Home

Hof van Justitie EU 10-01-1990 ECLI:EU:C:1990:5

Hof van Justitie EU 10-01-1990 ECLI:EU:C:1990:5

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
10 januari 1990

Conclusie van advocaat-generaal

C. O. Lenz

van 10 januari 1990(*)

Mijnheer de President,

mijne heren Rechters,

A — De feiten

1. Aan de prejudiciële zaak waarin ik vandaag conclusie neem, ligt een ietwat ongewone problematiek ten grondslag, die mogelijkerwijs binnen het toepassingsgebied van de artikelen 30 en volgende EEG-Verdrag valt.

2. In september 1986 liet de Belgische naamloze vennootschap GBINNOBM, die in België onder meer te Aarlen bij de Belgisch-Luxemburgse grens supermarkten exploiteert, in het Groothertogdom Luxemburg reclamefolders verspreiden om er de verkoop van haar produkten te bevorderen. In deze folders was de duur van prijsverlagingen aangegeven en was naast de verlaagde prijs ook de oude prijs vermeld. Dit was in overeenstemming met de Belgische wettelijke bepalingen betreffende oneerlijke mededinging(1), doch niet met de destijds geldende Luxemburgse regeling, volgens welke verkoopaanbiedingen of kleinhandelsverkopen met tijdelijke prijsverlaging buiten het kader van bijzondere verkopen of uitverkopen verboden waren, wanneer de duur van de aanbieding was vermeld of naar de oude prijzen werd verwezen.

3. De Confédération du commerce luxembourgeois (hierna: CCL) kwam tegen die reclamepraktijk op en dagvaardde GBINNOBM in kort geding voor de bevoegde Luxemburgse rechterlijke instanties, ten einde aan die praktijk een einde te maken. Deze vordering werd toegewezen door de handelskamer van het tribunal d'arrondissement te Luxemburg, waarop GBINNOBM, na eerst tevergeefs beroep te hebben ingesteld bij de cour d'appel, cassatieberoep aantekende bij de Cour supérieure de justice te Luxemburg, zetelende als Cour de cassation.

4. Deze rechterlijke instantie heeft het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag de volgende prejudiciële vraag voorgelegd:

„Moeten de artikelen 30, 31, eerste alinea, en 36 EEG-Verdrag aldus worden uitgelegd, dat zij in de weg staan aan een wettelijke regeling van een Lid-Staat, ingevolge welke verkoopaanbiedingen of kleinhandelsverkopen met tijdelijke prijsverlagingen buiten bijzondere verkopen of uitverkopen slechts zijn toegestaan op voorwaarde dat in de aanbieding noch de geldigheidsduur ervan wordt vermeld noch naar de vroegere prijzen worden verwezen ?”

5. Op de overige feitelijke elementen en de argumenten van partijen zal ik voor zover nodig in het kader van mijn onderzoek nader ingaan. Voor het overige verwijs ik naar het rapport ter terechtzitting.

B — Standpunt

6. CCL, de Bondsrepubliek Duitsland en het Groothertogdom Luxemburg zijn van oordeel, dat de bestreden wettelijke regeling niet aan de artikelen 30 en volgende EEG-Verdrag dient te worden getoetst, aangezien zij geen betrekking heeft op het intracommunautaire goederenverkeer, doch alleen op reclame. GBINNOBM verkoopt haar produkten uitsluitend op Belgisch grondgebied, zodat een belemmering van de intracommunautaire handel van meet af aan is uitgesloten.

7. GBINNOBM, de Commissie en de Franse republiek menen daarentegen, dat de bestreden Luxemburgse bepalingen als maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen in de zin van artikel 30 EEG-Verdrag zijn aan te merken, daar een wettelijke regeling die bepaalde vormen van reclame beperkt of verbiedt de omvang van de invoer zou kunnen beperken doordat zij de verhandelingsmogelijkheden van de ingevoerde produkten ongunstig beïnvloedt.

1. Toepasselijkheid van de artikelen 30 en volgende EEG-Verdrag

8. Om te beginnen moet worden beaamd, dat de betrokken nationale regeling geen rechtstreeks verband houdt met de invoer van goederen uit andere Lid-Staten, doch enkel betrekking heeft op de reclame voor die goederen. Dit sluit echter de toetsing van die regeling aan de artikelen 30 en volgende EEG-Verdrag niet uit, daar het in artikel 30 neergelegde verbod van maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen — waarvan vaststaat dat het een ruime werkingssfeer heeft — volgens vaste rechtspraak van het Hof(2) iedere handeling van de Lid-Staten omvat die de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel kan belemmeren.

9. Een reclameverbod als het onderhavige sluit weliswaar de invoer in de betrokken Lid-Staat van uit andere Lid-Staten afkomstige produkten of produkten die zich aldaar in het vrije verkeer bevinden niet uit, maar kan niettemin de verhandeling van die produkten bemoeilijken en bijgevolg, op zijn minst indirect, de handel tussen de Lid-Staten belemmeren.(3) Een wettelijke regeling die bepaalde vormen van reclame of bepaalde methoden van verkoopbevordering beperkt of verbiedt, kan namelijk ook zonder rechtstreeks voorwaarden voor de invoer te stellen, de omvang hiervan beperken doordat zij de verhandelingsmogelijkheden van de ingevoerde produkten ongunstig beïnvloedt.(4)

10. De omstandigheid dat nationale bepalingen op het gebied van reclame het intracommunautaire handelsverkeer niet rechtstreeks, doch alleen indirect kunnen beïnvloeden, staat bijgevolg aan de toepassing van de artikelen 30 en volgende EEG-Verdrag niet in de weg.

11. Aan de toepasselijkheid van de artikelen 30 en volgende EEG-Verdrag doet evenmin af, dat de verkooptransacties waarvoor GBINNOBM in Luxemburg reclame voerde, in België plaatshebben. De bepalingen van het Verdrag maken geen onderscheid tussen de grensoverschrijdende handelsactiviteit van handelaars en transacties waarbij particulieren zich voor hun aankopen over de grens begeven om het gekochte daarna als particulier in hun eigen Lid-Staat in te voeren. Het Hof heeft deze verschillende aspecten van de economische bedrijvigheid bij mijn weten voor het eerst in het licht gesteld in zijn arrest van 31 januari 1984 (gevoegde zaken 286/82 en 26/83)(5), waarin het met betrekking tot het begrip vrije dienstverrichting verklaarde, dat voor het verrichten van de dienst ofwel de dienstverrichter zich kan begeven naar de Lid-Staat waarin de ontvanger van de dienst gevestigd is, ofwel laatstbedoelde zich naar de Lid-Staat van vestiging van de dienstverrichter kan begeven. In zijn arrest van 7 maart 1989 in zaak 250/87(6) lijkt het Hof voor het begrip invoer van produkten een zelfde gedachtengang te hebben gevolgd, toen het de invoer door een particulier aan de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag toetste en ten slotte met die bepalingen onverenigbaar verklaarde.

12. In de onderhavige zaak gaat het om een gelijkaardige situatie: de kopers begeven zich van de ene Lid-Staat naar de andere om er goedkoper te kunnen winkelen. Dit kunnen zij echter alleen, indien zij op de hoogte zijn van de verkoopvoorwaarden in het buurland.

13. Hoe kan de bevolking van een Lid-Staat echter die verkoopvoorwaarden kennen, wanneer de desbetreffende reclame op basis van de wettelijke regeling van de eerste Lid-Staat kan worden verboden ? Een dergelijke uitlegging zou juist de grensbewoners de voordelen van de gemeenschappelijke markt onthouden en hen in een „grenssituatie” met „scheidende grenzen” plaatsen. De opheffing daarvan is een van de doelstellingen van het gemeenschappelijk optreden van de in de Gemeenschap verbonden landen.(7) De handhaving van een dergelijke grens voor reclame is dan ook onverenigbaar met de eerste van de in artikel 2 EEG-Verdrag genoemde doelstellingen van het Verdrag, namelijk het „instellen van een gemeenschappelijke markt”.

14. Een dergelijke uitlegging zou ook de betekenis van de in titel I van het tweede deel van het Verdrag geformuleerde doelstelling van het „vrije verkeer van goederen” beperken, daar voorlichting van de marktdeelnemers over de marktvoorwaarden een wezenlijke voorwaarde is voor het functioneren van een markteconomie. Er zijn geen argumenten aangevoerd ten betoge dat de opstellers van het Verdrag een dergelijke beperking wensten. Het algemene verbod van „alle maatregelen van gelijke werking (zoals kwantitatieve invoerbeperkingen)” spreekt veeleer voor de door mij voorgestane opvatting.

15. Derhalve moet worden vastgesteld, dat er een verband bestaat met het grensoverschrijdend goederenverkeer. Hierin verschilt de bestreden nationale regeling met andere nationale regelingen, die enkel het nationale sociaaleconomisch beleid betreffen en die geen gevolgen hebben voor de buitenlandse handel van de betrokken staat, zoals bij voorbeeld de regelingen inzake nachtarbeid in bakkerijen(8) of de verplichte zondagsluiting.(9)

16. Daarmee staat derhalve vast, dat de wettelijke bepalingen van een Lid-Staat inzake reclame voor produkten ook dan aan de beginselen van de artikelen 30 en volgende EEG-Verdrag kunnen worden getoetst, wanneer de aankoop in een andere Lid-Staat plaats heeft en de gekochte produkten door een particulier in de eerste Lid-Staat worden ingevoerd.

2. De verboden rechme

17. Zoals gezegd kan een wettelijke regeling die bepaalde vormen van reclame of bepaalde methoden van verkoopbevordering beperkt of verbiedt, zeer wel de omvang van de invoer beperken doordat zij de verhandelingsmogelijkheden van de ingevoerde produkten ongunstig beïnvloedt. Ook indien een dergelijke regeling zonder onderscheid van toepassing is op nationale en ingevoerde produkten, is het niet uitgesloten, dat het feit dat de betrokken onderneming gedwongen is in de diverse Lid-Staten verschillende methoden van reclame of verkoopbevordering te hanteren of een door haar bijzonder doeltreffend geachte methode op te geven, een invoerbelemmering oplevert.(10) Dat is inzonderheid het geval wanneer het, zoals in casu, om reclame in twee landen met dezelfde taal en munt gaat.

18. Bij gebreke van een gemeenschappelijke regeling, aldus vaste rechtspraak van het Hof(11), moeten bij de verhandeling van de betrokken produkten belemmeringen van het intracommunautaire goederenverkeer als gevolg van dispariteiten van de nationale wettelijke regelingen worden aanvaard, voor zover de betrokken regelingen, die zonder onderscheid van toepassing moeten zijn op nationale en ingevoerde produkten, hun rechtvaardiging vinden in een van de in artikel 36 EEG-Verdrag vermelde redenen van algemeen belang of in dwingende vereisten, verband houdend met de bescherming van de consument of de eerlijkheid van de handelstransacties. De regeling moet echter ook evenredig zijn aan het beoogde doel. Heeft een Lid-Staat de keuze tussen verschillende middelen waarmee hetzelfde doel kan worden bereikt, dan moet hij het middel kiezen dat het vrije handelsverkeer het minste belemmert.

19. Gelet op het bovenstaande moet in casu worden vastgesteld, dat geen andere gemeenschappelijke of geharmoniseerde voorschriften inzake reclame bestaan dan de richtlijn van de Raad van 10 september 1984 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lid-Staten inzake misleidende reclame.(12) Gelijk reeds uit de titel blijkt, heeft deze richtlijn echter enkel betrekking op misleidende reclame en staat zij (artikel 7) bovendien toe, dat de Lid-Staten bepalingen vaststellen voor een verdergaande bescherming van de consumenten, de handelaars en het publiek in het algemeen.

20. Aangezien er dus geen sluitende communautaire regeling bestaat op het gebied van reclame, moet worden nagegaan, of de bestreden nationale regeling haar rechtvaardiging vindt in bovengenoemde dwingende vereisten. De twee verbodsbepalingen moeten daarbij afzonderlijk worden onderzocht.

a) Het verbod, de duur van een bijzonder aanbod te vermelden

21. Ter rechtvaardiging van deze bepaling heeft de Luxemburgse regering gewezen op de noodzaak om in het belang van alle marktdeelnemers de doorzichtigheid van de prijzen te bewerkstelligen en verkopen tegen verlaagde prijzen te onderscheiden van de twee maal per jaar toegestane uitverkopen. De Luxemburgse wetgever heeft de markt willen ordenen en handelspraktijken willen tegengaan die schadelijk zijn voor de verbruiker en die de normale werking van de vrije mededinging verstoren. Het belang van de consument is niet gediend met een toeneming van dergelijke handelspraktijken, die tot gevolg hebben dat de winstmarge in gewone periodes evenredig wordt verhoogd met het bij de bijzondere verkopen geleden verlies.

22. Ter terechtzitting heeft de Luxemburgse regering het accent ietwat verlegd en aangevoerd, dat de bestreden regeling in de eerste plaats is gericht op de consumentenbescherming en niet op de bescherming van de nationale handel.

23. CCL merkt voorts op, dat tijdelijke bijzondere verkopen waarvan de duur wordt vermeld, de normale mededinging tussen ondernemingen verstoren ten nadele van de consument.

24. De Duitse regering is het daarmee eens. Vermeden moet worden, dat handelaars zich van een voorsprong op hun concurrenten verzekeren door het publiek bepaalde voordelen aan te bieden bij verkoopacties die buiten de normale handel vallen. Daarenboven vergt de bescherming van de consument, dat hij wordt behoed van een al te grote subjectieve beïnvloeding van zijn economische beslissingsvrijheid. Hij moet daarbij vooral worden beschermd tegen de psychologische koopdruk die op hem wordt uitgeoefend door de beperkte duur van de aanbieding.

25. Volgens GBINNOBM, de Franse regering en de Commissie is het verbod om de duur van de bijzondere aanbieding te vermelden, niet gerechtvaardigd. De consumentenbescherming is er niet mee gediend, wanneer de consument de juiste informatie wordt onthouden.

26. Voor het onderzoek van de vraag, of het verbod om de duur van een bijzondere aanbieding te vermelden gerechtvaardigd is, moet in de eerste plaats worden gekeken naar de opmerkingen van de Luxemburgse regering, die in de beste positie verkeert om de doelstellingen van haar wettelijke bepalingen toe te lichten. Haar rechtvaardiging van dat verbod komt er in wezen op neer, dat de consument duidelijk onderscheid moet kunnen maken tussen bijzondere verkopen en de twee maal per jaar toegestane uitverkopen.

27. Waarom dat onderscheid echter moet worden gezien als een „dwingend vereiste” in verband met de bescherming van de consument en de eerlijke mededinging, heeft zij niet uitgelegd. Dat ware ook niet gemakkelijk, nu de normale uitverkopen twee maal per jaar op gestelde tijden plaatsvinden, zodat het de consument zonder meer duidelijk moet zijn dat het bij bijzondere verkopen buiten die periodes niet om een uitverkoop kan gaan. Welk belang de consument er overigens bij kan hebben, bijzondere verkopen en uitverkopen van elkaar te onderscheiden, is evenmin verduidelijkt.

28. Evenmin is verklaard, waarom het beginsel van doorzichtigheid van de prijzen vereist, dat de consument verstoken blijft van inlichtingen als vermelding van de duur van een bijzondere verkoop, die voor zijn aankoopbeslissing van nut kunnen zijn.

29. Al met al dus is niet aangetoond, dat er in casu sprake zou zijn van dwingende vereisten in verband met de bescherming van de consument.

30. Hetzelfde geldt met betrekking tot de bescherming van de eerlijke mededinging. Indien bijzondere verkoopacties zijn toegestaan — en dat zijn zij ook naar Luxemburgs recht, alleen mag de duur ervan niet worden vermeld —, valt niet in te zien, hoe de belangen van de concurrenten worden geschaad doordat de consument in kennis wordt gesteld van de duur van de actie. De door sommigen gevreesde aantasting van de mededingingsstructuur, zo daarvan al sprake zou zijn, heeft met mededeling van de duur van een actie niets uitstaande.

b) Het verbod van prijsvergelijking

31. De Luxemburgse regering rechtvaardigt het verbod om de vroegere prijzen te vermelden met een aantal praktische overwegingen: enerzijds wilde men verhinderen dat handelaars van een bijzondere verkoop een verkapte uitverkoop buiten de wettelijk toegestane perioden zouden maken, anderzijds wilde men vermijden dat een controle van de oude prijzen moest worden georganiseerd.

32. Ter terechtzitting heeft de Luxemburgse regering ook op het gevaar voor misleiding van de koper gewezen. De consument kan immers niet controleren of de aangegeven oude prijs met de werkelijkheid overeenstemt. Het verbod van prijsvergelijking dient bijgevolg de bescherming van de consument.

33. De regering van de Bondsrepubliek Duitsland en CCL steunen de opvatting van de Luxemburgse regering, de Franse regering, GBINNOBM en de Commissie bestrijden haar.

34. Zo de bescherming van de consument verlangt dat hem bepaalde gegevens worden onthouden, dan moet dat overtuigend worden aangetoond. Op het eerste gezicht immers kunnen alle juiste gegevens de consument alleen maar van nut zijn. Dat het verbod van prijsvergelijking toezicht op de juistheid van de aangegeven prijs overbodig maakt, vormt geen voldoende rechtvaardiging. Vereenvoudiging van de overheidstaken kan immers niet worden aangemerkt als een „dwingend vereiste” dat een beperking op het beginsel van het vrije goederenverkeer aanvaardbaar maakt.

35. Bescherming van de consument tegen misleidende reclame is een rechtvaardigingsgrond, die niet zonder meer kan worden verworpen. Gelijk in de overwegingen van de richtlijn van de Raad inzake misleidende reclame is aangevoerd, kan misleidende reclame de consument tot voor hem nadelige beslissingen brengen bij het verkrijgen van goederen of de gebruikmaking van diensten.

36. Ook vanuit het oogpunt van de consumentenbescherming lijkt een absoluut prijsvergelijkingsverbod evenwel onevenredig. Weegt men immers het belang van de consument bij volledige voorlichting af tegen zijn belang om niet te worden misleid, dan lijkt het voldoende elke prijsvergelijking te verbieden die op onjuiste en derhalve misleidende gegevens berust. Dit betekent dat prijsvergelijking kan worden verboden wanneer de vermelde oude prijs niet juist is.

37. Aangezien ten slotte alle Lid-Staten van de Gemeenschap krachtens artikel 8 van de richtlijn van de Raad inzake misleidende reclame sedert 1 oktober 1986 gehouden zijn, maatregelen te treffen ter voorkoming van misleidende reclame, is een absoluut verbod van prijsvergelijking in het belang van de consumentenbescherming onevenredig, daar met een verbod van onjuiste prijsvergelijkingen kan worden volstaan.

38. In dit verband moet worden opgemerkt, dat volgens de Belgische wettelijke regeling, die GBINNOBM bij het ontwerpen van haar reclame tot leidraad heeft gediend, prijsvergelijking alleen is toegestaan wanneer wordt verwezen naar de prijs die gewoonlijk wordt gevraagd. Als oude prijs dient in de regel te worden aangemerkt de prijs die werd gevraagd gedurende de periode van één maand vóór de prijsverlaging.(13)

39. Voor een doeltreffende controle op de toepassing van die regeling zorgen, zoals GBINNOBM terecht heeft opgemerkt, niet alleen de overheid en de consument, maar ook de concurrentie.

40. De Duitse regering meent, dat de bescherming tegen oneerlijke mededinging onder de bescherming van de industriële en commerciële eigendom in de zin van artikel 36 EEG-Verdrag valt. In dat verband kan ik volstaan met de opmerking, dat hier volgens mij geen sprake is van oneerlijke mededinging en dat de bepalingen van artikel 36 niet kunnen worden ingeroepen tegen eerlijke mededinging.

41. Hieruit volgt, dat de bestreden Luxemburgse wettelijke regeling niet kan worden toegepast op de reclamefolders die GBINNOBM, die in België is gevestigd, in Luxemburg heeft verspreid; de regeling blijft echter als tevoren gelden voor de Luxemburgse winkeliers. Zoals de Franse regering terecht heeft opgemerkt, staat het aan de Luxemburgse wetgever en niet aan het Hof om daaruit de nodige gevolgen te trekken.

c) De standstill-bepaling van artikel 31 EEG-Verdrag

42. Over de vraag of de standstill-bepaling van artikel 31, eerste alinea, EEG-Verdrag in deze zaak van belang is, heeft geen der partijen opmerkingen gemaakt. Uit het verwijzingsarrest valt dienaangaande evenmin iets op te maken. Met name ontbreekt iedere aanwijzing, dat de groothertogelijke verordening van 23 december 1974 kwantitatieve beperkingen heeft ingevoerd die voordien niet bestonden. Over de toepasselijkheid van artikel 31 EEG-Verdrag kan ik mij dan ook niet uitspreken.

C — Conclusie

43. Concluderend geef ik het Hof in overweging, de voorgelegde vraag te beantwoorden als volgt:

„De artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag moeten aldus worden uitgelegd, dat zij zich verzetten tegen een wettelijke regeling van een Lid-Staat volgens welke verkoopaanbiedingen of kleinhandelsverkopen in andere Lid-Staten, waarbij tijdelijk prijsverlagingen worden toegepast buiten het kader van bijzondere verkopen of uitverkopen, slechts zijn toegestaan onder de voorwaarde dat in die aanbiedingen noch de duur ervan noch de oude prijs wordt vermeld.”