Home

Hof van Justitie EU 12-11-1985 ECLI:EU:C:1985:456

Hof van Justitie EU 12-11-1985 ECLI:EU:C:1985:456

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
12 november 1985

Conclusie van advocaat-generaal

M. Darmon

van 12 november 1985(*)

Mijnheer de President,

mijne beren Rechters,

1. De vennootschap naar Zwitsers recht ETA Fabrique d'Ébauches (hierna: ETA), sedert december 1984 voor de verhandeling en de garantieservice vertegenwoordigd door Swatch SA, vervaardigt in grote series goedkope kwartshorloges die zij in de verschillende Lid-Staten in de handel brengt door bemiddeling van „vertegenwoordigers”, die het exclusieve distributierecht bezitten voor het hun toegewezen gebied.

Ingevolge de distributieovereenkomst is de vertegenwoordiger verplicht ten minste een bepaald aantal horloges te kopen. Verder bepaalt de overeenkomst, dat de horloges gegarandeerd zijn gedurende twaalf maanden na de aankoop door de gebruiker, maar maximaal 18 maanden na de levering door ETA aan de distributeur.

Op grond van dit beding heeft ETA de Rechtbank van Koophandel te Brussel verzocht, de verweersters in het hoofdgeding te verbieden garantie te geven op de horloges die zij door middel van neveninvoer hebben betrokken.

Overwegende dat het bij hem aanhangige geschil een probleem van uitlegging van het gemeenschapsrecht doet rijzen, heeft de verwijzende rechter het Hof de volgende vraag gesteld:

„Moet artikel 85 aldus worden gelezen en uitgelegd, dat het een onderneming die haar produkten op de gemeenschappelijke markt verkoopt door tussenkomst van in elk der Lid-Staten gevestigde alleenverkopers — maar die overigens tolereert dat haar produkten door een net van nevenimporteurs worden gedistribueerd -, vrijstaat om de voordelen voortvloeiende uit een garantie welke zij op de betrokken produkten verleent, voor te behouden aan de afnemers van de door haar erkende alleenverkopers ?”

2. Deze vraag ligt binnen de grenzen die het Hof zich op het gebied van zijn prejudiciële rechtspraak heeft gesteld.

Het is immers vaste rechtspraak, dat het Hof uitsluitend bevoegd is de gemeenschapsregels uit te leggen, en dat de toepassing ervan tot de taak behoort van de nationale rechter die zich tot het Hof heeft gewend (zie onder meer zaak 56/65, Société Technique Miniere, Jurispr. 1966, blz. 394, 412).

In dezelfde gedachtengang past dat het Hof, hoewel de Commissie deze vraag heeft opgeworpen, niet behoeft te verklaren of de overeenkomst waarvan de litigieuze clausule deel uitmaakt, in aanmerking komt voor ontheffing overeenkomstig artikel 85, lid 3. De beslissing daarover behoort tot de uitsluitende bevoegdheid van de Commissie, behoudens toezicht van het Hof, en voor controle door de nationale rechter is dus geen plaats (artikel 9, lid 1, van verordening nr. 17 van de Raad, „Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag”, PB 1962, blz. 204; zaak 31/80, L'Oréal, Jurispr. 1980, blz. 3775, r.o. 13).

De vraag van de verwijzende rechter heeft trouwens geen betrekking op de geoorloofdheid van de distributieovereenkomst in haar geheel. Na te hebben opgemerkt dat ETA neveninvoer tolereert, vraag hij met name niet, of de contractsbepaling die de vertegenwoordiger verbiedt horloges te verkopen of te distribueren buiten zijn contractgebied en hem verplicht alle bestellingen uit een andere Staat aan de moedermaatschappij door te geven, verenigbaar is met artikel 85, lid 1. Er is dus geen reden om zich over dat punt, hoe men er verder ook over moge denken, uit te spreken. De nationale rechter vraagt enkel om een beoordeling van de verenigbaarheid met dat artikel van een ondernemingspraktijk die erin bestaat dat de garantie tegen zaaksgebreken wordt beperkt tot de produkten die via het exclusieve distributienet worden verkocht, en dat geen garantie wordt verleend op produkten die door nevenimporteurs in de handel worden gebracht.

Laat ik er in het voorbijgaan op wijzen, dat de omstandigheid dat ETA in een derde land is gevestigd, niet afdoet aan de toepasselijkheid van artikel 85, daar „de overeenkomst op het grondgebied van de gemeenschappelijke markt effect sorteert” (zaak 22/71, Béguelin Import, Jurispr. 1971, blz. 949, r.o. 11).

In dit perspectief moeten de schriftelijke en mondelinge opmerkingen van de partijen in het hoofdgeding en de Commissie worden geplaatst, indien wij tot een nuttige uitlegging van de verdragsregels willen komen (zaak 56/65, reeds aangehaald, alsmede de gevoegde zaken 253/78 en 1 tot 3/79, Giry en Guerlain, Jurispr. 1980, blz. 2327, r.o. 6).

3. Verzoekster in bet hoofdgeding preciseert allereerst dat zij de neveninvoer van door haar vervaardigde horloges niet wenst te verhinderen. Zij meent evenwel dat de op de produkten gegeven garantie in een dergelijk geval niet geldt. De garantieverplichting is immers een bestanddeel van de distributieovereenkomst en heeft dienvolgens een contractueel karakter; zij kan derhalve enkel gelden voor de horloges die via haar eigen distributienet worden verkocht.

De weigering om de garantie uit te breiden tot personen die niet tot dat net behoren, zou bovendien worden gerechtvaardigd door het streven de distributeurs te dwingen zich te houden aan de maximale opslagduur van zes maanden, die moet verzekeren dat de horloges bij verkoop aan de gebruiker in goede staat verkeren. De distributie via het parallelle net nu zou geen service van gelijke kwaliteit bieden. Want omdat geen controle op de opslagduur mogelijk is, is het mogelijk dat horloges met een „oude” batterij worden verkocht, waardoor zij minder goed lopen, wat schadelijk is voor de reputatie van ETA.

Om die twee redenen zou ETA terecht garantie weigeren aan al diegenen die niet kunnen aantonen dat zij het produkt gekocht hebben bij een officiële distributeur van het merk, die door ETA kan worden geïdentificeerd.

Ter terechtzitting hebben twee verweersters in het hoofdgeding vooral de aandacht gevestigd op de kenmerken van het produkt — massaproduktie, lage prijzen, ontbreken van een speciale dienst voor klantenservice, verkoop in gespecialiseerde winkels, maar ook in warenhuizen -, om aldus aan te tonen dat ETA zich voor haar weigering om garantie te verlenen op via het parallelle net verkochte horloges, niet kan beroepen op eisen die de selectieve distributie van een produkt stelt.

De Commissie beschrijft de volgens haar met artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag onverenigbare gevolgen van een dergelijke garantieregeling. Zij zet uiteen, dat het voor de gebruiker altijd mogelijk moet zijn om zich op de op de verkochte zaak gegeven garantie te beroepen. In die zin is de mogelijkheid om de garantie rechtstreeks of via een van de distributeurs bij de fabrikant te laten gelden, stellig van invloed op de koopbeslissing.

In zoverre zou een distributieovereenkomst, die de garantie beperkt tot de produkten die door de door de fabrikant geselecteerde distributeurs binnen hun rayon zijn verkocht, onder het verbod van artikel 85, lid 1, vallen. In dat geval zou iedere concessiehouder binnen zijn contractgebied in een Lid-Staat door middel van de garantie kunstmatig beschermd zijn tegen neveninvoer. En de koper die aanspraak wil kunnen maken op de garantie, zou ertoe worden gebracht het produkt te kopen bij een van de verkooppunten van het exclusieve net van de Lid-Staat waar hij woont. Kortom, de weigering om de garantie tot neveninvoer uit te breiden, zou deze neveninvoer onaantrekkelijk maken en een dergelijke praktijk zou dus stellig de handel tussen de Lid-Staten ongunstig kunnen beïnvloeden.

4. Bij de uitlegging van het gemeenschapsrecht in de onderhavige zaak dienen mijns inziens twee dingen te worden bedacht.

Allereerst valt, zoals de Commissie heeft opgemerkt, niet te ontkennen dat, behoudens verlies of diefstal, mogelijkheden die in casu niet zijn genoemd, een van de „schakels” van het distributienet van ETA de bron moet zijn waaruit de via nevenimport verhandelde horloges afkomstig zijn.

Deze simpele vaststelling ontkracht het argument dat overeenkomsten, voor wat de garantie betreft, slechts gevolg hebben tussen partijen. Zonder zichzelf tegen te spreken, kan de fabrikant zich hierop niet beroepen om de garantie te weigeren aan een derde die horloges heeft betrokken uit neveninvoer: bij deze invoer gaat het immers om produkten die van ETA zijn gekocht door een van haar concessiehouders en die vervolgens op de parallelmarkt zijn gebracht hetzij door die concessiehouder hetzij door een van zijn medecontractanten.

In de tweede plaats kan de maximale opslagduur evenmin een rechtvaardiging vormen voor de garantieweigering.

Zoals ter terechtzitting is gepreciseerd, biedt ETA de gebruiker in beginsel twaalf maanden garantie, zelfs wanneer de opslagduur langer dan zes maanden is geweest. Dit behoeft niet te verbazen. Het valt immers moeilijk in te zien hoe ETA, gelet op de relatieve werking van de overeenkomsten, zich jegens de gebruiker zou kunnen bevrijden van de uitdrukkelijke, met de verkochte zaak verbonden verplichting door zich te beroepen op een beding inzake de opslagduur, dat slechts aan de vertegenwoordiger kan worden tegengeworpen.

5. Omdat de door ETA aangevoerde argumenten geen steek houden, is men geneigd aan te nemen — de terechtzitting was wat dit aangaat onthullend — dat de door haar toegepaste ongelijke behandeling op het punt van de garantie een volstrekt andere reden heeft.

De discriminerende praktijk van verzoekster, die erin bestaat dat zij garantie weigert omdat de distributieketen niet geheel identificeerbaar is, is in werkelijkheid bedoeld om de alternatieve kanalen die, zoals zij zelf erkent, gevoed worden door enkele onbekende concessiehouders, droog te leggen.

Het staat echter buiten twijfel, dat een garantiebeding dat in de praktijk tot gevolg heeft dat neveninvoer onmogelijk wordt gemaakt, in strijd is met het beginsel van de eenheid van de markt en met de economische vrijheid van de alleenverkopers, die artikel 85 wil waarborgen (zie in het bijzonder zaak 86/82, Hasselblad, Jurispr. 1984, blz. 883, r.o. 32-35, bij implicatie, en r.o. 41-46, alsook de conclusie van advocaat-generaal Sir Gordon Slynn, blz. 929-931; zaak 25/75, Van Vliet, Jurispr. 1975, blz. 1103, r.o. 12-17; zaak 22/71, Béguelin Import, reeds aangehaald, r.o. 12 e.V.). Onder verwijzing naar met name haar beschikking Zanussi (23 oktober 1978, PB 1978, L 322, blz. 36) heeft de Commissie er terecht op gewezen, dat de garantie in beginsel moet worden verleend ongeacht de plaats waar het produkt in de gemeenschappelijke markt is gekocht (zie ook de twaalfde overweging en artikel 5, lid 1, sub la en b, van verordening nr. 123/85 van de Commissie van 12 december 1984 betreffende de toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag op groepen afzet- en klantenserviceovereenkomsten inzake motorvoertuigen, PB 1985, L 15, blz. 16).

In het onderhavige geval heeft de overeenkomst, waarin ETA met haar exclusieve distributeurs overeenkomt dat de garantie op haar produkten in feite een beperkte territoriale draagwijdte zal hebben, in tweeërlei opzicht kwalijke gevolgen voor de mededinging:

  • doordat zij de gebruikers de garantie onthoudt wanneer de herkomst van de gekochte horloges niet geheel duidelijk is, maakt zij neveninvoer minder aantrekkelijk voor degenen die in die horloges handelen;

  • door aldus de nationale distributienetten af te schermen, stelt de overeenkomst de fabrikant in staat niet alleen om de concurrentiepositie van sommige van zijn concessiehouders kunstmatig te beschermen tegen parallelle distributie, maar ook om zichzelf tegen de gevolgen van die invoer te beveiligen, met name door de afzet van de meest recente produkten te bevoordelen ten koste van de verkoop tegen lagere prijzen van oudere modellen via nevenkanalen.

Wanneer een fabrikant een garantiebeding in een distributieovereenkomst gebruikt op de wijze en met de gevolgen zoals hiervoor omschreven, mag men concluderen dat de overeenkomst onverenigbaar is met artikel 85, lid 1, indien deze praktijk „de handel tussen Lid-Staten ongunstig [kan] beïnvloeden en ertoe [strekt] of tengevolge [heeft] dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd...”.

Het is te dezen vaste rechtspraak dat:

„om te kunnen beoordelen of een overeenkomst de handel tussen Lid-Staten ongunstig kan beïnvloeden, op basis van een geheel van objectieve gegevens — feitelijke of rechtens — en vooral gelet op de gevolgen van de litigieuze overeenkomst voor de mogelijkheden tot parallelimport, moet worden vastgesteld of met een voldoende mate van waarschijnlijkheid kan worden verwacht dat deze overeenkomst al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, de handelsstromen tussen Lid-Staten kan beïnvloeden”,

en dat

„om te kunnen beoordelen of een overeenkomst als verboden moet worden beschouwd wegens vervalsing van de mededinging die het doel of het gevolg ervan is, de mededinging moet worden bezien binnen het feitelijke kader waarin zij zich zonder de litigieuze overeenkomst zou afspelen.”

Het Hof concludeerde:

„Het staat aan de nationale rechter om op basis van alle relevante gegevens uit te maken, of de overeenkomst feitelijk voldoet aan de voorwaarden om onder het verbod van artikel 85, lid 1, te vallen.” (zaak 31/80, L'Oréal, reeds aangehaald, r.o. 18-20. Zie ook zaak 99/79, Lancôme, Jurispr. 1980, blz. 2511, r.o. 21-25).

6. Ik geef het Hof derhalve in overweging, de door de nationale rechter gestelde vraag te beantwoorden als volgt:

De weigering van een fabrikant om de in de distributieovereenkomsten met zijn concessiehouders in de verschillende Lid-Staten omschreven garantie te verlenen voor de produkten die buiten het contractgebied van die concessiehouders in de handel zijn gebracht, en dit om de enkele reden dat het distributiekanaal niet geheel traceerbaar is, is een door artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag verboden praktijk, wanneer die weigering de handel tussen de Lid-Staten ongunstig kan beïnvloeden en tot doel of tot gevolg kan hebben dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt vervalst.