Hof van Justitie EU 26-09-1988 ECLI:EU:C:1988:446
Hof van Justitie EU 26-09-1988 ECLI:EU:C:1988:446
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 26 september 1988
Uitspraak
Beschikking van de president van het Hof
26 september 1988(*)
In zaak 229/88 R,
Cargill BV, vennootschap naar Nederlands recht, gevestigd te Amsterdam, Nederland,
Speelman's Oliefabrieken BV, vennootschap naar Nederlands recht, gevestigd te Rotterdam, Nederland,
BEOCO Ltd, vennootschap naar Engels recht, gevestigd te Liverpool, Groot-Brittannië,
BOCM Silcock Ltd, vennootschap naar Engels recht, gevestigd te Hampshire, Groot-Brittannië,
Cargill UK Ltd, vennootschap naar Engels recht, gevestigd te Huil, Groot-Brittannië,
Erith Oil Works Ltd, vennootschap naar Engels recht, gevestigd te Erith, Groot-Brittannië,
Louis Dreyfus & Co. Ltd, vennootschap naar Engels recht, gevestigd te Londen, Groot-Brittannië,
Compagnie Cargill SA, vennootschap naar Frans recht, gevestigd te Saint-Ger-main-en-Laye, Frankrijk,
CEDOL SA, vennootschap naar Frans recht, gevestigd te Boulogne-Billancourt, Frankrijk,
COMEXOL SA, vennootschap naar Frans recht, gevestigd te Parijs, Frankrijk,
NV Cargill, vennootschap naar Belgisch recht, gevestigd te Antwerpen, België,
NV Vamomills, vennootschap naar Belgisch recht, gevestigd te Kortrijk, België,
A/S Carl Rasmussen Korn og Foderstoffer Gamby, vennootschap naar Deens recht, gevestigd te Søndersø, Denemarken,
DS Industries APS, vennootschap naar Deens recht, gevestigd te Kopenhagen, Denemarken,
Palolio & Palvino SpA, vennootschap naar Italiaans recht, gevestigd te Napels, Italië,
ADM Ölmühlen GmbH, vennootschap naar Duits recht, gevestigd te Hamburg, Bondsrepubliek Duitsland,
Brökelmann & Co. Ölmühle und Raffinerie KG, vennootschap naar Duits recht, gevestigd te Hamburg, Bondsrepubliek Duitsland,
Deutsche Conti-Handelsgesellschaft mbH, vennootschap naar Duits recht, gevestigd te Hamburg, Bondsrepubliek Duitsland,
Öhlmühle Hamburg AG, vennootschap naar Duits recht, gevestigd te Hamburg, Bondsrepubliek Duitsland,
O. & L. Sels, vennootschap naar Duits recht, gevestigd te Neuss, Bondsrepubliek Duitsland,
C. Thywissen, vennootschap naar Duits recht, gevestigd te Neuss, Bondsrepubliek Duitsland,
Union Deutsche Lebensmittelwerke GmbH, vennootschap naar Duits recht, gevestigd te Hamburg, Bondsrepubliek Duitsland,
Huileries de l'Arceau SA, vennootschap naar Frans recht, gevestigd te Lézay, Frankrijk,
vertegenwoordigd door H. J. Bronkhorst, advocaat bij de Nederlandse Hoge Raad, en door E. H. Pijnacker-Hordijk, advocaat te Amsterdam, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van J. Loesch, advocaat aldaar, 8, rue Zithe,
verzoeksters, tegenCommissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door D. Grant Lawrence als gemachtigde en P. Oliver, leden van haar juridische dienst, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, lid van haar juridische dienst, bâtiment Jean Monnet, Kirchberg,
verweerster,betreffende primair een verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van verordening nr. 1587/88 van de Commissie van 7 juni 1988 houdende schorsing van de voorfixatie van de steun voor koolzaad, raapzaad en zonnebloemzaad (PB 1988, L 141, blz. 55), alsmede een verzoek om een voorlopige maatregel waarbij de Commissie wordt gelast de maatregelen vast te stellen welke kunnen garanderen dat verzoeksters op de derde werkdag na de dag waarop deze opschortingsbeschikking wordt gegeven, voorfixatie-certificaten worden afgegeven voor de verwerking van oliehoudende zaden tegen de op 7 juni 1988 geldende steuntarieven met betrekking tot de hoeveelheden raapzaad, koolzaad en zonnebloemzaad die zijn vermeld in de aanvragen voor voorfixatie-certificaten, die zij op 7 juni 1988 hebben ingediend,
geeft
DE PRESIDENT VAN HET HOF VAN JUSTITIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN
de navolgende
Beschikking
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 10 augustus 1988, hebben verzoeksters krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag beroep ingesteld tot nietigverklaring van verordening nr. 1587/88 van de Commissie van 7 juni 1988 houdende schorsing van de voorfixatie van de steun voor koolzaad, raapzaad en zonnebloemzaad (PB 1988, L 141, blz. 55).
2 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 31 augustus 1988, hebben verzoeksters krachtens de artikelen 185 en 186 EEG-Verdrag en 83 van het Reglement voor de procesvoering een verzoek in kort geding ingediend, strekkende tot:
-
opschorting van de tenuitvoerlegging van voormelde verordening nr. 1587/88;
-
een voorlopige maatregel waarbij de Commissie wordt gelast de maatregelen vast te stellen welke kunnen garanderen :
-
enerzijds, dat hun op de derde werkdag na de dag waarop deze opschortingsbeschikking wordt gegeven, voorfixatie-certificaten worden afgegeven voor de verwerking van oliehoudende zaden tegen de op 7 juni 1988 geldende steuntarieven met betrekking tot de hoeveelheden raapzaad, koolzaad en zonnebloemzaad die zijn vermeld in de aanvragen voor voorfixatie-certificaten, die zij op 7 juni 1988 hebben ingediend;
-
en anderzijds, dat de voorfixatie-certificaten die na 8 juni 1988 zijn aangevraagd en verkregen doch niet gebruikt, zonder verbeurte van de waarborg worden geannuleerd, voor zover zij betrekking hebben op hoeveelheden raapzaad, koolzaad of zonnebloemzaad, die niet hoger zijn dan die waarvoor ter uitvoering van de gevraagde voorlopige maatregel certificaten zullen worden afgegeven.
-
3 Verweerster heeft op 13 september 1988 schriftelijke opmerkingen ingediend. Aangezien de schriftelijke opmerkingen van partijen alle inlichtingen bevatten, die nodig zijn om uitspraak te doen over het verzoek in kort geding, bleek het niet noodzakelijk hen in hun mondelinge toelichtingen te horen.
4 Alvorens de gegrondheid van het onderhavige verzoek in kort geding te onderzoeken, lijkt een kort overzicht van de feitelijke en de wettelijke context van deze zaak noodzakelijk.
5 Verzoeksters, die zich in het bijzonder bezighouden met de verwerking van oliehoudende zaden, hebben op 7 juni 1988 bij de respectieve bevoegde autoriteiten verzoeken ingediend om voorfixatie van de steun voor de verwerking van in totaal ongeveer 370 000 ton koolzaad, raapzaad en/of zonnebloemzaad.
6 Bij artikel 27 van verordening nr. 136/66 van de Raad van 22 september 1966 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten (PB 1966, blz. 3025) is namelijk een steunregeling voor de verwerking van bepaalde oliehoudende zaden, onder meer de hierboven vermelde, ingevoerd. In lid 1 van dit artikel is bepaald, dat de steun in beginsel gelijk is aan het verschil tussen de voor een bepaalde zaadsoort geldende richtprijs en de wereldmarktprijs.
7 De regels voor de toekenning van steun voor oliehoudende zaden heeft de Raad neergelegd in verordening nr. 1594/83 van 14 juni 1983 betreffende de steun voor oliehoudende zaden (PB 1983, L 163, blz. 44), zoals gewijzigd bij verordening nr. 935/86 van de Raad van 25 maart 1986 (PB 1986, L 87, blz. 5). De toepassingsbepalingen inzake deze steunregeling zijn vastgesteld bij verordening nr. 2681/83 van de Commissie van 21 september 1983 (PB 1983, L 266, blz. 1).
8 Naar luid van artikel 3, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 1594/83, zoals gewijzigd bij verordening nr. 935/86, is het steunbedrag het bedrag dat van toepassing is op de dag waarop de Lid-Staat het zaad identificeert. Ingevolge artikel 4 kan de belanghebbende evenwel vragen dat het steunbedrag vooraf wordt vastgesteld. In dat geval is het steunbedrag ingevolge artikel 3, lid 2, derde alinea, het bedrag dat van toepassing is op de dag van indiening van de aanvraag om voorfixatie; het wordt toegepast op het zaad dat wordt geïdentificeerd tijdens de geldigheidsduur van het voorfixatiegedeelte van het certificaat, die ingevolge artikel 11 van verordening nr. 2681/83 in beginsel, behoudens door de Commissie toegestane afwijking, vijf maanden bedraagt voor koolzaad en raapzaad en vier maanden voor zonnebloemzaad, welke termijn ingaat de maand na die waarin de aanvraag werd ingediend.
9 Het voorfixatiegedeelte van het certificaat wordt in beginsel afgegeven de eerste werkdag welke volgt op die waarop de aanvraag werd ingediend, onverminderd artikel 8 van verordening nr. 1594/83, waarin is voorzien dat in een abnormale situatie die de gemeenschappelijke markt voor oliehoudende granen verstoort of dreigt te verstoren, de Commissie onder bepaalde voorwaarden de voorfixatie kan schorsen.
10 Van mening dat aan de voorwaarden van artikel 8 van verordening nr. 1594/83 was voldaan, heeft de Commissie op 7 juni 1988 de verordening vastgesteld, waarbij de voorfixatie van de steun voor koolzaad, raapzaad en zonnebloemzaad werd geschorst voor de certificaten waarvoor de aanvraag van 7 tot en met 11 juni 1988 werd ingediend.
11 Op dezelfde datum heeft de Commissie verordening nr. 1584/88 (PB 1988, L 141, blz. 48) vastgesteld, waarbij in de sector oliehoudende zaden met name voor koolzaad, raapzaad en zonnebloemzaad een lager steunbedrag werd vastgesteld dan het bedrag dat op 7 juni 1988 van toepassing was.
12 Volgens artikel 185 EEG-Verdrag heeft een bij het Hof van Justitie ingesteld beroep geen schorsende werking. Het Hof kan echter, indien het van oordeel is dat de omstandigheden zulks vereisen, opschorting van de uitvoering van de bestreden handeling gelasten. Ingevolge artikel 186 EEG-Verdrag kan het Hof eveneens in zaken welke bij het Hof aanhangig zijn gemaakt, de noodzakelijke voorlopige maatregelen gelasten.
13 Wil een voorlopige maatregel als die waarom is gevraagd, mogelijk zijn, dan dient volgens artikel 83, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering het verzoek in kort geding de omstandigheden te vermelden waaruit blijkt van het spoedeisende karakter van het verzoek, alsmede de middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de voorlopige maatregel, waartoe wordt geconcludeerd, aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt.
14 Het is vaste rechtspraak van het Hof dat dergelijke maatregelen slechts in overweging kunnen worden genomen indien zij voorlopig zijn, in die zin dat zij niet prejudiciëren op de beslissing in de hoofdzaak (zie inzonderheid de beschikking van de president van het Hof van 7 juli 1981, gevoegde zaken 60 en 190/81 R, IBM/Commissie, Jurispr. 1981, blz. 1857, 1962, en dat de door artikel 83, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering verlangde spoedeisendheid van het verzoek in kort geding moet worden getoetst aan de vraag of een voorlopige beslissing noodzakelijk is ter voorkoming van ernstige en onherstelbare schade voor de partij die om de voorlopige maatregel verzoekt.
15 Wat dit aangaat, voeren verzoeksters aan dat zij ondernemingen zijn die onafgebroken grondstoffen kopen en verwerken en de afgewerkte produkten verkopen, zodat zij om hun activiteiten te kunnen voortzetten, weldra de na 8 juni 1988 verkregen certificaten zullen moeten gebruiken, waarbij lagere steunbedragen worden toegekend dan bij de certificaten waarvoor zij op 7 juni 1988 een aanvraag hebben ingediend. Verzoeksters zijn van mening dat zij, zodra zij deze certificaten hebben gebruikt, onmogelijk in hun oorspronkelijke situatie kunnen worden hersteld. De enige mogelijkheid die hun dus nog rest, is een schadevordering voor de definitief geleden verliezen, die zij bij benadering op 24 miljoen ecu ramen. Zij concluderen dan ook dat ten gevolge van deze onvermijdelijke wijziging van hun situatie in de nabije toekomst — wanneer onherroepelijk schade zal worden geleden, die thans nog kan worden voorkomen — een „restitutio in integrum”, die met meer mogelijk zal zijn wanneer het Hof uitspraak zal hebben gedaan in de hoofdzaak, alleen kan worden verwezenlijkt indien de Commissie bij wege van een voorlopige maatregel wordt gelast, te garanderen dat hun voor de betrokken hoeveelheden certificaten zullen worden afgegeven tegen het op 7 juni 1988 toepasselijke steuntarief.
16 Uit het voorgaande volgt dat als enige schade financiële schade wordt aangevoerd, overeenkomende met het verschil tussen het op de betrokken hoeveelheden toepasselijke steunbedrag tegen de tarieven van 7 juni 1988 en het bedrag berekend overeenkomstig de nieuwe tarieven die ingevolge verordening nr. 1584/88 van de Commissie op 8 juni 1988 van toepassing zijn geworden.
17 Zoals in het bijzonder blijkt uit de beschikking van de president van het Hof van 16 oktober 1977 in zaak 113/77 R, NTN Toyo Bearing/Commissie (Jurispr. 1977, blz. 1721), wordt dit soort schade in beginsel alleen dan als ernstig en onherstelbaar beschouwd, indien ze niet geheel kan worden goedgemaakt wanneer de verzoekende partijen in hun beroep ten principale in het gelijk worden gesteld.
18 Zulks is in casu kennelijk niet het geval. Een dergelijke schade kan namelijk in voorkomend geval worden verhaald bij wege van een door verzoeksters krachtens de artikelen 178 en 215, tweede alinea, EEG-Verdrag ingesteld beroep tot schadevergoeding, zodat zij niet als onherstelbare schade kan worden aangemerkt (zie in deze zin in het bijzonder de beschikkingen van de president van het Hof van 15 juli 1983 in zaak 120/83 R, Raznoimport/Commissie, Junspr. 1983, blz. 2573, en van 17 december 1986 in zaak 294/86 R, Technointorg/Commissie, Jurispr. 1986, blz. 3979).
19 Zoals de Commissie heeft opgemerkt, zou zij bovendien, indien het Hof de in de hoofdzaak bestreden verordening nietig verklaart, de nodige maatregelen moeten nemen om de gevolgen van de nietigverklaarde verordening ongedaan te maken, hetgeen zij zou doen door met terugwerkende kracht steun toe te kennen tegen het op 7 juni 1988 geldende tarief.
20 Uit een en ander volgt, dat verzoeksters niet hebben vermogen aan te tonen dat zij ernstige en onherstelbare schade zullen lijden indien de door hen verlangde voorlopige maatregelen niet worden toegekend, en dus niet het bewijs hebben kunnen leveren van omstandigheden waaruit het spoedeisende karakter blijkt.
DE PRESIDENT VAN HET HOF,
rechtdoende bij voorraad, beschikt:
-
Het verzoek in kort geding wordt verworpen.
-
De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
Luxemburg, 26 september 1988.
De griffier
J.-G. Giraud
De president
A. J. Mackenzie Stuart