Home

Hof van Justitie EU 24-11-1987 ECLI:EU:C:1987:507

Hof van Justitie EU 24-11-1987 ECLI:EU:C:1987:507

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
24 november 1987

Conclusie van advocaat-generaal

C. O. Lenz

van 24 november 1987(*)

Mijnheer de President,

mijne heren Rechters,

1. Het is niet nodig dat ik de feiten in deze zaak nog eens op een rijtje zet. Zij zijn tijdens de ochtendzitting uitvoerig besproken.

2. Ik kan dan ook meteen overgaan tot de twee voornaamste vragen in deze zaak. De eerste vraag is, of de richtlijn van 1960 van toepassing is. Daarvoor zijn twee argumenten aangevoerd.

3. Het eerste argument is, dat de richtlijn van toepassing is omdat het gaat om de verwerving door ingezetenen van buitenlandse effecten; de betrokken aandelen zijn naar Iers recht immers buitenlandse aandelen.

4. Ik ben het daarmee niet eens, want het begrip „buitenlandse effecten” in de richtlijn moet niet worden uitgelegd aan de hand van het nationale recht, maar van het gemeenschapsrecht, en wel aan de hand van de „Bepalingen” op bladzijde 932 van het Publikatieblad van 1960(1), die volgens artikel 10 een onderdeel van de richtlijn vormen.

5. Volgens deze bepalingen is de plaats waar de zetel van de vennootschap zich bevindt, beslissend. En in casu wordt niet betwist, dat de zetel van de vennootschappen die de betrokken aandelen hebben uitgegeven, zich in Ierland bevindt; het ging dus om de verwerving van binnenlandse aandelen door ingezetenen.

6. Het tweede argument is, dat de richtlijn impliciet dit soort transacties omvat. Ook dit argument kan ik niet volgen. Het is niet te verenigen met de tekst noch met de strekking van de richtlijn. Volgens artikel 2 van de richtlijn moeten voor bepaalde in lijst B opgesomde transacties algemene vergunningen worden verleend in het kader van de deviezenvoorschriften. Om dergelijke transacties ging het echter niet. Wij hebben hier dus niet te doen met krachtens de richtlijn geliberaliseerde transacties.

7. Ik sluit mij op dit punt aan bij het standpunt van Ierland en van de Commissie. Ik ben dan ook van mening, dat het antwoord op de aan het Hof voorgelegde vragen van geen belang is voor de voor de verwijzende rechter hangende procedure.

8. Derhalve geef ik in overweging, de gestelde vragen te beantwoorden als volgt:

„De verwerving en de verkoop van binnenlandse effecten door ingezetenen op een buitenlandse markt, vallen niet onder de richtlijn van de Raad van 11 mei 1960 voor de uitvoering van artikel 67 EEG-Verdrag.”

9. Niettemin wil ik even in het kort aangeven, hoe ik elk van de vragen zou hebben beantwoord, indien dat nodig was geweest.

10. Op de eerste vraag, over de rechtstreekse werking van de richtlijn, zou ik antwoorden, dat het volgens de rechtspraak van het Hof duidelijk is dat particulieren zich onder bepaalde voorwaarden voor de nationale gerechten van de Lid-Staten kunnen beroepen op bepalingen van richtlijnen, wanneer deze niet correct, en met name niet binnen de gestelde termijn, in nationaal recht zijn omgezet.

11. In casu heeft de Commissie uitdrukkelijk verklaard, dat de richtlijn correct in nationaal recht is omgezet. Bedoelde rechtspraak is hier dus niet van toepassing: de vraag naar de rechtstreekse toepasselijkheid rijst dan ook niet.

12. De tweede vraag is enkel gesteld voor het geval de eerste bevestigend zou worden beantwoord. Omdat dat niet het geval is, behoeft ook deze vraag niet te worden beantwoord.

13. Om de verwijzende rechter evenwel een zo volledig mogelijk antwoord te geven met betrekking tot de problemen die in het voor hem dienende geding zijn gerezen, wil ik er nog op wijzen, dat de door partijen in het hoofdgeding verrichte transacties niet behoren tot die welke door de richtlijn van 11 mei 1960 waren geliberaliseerd; destijds vielen zij integendeel nog onder de regelingsbevoegdheid van de Lid-Staten.

14. De reden daarvoor heb ik al genoemd en ik voeg daar nu aan toe, dat de Raad inmiddels een richtlijn heeft vastgesteld die, zoals duidelijk uit de tekst ervan blijkt, ertoe strekt ook dergelijke transacties te liberaliseren.(2)

15. Vervolgens de derde vraag, betreffende de geldigheid van de beschikking van de Commissie van december 1980. Met de Commissie en Ierland ben ik van mening, dat deze vraag niet van belang is voor de oplossing van het hoofdgeding. Ik ben ook van mening, dat het Hof in het kader van deze procedure niet op die vraag moet ingaan. Het antwoord hangt namelijk daarvan af, of de Commissie pas machtiging tot het treffen van vrijwaringsmaatregelen mag verlenen wanneer eerst de procedure van wederzijdse bijstand is gevolgd.

16. Daarover zijn partijen verdeeld. Mijns inziens is het een vraag die beslist moet worden wanneer zij door een Lid-Staat of een instelling aan het Hof wordt voorgelegd. In casu zijn de Commissie en de betrokken Lid-Staat het op dit punt eens, en natuurlijk delen ook verweerders in het hoofdgeding die opvatting. Maar dit is echter zozeer een uitvloeisel van het belang van de betrokken partijen, dat ik meen dat wij onze beslissing daar niet op kunnen baseren, maar de vraag tot een andere gelegenheid open moeten laten.

17. Zou het Hof er toch iets over willen zeggen, dan geef ik in overweging te antwoorden, dat in deze procedure niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van de beschikking van de Commissie kunnen aantasten.

18. Dit brengt mij tot de vierde vraag, namelijk of Ierland het recht had om op grond van de beschikking van de Commissie zijn ingezetenen beperkingen op te leggen met betrekking tot de betrokken transacties.

19. Ik ben het met de Commissie erover eens, dat deze vraag in deze zaak niet van belang is. Voor zover zij een antwoord zou behoeven, zou verklaard moeten worden dat de beschikking van de Commissie niet van toepassing is op de betrokken transacties, aangezien deze hoe dan ook niet waren geliberaliseerd.

20. Ten slotte wijs ik nog op de opmerking van de Commissie, dat de vraag of verweerders in het hoofdgeding een argument kunnen ontlenen aan het ontbreken van een machtiging voor de betrokken transacties van de Ierse regering of de Ierse autoriteiten, een vraag van intern Iers recht is.

21. In deze omstandigheden geef ik in overweging, zoals ik in het begin al heb gedaan, op de vragen van de verwijzende rechter te antwoorden, dat de verwerving en de verkoop van aandelen in binnenlandse ondernemingen door ingezetenen op een buitenlandse beurs niet vallen onder de richtlijn van 11 mei 1960 voor de uitvoering van artikel 67 EEG-Verdrag.