regeling die zonder onderscheid van toepassing is op nationale en ingevoerde produkten.
17 In zoverre immers laat die bepaling een compartimentering van de gemeenschappelijke markt toe, die een door artikel 30 EEG-Verdrag verboden beperking van het intracommunautaire handelsverkeer vormt.
18 De Duitse regering heeft nog aangevoerd dat de betrokken nationale wettelijke bepaling, zo zij in strijd zou zijn met artikel 30, gerechtvaardigd kan zijn op grond van artikel 36 EEG-Verdrag, daar bij een ruime opvatting van het in dit artikel bedoelde begrip openbare orde ook de consumentenbescherming daaronder valt.
19 Dit argument kan niet worden aanvaard. Hoe het begrip openbare orde ook moet worden uitgelegd, het kan niet zo ruim worden opgevat, dat het mede overwegingen verband houdende met de bescherming van de consument omvat. Blijkens voornoemd arrest van 17 juni 1981 kunnen dergelijke overwegingen onder omstandigheden in aanmerking worden genomen bij het onderzoek, of nationale maatregelen die zonder onderscheid van toepassing zijn op nationale en ingevoerde produkten, onder de in artikel 30 voorziene verboden vallen; een invoerbeperking kunnen zij evenwel niet rechtvaardigen in de zin van artikel 36.
20 Mitsdien moet op de gestelde vraag worden geantwoord, dat artikel 30 EEG-Verdrag aldus moet worden uitgelegd, dat de daarin vervatte verbodsbepalingen van toepassing zijn op een wettelijke regeling van een Lid-Staat inzake de oneerlijke mededinging, voor zover krachtens die regeling aan een in een andere Lid-Staat gevestigde onderneming het gebruik van een in die andere Lid-Staat rechtmatig gebruikt onderscheidend teken kan worden verboden op de enkele grond, dat dat teken vroeger werd gebruikt door een concern waarvan die onderneming tezamen met een in eerstbedoelde Lid-Staat gevestigde en inmiddels ontbonden onderneming deel uitmaakte, en om die reden door het publiek zou kunnen worden begrepen als een verwijzing naar die verdwenen onderneming of dat verdwenen concern.
Kosten
21 De kosten door de regering van de Bondsrepubliek Duitsland, de regering van de Franse Republiek en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door het Landgericht München I bij beschikking van 9 juni 1983 gestelde vraag, verklaart voor recht:
De verbodsbepalingen van artikel 30 EEG-Verdrag zijn van toepassing op een wettelijke regeling van een Lid-Staat inzake de oneerlijke mededinging, voor zover krachtens die regeling aan een in een andere Lid-Staat gevestigde onderneming het gebruik van een in die andere Lid-Staat rechtmatig gebruikt onderscheidend teken kan worden verboden op de enkele grond, dat dit teken vroeger werd gebruikt door een concern waarvan die onderneming tezamen met een in eerstbedoelde Lid-Staat gevestigde en inmiddels ontbonden onderneming deel uitmaakte, en om die reden door het publiek zou kunnen worden begrepen als een verwijzing naar die verdwenen onderneming of dat verdwenen concern.
Mackenzie Stuart
Bosco
Due
Kakouris
O'Keeffe
Koopmans
Everling
Bahlmann
Galmot
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 6 november 1984.
De griffier voor deze
H. A.Rühl
Hoofdadministrateur
De president
A. J.Mackenzie Stuart