Hof van Justitie EU 25-04-1985 ECLI:EU:C:1985:161
Hof van Justitie EU 25-04-1985 ECLI:EU:C:1985:161
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 25 april 1985
Uitspraak
Arrest van het Hof
25 april 1985(*)
In zaak 207/83,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur R. Wainwright als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij M. Beschel, lid van haar juridische dienst, Bâtiment Jean Monnet, Kirchberg,
verzoekster, tegenVerenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, vertegenwoordigd door G Dagtoglou van het Treasury Solicitor's Department te Londen als gemachtigde, bijgestaan door R. Auld Q.C., domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter ambassade van het Verenigd Koninkrijk, Boulevard Royal 28,
verweerder,
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: G. Bosco, president van de Eerste kamer, waarnemend voor de president, O. Due en C. Kakouris, kamerpresidenten, P. Pescatore, T. Koopmans, U. Everling, K. Bahlmann, Y. Galmot en R. Joliét, rechters,
advocaat-generaal: M. Darmon
griffier: P. Heim
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 30 januari 1985,
het navolgende
ARREST
(omissis)
In rechte
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 15 september 1983, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EEG-Verdrag het Hof verzocht vast te stellen dat het Verenigd Koninkrijk, door de verkoop in het klein van bepaalde, uit andere Lid-Staten ingevoerde goederen te verbieden tenzij een vermelding van oorsprong erop of erbij is aangebracht, een krachtens artikel 30 EEG-Verdrag op hem rustende verplichting niet is nagekomen.
2 Het beroep van de Commissie betreft de Britse Trade Descriptions (Origin Marking) (Miscellaneous Goods) Order 1981 (S.I. 1981, nr. 121), in werking getreden op 1 januari 1982 (hierna: de Order).
3 Artikel 2 van de Order verbiedt de in de bijlage bij de Order opgesomde goederen — uitgezonderd tweedehands artikelen en artikelen die onder bepaalde bijzondere omstandigheden worden geleverd — in het klein te verkopen of ten verkoop aan te bieden, tenzij op of bij die goederen een vermelding van oorsprong is aangebracht. Indien de goederen voor de verkoop zijn uitgestald en de vermelding van oorsprong eerst na levering toegankelijk is, dient deze vermelding naast de goederen te zijn aangebracht. Zij moet duidelijk en leesbaar zijn en mag in geen geval door enig ander — al dan niet grafisch — element worden afgedekt of vaag of onduidelijk worden gemaakt.
4 Volgens artikel 1 van de Order wordt onder „oorsprong” van een goed verstaan het „land waar het goed is vervaardigd of voortgebracht.”
5 De bijlage bij de Order bevat een lijst van goederen waarop de Order van toepassing is. Deze zijn in vier categorieën ingedeeld: textielprodukten en kleding, elektrische huishoudelijke apparaten, schoeisel, tafelbestek.
6 De artikelen 3 en 4 van de Order bevatten gedetailleerde bepalingen betreffende de verplichtingen van groothandelaars en de handelsreclame. Deze bepalingen zijn thans evenwel niet in geding.
7 Bij brief van 18 december 1981 maakte de Commissie de regering van het Verenigd Koninkrijk erop opmerkzaam, dat de in artikel 2 van de Order neergelegde verplichtingen haars inziens een maatregel vormden van gelijke werking als een kwantitatieve beperking, die in strijd was met artikel 30 EEG-Verdrag, zonder dat er een door het gemeenschapsrecht erkende grond bestond die een afwijking van het beginsel van het vrije verkeer van goederen in de Gemeenschap kon rechtvaardigen.
8 In haar brief stelde de Commissie onder meer, dat de Order niet onaanzienlijke lasten oplegde aan handelaars die goederen behorend tot de vier in de Order genoemde categorieën in het klein verkopen. De bij de Order ingevoerde regeling brengt voor de verkoper immers mee, dat hij kaartjes moet maken, deze bij de goederen moet plaatsen en voortdurend erop moet toezien, dat zij niet losraken, omvallen, afgedekt of verplaatst worden. Geen van deze problemen zou zich voordoen wanneer de oorsprong reeds op het betrokken goed was vermeld wanneer dit aan de kleinhandelaar wordt afgeleverd; het gevolg zou zijn, dat de kleinhandelaar er de voorkeur aan zal geven om enkel goederen te verkopen die al van een oorsprongvermelding zijn voorzien. De uit de Order voortvloeiende last zou onvermijdelijk op voorgaande schakels van de handelsketen worden afgewenteld en uiteindelijk op de fabrikant komen te drukken die, om zijn afnemers te behouden, zich gedwongen zou zien een vermelding van oorsprong op zijn produkten aan te brengen. Dit zou noodzakelijkerwijze de produktiekosten van het ingevoerde produkt verhogen en dit duurder maken.
9 In haar antwoord van 10 februari 1982 verklaarde de Britse regering vooreerst, dat de bestreden regeling uitsluitend voor de kleinhandel gold en dat de mogelijke invloed ervan op de invoer te onzeker was om met het oog op een eventuele toepassing van artikel 30 in aanmerking te worden genomen. Voorts zou informatie omtrent de oorsprong in de in de Order genoemde sectoren van zo groot belang zijn voor de grote meerderheid van de Britse consumenten, dat de betrokken maatregel, ook getoetst aan de vereisten van het gemeenschapsrecht, gerechtvaardigd was.
10 In haar antwoord stelde de Britse regering voor om, indien de Commissie het daarmee eens zou zijn, de Order aan te passen in dier voege, dat de kleinhandelaar zou kunnen kiezen tussen de vermelding van het land van oorsprong en de vermelding „Made in the European Community”. Dit zou in de lijn liggen van het voorstel voor een richtlijn inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de vermelding van oorsprong op bepaalde textielprodukten en kledingstukken, dat de Commissie in 1980 bij de Raad had ingediend (PB 1980, C 294, biz. 3), doch in tussentijd weer had ingetrokken.
11 In haar met redenen omkleed advies van 14 februari 1983 handhaafde de Commissie haar standpunt. Zij wees erop, dat over het voorstel voor een richtlijn, waarbij de Britse regering aansluiting wilde zoeken, in 1981 een ongunstig advies was uitgebracht door het Economisch en Sociaal Comité (PB 1981, C 185, biz. 32). Hoewel het Comité het van het grootste belang achtte, dat de consument degelijk over de aangeboden produkten wordt voorgelicht en aldus in staat wordt gesteld een oordeelkundige keuze te doen, was het van oordeel, dat aanduiding van oorsprong geen werkelijk nut heeft voor de consument: vermelding van prijs, samenstelling en kwaliteit, en gebruiksaanwijzingen zouden belangrijker zijn. De Commissie heeft zich bij dit advies aangesloten.
12 Toen de regering van het Verenigd Koninkrijk antwoordde het met redenen omkleed advies niet te kunnen opvolgen, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
13 In zijn verweer beperkt het Verenigd Koninkrijk zich in wezen tot een uitwerking van de twee argumenten die het tijdens de precontentieuze procedure al had aangevoerd. In de eerste plaats stelt het dat de Order een nationale maatregel is die zonder onderscheid geldt voor nationale en voor ingevoerde goederen en waarvan de invloed op de handel tussen Lid-Staten onzeker, zo niet nihil is. In de tweede plaats zou het voorschrift betreffende de vermelding van oorsprong in het geval van de produkten waarop de Order van toepassing is, beantwoorden aan een dwingend vereiste verband houdend met de bescherming van de consument, voor wie de oorsprong van het door hem gekochte produkt een aanwijzing vormt voor de kwaliteit of de werkelijke waarde van dat produkt.
14 Op deze twee argumenten moet nader worden ingegaan.
15 Wat de mogelijke invloed van de bestreden regeling op de handel betreft, wijst de Britse regering erop, dat de verplichtingen die artikel 2 van de Order oplegt, gelden ten aanzien van alle goederen waarop de Order van toepassing is, ongeacht of zij zijn ingevoerd of niet. Sommige van die goederen, zoals gebreide wollen kleding en tafelbestekken, zouden in eigen land op grote schaal worden vervaardigd.
16 Dienaangaande moet vooreerst worden opgemerkt dat, gelijk de Commissie terecht heeft betoogd, de kleinhandelaars, om aan de hun door de bestreden regeling opgelegde verplichtingen te ontkomen, geneigd zullen zijn de groothandel te vragen om levering van produkten waarop de oorsprong reeds is vermeld. De door de Commissie ontvangen klachten wijzen in die richting. Zo heeft, blijkens het dossier, de „Groupement des Industries françaises des Appareils d'Equipement ménager” de Commissie ervan in kennis gesteld, dat de Franse fabrikanten van huishoudelijke apparaten, die hun produkten op de Britse markt willen afzetten, onder druk van hun distributeurs zijn overgegaan tot systematische vermelding van de oorsprong op hun produkten. De gevolgen van de omstreden bepalingen zullen zich derhalve tot op het niveau van de groothandel en zelfs van de produktie doen gevoelen.
17 In de tweede plaats moet worden erkend, dat oorsprongsaanduidingen of -merken bedoeld zijn om de consumenten in staat te stellen nationale produkten van ingevoerde produkten te onderscheiden, waardoor vooroordelen tegen buitenlandse produkten versterkt kunnen worden. Gelijk het Hof bij verschillende gelegenheden heeft beklemtoond, beoogt het Verdrag, door het instellen van een gemeenschappelijke markt en het geleidelijk nader tot elkaar brengen van het economische beleid van de Lid-Staten, de nationale markten te verenigen tot één enkele markt die de kenmerken van een binnenlandse markt vertoont. In een dergelijke markt bemoeilijkt het vereiste van oorsprongsvermelding niet enkel de verkoop in een Lid-Staat van goederen die andere Lid-Staten in de betrokken sectoren voortbrengen, maar remt het ook de economische eenwording binnen de Gemeenschap af, daar het een hindernis vormt voor de verkoop van goederen die, als gevolg van de arbeidsverdeling tussen Lid-Staten, elders zijn vervaardigd.
18 Hieruit volgt, dat de betrokken Britse bepalingen de produktiekosten van ingevoerde goederen kunnen verhogen en de verkoop ervan op de Britse markt kunnen bemoeilijken.
19 In de tweede plaats voert de Britse regering aan, dat de bestreden regeling, die zonder onderscheid van toepassing is op binnenlandse en op ingevoerde goederen, noodzakelijk is wegens dwingende behoeften die verband houden met de bescherming van de consument. Een enquête onder Britse consumenten zou hebben aangetoond, dat dezen verband leggen tussen de kwaliteit van bepaalde produkten en het land waar zij zijn vervaardigd. Zo zouden zij bijvoorbeeld willen weten, of leren schoeisel in Italië is vervaardigd, gebreide wollen klederen in het Verenigd Koninkrijk, modeartikelen in Frankrijk en elektrische huishoudelijke apparaten in Duitsland.
20 Dit argument kan niet worden aanvaard. Het vereiste betreffende de vermelding van oorsprong is enkel formeel zonder onderscheid van toepassing op nationale en op ingevoerde goederen, want naar zijn aard is het juist bedoeld om de consument in staat te stellen deze twee categorieën goederen van elkaar te onderscheiden, hetgeen voor hem aanleiding kan zijn, de voorkeur te geven aan nationale produkten.
21 Het feit dat de Britse consument de kwaliteit van een produkt associeert met het land van oorsprong ervan, lijkt bovendien niet de reden te zijn geweest voor de suggestie van de Britse regering aan de Commissie, dat zij, wat de Lid-Staten van de Gemeenschap betrof, bereid was genoegen te nemen met de vermelding „Made in de European Community”. Wanneer het land van oorsprong van een produkt door de consument in verband wordt gebracht met de kwaliteit ervan, is het overigens in het belang van de fabrikanten om zelf die oorsprong op hun produkten of op de verpakkingen te vermelden, en is het niet nodig hen daartoe te dwingen. In dat geval wordt de bescherming van de consumenten voldoende gewaarborgd door bepalingen die het gebruik van valse vermeldingen van oorsprong verbieden. Aan dergelijke bepalingen staat het EEG-Verdrag niet in de weg.
22 Uit het voorgaande volgt, dat artikel 2 van de Order een maatregel vormt die de verkoop van uit andere Lid-Staten ingevoerde goederen moeilijker maakt dan de verkoop van nationale produkten, zonder dat daarvoor een door het gemeenschapsrecht erkende rechtvaardigingsgrond bestaat. Genoemde bepaling valt derhalve onder het verbod van artikel 30 EEG-Verdrag.
23 Mitsdien moet worden vastgesteld, dat het Verenigd Koninkrijk, door de verkoop in het klein van bepaalde, uit andere Lid-Staten ingevoerde goederen te verbieden tenzij een vermelding van oorsprong erop of erbij is aangebracht, een krachtens artikel 30 EEG-Verdrag op hem rustende verplichting niet is nagekomen.
Kosten
24 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover zulks is gevorderd. Aangezien verweerder in het ongelijk is gesteld, moet hij in de kosten worden verwezen.
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende, verstaat:
-
Door de verkoop in het klein van bepaalde, uit andere Lid-Staten ingevoerde goederen te verbieden tenzij een vermelding van oorsprong erop of erbij is aangebracht, is het Verenigd Koninkrijk een krachtens artikel 30 EEG-Verdrag op hem rustende verplichting niet nagekomen.
-
Het Verenigd Koninkrijk wordt verwezen in de kosten van de procedure.
Bosco
Due
Kakouris
Pescatore
Koopmans
Everling
Bahlmann
Galmot
Joliét
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 25 april 1985.
De griffier
P. Heim
De waarnemend president
G. Bosco
president van de Eerste kamer