Arrest van het Hof van 28 november 1989.
Arrest van het Hof van 28 november 1989.
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 28 november 1989
Uitspraak
Trefwoorden
++++
1 . Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumping - of subsidiepraktijken van derde staten - Beoordelingsbevoegdheid van gemeenschapsinstellingen - Draagwijdte van rechterlijke toetsing
( Verordeningen nrs . 3017/79 en 2176/84 van de Raad )
2 . Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Verloop van onderzoek - Beëindiging van procedure reeds bij gebleken afwezigheid van schade - Toelaatbaarheid
( Verordening nr . 2176/84 van de Raad, artikelen 2, 4, lid 1, en 12, lid 1 )
3 . Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Schade - In aanmerking te nemen periode - Beoordelingsbevoegdheid van Commissie
( Verordening nr . 2176/84 van de Raad, artikel 4 )
4 . Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Verloop van procedure - Duur van meer dan een jaar - Toelaatbaarheid - Voorwaarde - Redelijke duur
( Verordening nr . 2176/84 van de Raad, artikel 7, lid 9 )
Samenvatting
1 . Ook in het geval dat de gemeenschapsinstellingen krachtens de gemeenschapsverordening inzake bescherming tegen de invoer met dumping of subsidiëring uit derde staten over een discretionaire bevoegdheid beschikken, moet het Hof nagaan of deze instellingen de door de basisverordening toegekende procedurele waarborgen in acht hebben genomen, of zij de feiten niet kennelijk verkeerd hebben beoordeeld, en of zij wezenlijke gegevens buiten beschouwing hebben gelaten dan wel bij hun motivering overwegingen een rol hebben laten spelen die misbruik van bevoegdheid opleveren .
2 . Artikel 4, lid 1, van verordening nr . 2176/84 verbiedt niet om, naar gelang van de omstandigheden, de aanwezigheid van schade die de gemeenschapsindustrie beweerdelijk zou hebben geleden, te onderzoeken onafhankelijk van de andere twee voorwaarden die voor het instellen van anti-dumpingrechten zijn vereist, te weten de definitieve vaststelling van dumping en de noodzaak tot handelen met het oog op het belang van de Gemeenschap . Uit de artikelen 2 en 4 blijkt trouwens, dat de vaststelling van dumping en die van schade elk op verschillende factoren berusten, die zich derhalve apart laten onderzoeken .
Aangezien de artikelen 4, lid 1, en 12, lid 1, van de basisverordening de invoering van een definitief anti-dumpingrecht of een definitief compenserend recht afhankelijk stellen van het bestaan van een oorzakelijk verband tussen de dumping en de door de gemeenschapsindustrie geleden schade, is de bevinding, dat er geen schade aanwijsbaar is, voldoende om de beëindiging van de procedure zonder instelling van een anti-dumpingrecht te rechtvaardigen .
3 . De extreem lange duur van een procedure die aan de instelling van anti-dumpingrechten voorafgaat, is geen reden om af te wijken van de communautaire praktijk voor de vaststelling van schade, die door de Commissie is vastgelegd in het kader van de ruime beoordelingsbevoegdheid die zij aan artikel 4 van verordening nr . 2176/84 ontleent, en waarbij een periode van ongeveer vier jaar in aanmerking wordt genomen . Voorwaarde is echter, dat de gekozen periode de aan de opening van de procedure voorafgaande zes maanden omvat en dat de eventuele schade kan worden vastgesteld naar de situatie van het moment waarop eventueel beschermende maatregelen worden getroffen .
4 . De in artikel 7, lid 9, van verordening nr . 2176/84 bedoelde termijn voor de afwikkeling van de anti-dumpingprocedure heeft een indicatief karakter en is niet dwingend . Dit volgt zowel uit de letter van die bepaling als uit de aard van de anti-dumpingprocedure, waarvan het verloop niet enkel afhangt van de voortvarendheid van de gemeenschapsautoriteiten . Uit deze bepaling volgt evenwel, dat de procedure niet meer dan een redelijke tijd in beslag mag nemen, wat moet worden beoordeeld naar de omstandigheden van het geval .
( De motivering van dit arrest is in wezen identiek met die van het arrest van dezelfde datum : 28 november 1989, zaak C-121/86, Epicheiriseon Metalleftikon Viomichanikon kai Naftiliakon e.a ., Jurispr . 1989, blz . 3919 ).
Partijen
in zaak C-129/86,
Helleense Republiek, vertegenwoordigd door Y . Kranidiotis, buitengewoon secretaris van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, bijgestaan door S . Perrakis, juridisch adviseur bij de afdeling Europese Gemeenschappen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, en door E . Marinou, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij D . Yannopoulos ter Griekse ambassade, 117, Val Sainte-Croix,
verzoekster,
tegen
Raad van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door zijn juridisch adviseur E . Stein en Chr . Mavrakos, lid van zijn juridische dienst, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij J . Kaeser, directeur van de juridische dienst van de Europese Investeringsbank, 100, boulevard Konrad-Adenauer,
verweerder,
betreffende een beroep krachtens artikel 173 EEG-Verdrag tot nietigverklaring van besluit 86/59 van de Raad van 6 maart 1986 tot beëindiging van de anti-dumpingprocedure betreffende de invoer van doodgebrand ( gesinterd ) natuurlijk magnesiet, van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Noord-Korea ( PB 1986, L 70, blz . 41 ) en van alle andere hiermee samenhangende eerdere of latere besluiten .
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt : O . Due, president, Sir Gordon Slynn en C . N . Kakouris, kamerpresidenten, T . Koopmans, R . Joliet, J . C . Moitinho de Almeida, G . C . Rodríguez Iglesias, F . Grévisse en M . Díez de Velasco, rechters,
( rechtsoverwegingen niet opgenomen )
rechtdoende :
Dictum
1 ) Verwerpt het beroep .
2 ) Verwijst de Helleense Republiek in de kosten .