Home

Hof van Justitie EU 09-07-1987 ECLI:EU:C:1987:353

Hof van Justitie EU 09-07-1987 ECLI:EU:C:1987:353

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
9 juli 1987

Uitspraak

Arrest van het Hof

9 juli 1987(*)

In zaak 356/85,

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch hoofdadviseur H. Etienne als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, lid van de juridische dienst van de Commissie, bâtiment Jean Monnet, Kirchberg,

verzoekster,

ondersteund door

Franse Republiek, vertegenwoordigd door G. Guillaume als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Franse ambassade, 9, boulevard Prince-Henri,

interveniente,

tegen

Koninkrijk België, vertegenwoordigd door de minister van Buitenlandse Betrekkingen, met als gemachtigde R. Hoebaer, directeur bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, bijgestaan door J. Delbeke, adviseur bij het Ministerie van Financiën, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Belgische ambassade, 4, rue des Girondins,

verweerder,

HET HOF VAN JUSTITIE,

samengesteld als volgt: Mackenzie Stuart, president, T. F. O'Higgins en F. Schockweiler, kamerpresidenten, G. Bosco, O. Due, U. Everling, K. Bahlmann, R. Joliét en J. C. Moitinho de Almeida, rechters,

advocaat-generaal: J. L. da Cruz Vilaça

griffier: B. Pastor, administrateur

gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 17 december 1986,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 februari 1987,

het navolgende

Arrest

1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 19 november 1985, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EEG-Verdrag beroep ingesteld, strekkende tot vaststelling dat het Koninkrijk België de krachtens artikel 95 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen door op wijn van verse druiven — een ingevoerd produkt — een hoger BTW-tarief toe te passen dan op bier, een binnenlandse produktie.

2 Bij beschikking van 29 april 1986 heeft het Hof de Franse Republiek toegestaan, te interveniëren ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie.

3 Blijkens het dossier onderwerpt de Belgische wettelijke regeling zoals die sedert 1 januari 1983 van kracht is, de levering van bepaalde dranken bestemd voor huishoudelijk verbruik, inzonderheid wijn van verse druiven, aan een BTW-tarief van 25%. Daarentegen bedraagt het BTW-tarief voor de levering van bier bestemd voor huishoudelijk verbruik 19%. Aangezien het Koninkrijk België geen wijnproducent is maar over een omvangrijke nationale bierproduktie beschikt, blijkt de zwaarste fiscale druk te rusten op het produkt waarvoor aan de binnenlandse vraag vrijwel geheel wordt voldaan door invoer, terwijl op het produkt waarvoor een omvangrijke nationale produktie bestaat, de laagste belasting rust.

4 Voor een nadere uiteenzetting van de betrokken Belgische wettelijke regeling, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dit voor de redenering van het Hof noodzakelijk is.

5 Aangezien de Commissie haar beroep steunt op de stelling, dat wijn en bier concurrerende produkten zijn in de zin van artikel 95, tweede alinea, EEG-Verdrag, inzake binnenlandse belastingen van protectionistische aard, moet in de eerste plaats aan de strekking van deze bepaling worden herinnerd.

6 Volgens vaste rechtspraak van het Hof heeft artikel 95 in zijn geheel genomen tot doel, het vrije verkeer van goederen tussen de Lid-Staten onder normale concurrentieverhoudingen te verzekeren door elke vorm van bescherming uit te sluiten die het gevolg kan zijn van de toepassing van binnenlandse belastingen die discriminerend zijn ten opzichte van produkten uit andere Lid-Staten, en de volstrekte neutraliteit van de binnenlandse belastingen te waarborgen ten aanzien van de mededinging tussen nationale en ingevoerde produkten.

7 Daarbij richt artikel 95, tweede alinea, zich meer bepaald tegen elke vorm van zijdelings fiscaal protectionisme in het geval van ingevoerde produkten die, hoewel niet gelijksoortig in de zin van de eerste alinea, toch gedeeltelijk, indirect of potentieel in een mededingingsverhouding staan met sommige produkties van het land van invoer.

8 Partijen zijn het niet eens over de toepassing van deze criteria op de betrokken Belgische wettelijke bepalingen. Zij verschillen van mening over de omvang van de mededingingsverhouding tussen wijn en bier alsmede over de al dan niet beschermende aard van de betrokken belastingregeling.

De mededingingsverhouding tussen wijn en bier

9 Met betrekking tot de mededingingsverhouding tussen wijn en bier stelt de Commissie, dat alle wijn van verse druiven moet worden geacht met bier te concurreren in de zin van artikel 95, tweede alinea, EEG-Verdrag. De Belgische regering voert daarentegen aan dat, gelet op de verschillen in kwaliteit en prijs die men bij wijn aantreft, enkel de lichte en goedkope wijnen met bier concurreren.

10 In de arresten van 27 februari 1980 en 12 juli 1983 (zaak 170/78, Commissie/Verenigd Koninkrijk, Jurispr. 1980, blz. 417, en Jurispr. 1983, blz. 2265) oordeelde het Hof, dat wijn en bier tot op zekere hoogte aan dezelfde behoeften kunnen voldoen en dat men dan ook dient te erkennen dat zij elkaar in zekere mate kunnen vervangen. Het Hof overwoog voorts dat, gezien de grote verschillen in kwaliteit, en dus in prijs, die men bij wijn aantreft, bij de bepaling van de beslissende mededingingsverhouding tussen bier — een populaire en veel verbruikte drank — en wijn dient te worden uitgegaan van de wijnen die bij het grote publiek het meest in trek zijn. In het algemeen zijn dat de lichtste en de goedkoopste soorten, die bijgevolg het passende uitgangspunt zijn voor fiscale vergelijkingen.

11 Aangezien uit het dossier niet blijkt van bijzondere kenmerken van de Belgische markt, die een ander oordeel zouden rechtvaardigen, gelden bovenstaande overwegingen ook voor de onderhavige zaak. Alleen de wijnen voor courant gebruik, die in het algemeen de goedkope wijnen zijn, bezitten derhalve voldoende gemeenschappelijke kenmerken met bier om voor de verbruiker een alternatief te vormen en kunnen dan ook worden geacht met bier te concurreren in de zin van artikel 95, tweede alinea, EEG-Verdrag.

Het protectionistische karakter van de bestreden belastingregeling

12 Met betrekking tot het protectionistische karakter van de bestreden belastingregeling betogen de Commissie en de Franse regering dat, wanneer de mededingingsverhouding tussen twee produkten eenmaal vaststaat, ieder verschil in een belasting die wordt geheven op een zelfde grondslag, in casu de waarde, in strijd is met artikel 95, tweede alinea, EEG-Verdrag, zonder dat daarbij bovendien rekening behoeft te worden gehouden met de invloed van dit tariefverschil op de detailhandelsprijs, en dus op de keuze van de verbruiker.

13 Volgens de Belgische regering daarentegen geldt voor de toepassing van artikel 95, tweede alinea, anders dan voor de eerste alinea nog een bijkomende voorwaarde, te weten dat het verschil in fiscale last een protectionistische werking kan uitoefenen ten gunste van de nationale produkten. Bijgevolg zouden de mogelijke gevolgen van de bestreden belasting op economisch vlak moeten worden beoordeeld.

14 In dit verband heeft het Hof in het arrest van 27 februari 1980 (zaak 168/78, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1980, blz. 347) erop gewezen, dat terwijl bij artikel 95, eerste alinea, de vergelijking van de fiscale lasten — aan de hand van het tarief, de belastinggrondslag dan wel andere toepassingsmodaliteiten — het aangewezen beoordelingscriterium is, de tweede alinea, vanwege de moeilijkheid om genoegzaam nauwkeurige vergelijkingen tussen de betrokken produkten te maken, aanknoopt bij een meer algemeen criterium, namelijk het protectionistische karakter van een binnenlandse belastingregeling.

15 De vraag of een bepaalde fiscale last verenigbaar is met artikel 95, tweede alinea, moet derhalve worden beantwoord met inachtneming van de gevolgen van die last voor de mededingingsverhouding tussen de betrokken produkten. Het gaat er dus in hoofdzaak om, of die last de betrokken markt al dan niet beïnvloedt door het potentiële verbruik van de ingevoerde produkten te verminderen ten gunste van concurrerende nationale produkten.

16 Bijgevolg mag bij de beoordeling van de vraag, of er daadwerkelijk sprake is van protectionistische werking, het verschil tussen de respectieve verkoopprijzen van bier en van daarmee concurrerende wijn niet buiten beschouwing worden gelaten. In dit verband heeft de Belgische regering erop gewezen, dat de prijs van een liter bier, inclusief belastingen, gemiddeld 29,75 BFR bedraagt, terwijl de overeenkomstige prijs van een liter gewone wijn vier keer zo hoog is, dat wil zeggen ongeveer 125 BFR, hetgeen zou overeenkomen met een prijsverschil per eenheid van 95,25 BFR. Volgens de Belgische regering volgt hieruit dat, ook indien op beide produkten één tarief werd toegepast, het prijsverschil tussen beide nog steeds aanzienlijk zou zijn; de vermindering van dit verschil zou dermate te verwaarlozen zijn, dat de keuze van de verbruiker er niet door zou worden beïnvloed.

17 De Commissie tracht dit argument te weerleggen door erop te wijzen, dat in twee door haar met name genoemde Belgische bedrijven de meest courante wijnen worden verkocht voor 61 BFR per liter, inclusief belastingen. De Belgische regering heeft dit cijfer niet betwist, maar wel gepreciseerd dat volgens de gegevens die haar door één van deze bedrijven zijn verschaft, de verkoop van wijnen waarvan de prijs lager is dan 80 BFR, en waartoe de wijnen behoren die worden verkocht in plastic zakken van 5 liter alsmede de wijnen die bestemd zijn voor gebruik in de keuken, niet meer dan ongeveer 15,6% van de totale wijnomzet vertegenwoordigt. Volgens de Belgische regering moeten dergelijke wijnen veeleer worden vergeleken met tafelbier, dat wordt verkocht vanaf 17 BFR per liter.

18 Dienaangaande moet worden vastgesteld, dat de Commissie niet heeft aangetoond dat het prijsverschil tussen vergelijkbare kwaliteiten bier en wijn dermate gering is, dat het verschil van 6% tussen de BTW-tarieven voor beide produkten het gedrag van de verbruiker kan beïnvloeden. De Commissie heeft bijgevolg niet aangetoond, dat dit verschil een protectionistische werking heeft ten gunste van bier bestemd voor huishoudelijk verbruik.

19 Het bestaan van een protectionistische werking blijkt evenmin uit de door de Commissie overgelegde vergelijkingen van de ontwikkeling van het bier- en het wijnverbruik. In dit verband heeft de Commissie erop gewezen, dat het bierverbruik in België in 1973 een piek heeft bereikt en sindsdien dalende is. Daarentegen zou het wijnverbruik in de laatste twintig jaar zijn verdrievoudigd; de toename van het wijnverbruik zou echter sinds 1980 zijn vertraagd om in 1982 en 1983 constant te blijven.

20 Deze cijfers geven weliswaar een algemene tendens weer van het verbruik van de onderhavige produkten, maar laten niet toe met zekerheid vast te stellen, dat er een causaal verband bestaat tussen bedoelde ontwikkelingen en de invoering in 1977 van een hoger BTW-tarief voor wijn. Bijgevolg kan de Commissie er geen beroep op doen tot staving van haar stelling, dat de geleidelijke toename van het wijnverbruik juist door invoering van een hoger BTW-tarief voor wijn is afgeremd en uiteindelijk gestopt. Bovendien valt deze stelling niet te rijmen met de door de Belgische regering aangevoerde en door de Commissie niet betwiste omstandigheid, dat het BTW-tarief voor bier tussen 1978 en 1983 drie keer is verhoogd, zonder dat deze tariefwijzigingen op middellange termijn een restrictieve werking hebben gehad op het verbruik van bier, ten voordele van wijn.

21 Blijkens het voorafgaande heeft de Commissie niet aangetoond, dat de omstreden belastingregeling een protectionistisch karakter heeft. Mitsdien moet het beroep worden verworpen.

Kosten

22 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien de Commissie van de Europese Gemeenschappen en de Franse Republiek, interveniente, in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij hoofdelijk in de kosten te worden verwezen.

HET HOF VAN JUSTITIE,

rechtdoende:

  1. Verwerpt het beroep.

  2. Verwijst de Commissie van de Europese Gemeenschappen en de Franse Republiek hoofdelijk in de kosten.

Mackenzie Stuart

O'Higgins

Schockweiler

Bosco

Due

Everling

Bahlmann

Joliét

Moitinho de Almeida

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 9 juli 1987.

De griffier

P. Heim

Dc president

A. J. Mackenzie Stuart