Arrest van het Hof van 30 juni 1988.
Arrest van het Hof van 30 juni 1988.
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 30 juni 1988
Uitspraak
Arrest van het Hof
30 juni 1988(*)
In zaak 226/87,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door X. Yataganas en L. Antunes, leden van haar juridische dienst, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, lid van haar juridische dienst, bâtiment Jean Monnet, Kirchberg,
verzoekster, tegenHelleense Republiek, vertegenwoordigd door A. Phakos, bijzonder adviseur bij het ministerie van Handel, N. Fragakis en I. Galani-Maragoudaki, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Griekse ambassade, 117, Val-Sainte-Croix,
verweerster,
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: Mackenzie Stuart, president, G. Bosco, J. C. Moitinho de Almeida en G. C. Rodríguez Iglesias, kamerpresidenten, T. Koopmans, U. Everling, Y. Galmot, C. Kakouris en F. Schockweiler, rechters,
advocaat-generaal: G. F. Mancini
griffier: B. Pastor, administrateur
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 24 mei 1988,
gehoord de conclusie van de advocaatgeneraal ter terechtzitting van 24 mei 1988,
het navolgende
Arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 20 juli 1987, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EEG-Verdrag het Hof verzocht vast te stellen, dat de Helleense Republiek de krachtens het EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen door niet binnen de gestelde termijn de nodige maatregelen te treffen om gevolg te geven aan beschikking 85/276 van de Commissie van 24 april 1985 inzake de verzekering in Griekenland van openbare bezittingen en van door Griekse openbare banken verleende kredieten (PB 1985, L 152, blz. 25).
2 Artikel 13 van de Griekse wet 1256/82 van 28 en 31 mei 1982 bepaalt, dat alle openbare bezittingen, daaronder begrepen die van Griekse openbare bedrijven, uitsluitend mogen worden verzekerd bij Griekse verzekeringsmaatschappijen uit de openbare sector en legt voorts het personeel van de openbare banken de verplichting op, hun cliënten aan te raden zich te verzekeren bij een verzekeringsmaatschappij die afhankelijk is van en gecontroleerd wordt door de openbare banksector.
3 Bij beschikking van 24 april 1985, gegeven krachtens artikel 90, lid 3, van het Verdrag, heeft de Commissie die wettelijke bepalingen onverenigbaar verklaard met artikel 90, lid 1, junctis de artikelen 52, 53, 5, lid 2, en 3, sub f, EEG-Verdrag. In artikel 2 van deze beschikking, die bij schrijven van 30 mei 1985 ter kennis van de Griekse regering is gebracht, werd gestipuleerd dat de Griekse regering binnen twee maanden na de kennisgeving de Commissie op de hoogte moest stellen van de ter uitvoering van de beschikking genomen maatregelen.
4 Toen bij afloop van deze termijn geen bericht was ontvangen, deed de Commissie een rappel naar de Griekse regering uitgaan, waarop deze bij schrijven van 29 oktober 1985 meedeelde dat artikel 13 van wet 1256/82 binnen afzienbare tijd zou worden gewijzigd.
5 Omdat die wetswijziging echter uitbleef, leidde de Commissie op 8 april 1986 de procedure van artikel 169 EEG-Verdrag in en maande zij de Helleense Republiek aan, haar opmerkingen te maken.
6 Er volgde een briefwisseling, waarin de Griekse autoriteiten zich beperkten tot de aankondiging, dat zeer binnenkort bij het Parlement een wetsvoorstel zou worden ingediend om de bestaande wetgeving in overeenstemming te brengen met de beschikking van 24 april 1985.
7 Ten slotte heeft de Commissie, toen ook het op 17 februari 1987 uitgebrachte met redenen omkleed advies zonder reactie bleef, het onderhavige beroep aanhangig gemaakt.
8 Voor een nadere uiteenzetting van de nationale wetgeving, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
9 De Commissie stelt, dat de Helleense Republiek verplicht was gevolg te geven aan de beschikking van 24 april 1985, en zich in het kader van de onderhavige nietnakomingsprocedure niet meer op onwettigheid van die beschikking kan beroepen.
10 Verweerster betoogt dat de beschikking van de Commissie in werkelijkheid niet meer is dan een advies. Dat de Griekse regering geen gebruik heeft gemaakt van de beroepsmogelijkheid ex artikel 173, zou niet betekenen dat zij het bindende karakter of de gegrondheid van de beschikking heeft erkend. Zij zou derhalve de wettigheid van de pretense beschikking alsnog in het kader van het onderhavige beroep mogen aanvechten. De Griekse regering is overigens van mening dat, anders dan in de beschikking wordt gezegd, artikel 13 van wet 1256/82 niet in strijd is met het Verdrag.
11 Artikel 90, lid 3, EEG-Verdrag luidt: „De Commissie waakt over de toepassing van dit artikel en richt, voor zover nodig, passende richtlijnen of beschikkingen tot de Lid-Staten.” Uit het arrest van het Hof van 6 juli 1982 (gevoegde zaken 188, 189 en 190/80, Frankrijk, Italië en Verenigd Koninkrijk/Commissie, Jurispr. 1982, blz. 2545) blijkt, dat de omstandigheid dat de in artikel 90 bedoelde bevoegdheid van de Commissie wordt uitgeoefend binnen een specifiek toepassingsgebied en onder voorwaarden die in verband met het doel van dat artikel zijn gesteld, niet wegneemt dat de hier bedoelde „richtlijnen” en „beschikkingen” behoren tot de algemene categorie van richtlijnen en beschikkingen in de zin van artikel 189.
12 De beschikking van de Commissie van 24 april 1985 was derhalve ingevolge artikel 189, lid 4, „verbindend in al haar onderdelen” voor degene tot wie zij was gericht, dat wil zeggen de Helleense Republiek. Deze was dus tot nakoming ervan gehouden totdat zij eventueel van het Hof opschorting van de tenuitvoerlegging of nietigverklaring van de beschikking zou hebben weten te verkrijgen. Vaststaat echter dat de Griekse regering dergelijke maatregelen van het Hof heeft gevraagd noch verkregen.
13 In elk geval kan Griekenland zich tegen de verweten niet-nakoming niet verweren met een beroep op de onwettigheid van de beschikking van 24 april 1985.
14 In het door het Verdrag ingerichte stelsel van beroepswegen wordt immers onderscheiden tussen de procedures van de artikelen 169 en 170, bedoeld om te doen vaststellen dat een Lid-Staat zijn verplichtingen niet is nagekomen, en de beroepen krachtens de artikelen 173 en 175, waarmee de wettigheid van handelen of nalaten van de gemeenschapsinstellingen aan het toezicht van de rechter kan worden onderworpen. Deze beroepswegen hebben verschillende oogmerken en zijn aan verschillende regels onderworpen. Nu geen enkele verdragsbepaling uitdrukkelijk in die mogelijkheid voorziet, kan een Lid-Staat zich dus niet op de onwettigheid van een tot hem gerichte beschikking beroepen als verweer in een procedure wegens niet-nakoming van diezelfde beschikking.
15 De Helleense Republiek heeft ter terechtzitting tegengeworpen, dat het Hof, om wille van een fundamenteel vereiste van rechtszekerheid, in dit geval toch bij wijze van uitzondering de wettigheid van de beschikking van 24 april 1985 zou moeten toetsen, zulks omdat deze inbreuk maakt op het fundamentele beginsel van de bevoegdheidsverdeling tussen Gemeenschap en Lid-Staten en daardoor elke rechtsgrondslag in de communautaire rechtsorde mist.
16 Deze tegenwerping zou slechts kunnen worden aanvaard indien de bestreden handeling zulke ernstige en kennelijke gebreken vertoonde, dat zij als niet-bestaande moest worden aangemerkt (arrest van 26 februari 1987, zaak 15/85, Consorzio Cooperative d'Abruzzo, Jurispr. 1987, biz. 1005). Het betoog van de Helleense Republiek bevat echter niets bepaalds waaruit zou blijken dat dat hier het geval is. Ook zelf heeft zij trouwens de beschikking van 24 april 1985 nooit als niet-bestaand beschouwd, aangezien zij gedurende de precontentieuze procedure steeds heeft verklaard dat zij bereid was er gevolg aan te geven.
17 Uit het voorgaande volgt dat het beroep van de Commissie moet worden toegewezen, zonder dat over de wettigheid van de bestreden beschikking behoeft te worden beslist.
Kosten
18 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien de Helleense Republiek in het ongelijk is gesteld, moet zij in de kosten worden verwezen.
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende, verstaat:
-
Door niet binnen de gestelde termijn de nodige maatregelen te treffen om gevolg te geven aan beschikking 85/276 van de Commissie van 24 april 1985 inzake de verzekering in Griekenland van openbare bezittingen en van door Griekse openbare banken verleende kredieten (PB 1985, L 152, blz. 25), is de Helleense Republiek de krachtens het EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
-
De Helleense Republiek wordt verwezen in de kosten van de procedure.
Mackenzie Stuart
Bosco
Moitinho de Almeida
Rodríguez Iglesias
Koopmans
Everling
Galmot
Kakouris
Schockweiler
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 30 juni 1988.
De griffier
J.-G. Giraud
De president
A. J. Mackenzie Stuart