Hof van Justitie EU 03-10-1985 ECLI:EU:C:1985:389
Hof van Justitie EU 03-10-1985 ECLI:EU:C:1985:389
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 3 oktober 1985
Uitspraak
Arrest van het Hof (Vierde kamer)
3 oktober 1985(*)
In zaak 154/84,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Finanzgericht te Berlijn, in het aldaar aanhangig geding tussen
Fleischwaren- und Konservenfabrik (FKF) Schulz und Berndt GmbH
enHauptzollamt Berlin-Süd,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: G. Bosco, kamerpresident, P. Pescatore, T. Koopmans, K. Bahlmann en T. F. O'Higgins, rechters,
advocaatgeneraal: P. VerLoren van Themaat
griffier: P. Heim
gelet op de opmerkingen ingediend door:
-
Fleischwaren- und Konservenfabrik (FKF) Schulz und Berndt GmbH, verzoekster in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door D. Ehle, V.C. Feldmann, V. Schiller en H. Nehm, advocaten te Keulen,
-
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur B. Jansen als gemachtigde,
-
gehoord de conclusie van de advocaatgeneraal ter terechtzitting van 2 juli 1985,
het navolgende
ARREST
(omissis)
In rechte
1 Bij beschikking van 22 december 1983, ingekomen ten Hove op 19 juni 1984, heeft het Finanzgericht Berlijn krachtens artikel 177 EEG-Verdrag vier prejudiciële vragen gesteld, waarvan de eerste betrekking heeft op de uitlegging van verordening nr. 3584/81 van de Commissie van 14 december 1981 (PB 1981, L 359, biz. 16) en de overige op de uitlegging en de geldigheid van sommige artikelen van verordening nr. 1136/79 van de Commissie van 8 juni 1979 (PB 1979, L 141, biz. 10).
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen de vennootschap Fleischwaren- und Konservenfabrik (FKF) Schulz und Berndt GmbH (hierna: FKF) en het Hauptzollamt Berlin-Süd.
3 Blijkens het dossier vervaardigt FKF levensmiddelenconserven die, afgezien van de gelei, 20 tot 40% rundvlees bevatten. In de periode van 6 september 1979 tot 28 april 1980 importeerde FKF verscheidene partijen bevroren rundvlees uit Argentinië in de Bondsrepubliek Duitsland, waar zij is gevestigd. Dit vlees was bestemd voor de vervaardiging van conserven.
4 Artikel 14, lid 1, van verordening nr. 805/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (PB 1968, L 148, biz. 24), zoals gewijzigd bij verordening nr. 425/77 van de Raad van 14 februari 1977 (PB 1977, L 61, biz. 1), voorziet in een algehele schorsing van de heffing voor bevroren vlees, bestemd voor de vervaardiging van conserven.
5 Ingevolge deze bepaling werd op het door FKF ingevoerde bevroren vlees geen heffing toegepast.
6 Nadien stelde de Duitse douane evenwel vast, dat FKF met betrekking tot een gedeelte van dit vlees niet op de door verordening nr. 1136/79 voorgeschreven wijze had aangetoond dat het tot conserven was verwerkt.
7 Om te verzekeren dat het vlees de in artikel 14, lid 1, van verordening nr. 805/68 voorziene bestemming krijgt, verlangt artikel 2, lid 1, sub b, van verordening nr. 1136/79 dat een waarborg wordt gesteld. Volgens lid 3, eerste alinea, van dit artikel wordt deze waarborg slechts vrijgegeven, wanneer binnen zeven maanden volgende op de maand van invoer het bewijs wordt geleverd dat binnen drie maanden volgende op de maand van invoer het ingevoerde bevroren vlees geheel of gedeeltelijk is verwerkt.
8 Volgens lid 4 kan het in lid 3 bedoelde bewijs slechts als geleverd worden beschouwd, wanneer de hoeveelheid uit het ingevoerde bevroren vlees vervaardigde conserven „ten minste overeenstemt met de ingevoerde hoeveelheid vlees”.
9 De tweede alinea van lid 4 luidt als volgt: „De coëfficiënten voor de bepaling van de hoeveelheid bevroren vlees zonder been die is verwerkt in een bepaalde hoeveelheid conserven, zijn in de bijlage vastgesteld.” Voor de door FKF vervaardigde soort conserven, — te weten conserven, andere dan gehomogeniseerd, die 20 of meer, doch minder dan 40 gewichtspercenten vlees, met uitzondering van slachtafvallen en vet bevatten — bedraagt die coëfficiënt volgens de bijlage 0,30.
10 Bij de op 1 januari 1982 in werking getreden verordening nr. 3584/81 van 14 december 1981 (PB 1981, L 359, biz. 16) voegde de Commissie aan artikel 2, lid 4, van verordening nr. 1136/79 evenwel de volgende alinea toe:
„Indien de hoeveelheid vlees die voor de vervaardiging van een van de in de bijlage, onder punt 1.4, bedoelde produkten nodig is, aanzienlijk afwijkt van de hoeveelheid die wordt verkregen door toepassing van de voor deze produkten vastgestelde coëfficiënt van 0,30, kan de bevoegde instantie, in het kader van het administratieve toezicht en op verzoek van het verwerkend bedrijf dat in de aanvraag om het certificaat is vermeld, een individueel bewijs met betrekking tot de hoeveelheid bevroren vlees die voor de vervaardiging van het produkt nodig is, aanvaarden.”
11 Met betrekking tot het door FKF ingevoerde bevroren vlees stelde de Duitse douane vast, dat bij toepassing van de in verordening nr. 1136/79 voor conserven met een vleesgehalte tussen 20 en 40% voorziene coëfficiënt van 0,30 de hoeveelheid vlees waarvan de verwerking was bewezen, kleiner was dan de ingevoerde hoeveelheid vlees. Bijgevolg vorderde zij van FKF betaling van de heffing voor de hoeveelheid vlees waarvan de verwerking tot conserven niet was bewezen.
12 FKF betwistte deze vordering, stellende dat de daadwerkelijk voor de vervaardiging van conserven gebruikte hoeveelheid vlees, vergeleken met het totale gewicht van het eindprodukt, overeenkwam met een coëfficiënt van 0,45 en niet met een coëfficiënt van 0,30 zoals in de bijlage bij verordening nr. 1136/79 was voorzien.
13 Het Finanzgericht Berlijn, waarbij het geschil aanhangig is gemaakt, heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de navolgende vragen voorgelegd :
Behelst verordening (EEG) nr. 3584/81 van de Commissie van 14 december 1981 (PB 1981, L 359, biz. 16) een procedurevoorschrift dat met terugwerkende kracht — dus ook op feiten die zich vóór de vaststelling ervan hebben voorgedaan — moet worden toegepast ?
Zo neen,
Moet verordening (EEG) nr. 1136/79 van de Commissie van 8 juni 1979 (PB 1979, L 141, biz. 10) aldus worden uitgelegd, dat het bewijs van de verwerking uitsluitend volgens de zogenoemde coëfficiëntenregeling kan worden geleverd, ook wanneer het resultaat aantoonbaar onjuist is ?
Hebben de in de bijlage bij verordening (EEG) nr. 1136/79 vermelde gewichtspercenten rundvlees enkel betrekking op het in de conserven aanwezige rundvlees of ook op het bij de verwerking uit het rundvlees gelopen vleesnat (gelei) ?
Is verordening (EEG) nr. 1136/79 dan ongeldig voor zover zij de sub b) en c) opgeworpen vraagstukken niet regelt, en maakt de coëfficiëntenregeling inbreuk op het gelijkheidsbeginsel doordat bijvoorbeeld bij 39 gewichtspercenten rundvlees een coëfficiënt van 0,3 geldt, maar bij 40 gewichtspercenten een driemaal zo hoge coëfficiënt (0,9) ?”
14 Met betrekking tot deze vragen hebben FKF en de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 20 van's Hofs Statuut-EEG opmerkingen ingediend.
15 Bij beschikking van 30 januari 1985 heeft het Hof de zaak naar de Vierde kamer verwezen.
De eerste vraag
16 Met de eerste vraag wenst de nationale rechter in wezen te vernemen, of voornoemde verordening nr. 3584/81 op de feiten van de zaak kan worden toegepast. De nationale rechter wijst erop, dat die feiten zich vóór de vaststelling van de betrokken verordening hebben voorgedaan.
17 Volgens FKF hangt het antwoord op die vraag af van de aard van verordening nr. 3584/81. Zo deze verordening een procedurevoorschrift bevat, zou zij met terugwerkende kracht moeten worden toegepast. Bevat zij daarentegen een voorschrift van materieel recht, dan zou zij enkel voor de toekomst gelden (cf. arresten van 12 november 1981, gevoegde zaken 212-217/80, Salumi, Jurispr. 1981, blz. 2735, en van 14 juli 1983, zaak 224/82, Meiko, Jurispr. 1983, blz. 2539).
18 FKF wijst er daarbij op, dat verordening nr. 3584/81 een aanvulling inhoudt van artikel 2, lid 4, van verordening nr. 1136/79, dat de uitvoeringsbepalingen behelst van de in artikel 14 van verordening nr. 805/68 voorziene schorsing van de heffing. Volgens FKF moet derhalve worden aangenomen dat zij een procedurevoorschrift bevat, omdat zij bepaalt op welke wijze de nationale instanties een communautaire handeling moeten toepassen.
19 De Commissie daarentegen is van oordeel, dat artikel 2, lid 4, van verordening nr. 1136/79, zoals gewijzigd bij verordening nr. 3584/81, hoofdzakelijk voorschriften van materieel recht bevat, namelijk een opsomming van de verplichtingen waaraan moet worden voldaan om voor schorsing van de invoerheffing in aanmerking te komen.
20 De Commissie betwist niet dat de leden 3 en 4 van voornoemd artikel 2, in zoverre zij regelen op welke wijze het bewijs van de nakoming van die verplichtingen moet worden geleverd, betrekking hebben op de procedure die in het kader van de betrokken bijzondere invoerregeling moet worden gevolgd. Deze procedurevoorschriften hangen volgens haar echter nauw samen met de ter zake geldende voorschriften van materieel recht, zodat de bij verordening nr. 3584/81 in artikel 2, lid 4, aangebrachte wijziging niet kan worden toegepast op situaties die reeds vóór de inwerkingtreding van die verordening definitief zijn geworden.
21 Bovendien moet ingevolge artikel 2, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1136/79 het bewijs van de verwerking van het ingevoerde vlees tot conserven worden geleverd binnen zeven maanden volgende op de maand van invoer. Verordening nr. 3584/81 zou daarom nimmer van toepassing kunnen zijn op situaties waarvoor de termijn van zeven maanden reeds vóór haar inwerkingtreding is verstreken.
22 Dienaangaande moet erop worden gewezen dat, gelijk de Commissie terecht opmerkt, de in artikel 2, leden 3 en 4, van verordening nr. 1136/79 vervatte procedurevoorschriften, weliswaar zeer nauw samenhangen met de voorschriften van materieel recht betreffende de schorsing van de heffing voor bevroren rundvlees bestemd voor de vervaardiging van conserven, doch dat de draagwijdte van die procedurevoorschriften moet worden beoordeeld aan de hand van de doelstellingen van die regeling.
23 Volgens de zevende overweging van de considerans van verordening nr. 805/68 is de bijzondere invoerregeling van bevroren vlees bestemd voor de vervaardiging van conserven vastgesteld „met het oog op het waarborgen van een bevredigende voorziening voor de verwerkende industrieën van de Gemeenschap, onder handhaving van de voorkeur voor vlees van communautaire produktie”.
24 Verordening nr. 1136/79 beoogt, zoals uit haar opschrift blijkt, enkel uitvoeringsbepalingen vast te stellen voor de in verordening nr. 805/68 neergelegde bijzondere regeling betreffende de schorsing van de invoerheffing.
25 Met dit doel heeft de Commissie niet-gehomogeniseerde conserven, vervaardigd uit vlees dat vrij van heffing is ingevoerd, volgens hun vleesgehalte ingedeeld in vier groepen en daarvoor coëfficiënten vastgesteld, ten einde overeenkomstig haar bedoeling als blijkende uit de vijfde overweging van de considerans van verordening nr. 1136/79, rekening te houden met de hoeveelheid bevroren vlees die nodig is voor de vervaardiging van de produkten van elke groep.
26 Volgens de tweede overweging van de considerans van verordening nr. 3584/81 en de verklaringen van partijen ter terechtzitting, bleek evenwel de coëfficiënt van 0,30 voor conserven met een vleesgehalte tussen 20 en 40% te laag, daar hij niet overeenkwam met de voor de vervaardiging van de betrokken produkten daadwerkelijk benodigde hoeveelheid vlees.
27 Zich bewust van de moeilijkheden die dat voor verscheidene verwerkende bedrijven meebracht, overwoog de Commissie aanvankelijk om de coëfficiënt te verhogen tot 0,60, doch koos ten slotte in verordening nr. 3584/81 voor een soortgelijke regeling als in verordening nr. 1136/79 reeds voor gehomogeniseerde conserven was vastgesteld. Dienvolgens werden de importeurs in de gelegenheid gesteld te bewijzen, dat de voor de vervaardiging van een van de betrokken produkten benodigde hoeveelheid vlees aanzienlijk afweek van de hoeveelheid die voortvloeit uit de toepassing van de coëfficiënt 0,30.
28 Onder deze omstandigheden ware het in strijd met het doel dat de gemeenschapswetgever met de schorsing van de heffing voor bevroren vlees bestemd voor de vervaardiging van conserven nastreeft, wanneer verordening nr. 3584/81 niet eveneens zou worden toegepast op die gevallen waarin de verrichtingen weliswaar vóór de inwerkingtreding van deze verordening hebben plaatsgevonden, doch de betrokkenen binnen de daarvoor in artikel 2, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1136/79 gestelde termijn het bewijs hebben geleverd, dat in werkelijkheid meer vlees tot conserven is verwerkt dan uit de toepassing van de coëfficiënt 0,30 voortvloeit.
29 Bij een andere oplossing immers zouden degenen die vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 3584/81 vlees bestemd voor de vervaardiging van conserven met een vleesgehalte tussen 20 en 40% hebben ingevoerd, als gevolg van de toepassing van de coëfficiënt 0,30 slechts ten dele in aanmerking komen voor de schorsing van de heffing waarin verordening nr. 805/68 voorziet, en zulks niettegenstaande het feit dat zij binnen de in verordening nr. 1136/79 genoemde termijn het bewijs met betrekking tot de daadwerkelijk verwerkte hoeveelheid vlees hebben geleverd.
30 Het staat aan de nationale rechter om uit te maken, of de in artikel 2, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1136/79 bedoelde termijn in het onderhavige geval in acht is genomen.
31 Mitsdien moet op de eerste vraag van de nationale rechter worden geantwoord, dat verordening nr. 3584/81 van de Commissie van 14 december 1981 ook van toepassing is op verrichtingen die vóór haar inwerkingtreding hebben plaatsgevonden, mits de betrokken importeurs binnen de in artikel 2, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1136/79 van de Commissie van 8 juni 1979 genoemde termijn het bewijs hebben geleverd met betrekking tot de hoeveelheid vlees die daadwerkelijk is verwerkt.
De overige vragen
32 Daar de drie overige vragen van de nationale rechter slechts waren gesteld voor het geval het Hof de eerste vraag ontkennend zou beantwoorden, behoeven zij niet te worden behandeld.
Kosten
33 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening harer opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
uitspraak doende op de door het Finanzgericht Berlijn bij beschikking van 22 december 1983 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Verordening nr. 3584/81 van de Commissie van 14 december 1981 is ook van toepassing op verrichtingen die vóór haar inwerkingtreding hebben plaatsgevonden, mits de betrokken importeurs binnen de in artikel 2, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1136/79 van de Commissie van 8 juni 1979 genoemde termijn het bewijs hebben geleverd met betrekking tot de hoeveelheid vlees die daadwerkelijk is verwerkt.
Bosco
Pescatore
Koopmans
Bahlmann
O'Higgins
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 3 oktober 1985.
De griffier
P. Heim
De president van de Vierde kamer
G. Bosco