Hof van Justitie EU 25-10-1985 ECLI:EU:C:1985:446
Hof van Justitie EU 25-10-1985 ECLI:EU:C:1985:446
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 25 oktober 1985
Uitspraak
Beschikking van de president van het Hof
25 oktober 1985(*)
In zaak 293/85 R,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J. Griesmar, bijgestaan door G.-H. Beauthier, advocaat te Brussel, en L. Misson, advocaat te Luik, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, lid van haar juridische dienst, Bâtiment Jean Monnet, Kirchberg,
verzoekster, tegenKoninkrijk België, vertegenwoordigd door R. Hoebaer, directeur bij het ministerie van Buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking, als gemachtigde, bijgestaan door M. Waelbroeck en P. Deltenre, advocaten te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Belgische ambassade, Rue des Girondins 4, Résidence Champagne,
verweerder,betreffende een verzoek om het Koninkrijk België te gelasten, onverwijld de nodige maatregelen te nemen teneinde te waarborgen dat studenten die onderdaan zijn van een andere Lid-Staat, onder dezelfde voorwaarden als eigen onderdanen toegang krijgen tot het in België verstrekte universitair onderwijs,
geeft
DE PRESIDENT VAN HET HOF VAN JUSTITIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN
de navolgende
BESCHIKKING
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 2 oktober 1985, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 186 EEG-Verdrag en artikel 83 van het Reglement voer de procesvoering, een verzoek ingediend om voorlopige maatregelen, inhoudende dat het Koninkrijk België wordt gelast, onverwijld de nodige maatregelen te nemen ten einde te waarborgen dat tot het Hof zich ten gronde zal hebben uitgesproken, studenten die onderdaan zijn van een andere Lid-Staat, onder dezelfde voorwaarden als eigen onderdanen toegang krijgen tot het in België verstrekte universitair onderwijs.
2 Dezelfde dag heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EEG-Verdrag een beroep ingesteld waarbij zij het Hof verzoekt vast te stellen dat het Koninkrijk België, door zijn beleid op het gebied van het aanvullend inschrijvingsgeld (hierna: schoolgeld) ten laste van studenten die onderdaan zijn van een andere Lid-Staat, de krachtens de artikelen 5 en 7 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
3 Verweerder heeft op 14 oktober 1985 schriftelijke opmerkingen ingediend. Partijen hebben op 23 oktober 1985 mondelinge opmerkingen gemaakt.
4 Ter terechtzitting heeft de Commissie, met het oog op 's Hofs arrest van 13 februari 1985 (zaak 293/83, Gravier, Jurispr. 1985), haar verzoek om voorlopige maatregelen opnieuw geformuleerd. Dit verzoek houdt thans in, dat het Koninkrijk België zal worden gelast, onverwijld de nodige maatregelen te nemen ten einde te waarborgen dat tot het Hof zich ten gronde zal hebben uitgesproken, studenten die onderdaan zijn van een andere Lid-Staat, onder dezelfde voorwaarden als eigen onderdanen toegang krijgen tot het door de Belgische universitaire instellingen verstrekte onderwijs voor beroepsopleiding.
5 Blijkens het dossier is het beroep dat de Commissie krachtens artikel 169 EEG-Verdrag heeft ingesteld, gericht tegen sommige bepalingen van de Belgische wet van 21 juni 1985 betreffende het onderwijs {Belgisch Staatsblad van 6 juli 1985). Verzoekster is van oordeel dat verscheidene bepalingen van deze wet, die is vastgesteld ter regeling van de problemen in verband met de voorwaarden voor toelating tot het onderwijs en van het schoolgeld, geen acht slaat op het arrest Gravier, waarbij als een door artikel 7 EEG-Verdrag verboden discriminatie is aangemerkt het heffen van een „schoolgeld” — als voorwaarde voor toelating tot het beroepsonderwijs — van studenten die onderdaan zijn van een andere Lid-Staat, terwijl een dergelijk „schoolgeld” niet wordt geheven van eigen onderdanen.
6 Niet alle gewraakte bepalingen hebben hetzelfde toepassingsgebied. Sommige zijn specifiek voor het universitair onderwijs, andere betreffen slechts de andere vormen van onderwijs. In het kader van dit verzoek om voorlopige maatregelen gaat het enkel om de bepalingen betreffende het universitair onderwijs, te weten de artikelen 16, paragraaf 1, en 16, paragraaf 2, van de wet van 21 juni 1985.
7 Alvorens de inhoud van die artikelen weer te geven, lijkt het nuttig de situatie in België vóór de vaststelling van vorenbedoelde wet van 21 juni 1985 kort in herinnering te brengen.
8 Het beginsel dat het lager en secundair onderwijs in beide onderwijsnetten, het openbare en het vrije gesubsidieerde, kosteloos is, ligt vervat in artikel 12 van de wet van 29 mei 1959. Sinds 1972 zijn de universitaire instellingen gemachtigd om een inschrijvingsgeld ten bedrage van BF 12 000 te innen. De Belgische regering heeft in het jaar 1976-1977 een aanvullend inschrijvingsgeld (hierna: schoolgeld) ingevoerd ten laste van buitenlandse studenten wier ouders niet in België wonen. Voor het universitair onderwijs werd het schoolgeld, waarvan het bedrag kan variëren van BF 80 000 tot BF 265 000, ingevoerd bij artikel 85 van de wet van 5 januari 1976 houdende wijziging van artikel 27 van de wet van 27 juli 1971 op de financiering en de controle van de universitaire instellingen.
9 Bij artikel 16, paragraaf 1, van de wet van 21 juni 1985 is artikel 27 van genoemde wet van 27 juli 1971 gewijzigd, ten einde de subsidiëring mogelijk te maken van studenten die migrerende werknemers of echtgenoten van migrerende werknemers zijn. Het artikel voorzag echter niet in subsidiëring voor andere studentenonderdanen van Lid-Staten van de EEG en in de vrijstelling van deze laatsten van de verplichting om schoolgeld te betalen wanneer zij in België universitair onderwijs volgen. Artikel 1, paragraaf 10, van het koninklijk besluit van 30 augustus 1985 tot uitvoering van artikel 59 van de wet van 21 juni 1985, bepaalt daarentegen, dat studentenonderdanen van een Lid-Staat van de EEG, die onderwijs voor beroepsopleiding volgen, zijn vrijgesteld van het betalen van het schoolgeld. Opgemerkt zij nog, dat de minister van (Franstalig) Onderwijs op 2 september 1985 aan de rectoren van de universiteiten een brief zond waarin hij erop wees, dat „tengevolge van de zaak Gravier en de invloed van dat arrest op de evolutie van het EEG-recht, de aanvullende rechten niet meer kunnen worden verlangd van studentenonderdanen van de EEG-landen, waarvan u de inschrijving hebt aanvaard.”
10 Artikel 16, paragraaf 2, van de wet van 21 juni 1985 bepaalt uitdrukkelijk, dat de universitaire instellingen de inschrijving kunnen weigeren van studenten die niet voor financiering in aanmerking komen. Ingevolge artikel 27 , paragraaf 3, sub f, van de wet van 27 juli 1971 bedraagt het aantal buitenlandse studenten dat recht geeft op subsidies, maximaal 2% van het totaal aantal Belgische studenten die het voorafgaande academisch jaar regelmatig waren ingeschreven.
11 Uit deze twee bepalingen en voormeld artikel 16, paragraaf 1, gelezen in hun onderlinge samenhang, blijkt dat de Belgische Staat slechts subsidies verleent voor 2% buitenlandse studenten en dat studenten uit de Gemeenschap die enkel naar België komen om er universitair onderwijs te volgen, als buitenlanders worden beschouwd. Omdat studenten uit de Gemeenschap normaliter niet voor financiering in aanmerking komen, kunnen de rectoren van de universiteiten krachtens de Belgische wetgeving dus weigeren hen in te schrijven, zelfs indien zij bereid zijn het gevraagde schoolgeld te betalen.
12 Willen voorlopige voorzieningen zoals hier gevraagd kunnen worden getroffen, dan moet het verzoek in kort geding volgens artikel 83, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering een duidelijke omschrijving bevatten van de omstandigheden waaruit blijkt van het spoedeisend karakter van het verzoek, alsmede de middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de voorlopige maatregel waartoe wordt geconcludeerd, aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt.
13 Verzoekster voert verscheidene middelen aan die de gevraagde maatregelen aanvankelijk gerechtvaardigd zouden doen voorkomen. Ervan uitgaande, dat zij in haar beroep in de hoofdzaak meent te hebben aangetoond, dat universitaire studies gericht zijn op de beroepsopleiding van de student in de zin van artikel 128 EEG-Verdrag en vorengenoemd arrest Gravier, ziet zij in de vaststelling door de Belgische wetgever van artikel 16, paragraaf 1, van de wet van 21 juni 1985, zonder dat dit artikel voorziet in vrijstelling van schoolgeld voor de onderdanen van de Gemeenschap die enkel naar België zijn gekomen om er universitair onderwijs te volgen, een miskenning van het arrest Gravier en een met artikel 7 strijdige discriminatie op grond van nationaliteit, aangezien een dergelijk schoolgeld niet van Belgische studenten wordt verlangd. Zij beschouwt de brief van de minister van (Franstalig) Onderwijs van 2 september 1985, waarin de rectoren van de universiteiten worden verzocht, van studenten uit de EEG geen schoolgeld te verlangen, niet als een maatregel die de studenten uit de Gemeenschap voldoende beschermt. Vooral de vrije, maar ook de rijksuniversiteiten kunnen zich immers op hun rechtspersoonlijkheid en hun budgettaire en financiële autonomie beroepen om zich aan de wet te houden en de aanwijzingen van de minister niet toe te passen. Voorts wijst zij erop, dat die brief herroepbaar is en te allen tijde kan worden gewijzigd.
14 Voorts verwijt verzoekster het Koninkrijk België, artikel 16, paragraaf 2, van de wet van 21 juni 1985 te hebben vastgesteld, welk artikel bepaalt dat de universiteiten de inschrijving kunnen weigeren van studenten die niet voor financiering in aanmerking komen, aangezien dit artikel leidt tot bijkomende discriminaties van studenten die enkel naar België zijn gekomen om er universitair onderwijs te volgen. Met toepassing van dit artikel tezamen met de onder punt 11 van deze beschikking aangehaalde wettelijke bepalingen kan aan een student uit de Gemeenschap thans immers de inschrijving aan een Belgische universiteit worden geweigerd, terwijl een Belgische student steeds moet worden toegelaten. Verzoekster beklemtoont, dat de universiteiten des te meer geneigd zullen zijn de inschrijving te weigeren van een student uit de Gemeenschap die het schoolgeld niet wil betalen, omdat zij voor hem reeds geen enkele subsidie ontvangen. Mitsdien dreigt het gevaar, dat de universiteiten die naar een goed beheer streven, de weigering van inschrijving als het enig mogelijke alternatief zien, zelfs indien de student bereid is het schoolgeld te betalen, aangezien het bedrag van het schoolgeld slechts 50% van de werkelijk door de universiteiten gedragen kosten dekt.
15 In zijn opmerkingen in de procedure in kort geding werpt het Koninkrijk België vooreerst een exceptie van niet-ontvankelijkheid op tegen het beroep wegens niet-nakoming, op grond dat de Commissie de door artikel 169 EEG-Verdrag geboden processuele waarborgen zou hebben geschonden, door in die procedure slechts uiterst korte termijnen toe te staan. Voorts meent het dat geen der door verzoekster aangevoerde middelen een fumus boni juris bezit. In dit verband is het van mening, dat het arrest Gravier uitsluitend betrekking heeft op het beroepsonderwijs en dat de wet. van 21 juni 1985 de uit dit arrest voortvloeiende beginselen correct heeft toegepast door de werking ervan te beperken tot het technisch onderwijs voor beroepsopleiding, met uitsluiting van het universitair onderwijs. Het beklemtoont ook, dat de vaststelling door het Koninkrijk België van artikel 16, paragraaf 2, niet ten doel had de buitenlandse studenten ten opzichte van de Belgische te discrimineren, maar wettelijk het recht van de rectoren te bevestigen om de inschrijving te weigeren van studenten die een jaar voor de tweede maal overdoen, ongeacht of zij Belg zijn of vreemdeling.
16 Gelet op deze uiteenlopende meningen, is het zaak de opgeworpen problemen nauwkeurig af te bakenen en ze te onderzoeken in het licht van het arrest Gravier. De kernvraag is, of het opwerpen van een financiële drempel — betaling van schoolgeld — voor de toegang tot universitaire studies, zelfs die welke mogelijk als beroepsopleiding zijn te beschouwen, en dit enkel voor studenten die onderdaan zijn van een andere Lid-Staat, verenigbaar is met het gemeenschapsrecht en in het bijzonder met het arrest Gravier.
17 Volgens het arrest Gravier vallen de voorwaarden voor toelating tot de beroepsopleiding binnen de werkingssfeer van het Verdrag en vormt het heffen van schoolgeld van studenten die onderdaan zijn van een andere Lid-Staat, als voorwaarde voor toelating tot het beroepsonderwijs, terwijl een dergelijke last niet wordt opgelegd aan eigen onderdanen, een door artikel 7 EEG-Verdrag verboden discriminatie op grond van nationaliteit.
18 Zonder te prejudiciëren op de beslissing in de hoofdzaak kan het Hof in een procedure in kort geding niet bepalen of universitaire studies behoren tot het onderwijs voor beroepsopleiding in de zin van het arrest Gravier. Het lijkt echter niet uitgesloten dat bepaalde universitaire studies, met name die welke opleiden voor een specifiek beroep, vak of betrekking, of die bijzondere bekwaamheid verlenen om een dergelijk beroep, vak of betrekking uit te oefenen, onder het begrip beroepsopleiding vallen, zodat voor studenten die onderdaan zijn van een andere Lid-Staat, en voor eigen onderdanen geen verschillende toelatingsvoorwaarden mogen gelden. Waar artikel 16, paragraaf 1, van de wet van 21 juni 1985 de betaling van schoolgeld oplegt aan studenten die onderdaan zijn van een andere Lid-Staat en in België een universitaire opleiding willen volgen, zelfs wanneer deze in nauw verband lijkt te staan met een beroepsopleiding, mag het ervoor worden gehouden, dat de door verzoekster aangevoerde middelen de gevraagde voorlopige maatregel voorshands kunnen rechtvaardigen.
19 Maar ook indien valt aan te nemen dat verzoekster in casu middelen — zowel feitelijke als rechtens — heeft aangevoerd die de gevraagde voorlopige maatregel voorshands kunnen rechtvaardigen, dient het Hof nog te beoordelen of een dergelijke maatregel spoedeisend is en noodzakelijk om ernstige en onherstelbare schade te voorkomen.
20 Dienaangaande betoogt verzoekster, dat het academisch jaar reeds is aangevangen en dat de student uit de Gemeenschap dus dringend moet weten of hij, althans voorlopig, kan worden ingeschreven dan wel, naar gelang van zijn financiële middelen, ofwel het schoolgeld moet betalen ofwel zijn voorgenomen of reeds begonnen studies moet opgeven. Het lijkt haar evident, dat elke student uit de Gemeenschap aan wie de inschrijving of herinschrijving wordt geweigerd omdat hij het schoolgeld niet kan voldoen, ernstige en onherstelbare schade lijdt. De student uit de Gemeenschap die het schoolgeld al heeft betaald, zou zich in dezelfde situatie bevinden, gezien de soms hoge bedragen die hij heeft moeten neertellen. De onherstelbare schade zou nog duidelijker zijn in het geval waarin aan een student uit de Gemeenschap die bereid is het schoolgeld te betalen, de inschrijving wordt geweigerd op grond van artikel 16, paragraaf 2, van de wet van 21 juni 1985.
21 Van zijn kant betwist het Koninkrijk België dat aan de aan een verzoek in kort geding te stellen voorwaarde van spoedeisendheid is voldaan. Daarbij hecht het veel betekenis aan het feit dat de wet tot invoering van een schoolgeld ten laste van buitenlandse studenten, die sinds 1976 bestaat, door verzoekster nooit eerder is bestreden. Het beklemtoont voorts, dat voorlopige maatregelen in het kader van een beroep wegens niet-nakoming gewoonlijk slechts kunnen worden verkregen, wanneer de Lid-Staat plotseling zijn wetgeving heeft veranderd op een wijze die kennelijk in strijd is met het Verdrag. Dit nu zou het Koninkrijk België niet kunnen worden verweten, daar het in de wet van 21 juni 1985 de beginselen van het arrest Gravier correct heeft toegepast. De schade die studenten uit de Gemeenschap door de betaling van het schoolgeld hebben geleden, zou niet ernstig en onherstelbaar zijn aangezien zij zich dat schoolgeld kunnen doen terugbetalen indien later zou worden vastgesteld dat het onverschuldigd is voldaan. Het Koninkrijk België meent dat de schade die studenten uit de Gemeenschap door betaling van het schoolgeld lijden, in ieder geval moet worden afgewogen tegen de schade die de Belgische universiteiten zouden lijden indien zij verplicht zouden zijn die studenten in te schrijven zonder subsidie en zonder bijdrage van de student in zijn studiekosten.
22 Blijkens de inlichtingen die het Koninkrijk België ter terechtzitting heeft verstrekt, zijn het vooral de studenten uit de Gemeenschap die zich aan een vrije universiteit willen inschrijven, die hun inschrijving geweigerd zien wanneer zij het gevorderde schoolgeld niet betalen. De rijksuniversiteiten daarentegen zouden in veel ruimere mate rekening houden met de aanwijzingen die de minister hun bij brief van 2 september 1985 heeft gegeven.
23 Ofschoon partijen verdeeld zijn over het juiste aantal belanghebbende studenten uit de Gemeenschap, blijkt aan ten minste sommigen onder hen de inschrijving te zijn geweigerd omdat zij het schoolgeld niet kunnen of willen betalen, terwijl het academisch jaar reeds is begonnen. De president van het Hof is mitsdien van oordeel, dat de inschrijving van die studenten, zonder betaling van schoolgeld, geen uitstel lijdt, ten einde ernstige en onherstelbare schade te voorkomen.
24 Overigens moeten bij de toepassing van artikel 186 EEG-Verdrag alle betrokken belangen worden afgewogen. In dit verband is de president van het Hof van oordeel, dat het evenwicht tussen de belangen van de betrokken partijen wordt bereikt, wanneer de studenten uit de Gemeenschap bij hun inschrijving schriftelijk de persoonlijke verbintenis aangaan om het schoolgeld te betalen indien het beroep in de hoofdzaak zou worden verworpen.
DE PRESIDENT,
rechtdoende bij voorraad,
beschikt:
-
In afwachting van het arrest in de hoofdzaak is het Koninkrijk België gehouden:
-
na de betekening van deze beschikking onverwijld alle nodige maatregelen te nemen om te waarborgen dat studenten die onderdaan zijn van een andere Lid-Staat, onder dezelfde voorwaarden als eigen onderdanen toegang krijgen tot het door de Belgische universitaire instellingen verstrekte onderwijs voor beroepsopleiding, voor zover zij schriftelijk de persoonlijke verbintenis aangaan om het bedrag van het schoolgeld te betalen indien liet beroep in de hoofdzaak door het Hof zou worden verworpen. Deze persoonlijke verbintenis zou moeten worden aangegaan in de vorm van een individuele schuldbekentenis;
-
uiterlijk binnen een maand de Commissie en het Hof van Justitie in kennis te stellen van de maatregelen die het zal hebben genomen ter uitvoering van punt 1 a) van het dictum van deze beschikking.
-
-
De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
Luxemburg, 25 oktober 1985.
De griffier
P. Heim
Dc president
A. J. Mackenzie Stuart