Hof van Justitie EU 04-03-1986 ECLI:EU:C:1986:100
Hof van Justitie EU 04-03-1986 ECLI:EU:C:1986:100
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 4 maart 1986
Uitspraak
Arrest van het Hof
4 maart 1986(*)
In zaak 243/84,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Østre Landsret, in het aldaar aanhangig geding tussen
John Walker & Sons Ltd, vennootschap naar Engels recht, gevestigd te Londen,
enMinisterie van Belastingen,
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: T. Koopmans, kamerpresident, waarnemend president, U. Everling, K. Bahlmann en R. Joliét, kamerpresidenten, G. Bosco, O. Due, Y. Galmot, C. Kakouris en F. Schockweiler, rechters,
advocaatgeneraal: P. VerLoren van Themaat
griffier: D. Louterman, administrateur
gelet op de opmerkingen ingediend door:
-
de vennootschap John Walker & Sons Ltd, verzoekster in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door P. Alsted, advocaat te Kopenhagen, voor de schriftelijke behandeling, en door P. Alsted en M. Waelbroeck, advocaat te Brussel, voor de mondelinge behandeling,
-
de regering van het Koninkrijk Denemarken, vertegenwoordigd door L. Mikaelsen, juridisch adviseur bij het ministerie van Buitenlandse Zaken, en, in het bijzonder, het ministerie van Belastingen, verweerder in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door G. Larsen, advocaat te Kopenhagen,
-
de regering van de Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door L. F. Bravo, hoofd van de dienst diplomatieke geschillen, als gemachtigde, bijgestaan door M. Conti, avvocato dello Stato,
-
de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J. F. Buhl,
-
gehoord de conclusie van de advocaatgeneraal ter terechtzitting van 3 december 1985,
het navolgende
ARREST
(omissis)
In rechte
1 Bij beschikking van 27 september 1984, ingekomen ten Hove op 5 oktober daaraanvolgend, heeft het Østre Landsret krachtens artikel 177 EEG-Verdrag verscheidene prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel. 95 EEG-Verdrag, ten einde de verenigbaarheid met deze bepaling te kunnen beoordelen van een krachtens de Deense belastingwetgeving toegepast stelsel van gedifferentieerde belasting op Schotse whisky en vruchtenwijnen van het type likeurwijn.
2 Volgens wet nr. 98 van 17 maart 1971 betreffende de accijns op wijn en vruchtenwijnen, laatstelijk gewijzigd bij wet nr. 149 van 11 april 1984, wordt op vruchtenwijnen van het type likeurwijn met een alcoholgehalte lager dan 20o vol. een bijzonder, per liter berekend recht geheven. Schotse whisky is daarentegen, evenals ander gedistilleerd alsmede vruchtenwijnen van het type likeurwijn met een alcoholgehalte van meer dan 20o vol. en wijn van druiven van het type likeurwijn met een alcoholgehalte van meer dan 23o vol., volgens wet nr. 153 van 6 mei 1980, betreffende de accijns op gedistilleerd, laatstelijk gewijzigd bij de wet nr. 149 van 11 april 1984, onderworpen aan een accijns bestaande uit een bijzondere belasting per liter eţhylalcohol en een belasting ad valorem, berekend op basis van de hoogste prijs waartegen het produkt in de groothandel wordt verkocht.
3 De Deense belastingwetgeving geeft geen definitie van vruchtenwijnen. Volgens een circulaire van het Deense directoraat douanezaken is vruchtenwijn een produkt dat wordt verkregen door gisting van vruchtensap of honing; het moet minstens 1o vol. gistingsalcohol bevatten en het alcoholgehalte mag in het eindstadium worden verhoogd door toevoeging van neutrale gedistilleerde alcohol, dit wil zeggen met uitsluiting van alcohol met een typische smaak, zoals cognac, rum of whisky. Tijdens de behandeling is gebleken, dat het door natuurlijke gisting bekomen alcoholgehalte in de praktijk 6 à 8o vol. bedraagt.
4 Blijkens de verwijzingsbeschikking produceert de vennootschap John Walker & Sons Ltd., verzoekster in het hoofdgeding, Schotse whisky met een alcoholgehalte van 40o vol., die zij onder meer in Denemarken op de markt brengt. In 1982 heeft zij het Deense ministerie van Belastingen voor het Østre Landsret gedaagd om voor recht te horen verklaren, dat de gedifferentieerde belasting op Schotse whisky en op vruchtenwijnen van het type likeurwijn, volgens haar gelijksoortige althans concurrerende produkten, zich niet verdraagt met artikel 95 EEG-Verdrag.
5 Ten einde te kunnen beoordelen of bovenbedoeld stelsel in strijd is met artikel 95 EEG-Verdrag, heeft de nationale rechterlijke instantie het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd :
-
Moet artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag aldus worden uitgelegd, dat Schotse whisky en vruchtenwijn van het type likeurwijn als omschreven in de wet en de bijlage als „gelijksoortige” en als ingevoerde respectievelijk binnenslands vervaardigde produkten moeten worden beschouwd, met als gevolg dat het in strijd is met genoemde bepaling, een belastingregeling te handhaven volgens welke whisky als andere gedistilleerde alcohol wordt belast met een gecombineerde heffing, ten dele berekend aan de hand van het alcoholgehalte en ten dele aan de hand van de prijs, terwijl voor vruchtenwijn en druivenwijn een belastingregeling geldt waarbij enkel een belasting over de hoeveelheid wordt geheven, wanneer de belastingregelingen leiden tot een lagere belasting voor vruchtenwijn (en druivenwijn) dan voor whisky, wanneer in de belastingvoorschriften niet wordt onderscheiden naar het land van oorsprong, wanneer in de betrokken Lid-Staat geen whisky wordt vervaardigd, maar niettemin om en nabij drie vierde van het verbruik van de dranken die aan de hogere belasting op gedistilleerd zijn onderworpen, binnenslands wordtvervaardigd, en wanneer meer dan 99% van het verbruik aan vruchtenwijn van het type likeurwijn binnenslands wordt vervaardigd ?
-
Moet artikel 95, tweede alinea, EEG-Verdrag aldus worden uitgelegd, dat onder de in vraag 1 vermelde omstandigheden een vergelijking moet worden getrokken tussen de belasting op Schotse whisky en die op vruchtenwijn van het type likeurwijn, en zo ja, is het dan in strijd met genoemde bepaling, wanneer de belasting, in verhouding tot de prijs, de hoeveelheid en het alcoholgehalte van de dranken, wordt geheven als beschreven in de bijlage ?
-
Is het voor de beantwoording van de vragen 1 en 2 van belang, dat de belastingregeling voor vruchtenwijn historisch gezien verband houdt, met de wens, de fruittelers, die onder moeilijke klimaatsomstandigheden werken, betere afzetmogelijkheden voor hun produktie te bieden ?
6 Schriftelijke opmerkingen, zijn ingediend door verzoekster in het hoofdgeding, de regering van het Koninkrijk Denemarken, de regering van de Italiaanse Republiek en de Commissie van de Europese Gemeenschappen.
Artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag
7 In de eerste vraag wordt het Hof verzocht om uitlegging van het begrip „gelijksoortige produkten” in de zin van artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag.
8 Volgens verzoekster in het hoofdgeding zijn Schotse whisky en vruchtenwijnen van het type likeurwijn vergelijkbare en gelijksoortige produkten, die aan dezelfde behoefte van de verbruiker tegemoet komen. Beslissend voor de gelijksoortigheid is volgens haar de vervangbaarheidsgraad, en niet de grondstof van het produkt, noch de wijze van vervaardiging of de post in het gemeenschappelijk douanetarief. In het bijzonder wijst verzoekster in het hoofdgeding erop, dat het alcoholgehalte van likeurwijnen voor 95% uit toegevoegde gedistilleerde ethylalcohol kan bestaan, dat smaak en kleur worden gewijzigd door toevoeging van extracten of aromatische stoffen en dat Schotse whisky normalerwijze aangelengd wordt gedronken, waardoor het alcoholgehalte gelijk is aan dat van likeurwijnen of zelfs lager.
9 Volgens de Deense regering, daarin gesteund door de Italiaanse, verschilt Schotse whisky van vruchtenwijnen van het type likeurwijn zowel ten aanzien van de grondstoffen en de wijze van vervaardiging (distillatie voor whisky, natuurlijke gisting voor vruchtenwijn) als inzake de kenmerkende eigenschappen en organoleptische kwaliteiten. Mitsdien zouden deze produkten onder verschillende posten van het gemeenschappelijk douanetarief vallen. De toevoeging van neutrale alcohol zou vruchtenwijnen niet in gedistilleerde drank veranderen.
10 Ook de Commissie is de mening toegedaan, dat de betrokken produkten qua gebruik niet gelijkaardig en vergelijkbaar zijn en niet als gelijksoortig in de zin van artikel 95, eerste alinea, kunnen worden beschouwd.
11 Om te beoordelen of produkten gelijksoortig zijn en het verbod van artikel 95, eerste alinea, derhalve van toepassing is, moet, gelijk het Hof overwoog in het arrest van 17 februari 1976 (zaak 45/75, Rewe, Jurispr. 1976, blz. 181), worden nagegaan of de produkten dezelfde eigenschappen hebben en aan dezelfde behoeften van de consumenten voldoen. In de arresten van 27 februari 1980 (zaak 168/78, Commissie/Franse Republiek, Jurispr. 1980, blz. 347) en 15 juli 1982 (zaak 216/81, Cogis, Jurispr. 1982, blz. 2701) gaf het Hof een ruime uitlegging aan het begrip gelijksoortigheid en nam het niet de volstrekte identiteit, maar het soortgelijke en vergelijkbare gebruik als maatstaf. Bij de beoordeling van de gelijksoortigheid moet dus enerzijds rekening worden gehouden met een aantal objectieve kenmerken van beide soorten dranken, zoals hun oorsprong, wijze van vervaardiging en organoleptische kwaliteiten, met name smaak en alcoholgehalte, en anderzijds met het feit dat beide soorten drank al dan niet aan dezelfde behoeften van de consumenten kunnen beantwoorden.
12 In casu moet worden vastgesteld, dat beide soorten drank duidelijk verschillende kenmerken hebben. Vruchtenwijnen van het type likeurwijn zijn door natuurlijke gisting verkregen produkten op basis van vruchten, terwijl Schotse whisky een door distillatie verkregen produkt op basis van granen is. Ook de organoleptische kwaliteiten van beide produkten zijn verschillend. Blijkens voormeld arrest-Rewe is het voor toepasselijkheid van het verbod van artikel 95, eerste alinea, niet voldoende dat beide produkten een zelfde grondstof, zoals alcohol, bevatten; van gelijksoortigheid is eerst sprake, indien beide produkten een min of meer gelijk gehalte aan die grondstof hebben. Dienaangaande zij opgemerkt, dat het alcoholgehalte van Schotse whisky 40o vol. bedraagt en dat van vruchtenwijnen van het type likeurwijn, waarop de Deense wetgeving doelt, maximaal 20o vol.
13 Gesteld al dat Schotse whisky op dezelfde manier kan worden gedronken als vruchtenwijnen van het type likeurwijn, te weten als aperitief, aangelengd met water of vruchtensap, dan leidt zulks nog niet tot gelijksoortigheid, aangezien de intrinsieke kenmerken van beide dranken fundamenteel verschillen.
14 Bijgevolg moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag aldus moet worden uitgelegd, dat produkten als Schotse whisky en vruchtenwijnen van het type likeurwijn niet als gelijksoortig zijn te beschouwen.
Artikel 95, tweede alinea, EEG-Verdrag
15 Met de tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of Schotse whisky én vruchtenwijnen van het type likeurwijn, zo zij niet gelijksoortig zijn, als concurrerende produkten moeten worden aangemerkt, en zo ja, of een gedifferentieerde belasting van beide produkten als voorzien in voornoemde Deense wettelijke regeling, niet onverenigbaar is met artikel 95, tweede alinea, EEG-Verdrag.
16 Verzoekster in het hoofdgeding betoogt dat volgens de rechtspraak van het Hof bij de beoordeling van de concurrentieverhouding rekening moet worden gehouden met de ontwikkelingsmogelijkheden van de markt en de substitutiemogelijkheden van de produkten. Schotse whisky zou voor de gemiddelde Engelse of Schotse consument hetzelfde zijn als vruchtenwijnen voor de gemiddelde Deense consument. Wat betreft de fiscale last in verhouding tot de hoeveelheid produkt, het alcoholgehalte en de prijs — de door het Hof aangelegde vergelijkingsmaatstaven —, zou op whisky een aanzienlijk hogere belasting rusten dan op het concurrerende Deense produkt.
17 De Deense en de Italiaanse regering merken op dat Schotse whisky en likeurwijnen, gelet op hun specifieke kenmerken, hun organoleptische kwaliteiten en inzonderheid hun verschillend alcoholgehalte, geen concurrerende produkten zijn. Het zou de Lid-Staten vrijstaan om gedistilleerd zwaarder te belasten dan wijn, en de Deense wettelijke regeling zou tot doel noch ten gevolge hebben dat een bepaalde categorie dranken wordt beschermd. De Deense regering merkt nog op dat de Deense belastingregeling geen beperkende gevolgen heeft voor de invoer. Blijkens de statistieken zou de invoer van whisky tussen 1980 — toen de huidige belastingregeling werd ingevoerd ter uitvoering van 's Hofs arrest van 27 februari 1980 (zaak 171/78, Commissie/Denemarken, Jurispr. 1980, blz. 447), waarbij de in de vroegere regeling vervatte begunstiging van aquavit werd veroordeeld — en 1985 met meer dan 30% zijn toegenomen, ondanks de dalende verkopen van verzoekster in het hoofdgeding.
18 Volgens de Commissie moet worden onderzocht, of de Deense belastingregeling de binnenlandse produktie beschermt. Hierbij merkt zij op dat de zwaar belaste gedistilleerde dranken merendeels binnenslands worden vervaardigd. Indien een belangrijk deel van de binnenlandse produktie voorkomt in alle fiscale categorieën, is haars inziens een stelsel waaronder voor whisky en binnenlands gedistilleerd van het alcoholgehalte en de prijs wordt uitgegaan en voor binnenlandse en ingevoerde likeurwijn enkel van het volume, verenigbaar met artikel 95, tweede alinea.
19 Ingevolge artikel 95, tweede alinea, EEG-Verdrag is het een Lid-Staat verboden, op de produkten van de overige Lid-Staten zodanige binnenlandse belastingen te heffen, dat daardoor andere produkties van eigen bodem zijdelings worden beschermd.
20 Daarmee streeft dit voorschrift het algemene doel na, de fiscale neutraliteit te waarborgen; het dient te voorkomen dat een Lid-Staat produkten uit een andere Lid-Staat discrimineert door binnenlandse produkten via zijn nationale belastingregeling te begunstigen, en aldus het vrije verkeer van goederen tussen de Lid-Staten belemmert.
21 Blijkens het door de verwijzende rechter overgelegde dossier en de bij het Hof ingediende opmerkingen is het laagst belaste produkt een produkt dat nagenoeg alleen binnenslands wordt vervaardigd en wordt whisky, een produkt dat uitsluitend wordt ingevoerd, niet als zodanig belast maar als alcoholhoudende drank behorende tot de fiscale categorie gedistilleerd, dat wil zeggen dranken met een hoog alcoholgehalte; tot díe categorie behoren ook andere, merendeels binnenslands vervaardigde produkten.
22 Ten einde de verwijzende rechter in staat te stellen te beoordelen, of onder die omstandigheden de in de Deense belastingregeling voorziene gedifferentieerde belasting in strijd is met artikel 95, tweede alinea, zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak (met name het arrest van 15 maart 1983, zaak 319/81, Commissie/Italië, Jurispr. 1983, blz. 601) het gemeenschapsrecht in de huidige stand van zijn ontwikkeling niet in de weg staat aan de vrijheid van de Lid-Staten om met behulp van objectieve criteria, zoals de aard van de grondstoffen of de toegepaste produktieprocédés, voor bepaalde goederen een stelsel van gedifferentieerde belasting vast te stellen. Zulke differentiaties verdragen zich met het gemeenschapsrecht, wanneer zij gericht zijn op de verwezenlijking van economische beleidsoogmerken die zelf ook met de in het Verdrag en in het afgeleide recht gestelde eisen verenigbaar zijn, en wanneer in de uitvoeringsbepalingen alle mogelijke, rechtstreekse of indirecte discriminatie jegens importen uit andere Lid-Staten en/of iedere vorm van bescherming van de concurrerende binnenlandse produkten wordt vermeden.
23 Zonder dat uitspraak behoeft te worden gedaan over het bestaan van een eventuele concurrentieverhouding tussen Schotse whisky en vruchtenwijnen van het type likeurwijn, moet de tweede vraag derhalve aldus worden beantwoord dat het gemeenschapsrecht, in het bijzonder artikel 95, tweede alinea, EEG-Verdrag, zich in de huidige stand van zijn ontwikkeling niet verzet tegen de toepassing van een stelsel van op objectieve criteria gebaseerde gedifferentieerde belasting op bepaalde dranken; een dergelijk stelsel heeft geen beschermende werking ten gunste van de binnenlandse produktie, wanneer elke fiscale categorie een belangrijk deel van de binnenlandse produktie van alcoholhoudende dranken omvat.
24 Gezien het antwoord op de eerste twee vragen, behoeft de derde niet te worden beantwoord.
Kosten
25 De kosten door de Deense en de Italiaanse regering alsmede door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door het Østre Landsret bij beschikking van 27 september 1984 gestelde vragen, verklaart voor recht:
-
Artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag moet aldus worden uitgelegd, dat produkten ah Schotse whisky en vruchtenwijnen van het type likeurwijn niet als gelijksoortig zijn te beschouwen.
-
In de huidige stand van zijn ontwikkeling verzet het gemeenschapsrecht, in het bijzonder artikel 95, tweede alinea, EEG-Verdrag, zich niet tegen de toepassing van een stelsel van op objectieve criteria gebaseerde gedifferentieerde belasting op bepaalde dranken; een dergelijk stelsel heeft geen beschermende werking ten gunste van de binnenlandse produktie, wanneer elke fiscale categorie een belangrijk deel van de binnenlandse produktie van alcoholhoudende dranken omvat.
Koopmans
Everling
Bahlmann
Joliét
Bosco
Due
Galmot
Kakouris
Schockweiler
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 4 maart 1986.
De griffier
P. Heim
De waarnemend president
T. Koopmans
kamerpresident