Home

Hof van Justitie EU 07-02-1985 ECLI:EU:C:1985:57

Hof van Justitie EU 07-02-1985 ECLI:EU:C:1985:57

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
7 februari 1985

Uitspraak

Arrest van het Hof

7 februari 1985(1)

In zaak 179/83,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de president van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, in het aldaar aanhangig geding tussen

1) Industriebond FNV, rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging,

2) Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV), rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging,

en

Staat der Nederlanden,

HET HOF VAN JUSTITIE,

samengesteld als volgt: Mackenzie Stuart, president, G. Bosco, O. Due en C. Kakouris, kamerpresidenten, T. Koopmans, U. Everling, K. Bahlmann, Y. Galmot en R. Joliét, rechters,

advocaatgeneraal : Sir Gordon Slynn

griffier: H. A. Rühi, hoofdadministrateur

  1. (*)

het navolgende

ARREST

(omissis)

In rechte

1 Bij vonnis van 16 augustus 1983, ingekomen ten Hove op 19 augustus daaraanvolgend, heeft de president van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 1, Jid 1, van richtlijn nr. 77/187 van de Raad van 14 februari 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan (PB L 61 van 1977, blz. 26).

2 Deze vraag is gerezen in een procedure in kort geding tegen de Staat der Nederlanden, aangespannen door de Industriebond FNV en de Federatie Nederlandse Vakbeweging, en strekkende tot veroordeling van de Staat om „in te trekken dan wel buiten effect te stellen dan wel buiten toepassing te verklaren het gedeelte van de circulaire van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 mei 1983... waarin aan de hoofdinspecteurs-directeuren voor de Arbeidsvoorziening t.i.v. de directeuren van de Gewestelijke Arbeidsbureaus... verzocht wordt om bij toetsing van ontslagvergunningsaanvragen in geval van faillissement en surséance van betaling geen acht te slaan op de artikelen 1639aa e.v. BW.”

3 De artikelen 1639aa en 1639bb van het Nederlands Burgerlijk Wetboek bepalen, voor zover hier van belang, dat door de overgang van een onderneming, als gedefinieerd in deze bepalingen, „de rechten en verplichtingen welke op dat tijdstip voor de werkgever in die onderneming voortvloeien uit een arbeidsovereenkomst tussen hem en een daar werkzame arbeider van rechtswege overgaan op de verkrijger. Evenwel is die werkgever nog gedurende een jaar na de overgang naast de verkrijger hoofdelijk aansprakelijk voor de nakoming van de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst, die zijn ontstaan vóór dat tijdstip.” Deze bepalingen zijn ingevoerd bij wet van 15 mei 1981 om uitvoering te geven aan richtlijn nr. 77/187 van de Raad van 14 februari 1977.

4 Deze richtlijn, door de Raad vastgesteld op grond van inzonderheid artikel 100 EEG-Verdrag, beoogt volgens haar considerans „de werknemers bij verandering van ondernemer te beschermen, in het bijzonder om het behoud van hun rechten veilig te stellen.” Hiertoe bepaalt zij in artikel 3, lid 1 : „De rechten en verplichtingen welke voor de vervreemder voortvloeien uit de op het tijdstip van de overgang... bestaande arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding, gaan door deze overgang op de verkrijger over.” Artikel 4, lid 1, verzekert de bescherming van de betrokken werknemers tegen ontslag door de vervreemder of de verkrijger, behoudens in geval van ontslag „wegens economische, technische of organisatorische redenen die wijzigingen voor de werkgelegenheid met zich meebrengen.” Verder zijn de vervreemder en de verkrijger ingevolge artikel 6 van de richtlijn verplicht om de vertegenwoordigers van de bij de overgang betrokken werknemers informatie te verstrekken en met hen overleg te plegen. Tenslotte bepaalt artikel 7, dat de richtlijn „geen afbreuk doet aan de bevoegdheid van de Lid-Staten om... bepalingen toe te passen of in te voeren die gunstiger zijn voorde werknemers.”

5 Van oordeel dat voor het te wijzen vonnis uitlegging van richtlijn nr. 77/187 noodzakelijk was, heeft de president van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag voorgelegd :

„Strekt de werkingssfeer van artikel 1, lid 1, van richtlijn nr. 77/187/EEG zich mede uit tot de situatie waarin de vervreemder van de onderneming in staat van faillissement is verklaard of aan hem surséance van betaling is verleend?”

6 Deze vraag is identiek aan een vraag die is gesteld in zaak 135/83 (Abels), waarin heden arrest is gewezen.

7 In dat arrest heeft het Hof met betrekking tot de onderhavige vraag voor recht verklaard :

„Artikel 1, lid 1, van richtlijn nr. 77/187 van de Raad van 14 februari 1977 is niet van toepassing op de overgang van een onderneming, een vestiging of een onderdeel daarvan, in een situatie waarin de vervreemder in staat van faillissement is verklaard, indien althans de betrokken onderneming, vestiging of onderdeel daarvan in de faillissementsboedel valt; dit laat onverlet de bevoegdheid van de Lid-Staten om naar eigen keuze de beginselen van de richtlijn op een dergelijke overgang toe te passen. De richtlijn is echter wel van toepassing op de overgang van een onderneming, een vestiging of een onderdeel daarvan op een andere^onderne-mer in het kader van een procedure van het type „surséance van betaling”.

8 Voor de motivering wordt verwezen naar voornoemd arrest, waarvan de tekst bij dit arrest is gevoegd.

Kosten

9 De kosten door de Nederlandse en de Deense regering en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door de president van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage bij vonnis van 16 augustus 1983 gestelde vraag, verklaart voor recht:

Artikel 1, lid 1, van richtlijn nr. 77/187 van de Raad van 14 februari 1977 is niet van toepassing op de overgang van een onderneming, een vestiging of een onderdeel daarvan, in een situatie waarin de vervreemder in staat van faillissement is verklaard, indien althans de betrokken onderneming, vestiging of onderdeel daarvan in de faillissementsboedel valt; dit laat onverlet de bevoegdheid van de Lid-Staten om naar eigen keuze de beginselen van de richtlijn op een dergelijke overgang toe te passen. De richtlijn is echter wel van toepassing op de overgang van een onderneming, een vestiging of een onderdeel daarvan op een andere ondernemer in het kader van een procedure van het type „surséance van betaling”.

Mackenzie Stuart

Bosco

Due

Kakouris

Koopmans

Everling

Bahlmann

Galmot

Joliét

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 7 februari 1985.

De griffier

P. Heim

De president

A. J. Mackenzie Stuart