Home

Hof van Justitie EU 27-03-1990 ECLI:EU:C:1990:134

Hof van Justitie EU 27-03-1990 ECLI:EU:C:1990:134

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
27 maart 1990

Uitspraak

Arrest van het Hof (Zesde Kamer)

27 maart 1990(*)

In zaak C-308/87,

A. Grifoni, eigenaar van het gelijknamige bedrijf, wonende te Ispra, Varese, Italië, via G. Galilei, vertegenwoordigd en bijgestaan door M. Tamburini en F. Colussi, advocaten te Milaan, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij laatstgenoemde, 36, rue de Wiltz,

verzoeker, tegen

Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EGA), vertegenwoordigd door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, op haar beurt vertegenwoordigd door S. Fabro, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, bijgestaan door P. De Caterini, advocaat te Rome, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,

verweerster,

HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde Kamer),

samengesteld als volgt: C. N. Kakouris, kamerpresident, T. Koopmans, G. F. Mancini, T. F. O'Higgins, M. Diez de Velasco, rechters,

advocaat-generaal: G. Tesauro

griffier: H. A. Rühi, hoofdadministrateur

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de vertegenwoordigers van partijen ter terechtzitting van 7 november 1989,

gehoord de conclusie van de advocaatgeneraal ter terechtzitting van 12 december 1989,

het navolgende

Arrest

1 Bij een op 9 oktober 1987 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft A. Grifoni, eigenaar van een bedrijf gespecialiseerd in loodgieters- en beslagwerk, krachtens de artikelen 151 en 188, tweede alinea, EGA-Verdrag, beroep tot schadevergoeding ingesteld tegen de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, vertegenwoordigd door de Commissie van de Europese Gemeenschappen. Dit beroep is erop gericht te doen vaststellen, dat de Commissie aansprakelijk is voor de schade die verzoeker heeft geleden ten gevolge van een ongeval dat heeft plaatsgehad in het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek (hierna: het GCO) en, bijgevolg, de Commissie te doen veroordelen tot vergoeding van deze schade.

2 Grifoni verklaart, dat hem een aanbesteding was gegund voor het verrichten van loodgieters- en beslagwerk aan het weerstation van het GCO en dat hij zich op 20 oktober 1985 naar het GCO had begeven en er, vergezeld door een personeelslid van het GCO, op het ongeveer 4,50 m boven de grond gelegen dak van het weerstation was geklommen om er opmetingen te verrichten. De val waarvan hij slachtoffer is geworden, zou hem zwaar lichamelijk letsel hebben toegebracht.

3 Volgens Grifoni is de Commissie ingevolge artikel 188, tweede alinea, EGA-Verdrag aansprakelijk voor het ongeval, daar zij heeft nagelaten de nodige maatregelen te nemen om het ongeval te voorkomen.

4 Voor een nadere uiteenzetting van de voorgeschiedenis van het geding, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.

5 Volgens artikel 188, tweede alinea, EGA-Verdrag, inzake de niet-contractuele aansprakelijkheid moet de Gemeenschap overeenkomstig de algemene beginselen welke de rechtsstelsels der Lid-Staten gemeen hebben, de schade vergoeden die door haar instellingen of door haar personeelsleden in de uitoefening van hun functies is veroorzaakt.

6 Volgens vaste rechtspraak van het Hof, kan de Gemeenschap slechts aansprakelijk worden gesteld en het recht op schadevergoeding slechts geldend worden gemaakt wanneer is voldaan aan een aantal voorwaarden betreffende de onrechtmatigheid van de aan de gemeenschapsinstellingen verweten gedraging, de werkelijk geleden schade en een oorzakelijk verband tussen die gedraging en de gestelde schade (zie met name het arrest van 4.3.1980, zaak 49/79, Pool, Jurispr. 1980, blz. 569).

7 In de onderhavige zaak is niet in geding, dat werkelijk schade is geleden. Derhalve moet worden onderzocht, of de gedraging van de Commissie onrechtmatig is en of tussen deze gedraging en de door Grifoni geleden schade een oorzakelijk verband bestaat.

8 Met betrekking tot de gedraging van de Commissie moet om te beginnen worden opgemerkt, dat een Gemeenschapsinstelling die gebouwen laat oprichten en onderhouden, zich moet houden aan de op de plaats van de werken geldende voorschriften betreffende de veiligheid op het werk. Voor de in het GCO te Ispra verrichte werken was de Commissie derhalve verplicht, de desbetreffende Italiaanse wettelijke bepalingen na te leven.

9 De verplichting om de Italiaanse wettelijke bepalingen na te leven, ligt overigens uitdrukkelijk vervat in artikel 31 van bijlage F bij de overeenkomst van 22 juli 1959 tussen de Italiaanse Republiek en de EGA, waaraan uitvoering is gegeven bij wet nr. 906 van 1 augustus 1960 betreffende de ratificatie en de uitvoering van de op 22 juli 1959 te Rome gesloten overeenkomst tussen de Italiaanse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) tot instelling van een Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek op het gebied van de Kernenergie met algemene bevoegdheid (GURI nr. 212 van 31.8.1960); volgens dit artikel past de Commissie onder haar uitsluitende verantwoordelijkheid de Italiaanse wettelijke bepalingen betreffende de hygiëne en de veiligheid op het werk toe.

10 Volgens de Commissie is genoemd artikel 31 van bijlage F bij de overeenkomst in casu niet van toepassing, omdat het betrekking heeft op de arbeidsverhouding tussen het GCO en enkele categorieën van zijn personeelsleden, terwijl tussen het GCO en Grifoni geen dienstverband bestond.

11 Dit argument kan niet worden aanvaard. De Italiaanse voorschriften ter voorkoming van ongevallen, die de Commissie ingevolge deze bepaling dient na te leven, zijn immers vastgesteld ter bescherming van eenieder die in de ruimten van het GCO aan het risico van vallen is blootgesteld.

12 Van de Italiaanse voorschriften inzake arbeidsongevallen moeten in het bijzonder worden genoemd artikel 10 van het DPR (Decreet van de President van de Republiek) nr. 164 van 7 januari 1956 ter voorkoming van arbeidsongevallen in het bouwbedrijf (GURI nr. 78 van 31.3.1956), volgens hetwelk de Commissie ertoe gehouden is, personen die arbeid verrichten waarbij het gevaar voor vallen bestaat, te verplichten een passende veiligheidsgordel te dragen, alsmede de artikelen 26 en 27 van DPR nr. 547 van 27 april 1955 houdende bepalingen ter voorkoming van arbeidsongevallen (GURI nr. 158 van 12.7.1956), die de Commissie verplichten hooggelegen arbeidsplaatsen van een borstwering te voorzien.

13 Blijkens het dossier heeft de Commissie nagelaten, de door genoemde Italiaanse wettelijke regelingen voorgeschreven veiligheidsmaatregelen te treffen om te voorkomen dat personen die werkzaamheden op het dak van het GCO verrichten, daarvan zouden vallen.

14 Hieruit volgt dat de Commissie, doordat zij zich niet naar behoren heeft gekweten van de verplichting om de veiligheidsmaatregelen te treffen die het ongeval van verzoeker hadden kunnen voorkomen, zich onrechtmatig heeft gedragen.

15 Met betrekking tot het oorzakelijk verband tussen de nalatigheid van de Commissie en de val van verzoeker, betoogt de Commissie, dat de door verzoeker geleden schade geheel aan diens eigen nalatigheid is te wijten.

16 Dit middel is slechts ten dele gegrond. Doordat de Commissie heeft nagelaten genoemde veiligheidsmaatregelen te treffen, heeft zij aan het ontstaan van de schade bijgedragen. Anderzijds heeft ook verzoeker bij de uitvoering van zijn werk — dat in die fase bestond in het doen van opmetingen — niet de zorgvuldigheid aan de dag gelegd die noodzakelijk was voor zijn eigen veiligheid. Verzoeker, aan wie de aanbesteding was gegund en die gespecialiseerd was in dat soort werken, had immers de nodige voorzorgen moeten nemen en eventueel moeten weigeren de opmetingen te verrichten, voordat beschermende maatregelen waren getroffen.

17 Derhalve was de geleden schade niet alleen te wijten aan het gedrag van de Commissie, maar ook aan dat van verzoeker, die, hoewel dat mogelijk was, het ongeval niet heeft voorkomen door de nodige zorgvuldigheid in acht te nemen, en aldus het ongeval mede heeft veroorzaakt. De in het geding zijnde aansprakelijkheid moet daarom in gelijke mate tussen verzoeker en de Commissie worden verdeeld.

18 Bijgevolg moet de Commissie worden veroordeeld tot vergoeding van de helft van de schade die verzoeker heeft geleden ten gevolge van het ongeval waarvan hij onder de beschreven omstandigheden het slachtoffer is geworden. De te vergoeden schade dient door partijen in onderlinge overeenstemming, en bij gebreke hiervan door het Hof, te worden becijferd.

HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde Kamer),

rechtdoende :

  1. Veroordeelt de Commissie tot vergoeding van de helft van de schade die verzoeker heeft geleden ten gevolge van zijn val van het dak van het weerstation van het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek te Ispra.

  2. Verwerpt het beroep voor het overige.

  3. Verstaat dat partijen binnen zes maanden na de uitspraak van dit arrest het Hof het in onderlinge overeenstemming vastgestelde schadebedrag zullen meedelen.

  4. Bij gebreke van overeenstemming zullen partijen binnen dezelfde termijn het Hof hun eigen becijfering meedelen.

  5. Houdt de beslissing omtrent de kosten aan.

Kakouris

Koopmans

Mancini

O'Higgins

Diez de Velasco

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 27 maart 1990.

De griffier

J.-G. Giraud

De president van de Zesde Kamer

C. N. Kakouris