Hof van Justitie EU 22-04-1985 ECLI:EU:C:1985:158
Hof van Justitie EU 22-04-1985 ECLI:EU:C:1985:158
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 22 april 1985
Uitspraak
Beschikking van de president van het Hof
22 april 1985(*)
In de zaken 82 en 83/85 R,
Eurasian Corporation Ltd, vennootschap naar het recht van het Koninkrijk Thailand, gevestigd te Bangkok, vertegenwoordigd door H.J. Bronkhorst, advocaat te Den Haag, die in deze domicilie gekozen heeft ten kantore van J. Loesch, advocaat te Luxemburg,
verzoekster, tegenCommissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur R.C. Fischer, die domicilie gekozen heeft bij G. Kremlis, Bâtiment Jean Monnet, Kirchberg, Luxemburg,
verweerster,betreffende verzoeken om voorlopige maatregelen inzake maniok van oorsprong uit Thailand, die verzoekster in de Gemeenschap wenst in te voeren krachtens de voorwaarden van Verordening nr. 3675/83 van de Commissie van 23 december 1983 (PB L 366, blz. 41),
geeft
DE PRESIDENT VAN HET HOF VAN JUSTITIE
VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN
de navolgende
BESCHIKKING
1 Bij verzoekschriften, op 2 april 1985 ingeschreven ter griffie van het Hof onder zaaknummer 82/85 respectievelijk 83/85, heeft Eurasian Corporation Ltd krachtens artikel 173 EEG-Verdrag twee beroepen ingesteld, strekkende tot nietigverklaring van de beschikkingen van de Commissie van 22 respectievelijk 25 maart 1985, waarin deze laatste, volgens verzoekster, een afwijzende standpunt heeft ingenomen aangaande het voornemen van verzoekster om zekere hoeveelheden maniok van oorsprong uit Thailand in te voeren in de Gemeenschap op grond van een bijzondere invoerregeling.
2 Bij twee afzonderlijke akten, eveneens op 2 april 1985 ter griffie gedeponeerd, heeft Eurasian Corporation Ltd krachtens artikel 185 EEG-Verdrag verzoeken ingediend om, bij wijze van voorlopige voorziening, de Commissie te gelasten de voor import krachtens bedoelde invoerregeling nodige, procedurele stappen te nemen.
3 Gelet op het bepaalde in artikel 85 van het Reglement voor de procesvoering, heeft, bij afwezigheid van de President van het Hof, artikel 11 van het Reglement toepassing gevonden.
4 De verzoeken in de zaken 82/85 R en 83/85 R betreffen hetzelfde onderwerp en zijn zozeer verknocht, dat zij in één beschikking behandeld kunnen worden.
5 Tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Thailand is voor de periode van 1 januari 1982 tot en met 31 december 1986 een zogeheten Samenwerkingsovereenkomst gesloten inzake het handelsverkeer in maniok (PB 1982, L 219, blz. 53), waarbij Thailand zich heeft verbonden zijn uitvoer naar de Gemeenschap van maniok tot bepaalde hoeveelheden te beperken (voor 1985: 4,5 miljoen ton) en geen uitvoercertificaten af te geven voor hoeveelheden, die de gestelde grenzen overschrijden. Van haar kant heeft de Gemeenschap zich verplicht te voorzien in de afgifte van invoervergunningen indien een geldig uitvoercertificaat wordt voorgelegd, terwijl zij de heffing op onder de overeenkomst vallende maniokinvoer zal beperken tot maximaal 6 % ad valorum.
6 Ter uitvoering van deze Samenwerkingsovereenkomst heeft de Commissie bij Verordening nr. 3675/83 van 23 december 1983 de uitvoeringsbepalingen vastgesteld van de invoerregeling voor maniokprodukten van oorsprong uit Thailand (PB L 366, blz. 41). Volgens artikel 4 van deze verordening moet de aanvraag om een invoercertificaat worden ingediend bij de bevoegde instanties van de Lid-Staten samen met het origineel van het uitvoercertificaat en kan alleen de daarop aangegeven hoeveelheid „shipped weight” in aanmerking worden genomen voor de afgifte van het invoercertificaat.
7 Aan genoemd artikel 4 is bij Verordening nr. 3283/84 van de Commissie, van 23 november 1984 (PB L 307, blz. 20), een tweede lid toegevoegd, dat, voorzover hier van belang, als volgt luidt:
Wanneer wordt geconstateerd dat de hoeveelheden die werkelijk worden gelost, groter zijn dan die welke voortvloeien uit de optelling van de voor het betrokken schip toegewezen uitvoercertificaten, delen de door de Lid-Staten aangewezen bevoegde autoriteiten op verzoek van de importeur, per telex, geval voor geval, en zo spoedig mogelijk, aan de Commissie het nummer of de nummers van de uitvoercertificaten, het nummer of de nummers van de invoercertificaten en de bij het lossen vastgestelde surplushoeveelheid mee.
De diensten van de Commissie nemen contact op met de Thaise autoriteiten met het oog op de opstelling van nieuwe uitvoercertificaten om het mogelijk te maken om op grond van nieuwe invoercertificaten deze surplushoeveelheden zo spoedig mogelijk in het vrije verkeer te brengen. Gedurende deze periode mogen de surplushoeveelheden niet in het vrije verkeer worden gebracht onder de voorwaarden vastgesteld in de door de Europese Economische Gemeenschap en Thailand gesloten overeenkomst tot vrijwillige beperking van de uitvoer.”
8 De aan de zaken 82/85 R en 83/85 R ten grondslag liggende feiten betreffen twee verschillende hoeveelheden tapioca, een maniokprodukt, die verzoekster beide in de Gemeenschap wenst in te voeren op grond van de hierboven geciteerde overwichtregeling, die, op grond van artikel 2 van Verordening nr. 3283/84, sedert 1 januari 1985 van toepassing is.
9 In de zaak 82/85 R heeft verzoekster tapioca doen vervoeren naar Amsterdam met het stoomschip Panamax Mercury, waaruit aldaar tussen 10 januari 1985 en 18 februari 1985 in totaal 52 884 533 kg is gelost. Daarvan heeft verzoekster 597 521 kg als overwicht aangemerkt, zo blijkt uit de aanvraag om een overwichtcertificaat die zij op 19 maart 1983 heeft ingediend bij het Hoofdproduktschap voor Akkerbouwprodukten (hierna: HPA) te Den Haag. Nadat deze instantie zich tot de Commissie had gewend, heeft deze laatste het HPA op 22 maart 1985 de volgende telex doen toekomen: „In antwoord op uw telexbericht nr. 50.556 van 20.3.1985 bevestig ik dat het niet mogelijk is u een positief antwoord te geven omdat in uw verzoek rekening is gehouden met een naar Portugal door te voeren hoeveelheid van 5 101 500 kg waarop geen controle mogelijk is. Portugal is geen lid van de Gemeenschap.”
10 De zaak 83/85 R heeft betrekking op het stoomschip Thalassini Ephi waaruit in Amsterdam, volgens de gegevens, die verzoekster op 20 maart 1985 aan het HPA verstrekte, in de periode tussen 4 december 1984 en 11 maart 1985 in totaal 65 971 111 kg aan tapioca is gelost, waarvan verzoekster 1 118 332 kg als overwicht kwalificeerde; hiervan zou overigens, zo stelt verzoekster in het verzoekschrift, slechts 362 599 kg bestemd zijn voor import in de Gemeenschap. Nadat het HPA zich op 12 maart 1985 tot de Commissie heeft gewend met een verzoek om een overwichtcertificaat, heeft deze laatste per telex van 25 maart daaropvolgend laten weten aan dit verzoek niet te kunnen voldoen, omdat verzoekster in de berekening van het werkelijk geloste gewicht andermaal een naar Portugal door te voeren hoeveelheid tapioca had verdisconteerd.
11 Verzoekster beschouwt de in de hoofzaken aangevochten telexberichten van de Commissie van 22 en 25 maart 1985 als beschikkingen en acht zich daardoor in haar belangen getroffen. Daartoe stelt zij in haar verzoekschriften onder meer, dat de litigieuze hoeveelheden tapioca die thans in lichters zijn opgeslagen, zonder de gewenste overwichtcertificaten uitsluitend in de Gemeenschap kunnen worden ingevoerd tegen de voor dit soort produkten gebruikelijke heffing die vele malen hoger is dan hetgeen krachtens de Samenwerkingsovereenkomst zou moeten worden betaald. Onder deze omstandigheden zijn er volgens verzoekster voldoende termen aanwezig om de Commissie te gelasten contact op te nemen met de Thaise autoriteiten teneinde de voor invoer krachtens Verordening nr. 3675/83 benodigde uitvoercertificaten te verkrijgen. Gelet op de procedure zoals vastgesteld bij artikel 4, lid 2, van Verordening nr. 3283/84 zou de Commissie, zo stelt verzoekster, deze weg al veel eerder hebben moeten bewandelen.
12 In haar op 4 april 1985 ter griffie van het Hof gedeponeerd verweerschrift concludeert de Commissie dat verzoekster geen belang heeft bij de gevraagde voorziening. Daartoe voert zij aan, dat het HPAna de ontvangst van de bestreden telexberichten aan de Commissie voor beide gevallen een nieuwe becijfering van het betrokken overwicht heeft voorgelegd, die de Commissie in overeenstemming met de betrokken voorschriften heeft bevonden. Daarop heeft zij voor beide gevallen per telex van 2 april 1985 via haar delegatie in Bangkok aan de Thaise autoriteiten een uitvoercertificaat gevraagd voor het door het HPAgeconstateerde overwicht.
13 In het licht van deze ontwikkeling heeft verzoekster per telex van 5 april 1985 om aanhouding van beide kort gedingzaken verzocht. Dit verzoek is ingewilligd, waarna de terechtzitting voor de mondelinge behandeling pas op 18 april daaropvolgend heeft plaatsgevonden.
14 Op 17 april 1985 heeft verzoekster ter griffie van het Hof aanvullende verzoekschriften gedeponeerd, waarin zij aan de reeds gevraagde voorziening een nieuwe maatregel toevoegt. Zij verzoekt daarin namelijk de Commissie tevens te gelasten om het HPAvoor de in het geding zijnde hoeveelheden tapioca invoercertificaten te doen afgeven als bedoeld in Verordening nr. 3675/83 onder het stellen van een passende waarborg, ten bedrage van het verschil tussen de voor tapioca gebruikelijke heffing en het krachtens genoemde Samenwerkingsovereenkomst geldende recht van 6 % ad valorum.
15 De eerste vraag die zich daarbij voordoet is of de aanvulling van de beide verzoekschriften, die neerkomt op een wijziging van hetgeen in kort geding wordt gevorderd, wel in overweging kan worden genomen. De Commissie heeft dit betwijfeld, al heeft zij toegegeven dat verzoekster sinds het aanhangig maken van beide zaken doorlopend contact met haar heeft onderhouden en dat de aanvulling haar niet voor verrassingen heeft gesteld.
16 Onder deze omstandigheden is er onvoldoende reden de wijziging van het gevorderde niet te aanvaarden. Die wijziging is ingegeven door de verandering die intussen in de feitelijke situatie is ingetreden; zij weerspiegelt de volgende stap die volgens verzoekster moet worden gezet om te komen tot het doel dat zij bereiken wil en waarover zij geen misverstand heeft laten bestaan, namelijk het in het vrije verkeer binnen de Gemeenschap brengen van de litigieuze hoeveelheden in een Nederlandse haven opgeslagen tapioca. De Commissie is door de wijziging niet in haar verdediging benadeeld.
17 De tweede vraag is of de gevraagde voorzieningen wel een spoedeisend karakter hebben in die zin dat zij, om ernstige en onherstelbare schade voor verzoekster te voorkomen, effect moeten sorteren vóór de uitspraak in hoofdzaak. Verzoekster heeft te dien aanzien te kennen gegeven dat tapioca op zichzelf niet een snel bederfelijke waar is maar dat betrekkelijk grote hoeveelheden van dat produkt nu reeds geruime tijd, in afwachting van de verlening van invoercertificaten, in lichters zijn opgeslagen; dat intussen, met het verstrijken van de winter, grote temperatuurschommelingen en hoge dagtemperaturen zijn opgetreden of kunnen optreden; en dat daardoor waarschijnlijk, binnen korte tijd, broei in de opgeslagen tapioca zal ontstaan die tot onherstelbare schade zou leiden; in verband met de vochtigheidsgraad zou eventueel ook schimmel kunnen optreden. Er is geen reden om aan de juistheid van deze verklaringen te twijfelen.
18 Ter terechtzitting heeft de Commissie evenwel medegedeeld dat haar enkele uren eerder uit Bangkok was bericht dat de Thaise autoriteiten uitvoercertificaten hebben afgegeven voor surplushoeveelheden gelost van het stoomschip Panamax Mercury, dat wil zeggen de tapioca die het onderwerp uitmaakt van zaak 82/85 R. De nummers van de certificaten zijn aan de Commissie bekend.
19 Het spoedeisend karakter is daarmee aan de voorzieningen gevraagd in de zaak 82/85 R ontvallen. Het HPA zal immers invoercertificaten moeten afgeven voor de hoeveelheden waarvoor in Thailand uitvoercertificaten zijn verstrekt.
20 Weliswaar is door verzoekster ter terechtzitting te kennen gegeven dat de hoeveelheden waarvoor volgens de uit Bangkok ontvangen berichten uitvoercertificaten zijn verstrekt niet geheel in overeenstemming zijn met de in Nederland opgeslagen hoeveelheden, maar zulks is niet van belang in het kader van dit geding : de vordering van verzoekster richt zich tot de Commissie, en deze instelling kan niet in- of uitvoercertificaten afgeven voor surplushoeveelheden, maar slechts de Thaise autoriteiten in de gelegenheid stellen, volgens de procedure van artikel 4, lid 2, van Verordening nr. 3675/83, alsnog uitvoercertificaten te verstrekken. Zo'n verzoek is, in het geval van de lading van de Panamax Mercury, door de Commissie gedaan en heeft tot actie van de kant van de Thaise autoriteiten geleid.
21 Ten aanzien van de surplushoeveelheden gelost van het stoomschip Thalassini Ephi, dat wil zeggen de tapioca die het onderwerp uitmaakt van zaak 83/85 R, heeft de Commissie ter zitting geen uitsluitsel kunnen geven over de vraag welk gevolg door de Thaise autoriteiten aan haar verzoek is gegeven. Nu in zoverre derhalve geen uitzicht bestaat op een spoedige afhandeling van deze reeds sinds december 1984 slepende zaak, dient de vraag te worden onderzocht of toewijzing van de gevraagde voorzieningen, op grond van de daartoe aangevoerde feitelijke omstandigheden en juridische gronden, naar voorlopig inzicht gerechtvaardigd voorkomt.
22 De Commissie heeft te dien aanzien aangevoerd dat de situatie met betrekking tot de lading van de Thalassini Ephi niet vergelijkbaar is met die welke de lading van de Panamax Mercury beheerste. In het eerste geval ging het namelijk, anders dan in het tweede, om een hoeveelheid tapioca die voor derde landen was bestemd en die slechts naar Nederland werd vervoerd om daar te worden overgeladen. Pas toen de vooruitzichten voor verkoop aan afnemers in derde landen minder gunstig bleken te zijn, is besloten tot verhandeling binnen de Gemeenschap; slechts op die grond is de litigieuze hoeveelheid tapioca door verzoekster als surplushoeveelheid of als overwicht gekwalificeerd. Er is dan ook, nog steeds volgens de Commissie, geen enkele zekerheid dat de Thaise autoriteiten in dit geval alsnog uitvoercertificaten willen verstrekken.
23 Naar het inzicht van verzoekster is de aanvankelijke bestemming van de litigieuze tapioca niet ter zake dienend. Het enige wat artikel 4, lid 2, van Verordening nr. 3675/83 vereist is dat wordt „geconstateerd dat de hoeveelheden die werkelijk worden gelost groter zijn dan die welke voortvloeien uit de optelling van de voor het betrokken schip toegewezen uitvoercertificaten”.
24 Deze stelling kan, zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, niet worden aanvaard. Het model van het uitvoercertificaat, dat door Thailand destijds aan de Commissie is toegezonden en dat gepubliceerd is als bijlage bij Verordening nr. 3675/83, gaat ervan uit dat, op het moment dat het certificaat wordt afgegeven, het „land van bestemming in de EEG” en de „eerste geadresseerde (naam, adres en land)” bekend zijn. De uitvoercertificaten worden afgegeven als het desbetreffende schip beladen is maar voordat het op volle zee is. De suggestie van verzoekster als zou op elk moment, en zelfs op dat van de lossing, nog de afgifte van een uivoercertificaat mogelijk zijn, moet worden afgewezen. Zou zulks namelijk het geval zijn, dan zou de bijzondere regeling van artikel 4, lid 2, van Verordening nr. 3675/83 overbodig zijn geweest; deze bijzondere regeling is juist ingevoerd omdat tot dan toe geen uitvoercertificaten konden worden afgegeven wanneer bij lossing bleek dat de daadwerkelijke hoeveelheid geloste maniokprodukten groter was dan de hoeveelheid gedekt door reeds verstrekte uitvoercertificaten.
25 In het licht van deze overwegingen moet ervan worden uitgegaan dat geenszins vaststaat of de Thaise autoriteiten uitvoercertificaten zullen verstrekken. Nu de Commissie harerzijds heeft gedaan wat verzoekster aanvankelijk van haar had gevraagd, namelijk de procedure van artikel 4, lid 2, van Verordening nr. 3675/83 aanspannen, en nu het succes van dat verzoek afhangt van de houding van de Thaise autoriteiten, is er geen aanleiding voor voorlopige voorzieningen met betrekking tot de afgifte van invoercertificaten, zoals door verzoekster beoogd.
26 Verzoekster wordt daarmee niet in een onaanvaardbaar moeilijke positie gebracht. Zij kan de litigieuze hoeveelheden tapioca in de Gemeenschap invoeren buiten de bijzondere regeling voor maniokprodukten uit Thailand om. Zij zal dan weliswaar het volledige bedrag van de landbouwheffing dienen te betalen, overeenkomstig het voor granen geldende regime, in plaats van de 6 % ad valorem die geldt voor de maniokprodukten die tot de overeengekomen uitvoerhoeveelheden in het kader van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de Gemeenschap en Thailand behoren, maar zij zal het verschil tussen beide bedragen kunnen terugvorderen wanneer de Thaise autoriteiten alsnog uitvoercertificaten mochten verstrekken.
27 De Commissie heeft ter zitting verklaard er niet geheel zeker van te zijn dat zulk een terugvordering gebaseerd kan worden op het gemeenschapsrecht, en in het bijzonder op Verordening nr. 1430/79 betreffende terugbetaling of kwijtschelding van in- of uitvoerrechten, waarvan de bepalingen toepasselijk zijn op ten onrechte of teveel betaalde landbouwheffingen. Uit de tekst van artikel 13 van die verordening, zoals deze luidt sinds Verordening nr. 1672/83 (PB L 186, biz. 1) volgt evenwel dat, in een geval als hier onder het oog wordt gezien, tot terugbetaling van teveel betaalde rechten moet worden overgegaan indien aan de betrokken onderneming geen nalatigheid of manipulatie kan worden verweten. Het Hof heeft trouwens, in zijn arrest van 15 december 1983 (Schoellershammer, 283/82, Jurispr. blz. 4219), overwogen dat genoemd artikel 13 als een algemene billijkheidsclausule is te beschouwen, bedoeld voor andere situaties dan die welke in de praktijk meestal aan de dag treden en zodoende reeds bij vaststelling der verordening aan een bijzondere regeling konden worden onderworpen.
28 De gevraagde voorzieningen dienen derhalve in beide zaken te worden geweigerd. De beslissing omtrent de kosten dient te worden aangehouden.
DE FUNGEREND PRESIDENT,
rechtdoende in kort geding,
beschikt:
-
De gevraagde voorzieningen worden geweigerd.
-
De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
Luxemburg, 22 april 1985.
De griffier
P. Heim
De waarnemend president
T. Koopmans
rechter