Hof van Justitie EU 29-09-1987 ECLI:EU:C:1987:390
Hof van Justitie EU 29-09-1987 ECLI:EU:C:1987:390
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 29 september 1987
Conclusie van advocaat-generaal
M. Darmon
van 29 september 1987(*)
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
1. Bij het onderhavige beroep wegens niet-nakoming wordt het Hof verzocht vast te stellen dat de Helleense Republiek:
-
krachtens de artikelen 2, 143 en 145 van de Toetredingsakte van deze staat tot de Europese Gemeenschappen(1) verplicht was om per 1 januari 1981 de maatregelen in werking te stellen „die
-
nodig zijn om... uitvoering te geven aan de richtlijnen en beschikkingen in de zin van artikel 189 van het EEG-Verdrag...”(2) (eerste middel), — de krachtens de Toetredingsakte, het EEG-Verdrag en artikel 2 van de richtlijn van 11 mei 1960, zoals gewijzigd bij de richtlijn van 18 december 1962, op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen door de Banque de Paris et des Pays-Bas (België) (hierna: Paribas) geen toestemming te verlenen om de liquidatieopbrengst van in obligaties van de Hellenic Industrial Development Bank (hierna: HIDB) belegde gelden te repatriëren of opnieuw op een convertibele rekening te plaatsen (tweede middel) en om de „gekweekte” rente, dat wil zeggen de rente uit de belegging met inbegrip van die uit het deposito op een van 1984 tot 1986 geblokkeerde rekening, te repatriëren (derde middel).
2. Ter terechtzitting heeft de Commissie toegegeven:
-
dat de twee richtlijnen bij presidentieel decreet nr. 170/86, gepubliceerd op 19 mei 1986, in nationaal recht zijn omgezet,
-
dat de Griekse bevoegde autoriteiten in de loop van de procedure ten aanzien van Paribas nieuwe besluiten hebben genomen, die voldoen aan de voor hen uit het gemeenschapsrecht voortvloeiende verplichtingen.
Zij stelt evenwel, onder verwijzing naar de rechtspraak van het Hof, dat de verweten niet-nakoming in rechte moet worden vastgesteld, daar het voor haar van belang is de Lid-Staten te wijzen op hun verantwoordelijkheden, zowel ten aanzien van de andere Lid-Staten als ten aanzien van particulieren. Met betrekking tot het tweede en het derde middel moet met name het probleem van de rechtstreekse werking van de inmiddels in nationaal recht omgezette richtlijn en van de artikelen 67, lid 2, of 106, lid 1, van het Verdrag worden onderzoent. De Helleense Republiek heeft namelijk aangevoerd, dat Paribas zich niet rechtstreeks kan beroepen op deze richtlijnen, omdat zij niet duidelijk en onvoorwaardelijk zijn en de Lid-Staten derhalve het recht behouden om de aard en de wettigheid van de transacties te controleren. Bovendien heeft geen enkele bepaling van het presidentiële decreet nr. 170/86 terugwerkende kracht tot 1 januari 1981. Een nieuw ontwerpdecreet, dat het decreet van 1986 overneemt doch terugwerkende kracht verleent, staat op het punt te worden gepubliceerd, maar zolang er over de inhoud noch over de inwerkingtreding daarvan enige zekerheid bestaat, meent de Commissie dat zij haar vordering niet geheel of gedeeltelijk kan laten vallen.
3. Volgens de rechtspraak van het Hof heeft de Commissie zelfs dan nog belang bij de handhaving van een beroep wegens niet-nakoming, wanneer na het verstrijken van de in het met redenen omklede advies gestelde termijn bevredigende wijzigingen in de wetgeving van de verweer voerende Lid-Staat zijn aangebracht, omdat
„een door het Hof krachtens de artikelen 169 en 171 van het Verdrag te wijzen arrest van materieel belang kan zijn ter vaststelling van de grondslag van de aansprakelijkheid die een Lid-Staat, als gevolg van die niet-nakoming, jegens andere Lid-Staten, de Gemeenschap of particulieren te dragen kan krijgen.”(3)
4. Met betrekking tot het eerste middel betwist de Helleense Republiek niet dat de twee richtlijnen bij de inwerkingtreding van de Toetredingsakte in nationaal recht hadden moeten zijn omgezet. De niet-nakoming staat derhalve vast. Volgens de zojuist geciteerde rechtspraak is er dus een „materieel belang” bij de vaststelling daarvan.
5. In de andere middelen brengt de Commissie de door Griekenland ten opzichte van Paribus gevolge praktijk in het geding. In haar antwoord op de door het Hof ter terechtzitting gestelde vragen, heeft de Commissie erop gewezen, dat haar beroep niet alleen ertoe strekt te doen vaststellen dat Griekenland de op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen door Paribas — die uiteindelijk toch genoegdoening heeft geltregen — geen toestemming te verlenen om de betrokken gelden naar het buitenland over te maken, maar ook een praktijk te doen bestraffen die Griekenland ook in andere gevallen toepaste en vooral te doen vaststellen dat de genoemde richtlijnen rechtstreekse werking hebben.
6. Volgens de rechtspraak van het Hof mag zonder meer worden aangenomen dat de Commissie er belang bij heeft om een niet-nakoming, die na afloop van de in het met redenen omklede advies gestelde termijn nog voortduurt, te laten vaststellen(4) en is zij alleen in staat te beoordelen of het nuttig is haar actie voort te zetten of om daarvan af te zien. Bijgevolg kan het belang van de Commissie om met betrekking tot het „geval Paribas” op te treden, niet worden betwist. Wat betreft de verwijzing naar andere soortgelijke gevallen, heb ik begrepen dat dit betekent dat de uitspraak in de onderhavige zaak tegen alle praktijken van dezelfde aard zal worden gebruikt, en geen verzoek inhoudt om ook ten aanzien daarvan uitspraak te doen. Een dergelijk verzoek zou overigens niet-ontvankelijk zijn, omdat alleen de feiten betreffende Paribas in het met redenen omklede advies worden genoemd.
7. Met betrekking tot het belang bij een uitspraak over de rechtstreekse werking van sommige bepalingen van de richtlijnen heeft het Hof reeds overwogen, dat
„(de artikelen 169 tot 171 van) het Verdrag... daadwerkelijke opheffing van de niet-nakoming der Verdragsverplichtingen en van de daaraan in het verleden en toekomst verbonden gevolgen (beogen)”(5)
en dat
„de krachtens de artikelen 169 tot 171 gewezen arresten in de eerste plaats tot doel hebben vast te stellen waartoe de Lid-Staten gehouden zijn ingeval zij hun verplichtingen niet nakomen.”(6)
In het onderhavige geval gaat het er slechts om, uitspraak te doen over de beweerde niet-nakoming door de verwerende Lid-Staat van de verplichtingen, die besloten liggen in hem bindende handelingen, ongeacht de werking die deze laatste in diens interne rechtsorde ook mogen hebben. Het vraagstuk van de rechtstreekse werking hoort immers niet thuis in een beroep wegens nietnakoming. Bijgevolg moet het onderzoek in het onderhavige geding, wat de laatste twee middelen betreft, beperkt blijven tot de op de Helleense Republiek rustende verplichtingen ter zake van het verlenen van toestemming voor de repatriëring of de omwisseling van de door Paribas in obligaties belegde gelden en de daarop betrekking hebbende renten.
8. Het tweede middel is zonder enige twijfel gegrond. Dit is overigens in de loop van de procedure impliciet toegegeven door de Griekse bevoegde autoriteiten, die uiteindelijk toestemming hebben gegeven voor het vrije converteren van de gehele liquidatieopbrengst van de door Paribas verkochte obligaties. Bovendien heeft verweerster in dupliek het belangrijkste argument uit haar verweerschrift, namelijk dat de richtlijnen niet van toepassing zijn op de betrokken transacties, laten vallen en uiteindelijk gesteld dat de vertraging bij het geven van toestemming te wijten was aan het toezicht op de wettigheid en de echtheid van de transactie, doch dit laatste kan de beweerde niet-nakoming niet opheffen.
9. De „gekweekte” rente moet, ongeacht of zij betrekking heeft op een belegging dan wel op het deposito op een geblokkeerde rekening, als „lopende betaling” in de zin van artikel 67, lid 2, van het Verdrag worden beschouwd. Het feit dat de Commissie als alternatief artikel 106, lid 1, van het Verdrag aanvoert, wijst erop dat het in de praktijk moeilijk is om onderscheid te maken tussen de betalingen van artikel 67, lid 2, en de „betalingen welke betrekking hebben op het... kapitaalverkeer” bedoeld in artikel 106, lid 1. Deze laatste bepaling heeft een beperktere werkingssfeer dan artikel 67, lid 2, omdat zij slechts geldt „voor zover het... kapitaalverkeer... tussen de Lid-Staten met toepassing van dit Verdrag is vrijgemaakt”, terwijl artikel 67, lid 2, deze beperking niet bevat. Al lijkt toepassing van artikel 106, lid 1, in het onderhavige geval te volstaan omdat het hier gaat om rente uit een onvoorwaardelijk vrijgemaakte transactie, toch komt het mij voor dat ook artikel 67, lid 2, van toepassing moet worden geacht omdat deze bepaling een ruimere werking heeft op het gebied van de vrijmaking van het kapitaalverkeer.
10. Mitsdien geef ik het Hof in overweging
-
vast te stellen, dat de Helleense Republiek de krachtens de artikelen 2, 143 en 145 van de Toetredingsakte van deze staat tot de Europese Gemeenschappen en krachtens het EEG-Verdrag, inzonderheid artikel 67, lid 2, op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen,
-
door niet per 1 januari 1981 de nationale maatregelen in werking te stellen die nodig zijn om uitvoering te geven aan de richtlijn van 11 mei 1960 voor de uitvoering van artikel 67 EEG-Verdrag, zoals aangevuld en gewijzigd bij richtlijn 63/21 van 18 december 1962,
-
en door de Banque de Paris et de Pays-Bas (België) geen toestemming te geven om de liquidatieopbrengst van nationale ter beurze verhandelde effecten vrijelijk te repatriëren of op een convertibele rekening in Griekenland te plaatsen,
-
door geen toestemming te verlenen om alle op deze belegging betrekking hebbende rente vrijelijk uit Griekenland over te maken,
-
-
de Helleense Republiek te verwijzen in de kosten van de procedure.