Hof van Justitie EU 13-11-1986 ECLI:EU:C:1986:426
Hof van Justitie EU 13-11-1986 ECLI:EU:C:1986:426
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 13 november 1986
Uitspraak
Arrest van het Hof (Derde kamer)
13 november 1986(*)
In de gevoegde zaken 80 en 159/85,
betreffende verzoeken aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag
-
van de Arrondissementsrechtsbank te Almelo (zaak 80/85), in het aldaar aanhangig geding tussen
Nederlandse Bakkerij Stichting, te 's-Gravenhage, alsmede Theodoras Cornells Dam, Firma Bos, Johannes Bernardus Busch en Jacobus Bos, te Enschede,
enEdah BV, te Helmond,
-
en van de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch (zaak 159/85), in de aldaar dienende strafzaak tegen
Edah BV, te Helmond,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
samengesteld als volgt: Y. Galmot, kamerpresident, U. Everling en J. C. Moitinho de Almeida, rechters,
advocaatgeneraal: J. Mischo
griffier: D. Louterman, administrateur
gelet op de opmerkingen ingediend door:
-
de Nederlandse Bakkerij Stichting, vertegenwoordigd door R. A. A. Duk, advocaat te 's-Gravenhage;
-
Edah BV, vertegenwoordigd door T. R. Ottervanger, advocaat te Rotterdam;
-
de Nederlandse regering, tijdens de schriftelijke behandeling vertegenwoordigd door I. Verkade, secretarisgeneraal van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, en ter terechtzitting door G. M. Borchardt;
-
de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door Th. van Rijn, lid van haar juridische dienst;
-
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 29 mei 1986,
gehoord de conclusie van de advocaatgeneraal ter terechtzitting van 24 september 1986,
het navolgende
ARREST
1 Bij vonnis van 13 maart 1985, ingekomen ten Hove op 1 april daaraanvolgend, respectievelijk van 20 mei 1985, ingekomen op 28 mei daaraanvolgend, hebben de president van de Arrondissementsrechtbank te Almelo en de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag ieder twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 7 en 30 EEG-Verdrag en het algemene non-discriminatiebeginsel. Daar de vragen naar hun onderwerp gelijk of verknocht zijn, heeft het Hof de zaken voor de mondelinge behandeling en het arrest gevoegd.
2 De vragen zijn gerezen in twee procedures tegen de vennootschap Edah BV (hierna: Edah), die in Nederland grootwinkelbedrijven exploiteert. In beide procedures gaat het om broodverkoop door Edah tegen een prijs beneden de krachtens de Nederlandse Verordening Broodprijzen vastgestelde minimumprijs. De procedure voor de president van de Arrondissementsrechtbank te Almelo heeft betrekking op een vordering in kort geding, ingesteld door de Nederlandse Bakkerij Stichting, die de belangen van de Nederlandse broodbakkers behartigt, en door verschillende bakkers die in de buurt van filialen van Edah zijn gevestigd; gevorderd wordt een verbod aan Edah om prijzen beneden de minimumprijs toe te passen. Voor de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch heeft de Officier van Justitie tegen Edah strafvervolging ingesteld ter zake van overtreding van dezelfde regeling.
3 Volgens artikel 2 van de Verordening Broodprijzen, vastgesteld op 2 september 1976 door het Produktschap voor granen, zaden en peulvruchten, is het verboden om in Nederland geproduceerd brood te verkopen beneden de minimumverkoopprijs. Bij de vaststelling van die prijs dient de voorzitter van het Produktschap onder meer uit te gaan van de integrale produktiekosten van goed georganiseerde, efficiënt werkende broodbakkerijen alsmede de integrale distributiekosten van goed georganiseerde, efficiënt werkende distributiebedrijven.
4 In 1982 is in de Verordening Broodprijzen een artikel 2 bis ingevoegd, op grond waarvan het verboden is om ander dan in Nederland geproduceerd brood aan de verbruiker te verkopen tegen een prijs lager dan de inkoopprijs vermeerderd met een marge welke gelijk is aan de integrale distributiekosten van goed georganiseerde, efficiënt werkende distributiebedrijven, het geheel vermeerderd met BTW. Ingevolge een verordening van 7 maart 1985, in werking getreden op 23 maart 1985, geldt dit verbod niet meer voor ingevoerd brood dat wordt verkocht tegen een prijs gelijk aan of hoger dan de minimumprijs van in Nederland geproduceerd brood.
5 Van januari tot maart 1985 verkocht Edah in het kader van een reclamecampagne in haar grootwinkelbedrijven in Nederland geproduceerd gesneden brood tegen de prijs van 1,59 HFL in plaats van de destijds krachtens een besluit van de voorzitter van het Produktschap van 23 juli 1984 voor dergelijk brood geldende minimumprijs van 1,86 HFL. In de procedures voor de nationale rechter voerde Edah ter rechtvaardiging van de niet-inachtneming van de minimumprijs aan, dat de Nederlandse wettelijke regeling inzake de minimumprijs voor brood onverenigbaar is met de artikelen 7 en 30 EEG-Verdrag.
6 Beide nationale rechterlijke instanties besloten daarop, het Hof twee vragen over de uitlegging van die artikelen voor te leggen. Doelend op de Nederlandse wettelijke regeling zoals die gold tot 23 maart 1985, heeft de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch een eerste vraag gesteld, luidend als volgt:
„Is een prijsvoorschrift, dat ingevolge de wetgeving van een Lid-Staat van toepassing is op de verkoop door in die Lid-Staat gevestigde detaillisten aan een eindgebruiker, in strijd met het verbod van ‚maatregelen van gelijke werking’ zoals bedoeld in artikel 30 EEG-Verdrag, indien dit prijsvoorschrift voor ingevoerd produkt een vaste in geld uitgedrukte marge boven de inkoopprijs voorschrijft, terwijl deze marge een betrekkelijk gering gedeelte van de definitieve detailhandelsprijs uitmaakt, zulks terwijl voor nationaal produkt een door die Lid-Staat vastgestelde nominale minimumprijs geldt ?”
7 De eerste vraag van de president van de Arrondissementsrechtbank te Almelo heeft betrekking op de wettelijke regeling van de broodprijs zoals gewijzigd per 23 maart 1985, en is geformuleerd als volgt:
„Is een margevoorschrift, geldend ingevolge de wetgeving van een Lid-Staat, dat een marge voorschrijft, welke een betrekkelijk gering gedeelte van de definitieve detailhandelsprijs uitmaakt, in strijd met het verbod van maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen van artikel 30 EEG-Verdrag, indien en voor zover dat voorschrift geldt voor de verkoop van ingevoerd produkt door een in de betrokken Lid-Staat gevestigde detaillist aan een eindgebruiker tegen een prijs lager dan de voor dat produkt door die Lid-Staat vastgestelde minimumprijs, terwijl een dergelijke verkoop van nationaal produkt onder alle omstandigheden verboden is ?”
8 De tweede vraag van beide rechterlijke instanties is in gelijke termen gesteld en luidt:
„Is een wettelijke regeling van een Lid-Staat, welke verkoop van een bepaald produkt door een in die Lid-Staat gevestigde detaillist aan een eindgebruiker beneden een zekere minimumprijs verbiedt, in strijd met het verbod van discriminatie naar nationaliteit van artikel 7 EEG-Verdrag, indien dat verbod (steeds) voor nationaal produkt geldt, maar niet ook voor ingevoerd produkt ?”
9 Allereerst dient eraan te worden herinnerd, dat het Hof zich in het kader van artikel 177 EEG-Verdrag niet kan uitspreken over de vraag of een nationale wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling verenigbaar is met het gemeenschapsrecht. Het kan de nationale rechter echter wel de uitleggingselementen met betrekking tot het gemeenschapsrecht verschaffen, die hem in staat zullen stellen de voor hem opgeworpen rechtsvraag op te lossen.
Artikel 30 EEG-Verdrag
10 Dienovereenkomstig moeten de eerste vragen van de verwijzende rechters aldus worden verstaan, dat het Hof wordt verzocht om uitlegging van artikel 30 EEG-Verdrag in verband met een nationale wettelijke regeling houdende vaststelling van een detailhandelsprijs voor brood, zoals die in Nederland gold in haar respectieve versies van vóór en na 23 maart 1985, en die de verplichting oplegt om voor de verkoop van binnenlands brood een vaste minimumprijs toe te passen en voor ingevoerd brood een bepaalde distributiemarge in acht te nemen.
11 Met betrekking tot de toepassing van het in artikel 30 EEG-Verdrag neergelegde verbod van maatregelen van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking op prijsregelingen van overheidswege, oordeelde het Hof reeds in de arresten van 26 november 1976 (zaak 65/75, Tasca, Jurispr. 1976, blz. 291), 24 januari 1978 (zaak 82/77, Van Tiggele, Jurispr. 1978, blz. 25) en 29 januari 1985 (zaak 231/83, Cullet, Jurispr. 1985, blz. 305), dat dergelijke, zonder onderscheid op binnenlandse en ingevoerde produkten toepasselijke regelingen op zich weliswaar geen maatregelen van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking vormen, maar wel een dergelijk effect kunnen sorteren indien de prijzen op een zodanig niveau liggen, dat de ingevoerde produkten worden benadeeld ten opzichte van gelijke binnenlandse produkten, hetzij omdat zij onder de gestelde voorwaarden niet met winst kunnen worden afgezet, hetzij omdat het uit lagere kostprijzen voortvloeiende concurrentievoordeel wordt tenietgedaan.
12 Evenwel hebben de gestelde vragen geen betrekking op een regeling die zonder onderscheid van toepassing is op binnenlandse en ingevoerde produkten, maar op afzonderlijke voorschriften voor de twee groepen produkten, die zijn neergelegd in verschillende, op verschillende tijdstippen vastgestelde bepalingen en die zich ook inhoudelijk van elkaar onderscheiden. Gelijk het Hof reeds oordeelde in het arrest van 29 november 1983 (zaak 181/82, Roussel Laboratoria, Jurispr. 1983, blz. 3849), moet een dergelijke regeling, waarbij wordt onderscheiden tussen beide produktgroepen, worden beschouwd als een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking, indien zij de afzet van de ingevoerde produkten op enigerlei wijze kan bemoeilijken.
13 Indien de verplichte distributiemarge bovenop de inkoopprijs — hoe hoog of laag ook — van ingevoerd brood komt, zoals het geval was krachtens de Verordening Broodprijzen in de vóór 23 maart 1985 geldende versie, heeft die regeling in bepaalde gevallen tot gevolg dat voor ingevoerd brood een hogere verkoopprijs dan de minimumprijs van binnenlands brood verplicht wordt gesteld. Zij kan aldus voor ingevoerd brood een concurrentienadeel met betrekking tot de detailhandelsprijs in het leven roepen en de afzet ervan ongunstig beïnvloeden. Een wettelijke regeling die een dergelijk effect kan sorteren, kan de handel tussen Lid-Staten belemmeren en is uit dien hoofde in strijd met artikel 30 EEG-Verdrag.
14 Dat concurrentienadeel wordt daarentegen vermeden indien, zoals thans het geval is ingevolge de sinds 23 maart 1985 geldende versie van de Verordening Broodprijzen, toepassing van de distributiemarge niet verplicht is wanneer ingevoerd brood wordt verkocht tegen een prijs hoger dan of gelijk aan de minimumprijs van binnenlands brood. Omdat dit nadeel zich niet voordoet, leidt de betrokken regeling niet tot bemoeilijking van de afzet van ingevoerd brood of tot belemmering van de handel tussen Lid-Staten.
15 Anders dan Edah betoogt, kan niet worden gesteld dat een dergelijke regeling niettemin het handelsverkeer belemmert voor zover zij bijzonder goed georganiseerde en zeer efficiënt werkende detailhandelaren belet, bij de verkoop van ingevoerd brood hun concurrentievoordeel door te berekenen. Wanneer immers dezelfde marge — de distributiekosten van goed georganiseerde, efficiënt werkende distributiebedrijven — voor de verkoop van ingevoerd brood wordt voorgeschreven en bij de vaststelling van de minimumprijs van binnenlands brood in aanmerking wordt genomen, worden binnenlandse en ingevoerde produkten op één lijn gesteld met betrekking tot de doorberekening van een concurrentievoordeel dat een detailhandelaar eventueel aan de goede organisatie en efficiëntie van zijn werk te danken heeft, terwijl het concurrentievoordeel dat in voorkomend geval uit een lagere kostprijs van het ingevoerde produkt voortvloeit, kan worden doorberekend en niet teniet gaat. De afzet van ingevoerde produkten wordt dan ook op generlei wijze bemoeilijkt.
16 Ten betoge dat de betrokken regeling ook in haar sinds 23 maart 1985 geldende versie het handelsverkeer kan belemmeren, heeft Edah de volgende berekening voorgelegd: indien de inkoopprijs van ingevoerd brood 1,69 HFL bedraagt en die van Nederlands brood 1,72 HFL, moet ingevoerd brood — als gevolg van de verplichte marge van 0,17 HFL — worden verkocht voor 1,86 HFL, terwijl de detailhandelaar bij Nederlands brood — eveneens verkocht tegen de minimumprijs van 1,86 HFL — genoegen kan nemen met een marge van 0,14 HFL. Volgens Edah, hierin ter terechtzitting gesteund door de Commissie, toont dit rekenvoorbeeld aan, dat ingevoerd brood in bepaalde gevallen wordt gediscrimineerd.
17 In het door Edah genoemde geval kan de detailhandelaar de consument inderdaad niet doen profiteren van de lagere kostprijs van ingevoerd brood. Er zij evenwel op gewezen, dat de distributiemarge voor ingevoerd brood in dat geval hoger is dan die voor binnenlands brood, en dat dit voor de detailhandelaar een reden kan zijn om zich meer op de verkoop van ingevoerd brood te richten, ten koste van de afzet van binnenlands brood. In die omstandigheden kan niet worden geconcludeerd, dat de invoer van brood wordt belemmerd.
18 Evenmin aanvaardbaar is de stelling van Edah, dat de hierbedoelde regeling in strijd is met artikel 30 EEG-Verdrag omdat, in voorkomend geval, ingevoerd brood met een lage inkoopprijs beneden de minimumprijs voor binnenlands brood kan worden verkocht. Genoemd artikel heeft immers tot doel, belemmeringen voor de invoer van goederen op te heffen, en niet een gelijke behandeling van binnenlandse en ingevoerde produkten in alle gevallen te verzekeren. Een verschil in behandeling dat geen belemmering kan vormen voor de invoer van produkten of de verhandeling van ingevoerde produkten, maar deze juist aanmoedigt, valt niet onder het verbod van artikel 30.
19 Ten slotte behoeft niet te worden ingegaan op de stelling van Edah en van de Commissie, dat de regeling in strijd is met artikel 30 EEG-Verdrag voor zover de minimumprijs alleen voor bepaalde soorten binnenlands brood is vastgesteld, terwijl de distributiemarge voor alle ingevoerd brood geldt. Nu niets in de verwijzingsvonnissen erop wijst dat dit verschil — zo het al meer dan zuiver formeel is — enige rol kan spelen in het kader van de hoofdzaken, is het Hof van oordeel, dat de vraag of artikel 30 zich tegen dit verschil in behandeling verzet, door de verwijzende rechters niet is gesteld.
20 Mitsdien moet op de eerste vraag van de president van de Arrondissementsrechtbank te Almelo en van de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch worden geantwoord, dat artikel 30 EEG-Verdrag aldus moet worden uitgelegd, dat
-
een nationale wettelijke regeling die een vaste minimumdetailhandelsprijs voor binnenlands brood voorschrijft en voor de verkoop van ingevoerd brood bepaalt dat de inkoopprijs moet worden verhoogd met een distributiemarge overeenkomend met de distributiekosten van goed georganiseerde, efficiënt werkende distributiebedrijven, een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking vormt, indien die distributiemarge ook dan verplicht is, wanneer de eruit voortvloeiende verkoopprijs hoger is dan de minimumprijs van binnenlands brood;
-
een dergelijke wettelijke regeling geen kwantitatieve invoerbeperking vormt, indien de distributiemarge voor de verkoop van ingevoerd brood, die dezelfde is als die welke in aanmerking wordt genomen voor de bepaling van de vaste minimumprijs van binnenlands brood, niet verplicht is voor ingevoerd brood dat tegen een prijs gelijk aan of hoger dan die minimumprijs wordt verkocht;
-
het zich niet ertegen verzet dat, in het kader van een dergelijke wettelijke regeling, de uit de toepassing van de distributiemarge voortvloeiende verkoopprijs van ingevoerd brood in voorkomend geval beneden de minimumprijs van binnenlands brood ligt.
Artikel 7 EEG-Verdrag en het discriminatieverbod
21 Met hun tweede vraag wensen de verwijzende rechters te vernemen, of artikel 7 EEG-Verdrag of het algemene non-discriminatiebeginsel zich ertegen verzet dat, in het kader van een wettelijke regeling als de onderhavige, de verkoopprijs van ingevoerd brood in voorkomend geval beneden de minimumprijs van binnenlands brood ligt en bijgevolg dit laatste benadeelt ten opzichte van ingevoerd brood.
22 Bij bedoeld verschil in behandeling gaat het om een onderscheid dat in de nationale wettelijke regeling wordt gemaakt tussen de goederen op grond van hun oorsprong en tussen de detailhandelaren op grond van de waar die zij verkopen. In dit geval wordt evenwel geen onderscheid gemaakt op grond van de nationaliteit of de plaats van vestiging van de betrokken ondernemers. Mitsdien kan niet worden gesproken van een — zij het ook maar verkapte of indirecte — „discriminatie op grond van nationaliteit” in de zin van artikel 7 EEG-Verdrag.
23 Met betrekking tot het algemene non-discriminatiebeginsel moet worden opgemerkt, dat een ongunstige behandeling van binnenlandse produkten ten opzichte van ingevoerde produkten dan wel van detailhandelaren die binnenlandse produkten verkopen ten opzichte van de verkopers van ingevoerde produkten, door een Lid-Staat toegepast in een sector waarvoor geen communautaire regeling of harmonisatie van de nationale wettelijke regelingen bestaat, niet binnen het toepassingsgebied van het gemeenschapsrecht valt.
24 Op de tweede vraag van de president van de Arrondissementsrechtbank te Almelo en van de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch moet mitsdien worden geantwoord, dat noch artikel 7 EEG-Verdrag noch het in het gemeenschapsrecht verankerde algemene non-discriminatiebeginsel van toepassing is op een verschil in behandeling waarbij, in het kader van een wettelijke regeling als de onderhavige, de verkoopprijs van ingevoerd brood in voorkomend geval beneden de minimumprijs van binnenlands brood ligt.
Kosten
25 De kosten door de Nederlandse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in de hoofdgedingen is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instanties over de kosten hebben te beslissen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
uitspraak doende op de door de president van de Arrondissementsrechtbank te Almelo bij vonnis van 13 maart 1985 en de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch bij vonnis van 20 mei 1985 gestelde vragen, verklaart voor recht:
-
Artikel 30 EEG-Verdrag moet aldus worden uitgelegd dat
-
een nationale wettelijke regeling die een vaste mirümumdetailhandelsprijs voor binnenlands brood voorschrijft en voor de verkoop van ingevoerd brood bepaalt dat de inkoopprijs moet worden verhoogd met een distributiemarge overeenkomend met de distributiekosten van goed georganiseerde, efficiënt werkende distributiebedrijven, een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking vormt, indien die distributiemarge ook dan verplicht is, wanneer de eruit voortvloeiende verkoopprijs hoger is dan de minimumprijs van binnenlands brood;
-
een dergelijke wettelijke regeling geen kwantitatieve invoerbeperking vormt, indien de distributiemarge voor de verkoop van ingevoerd brood, die dezelfde is als die welke in aanmerking wordt genomen voor de bepaling van de vaste minimumprijs van binnenlands brood, niet verplicht is voor ingevoerd brood dat tegen een prijs gelijk aan of hoger dan die minimumprijs wordt verkocht;
-
het zich niet ertegen verzet dat, in het kader van een dergelijke wettelijke regeling, de uit de toepassing van de distributiemarge voortvloeiende verkoopprijs van ingevoerd brood in voorkomend geval beneden de minimumprijs van binnenlands brood ligt.
-
-
Noch artikel 7 EEG-Verdrag noch het in het gemeenschapsrecht verankerde algemene non-discriminatiebeginsel is van toepassing op een verschil in behandeling waarbij, in het kader van een wettelijke regeling als de onderhavige, de verkoopprijs van ingevoerd brood in voorkomend geval beneden de minimumprijs van binnenlands brood ligt.
Galmot
Everling
Moitinho de Almeida
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 13 november 1986.
De griffier
P. Heim
De president van de Derde kamer
Y. Galmot