Home

Hof van Justitie EU 13-03-1986 ECLI:EU:C:1986:121

Hof van Justitie EU 13-03-1986 ECLI:EU:C:1986:121

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
13 maart 1986

Uitspraak

Arrest van het Hof (Derde kamer)

13 maart 1986(*)

In zaak 296/84,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Arbeidshof te Bergen, in het aldaar aanhangig geding tussen

A. Sinatra

en

Nationaal Pensioenfonds voor Mijnwerkers,

HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),

samengesteld als volgt: U. Everling, kamerpresident, T. Koopmans en C. Kakouris, rechters,

advocaatgeneraal: M. Darmon

griffier: P. Heim

  1. gelet op de opmerkingen ingediend door:

    • A. Sinatra, vertegenwoordigd door D. Rossini,

    • het Nationaal Pensioenfonds voor Mijnwerkers, voor de schriftelijke behandeling vertegenwoordigd door E. Stein en P. Jaudrain, advocaten, en ter terechtzitting door E. Stein,

    • de Italiaanse regering, voor de schriftelijke behandeling vertegenwoordigd door A. Squillante, bijgestaan door O. Fiumara,

    • de Commissie van de Europese Gemeenschappen, voor de schriftelijke behandeling vertegenwoordigd door J. Griesmar en F. Herbert, advocaat, en ter terechtzitting door J. Griesmar en M. Van Raepenbusch,

gehoord de conclusie van de advocaatgeneraal ter terechtzitting van 23 januari 1986,

het navolgende

ARREST

(omissis)

In rechte

1 Bij arrest van 5 december 1984, ingekomen ten Hove op 10 december daaraanvolgend, heeft het Arbeidshof te Bergen krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van de artikelen 12, 45 en 46 van verordening nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 — zoals nadien gewijzigd — betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, ten einde te kunnen uitmaken of bij de berekening van een invaliditeitsuitkering voor ondergrondse mijnwerkers toepassing moet worden gegeven aan een nationale anti-cumulatieregel.

2 Deze vraag is gerezen in een geding tussen A. Sinatra en het Nationaal Pensioenfonds voor Mijnwerkers (hierna: het Pensioenfonds). Dit geding betreft het feit dat genoemd Belgisch orgaan, belast met de uitvoering van de invaliditeitspensioenregeling voor ondergrondse mijnwerkers, het krachtens deze regeling aan Sinatra verschuldigde Belgisch pensioen heeft verminderd met het bedrag van zijn Italiaanse invaliditeitspensioen, zulks op grond van de anti-cumulatiebepaling van artikel 23, paragraaf 1, van het Koninklijk Besluit van 19 november 1970.

3 Sinatra werkte van 1948 tot 1956 als loontrekkende in Italië en van 1957 tot 1970 als ondergronds mijnwerker in België. Hij geniet een overeenkomstig artikel 46 van verordening nr. 1408/71 pro rata berekend Italiaans invaliditeitspensioen, waarvan het bedrag afhankelijk is van de duur der verzekeringstijdvakken. Sedert 1 april 1971 geniet hij krachtens het Koninklijk Besluit van 19 november 1970 een Belgisch invaliditeitspensioen voor ondergronds mijnwerker. Het bedrag van deze uitkering staat los van de duur der verzekeringstijdvakken. Sinatra heeft het voor de toekenning van dit pensioen vereiste minimumaantal dienstjaren in de mijnen gewerkt.

4 Bij een heronderzoek van Sinatra's dossier — de terechtheid waarvan het voorwerp vormde van de in zaak 7/81 aan het Hof gestelde vraag (arrest van 2.2.1982, Sinatra, Jurispr. 1982, blz. 137) — heeft het Pensioenfonds op grond van de anti-cumulatieregel van artikel 23, paragraaf 1, van het Koninklijk Besluit van 19 november 1970 het bedrag van het Italiaanse pensioen in mindering gebracht op het Belgische pensioen. Bedoelde paragraaf luidde:

„Het overeenkomstig dit besluit toegekend invaliditeitspensioen mag slechts met één of meerdere rust- of invaliditeitspensioenen gecumuleerd worden tot het beloop van het jaarlijks bedrag van het in artikel 4, leden 1, 2 of 4, vastgesteld pensioen, naar gelang het een gehuwde arbeider of een ongehuwde arbeider, weduwnaar, uit de echt gescheiden of feitelijk gescheiden arbeider betreft.”

Bij Koninklijk Besluit van 3 augustus 1983 werd deze bepaling in dier voege gewijzigd, dat de anti-cumulatieregel thans geldt voor één of meer rust- of invaliditeitspensioenen „toegekend krachtens een Belgische of buitenlandse wetgeving”.

5 Tegen deze vermindering van zijn Belgisch pensioen is Sinatra in rechte opgekomen. Het geschil kwam voor het Arbeidshof te Bergen, waar hij betoogde dat ingevolge artikel 46 van verordening nr. 1408/71 het Belgisch invaliditeitspensioen, verminderd met het Italiaanse pensioen, moest worden vergeleken met het pro rata berekende, aan de duur van de in België vervulde verzekeringstijdvakken evenredige Belgisch pensioen. Aangezien dit laatste bedrag hoger is, zou ingevolge het gemeenschapsrecht dit bedrag aan hem moeten worden uitgekeerd.

6 Volgens het Pensioenfonds is de nationale anti-cumulatieregel van toepassing, omdat Sinatra uitsluitend krachtens de Belgische wettelijke regeling een volledig pensioen ontvangt. Waar ingevolge artikel 45, lid 2, van verordening nr. 1408/71 de samentellingsregel in casu niet van toepassing is, zou artikel 46 van deze verordening evenmin toepassing kunnen vinden.

7 Ten einde over dit geschil uitspraak te kunnen doen, heeft het Arbeidshof te Bergen het Hof van Justitie de volgende prejudiciële vraag gesteld:

„Dient verordening nr. 1408/71, inzonderheid de artikelen 12, 45 en 46, aldus te worden uitgelegd, dat, wanneer de wettelijke regeling van een Lid-Staat van de Gemeenschap het recht op een invaliditeitspensioen ingevolge een bijzonder stelsel voor mijnwerkers afhankelijk stelt van de vervulling van een welbepaald minimumverzekeringstijdvak, zonder dat het betrokken bedrag samenhangt met de totale duur van de verzekeringstijdvakken (die niet worden samengeteld), en wanneer bedoelde wettelijke regeling een externe anti-cumulatieregel bevat, het bevoegde orgaan van deze Lid-Staat in het geval van een werknemer die binnen de werkingssfeer van deze wettelijke regeling valt, doch daarnaast ook krachtens de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat ingevolge het aldaar geldende algemene stelsel een pro rata berekend pensioen geniet, moet overgaan tot een vergelijking van de communautaire uitkering — berekend op basis van artikel 46, lid 1, zonder toepassing van de nationale anticumulatiebepalingen, en van artikel 46, lid 3, dat het hoogste theoretische pensioenbedrag als plafond neemt — met de uitsluitend op de toepassing van de nationale wettelijke regeling (de externe anti-cumulatieregel daaronder begrepen) gebaseerde uitkering, ten einde te bepalen welke de voor de migrerende werknemer gunstigste (dat wil zeggen het hoogste pensioenbedrag opleverende) regeling is ?”

8 Deze vraag betreft in de eerste plaats de uitlegging van artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71.

9 Artikel 12, lid 2, eerste zin, bepaalt dat in de wetgeving van een Lid-Staat voorziene anti-cumulatieregels op de rechthebbende van toepassing zijn, „zelfs indien het gaat om uitkeringen welke op grond van de wetgeving van een andere Lid-Staat zijn verkregen”. Volgens de tweede zin van deze bepaling is deze regel evenwel niet van toepassing, indien de betrokkene uitkeringen geniet, „welke door de organen van twee of meer Lid-Staten overeenkomstig de artikelen 46 ... worden vastgesteld”.

10 Te dezen wijst de Commissie er vooreerst op, dat onderscheid moet worden gemaakt tussen interne anti-cumulatievoorschriften, die uitsluitend nationale uitkeringen betreffen, en externe anti-cumulatievoorschriften, die uitdrukkelijk buitenlandse uitkeringen betreffen. In zijn oorspronkelijke versie zou artikel 23, paragraaf 1, van het Koninklijk Besluit van 19 november 1970 een interne anti-cumulatieregel zijn geweest, die niet kon worden uitgebreid tot uitkeringen krachtens de wetgeving van een andere Lid-Staat.

11 In dit verband zij eraan herinnerd, dat in het kader van de taakverdeling tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties overeenkomstig artikel 177 EEG-Verdrag het aan de nationale rechter en niet aan het Hof staat, het nationale recht uit te leggen en uitspraak te doen over de toepassing op het concrete geval. Blijkens het verwijzingsarrest heeft de onderhavige vraag betrekking op een externe anti-cumulatieregel; het antwoord op de vraag moet dus op deze basis worden gegeven.

12 Volgens de Italiaanse regering zou de onderhavige zaak het Hof aanleiding moeten geven tot een herziening van zijn rechtspraak, dat nationale anti-cumulatievoorschriften van toepassing zijn op uitsluitend krachtens de nationale wetgeving verkregen uitkeringen. Zelfs wanneer de betrokkene recht heeft op een uitsluitend krachtens de nationale wetgeving verkregen uitkering, zou deze steeds in de zin van artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71 worden vastgesteld „overeenkomstig artikel 46”. De communautaire coördinatie van de verschillende nationale stelsels, zoals voorzien in artikel 51 EEG-Verdrag, zou het noodzakelijk maken, dat iedere vermindering van een uitsluitend krachtens één wettelijke regeling verkregen uitkering wordt uitgesloten.

13 Te dien aanzien moet erop worden gewezen, dat het Hof in zijn arrest van 21 oktober 1975 (zaak 24/75, Petroni, Jurispr. 1975, blz. 1149) artikel 46, lid 3, onverenigbaar heeft verklaard met artikel 51 EEG-Verdrag, voor zover het in verschillende Lid-Staten verkregen uitkeringen beperkt door verlaging van het bedrag van een uitsluitend onder de nationale wetgeving verkregen uitkering. Uit deze rechtspraak volgt, dat een uitsluitend krachtens een nationale wetgeving verkregen uitkering die gunstiger is dan de met toepassing van artikel 46 van verordening nr. 1408/71 vastgestelde uitkering, ongeacht het bepaalde in laatstbedoeld artikel, uitsluitend krachtens de nationale bepalingen verschuldigd is.

14 Het Hof heeft evenwel herhaaldelijk beslist (zie de arresten van 13.10.1977, zaak 22/77, Mura, Jurispr. 1977, blz. 1699; 14.3.1978, zaak 98/77, Schaap, Jurispr. 1978, blz. 707; 2.7.1981, gevoegde zaken 116, 117, 120 en 121/80, Celestre, Jurispr. 1981, blz. 1737), dat in een dergelijk geval niet de tweede zin van artikel 12, lid 2, doch de eerste van toepassing is, met als gevolg dat de bepalingen inzake vermindering, schorsing of intrekking waarin de nationale wetgeving voorziet, aan de rechthebbende kunnen worden tegengeworpen. Want ofschoon verordening nr. 1408/71 de uitsluitend onder de bepalingen van een nationale wetgeving verkregen uitkeringen onverlet Iaat, moeten deze bepalingen nochtans in hun geheel worden beschouwd, met inbegrip van de mogelijk daarin vervatte anti-cumulatievoorschriften. Elke andere oplossing ware niet alleen in strijd met de tekst van artikel 12, lid 2, doch zou ook tot gevolg hebben, dat de gelijktijdige toepassing van de wetgeving van meer Lid-Staten de betrokkene voordelen zou kunnen opleveren die zowel volgens de nationale wetgeving als volgens de specifieke bepaling van artikel 46 van verordening nr. 1408/71 als ongerechtvaardigd zijn te beschouwen.

15 Hieruit volgt, dat artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71 niet in de weg staat aan toepassing van een nationaal extern anti-cumulatievoorschrift op uitsluitend onder de bepalingen van een nationale wetgeving verkregen uitkeringen.

16 Voorts strekt de vraag ertoe te vernemen, of artikel 46 van verordening nr. 1408/71 van toepassing is in een geval als het onderhavige, en hoe het ingevolge deze bepaling verschuldigde uitkeringsbedrag moet worden berekend.

17 Volgens het Pensioenfonds moet het in artikel 46, lid 1, eerste alinea bedoelde, met de totale duur van de verzekeringstijdvakken van het bijzondere stelsel voor mijnwerkers overeenkomende bedrag worden vastgesteld met inaanmerkingneming van het anti-cumulatievoorschrift van artikel 23, paragraaf 1, van het Koninklijk Besluit van 19 november 1970. Dit zou voortvloeien uit artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71. De basisregel van artikel 45, lid 2, van deze verordening zou het in casu onmogelijk maken, bij de berekening van een pensioen krachtens de Belgische bijzondere regeling voor mijnwerkers de in Italië buiten de mijnen vervulde verzekeringstijdvakken samen te tellen met de verzekeringstijdvakken in de Belgische mijnen, en zich verzetten tegen het maken van de in artikel 46, lid 1, tweede alinea, voorziene vergelijking.

18 Hiertegenover stelt Sinatra, dat bij de berekening van de krachtens artikel 46 verschuldigde uitkering altijd moet worden samengeteld en geproratiseerd, ook in een geval als het onderhavige. Het Belgische orgaan zou hem dus een invaliditeitspensioen moeten toekennen, evenredig aan de verhouding tussen het aantal in België vervulde verzekeringsjaren en de totale duur van zijn beroepsloopbaan.

19 Volgens artikel 40, lid 1, van verordening nr. 1408/71 is artikel 46 van overeenkomstige toepassing op invaliditeitsuitkeringen, wanneer een werknemer achtereenvolgens of afwisselend onderworpen is geweest aan de wettelijke regelingen van twee of meer Lid-Staten, waarvan er ten minste één het bedrag van de uitkeringen afhankelijk stelt van de duur van de verzekeringstijdvakken. Volgens artikel 46, lid 1, moet een vergelijking worden gemaakt tussen het in lid 1, eerste alinea, bedoelde uitkeringsbedrag volgens de betrokken nationale wettelijke regeling, overeenkomend met de totale duur van de tijdvakken van verzekering of van wonen welke krachtens deze wettelijke regeling in aanmerking moeten worden genomen, en het uitkeringsbedrag dat zou worden verkregen bij toepassing van de in artikel 46, lid 2, sub a en b, vastgestelde regels. Ingevolge artikel 46, lid 1, tweede alinea, wordt alleen het hoogste uitkeringsbedrag aangehouden.

20 Uit de reeds aangehaalde rechtspraak volgt, dat de overeenkomstig artikel 46 berekende uitkering verschuldigd is, indien deze gunstiger blijkt dan die welke uitsluitend krachtens de bepalingen van een nationale wetgeving, met inbegrip van een eventueel extern anti-cumulatievoorschrift, wordt verkregen. Ofschoon artikel 45, lid 2, de samentelling van verzekeringstijdvakken uitsluit wanneer het, zoals in casu, een bijzonder stelsel voor een bepaald beroep betreft en de in een andere Lid-Staat vervulde tijdvakken niet krachtens een overeenkomstig stelsel werden vervuld, is voor de toepassing van artikel 46 en voor de in lid 1, tweede alinea, daarvan bedoelde vergelijking evenwel niet vereist, dat alle betrokken tijdvakken voor de vaststelling van de uitkeringen kunnen worden samengeteld. Artikel 46 is in een geval als het onderhavige derhalve onverminderd van toepassing.

21 Het in artikel 46, lid 1, eerste alinea, bedoelde bedrag is blijkens voormelde rechtspraak van het Hof, laatstelijk bevestigd in twee arresten van 4 juni 1985 (zaak 58/84, Romano, en zaak 117/84, Ruzzu, Jurispr. 1985, blz. 1679 en 1697), het bedrag waarop de werknemer volgens de nationale wetgeving recht zou hebben indien hij geen pensioen ontving krachtens de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat. De toepassing van een nationaal extern anti-cumulatievoorschrift is daarbij ingevolge artikel 12, lid 2, tweede zin, van verordening nr. 1408/71 uitgesloten.

22 Wat het aan de hand van artikel 46, lid 2, sub a en b te berekenen bedrag betreft, is sub a, in fine, bepaald, dat indien volgens een nationale wettelijke regeling het bedrag van de uitkering onafhankelijk is van de vervulde tijdvakken, „dit bedrag wordt beschouwd als het sub a bedoelde theoretische bedrag.” Is in een dergelijk geval dit bedrag gelijk aan het in lid 1, eerste alinea, bedoelde bedrag, dan kan het werkelijke uitkeringsbedrag, dat volgens lid 2, sub b, wordt vastgesteld naar verhouding van de duur van de onder de betrokken wettelijke regeling vervulde verzekeringstijdvakken tot de totale duur van de onder de wettelijke regelingen van alle betrokken Lid-Staten vervulde tijdvakken, niet hoger zijn dan het in lid 1 bedoelde bedrag. Bijgevolg is de tussen het Pensioenfonds enerzijds en Sinatra en de Italiaanse regering anderzijds omstreden vraag, of de in artikel 46, lid 2, bedoelde berekening ook geldt voor de gevallen bedoeld in artikel 45, lid 2, zonder belang.

23 Hieraan moet worden toegevoegd dat, zoals de Commissie en de Italiaanse regering hebben opgemerkt, het aldus berekende bedrag moet worden verminderd overeenkomstig artikel 46, lid 3. Volgens deze bepaling vormt het hoogste van de volgens lid 2, sub a, berekende theoretische uitkeringsbedragen het maximum dat de som van de overeenkomstig de leden 1 en 2 berekende uitkeringsbedragen die elk van de organen die lid 1 toepassen, verschuldigd zijn, niet mag overschrijden.

24 Op de vraag van het Arbeidshof te Bergen moet mitsdien worden geantwoord,

    • dat de bepalingen van verordening nr. 1408/71 zich niet verzetten tegen de toekenning van uitsluitend krachtens een nationale wettelijke regeling verkregen uitkeringen, wanneer deze hoger zijn dan die welke met toepassing van artikel 46 van deze verordening zijn bepaald;

    • dat in een dergelijk geval artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71 niet in de weg staat aan toepassing van een nationaal extern anti-cumulatievoorschrift bij de bepaling van de uitkeringen die uitsluitend krachtens de nationale wettelijke regeling zijn verworven;

    • dat artikel 46 van verordening nr. 1408/71 van toepassing is wanneer het bedrag van de krachtens een nationale wettelijke regeling verschuldigde uitkeringen onafhankelijk is van de vervulde tijdvakken en het minimumtijdvak waarvan die wettelijke regeling de verkrijging van het recht doet afhangen, is vervuld, ook indien het gaat om een bijzondere regeling voor een bepaald beroep en de in een andere Lid-Staat vervulde tijdvakken niet krachtens een overeenkomstige regeling zijn vervuld;

    • dat bij de bepaling van het in de eerste alinea van artikel 46, lid 1, bedoelde bedrag de toepassing van een nationaal extern anti-cumulatievoorschrift uitgesloten is;

    • dat het bedrag dat bij de in de tweede alinea van artikel 46, lid 1, bedoelde vergelijking het hoogste blijkt te zijn, in voorkomend geval overeenkomstig het derde lid van dit artikel wordt verminderd.

Kosten

25 De kosten door de Italiaanse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),

uitspraak doende op de door het Arbeidshof te Bergen bij arrest van 5 december 1984 gestelde vraag, verklaart voor recht:

  1. De bepalingen van verordening nr. 1408/71 verzetten zich niet tegen de toekenning van uitsluitend krachtens een nationale wettelijke regeling verkregen uitkeringen, wanneer deze hoger zijn dan die welke met toepassing van artikel 46 van deze verordening zijn bepaald.

    In een dergelijk geval staat artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71 niet in de weg aan toepassing van een nationaal extern anti-cumulatievoorschrift bij de bepaling van de uitkeringen die uitsluitend krachtens de nationale wettelijke regeling zijn verworven.

  2. Artikel 46 van verordening nr. 1408/71 is van toepassing wanneer het bedrag van de krachtens een nationale wettelijke regeling verschuldigde uitkeringen onafhankelijk is van de vervulde tijdvakken en het minimumtijdvak waarvan die wettelijke regeling de verkrijging van het recht doet afhangen, is vervuld, ook indien het gaat om een bijzondere regeling voor een bepaald beroep en de in een andere Lid-Staat vervulde tijdvakken niet krachtens een overeenkomstige regeling zijn vervuld.

    Bij de bepaling van het in de eerste alinea van artikel 46, lid 1, bedoelde bedrag is de toepassing van een nationaal extern anti-cumuladevoorschrift uitgesloten.

    Het bedrag dat bij de in de tweede alinea van artikel 46, lid 1, bedoelde vergelijking het hoogste blijkt te zijn, wordt in voorkomend geval overeenkomstig het derde lid van dit artikel verminderd.

Everling

Koopmans

Kakouris

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 13 maart 1986.

De griffier

P. Heim

De president van de Derde kamer

U. Everling