Home

Hof van Justitie EU 06-10-1987 ECLI:EU:C:1987:422

Hof van Justitie EU 06-10-1987 ECLI:EU:C:1987:422

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
6 oktober 1987

Uitspraak

Arrest van het Hof (Tweede Kamer)

6 oktober 1987(*)

In zaak 197/85,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Arbeidshof te Bergen, in het aldaar aanhangig geding tussen

Rijksdienst voor werknemerspensioenen (RWP)

en

Domenica Stefanutti,

HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: T. F. O'Higgins, kamerpresident, O. Due en K. Bahlmann, rechters,

advocaatgeneraal: C. O. Lenz

griffier: D. Louterman, administrateur

  1. gelet op de opmerkingen ingediend door:

    • de RWP, vertegenwoordigd door R. Masyn en J. Peitot, advocaat,

    • D. Stefanutti, vertegenwoordigd door D. Rossini,

    • de regering van de Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door P. G. Ferri, avvocato dello stato, als gemachtigde,

    • de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Griesmar als gemachtigde,

gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 18 maart 1987,

gehoord de conclusie van de advocaatgeneraal ter terechtzitting van 10 juni 1987,

het navolgende

Arrest

1 Bij arrest van 21 juni 1985, ingekomen ten Hove op 26 juni daaraanvolgend, heeft het Arbeidshof te Bergen krachtens artikel 177 EEG-Verdrag vier prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 48 en 51 van het Verdrag, artikel 12 van verordening nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB 1971, L 149, biz. 2), en artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 574/72 van de Commissie van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening nr. 1408/71 (PB 1972, L 74, biz. 1), met het oog op de kwalificatie van een Italiaans invaliditeitspensioen en de toepassing daarop van de Belgische anti-cumulatiebepalingen.

2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen Stefanutti, van Italiaanse nationaliteit en wonende in Italië, die een persoonlijk Italiaans invaliditeitspensioen ontvangt, en het Belgische verzekeringsorgaan, de Rijksdienst voor Werknemerspensioenen (RWP), dat heeft geweigerd haar na het overlijden in februari 1977 van haar echtgenoot — die bijna achttien jaar in België en vijftien jaar in Italië had gewerkt — een overlevingspensioen toe te kennen.

3 Deze weigering, die gebaseerd was op een Belgische anti-cumulatiebepaling volgens welke een overlevingspensioen niet wordt uitbetaald aan degene die recht heeft op een invaliditeitspensioen van Belgische of buitenlandse oorsprong, had enkel betrekking op de periode 1 februari 1977-1 april 1979. Voor deze periode werd Stefanutti echter wel een „aanpassingsuitkering” uitbetaald. Vanaf laatstgenoemde datum werd Stefanutti, die inmiddels de leeftijd van zestig jaar had bereikt, het aangevraagde overlevingspensioen wel toegekend, omdat in België het invaliditeitspensioen voor vrouwen die de pensioenleeftijd hebben bereikt — in België zestig jaar —, wordt gelijkgesteld met een ouderdomspensioen en een ouderdomspensioen in beginsel wel met een overlevingspensioen kan worden gecumuleerd. Daarbij paste de RWP echter een andere Belgische anti-cumulatiebepaling toe, die die cumulatie beperkt tot een bedrag gelijk aan 110% van het toegekende overlevingspensioen.

4 Daarop stelde Stefanutti beroep in bij de Arbeidsrechtbank te Charleroi, stellende dat zij met ingang van februari 1977 recht had op een Belgisch overlevingspensioen, omdat haar Italiaans invaliditeitspensioen, dat niet in een ouderdomspensioen kon worden omgezet, was te beschouwen als te zijn van dezelfde aard als een ouderdomspensioen; de als eerste genoemde anti-cumulatiebepaling zou derhalve niet van toepassing zijn. De rechtbank verklaarde het beroep op dit punt gegrond, doch met de precisering, dat het Belgische overlevingspensioen en het met een ouderdomspensioen gelijkgestelde Italiaanse invaliditeitspensioen van verschillende aard waren en derhalve overeenkomstig artikel 12 van verordening nr. 1408/71 slechts konden worden gecumuleerd tot het in de als tweede genoemde anti-cumulatiebepaling vastgestelde maximum.

5 Zowel de RWP als Stefanutti zijn van dit vonnis in beroep gekomen bij het Arbeidshof te Bergen, waar eerstgenoemde aanvoerde dat het invaliditeitspensioen niet kon worden gelijkgesteld met een ouderdomspensioen voordat de betrokkene de zestigjarige leeftijd had bereikt, terwijl Stefanutti van mening was, dat bij de berekening van haar aanspraken op grond van het gemeenschapsrecht haar Italiaanse pensioen voor de cumulatie met het overlevingspensioen slechts in aanmerking mocht worden genomen naar verhouding van de door haar overleden echtgenoot in België vervulde tijdvakken van verzekering, zulks ingevolge artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 574/72; zo de berekening volgens de regels van het nationale recht tot een ander resultaat zou leiden dan de berekening volgens het gemeenschapsrecht, zou zij recht hebben op het gunstigste overlevingspensioen.

6 In die omstandigheden heeft het Arbeidshof te Bergen de volgende prejudiciële vragen gesteld :

  1. Wanneer de weduwe van een migrerend werknemer buiten de gemeenschapsverordeningen om in een Lid-Staat recht op een persoonlijk invaliditeitspensioen heeft verkregen en in een andere Lid-Staat, eveneens buiten de gemeenschapsverordeningen om, aanspraak maakt op een overlevingspensioen uit hoofde van de beroepswerkzaamheid van haar echtgenoot, is het dan verenigbaar met de artikelen 48 en 51 EEG-Verdrag, dat het orgaan van laatstbedoelde Lid-Staat, dat het overlevingspensioen toekent, voor de toepassing van de anti-cumulatiebepalingen van zijn nationale wettelijke regeling het door eerstbedoelde Lid-Staat toegekende invaliditeitspensioen op dezelfde wijze in aanmerking neemt als invaliditeitsuitkeringen die krachtens zijn eigen wettelijke regeling worden toegekend ?

  2. Zo ja: Wanneer de wettelijke regeling van een Lid-Staat verschilt al naar gelang het krachtens die regeling toegekende overlevingspensioen wordt gecumuleerd met een invaliditeitsuitkering dan wel met een ouderdomsuitkering, moet dan het door een andere Lid-Staat toegekende — niet in een ouderdomspensioen om te zetten — invaliditeitspensioen worden aangemerkt als een invaliditeitsuitkering of als een ouderdomsuitkering ? Moet eventueel onderscheid worden gemaakt al naar gelang degene die het invaliditeitspensioen ontvangt, al dan niet de pensioenleeftijd heeft bereikt dan wel een ouderdomsuitkering ontvangt ?

  3. Gaat het bij die pensioenleeftijd om de leeftijd die is voorzien in de wetgeving waarvan de cumulatieregeling deel uitmaakt, of om die welke is voorzien in de wetgeving krachtens welke de niet voor de omzetting in aanmerking komende, aan de cumulatieregeling onderworpen uitkering is toegekend ?

  4. Is artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 574/72 van toepassing op de cumulatie van een indirect pensioen (overlevingspensioen) met een andersoortig direct pensioen (invaliditeits- of ouderdomspensioen) ?”

7 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het toepasselijke recht en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven, voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.

De eerste vraag

8 Om te beginnen zij eraan herinnerd, dat op het gebied van de sociale zekerheid de artikelen 48 tot en met 51 EEG-Verdrag de grondslag en het kader vormen voor de ter uitvoering daarvan vastgestelde verordeningen, waaronder verordening nr. 1408/71.

9 Met de eerste vraag wenst de nationale rechter in wezen te vernemen, of in het geval dat de weduwe van een migrerend werknemer uitsluitend krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat een persoonlijk invaliditeitspensioen heeft verkregen en in een andere Lid-Staat aanspraak maakt op een uitsluitend krachtens de wetgeving van die Lid-Staat verkregen overlevingspensioen, verordening nr. 1408/71 in de weg staat aan de toepassing van de op de samenloop van dergelijke pensioenen betrekking hebbende externe anti-cumulatiebepalingen van deze laatste Staat.

10 Volgens de rechtspraak van het Hof staan de bepalingen van verordening nr. 1408/71 er niet aan in de weg, dat wanneer een werknemer uitsluitend krachtens de nationale wettelijke regeling een pensioen ontvangt, die nationale wettelijke regeling integraal op hem wordt toegepast, dus ook de nationale anti-cumulatiebepalingen (arrest van 5 mei 1983, zaak 238/81, Van der Bunt-Craig, Jurispr. 1983, blz. 1385). Dit geldt ook voor de nagelaten betrekkingen van de werknemer, die aanspraak maken op een overlevingspensioen.

11 Het is echter ook vaste rechtspraak van het Hof, dat wanneer de toepassing van uitsluitend de nationale wettelijke regeling voor de gerechtigde minder gunstig is dan de toepassing van de regeling van artikel 46 van verordening nr. 1408/71, dit artikel moet worden toegepast (arrest van 2 juli 1981, gevoegde zaken 116, 117, 119, 120 en 121/80, Celestre, Jurispr. 1981, blz. 1737).

12 Met betrekking tot de toepassing van dit artikel 46 volgt uit de laatste zin van artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71, dat de bepalingen inzake vermindering, schorsing of intrekking waarin de wetgeving van een Lid-Staat voorziet ingeval van samenloop van een uitkering met andere uitkeringen van sociale zekerheid, niet van toepassing zijn indien de betrokkene gelijksoortige uitkeringen bij invaliditeit, ouderdom of overlijden geniet. Volgens vaste rechtspraak van het Hof (arrest van 5 juli 1983, zaak 171/82, Valentini, Jurispr. 1983, blz. 2157) moeten uitkeringen van sociale zekerheid als gelijksoortig worden aangemerkt, wanneer het voorwerp en de doelstelling alsook de berekeningsgrondslag en de toekenningsvoorwaarden ervan identiek zijn.

13 Daarbij moet worden opgemerkt, dat aan dit vereiste alleszins niet is voldaan wanneer de uitkeringen verband houden met verschillende beroepsloopbanen en dus met verschillende verzekeringstijdvakken; dit is het geval bij een persoonlijk invaliditeitspensioen uit hoofde van de beroepsloopbaan die de begunstigde zelf vervuld heeft in de ene Lid-Staat, en een overlevingspensioen uit hoofde van de beroepsloopbaan die de overleden echtgenoot van de begunstigde in een andere Lid-Staat heeft vervuld. Waar de laatste zin van artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71 niet van toepassing is, kunnen ingevolge de eerste zin van artikel 12, lid 2, de nationale anti-cumulatiebepalingen dus ook in het kader van de regeling van artikel 46 van verordening nr. 1408/71 aan de uitkeringsgerechtigde worden tegengeworpen.

14 Op de eerste vraag moet mitsdien worden geantwoord, dat wanneer de weduwe van een migrerend werknemer uitsluitend krachtens de wetgeving van een Lid-Staat een persoonlijk invaliditeitspensioen heeft verkregen en in een andere Lid-Staat aanspraak maakt op een uitsluitend krachtens de wetgeving van deze Lid-Staat verkregen overlevingspensioen, verordening nr. 1408/71 niet in de weg staat aan de toepassing van de externe anti-cumulatiebepalingen van deze laatste staat.

De tweede en de derde vraag

15 Deze twee vragen betreffen uitsluitend het probleem van de kwalificatie van een door een andere Lid-Staat toegekend invaliditeitspensioen voor de toepassing van de anti-cumulatiebepalingen van een Lid-Staat die een uitsluitend krachtens zijn eigen wetgeving verkregen overlevingspensioen verschuldigd is.

16 Er zij aan herinnerd, dat dergelijke kwalificatievragen uitsluitend van het nationale recht afhangen. Het staat dus aan de nationale rechter uitspraak te doen over de inhoud en de uitlegging van zijn nationale wetgeving met betrekking tot de cumulatie van uitkeringen.

17 Mitsdien moet op de tweede en de derde vraag worden geantwoord, dat de kwalificatie van een door een andere Lid-Staat toegekend invaliditeitspensioen voor de toepassing van de anti-cumulatiebepalingen van een Lid-Staat die een uitsluitend krachtens zijn eigen wetgeving verkregen overlevingspensioen verschuldigd is, niet afhangt van het gemeenschapsrecht.

De vierde vraag

18 Blijkens de overwegingen van het verwijzingsarrest wenst de nationale rechter met zijn vierde vraag in wezen te vernemen, of het bepaalde in artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 574/72 van toepassing is bij samenloop van een uitsluitend krachtens de wetgeving van een Lid-Staat verkregen overlevingspensioen met een uitsluitend krachtens de wetgeving van een andere Lid-Staat verkregen pensioen van andere aard (invaliditeits- of ouderdomspensioen).

19 Waar de cumulatie van uitkeringen van verschillende aard reeds onder de werkingssfeer van artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71 kan vallen, kan het niet anders zijn met het krachtens artikel 12 van de basisverordening vastgestelde artikel 7, lid 1, sub b. Deze bepaling heeft evenwel enkel betrekking op overeenkomstig artikel 46, lid 2, van verordening nr. 1408/71 vastgestelde uitkeringen. Zoals echter naar aanleiding van de eerste vraag is opgemerkt, moet het bedrag van een uitsluitend krachtens de nationale wetgeving van een Lid-Staat verworven pensioen in beginsel volgens deze wetgeving worden bepaald, zonder dat de krachtens de wetgeving van andere Lid-Staten vervulde tijdvakken van verzekering in aanmerking behoeven te worden genomen.

20 In verband met de eerste vraag is er echter eveneens op gewezen, dat de bepalingen van artikel 46 van verordening nr. 1408/71 moeten worden toegepast wanneer de toepassing van enkel de nationale wettelijke regeling voor de pensioengerechtigde minder gunstig is. In dit verband moet worden gepreciseerd, dat het bij de ingevolge artikel 46, lid 1, tweede alinea, te maken vergelijking gaat om de vergelijking tussen, enerzijds, de uitkering die uitsluitend volgens het nationale recht en met toepassing van de nationale anti-cumulatiebepalingen wordt berekend, en, anderzijds, de uitkering die berekend wordt volgens de communautaire regeling van artikel 46, lid 2, met toepassing van de anti-cumulatiebepaling van artikel 12 van verordening nr. 1408/71 en het desbetreffende uitvoeringsvoorschrift, te weten artikel 7 van verordening nr. 574/72. Is deze laatste berekening gunstiger voor de rechthebbende, dan moet zij worden gekozen en moet de uitkering dus worden vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 46, lid 2, van verordening nr. 1408/71.

Mitsdien moet op de vierde vraag worden geantwoord, dat het bepaalde in artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 574/72 van toepassing is bij samenloop van een uitsluitend krachtens de wetgeving van een Lid-Staat verkregen overlevingspensioen met een uitsluitend krachtens de wetgeving van een andere Lid-Staat verkregen pensioen van andere aard — invaliditeits- of ouderdomspensioen —, wanneer de toepassing van uitsluitend de nationale wetgeving voor de uitkeringsgerechtigde per saldo minder gunstig is.

Kosten

De kosten door de Italiaanse Republiek en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),

uitspraak doende op de door het Arbeidshof te Bergen bij arrest van 21 juni 1985 gestelde vragen, verklaart voor recht:

  1. Wanneer de weduwe van een migrerend werknemer uitsluitend krachtens de wetgeving van een Lid-Staat een persoonlijk invaliditeitspensioen heeft verkregen en in een andere Lid-Staat aanspraak maakt op een uitsluitend krachtens de wetgeving van deze Lid-Staat verkregen overlevingspensioen, staat verordening nr. 1408/71 niet in de weg aan de toepassing van de externe anti-cumulatiebepalingen van deze laatste staat.

  2. De kwalificatie van een door een andere Lid-Staat toegekend invaliditeitspensioen voor de toepassing van de anti-cumulatiebepalingen van een Lid-Staat die een uitsluitend krachtens zijn eigen wetgeving verkregen overlevingspensioen verschuldigd is, hangt niet af van het gemeenschapsrecht.

  3. Het bepaalde in artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 574/72 is van toepassing bij samenloop van een uitsluitend krachtens de wetgeving van een Lid-Staat verkregen overlevingspensioen met een uitsluitend krachtens de wetgeving van een andere Lid-Staat verkregen pensioen van andere aard - invaliditeits- of ouderdomspensioen —, wanneer de toepassing van uitsluitend de nationale wetgeving voor de uitkeringsgerechtigde per saldo minder gunstig is.

O'Higgins

Due

Bahlmann

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 6 oktober 1987.

De griffier

P. Heim

De president van de Tweede kamer

T. F. O'Higgins