Hof van Justitie EU 24-01-1991 ECLI:EU:C:1991:29
Hof van Justitie EU 24-01-1991 ECLI:EU:C:1991:29
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 24 januari 1991
Conclusie van advocaat-generaal
G. Tesauro
van 24 januari 1991(*)
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. Stoeckel, tegen wie strafvervolging is ingesteld wegens overtreding van artikel L 213-1 van de Franse Code du travail waarin, behoudens enkele uitzonderingen, nachtarbeid door vrouwen wordt verboden, heeft voor het Tribunal de police te Illkirch betoogd, dat de betrokken bepaling in strijd is met artikel 5 van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden(1) (hierna: „de richtlijn”).
Bij vonnis van 4 oktober 1989 besloot de geadieerde rechter de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de vraag voor te leggen, of artikel 5 van de richtlijn voldoende nauwkeurig is om voor een Lid-Staat de verplichting te scheppen, nachtarbeid door vrouwen niet in beginsel bij de wet te verbieden, zoals in artikel L 213-1 van de Franse Code du travail.
2. Zoals bekend, en zoals overigens ook uit de titel ervan volgt, beoogt de richtlijn de tenuitvoerlegging in de Lid-Staten van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, met inbegrip van promotiekansen, en tot de beroepsopleiding, alsmede ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (artikel 1). Volgens artikel 2, lid 1, houdt dit beginsel in, dat iedere vorm van discriminatie is uitgesloten op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect door verwijzing naar met name de echtelijke staat of de gezinssituatie. Hierop zijn in dit artikel evenwel uitzonderingen gemaakt. Het is nuttig hier te wijzen op de uitzondering in lid 3, dat de richtlijn geen afbreuk doet aan de bepalingen betreffende de bescherming van de vrouw, met name voor wat zwangerschap en moederschap betreft.
Met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden houdt de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling volgens artikel 5, lid 1, in, dat voor mannen en vrouwen dezelfde voorwaarden gelden, zonder discriminatie op grond van het geslacht. Te dien einde moeten de Lid-Staten de nodige maatregelen nemen om te bereiken, dat de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die in strijd zijn met het beginsel van gelijke behandeling worden ingetrokken (sub a) en de met dit beginsel strijdige bepalingen herzien wanneer de beschermende bedoelingen waarmee zij aanvankelijk werden gemotiveerd niet meer gefundeerd zijn (sub c).
Krachtens artikel 9, lid 1, moesten de Lid-Staten binnen een termijn van 30 maanden volgende op de kennisgeving van de richtlijn de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen nemen. Voor de in artikel 5, lid 2, sub c, bedoelde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen echter geldt, dat deze binnen een termijn van vier jaar door de Lid-Staten een eerste maal worden onderzocht en eventueel een eerste maal herzien.
3. In genoemd artikel L 213-1 van de Franse Code du travail is het verbod op nachtarbeid door vrouwen vastgelegd; het luidt: „vrouwen mogen geen nachtarbeid verrichten in fabrieken, manufacturen, mijnen en steengroeven, werkplaatsen, ateliers en in de bijgebouwen ervan, ongeacht of het openbare of particuliere, seculiere of religieuze inrichtingen betreft, ook niet indien deze een charitatief of opleidingskarakter hebben, noch in openbare inrichtingen of ministeries, kantoren van vrije beroepsbeoefenaren, van burgerlijke vennootschappen, van vakbonden of van verenigingen van welke aard dan ook”. In de volgende alinea zijn hierop enkele uitzonderingen gemaakt voor vrouwen in verantwoordelijke functies van leidinggevende of technische aard, en voor vrouwen die in de gezondheids- en welzijnssector werkzaam zijn en gewoonlijk geen handarbeid verrichten. In de derde alinea wordt het verbod eveneens opgeheven, wanneer het nationale belang dit om bijzonder zwaarwichtige redenen vereist, en voor vrouwen die in ploegendienst werken. In het laatste geval dient een collectieve overeenkomst voor de bedrijfstak algemeen verbindend te worden verklaard en moet voor het bedrijf of voor de inrichting een door de arbeidsinspecteur goedgekeurde overeenkomst worden gesloten. Bij overtreding van deze bepalingen kunnen geldboetes worden opgelegd.
Deze Franse wetgeving is vastgesteld ter uitvoering van verdrag nr. 89 van 9 juli 1948 van de Internationale Arbeidsorganisatie (hierna: „IAO”), dat nachtarbeid door vrouwen, behoudens uitzonderingen, verbiedt. Het is door Frankrijk geratificeerd bij wet nr. 53-603 van 7 juli 1953.
4. Ik zou kort willen stilstaan bij de oorsprong van dit soort regeling.(2) Het verbod op nachtarbeid door vrouwen vormde in het verleden een verworvenheid van de arbeidersklasse, die paste in het kader van wetgeving ter bescherming van in het bijzonder vrouwen en kinderen, dat wil zeggen het gedeelte van de bevolking dat het zwakst en het meest kwetsbaar werd geacht.
Een dergelijk verbod is door de Britse wetgever halverwege de vorige eeuw ingesteld (1844). Vervolgens stelde Zwitserland in 1877 een analoge wet vast, gevolgd door andere landen zoals Oostenrijk (1885), Nederland (1889) en Frankrijk tegen het eind van de eeuw (1892).
Gelet op het feit dat vrouwen destijds voornamelijk in fabrieken werkzaam waren, betrof de regeling allereerst de industriële sector, en werd vervolgens geleidelijk, naargelang de diverse behoeften, tot andere sectoren uitgebreid.
Op het eerste internationale congres inzake de bescherming van arbeiders, dat in 1890 in Berlijn werd gehouden, werd een resolutie aangenomen waarin nachtarbeid door vrouwen in de industrie werd veroordeeld. In 1906 ondertekenden dertien staten het verdrag van Bern, waarin het verbod werd bevestigd, doch enkel voor industriële ondernemingen met meer dan tien werknemers. Dit verdrag liep vooruit op het verbod waartoe de IAO in 1919 besloot; een van de eerste verdragen van deze organisatie, verdrag nr. 4, bevatte namelijk het verbod om 's nachts vrouwelijk personeel tewerk te stellen in industriële ondernemingen, met uitzondering van familieondernemingen.
Ten einde aan de bezwaren van een te algemeen verbod tegemoet te komen, nam de IAO in 1934 vervolgens verdrag nr. 41 aan. In dit verdrag werden in het bijzonder vrouwen in verantwoordelijke functies van leidinggevende of technische aard van de werkingssfeer van het verbod uitgesloten.
In 1948 kwam een derde verdrag tot stand, waardoor andere uitzonderingen mogelijk werden. Het betreft verdrag nr. 89 dat, zoals gezegd, de basis vormt van de huidige Franse wetgeving op dít gebied.
5. De voornaamste motieven die deze regelgeving destijds inspireerden, waren van medische, sociale, politieke en economische aard. Zo zou het ontbreken van wettelijke bescherming de vrouw, die geen burgerlijke en politieke rechten, bij voorbeeld stemrecht, bezat, nog kwetsbaarder maken. Bovendien werden vrouwen fysiek zwakker geacht en dus meer blootgesteld aan bepaalde gevolgen van nachtarbeid, zoals eventuele lichamelijke of geestelijke kwalen. Voorts maakte men zich zorgen over de eventuele risico's voor vrouwen wanneer zij 's nachts naar hun werk gingen, en achtte men het bovendien niet „gepast”, dat vrouwen 's nachts in gezelschap van collega's van het andere geslacht zouden werken.
Een ander argument tegen nachtarbeid van vrouwen was ingegeven door diepgewortelde opvattingen over de sociale rol van de vrouw als moeder en als sleutelfiguur in het gezinsleven: de vrouw diende bij voorkeur thuis te blijven om zich met het gezin bezig te houden. Nachtarbeid werd daarom bijzonder storend voor het gezinsleven en schadelijk voor de maatschappij geacht.
6. Uit dit alles volgt, dat wij in casu te maken hebben met bepalingen waarmee de wetgever de vrouw als werkneemster wilde beschermen. Er moet dan ook in de eerste plaats worden onderzocht, of een dergelijke regeling niet valt onder de in artikel 2, lid 3, van de richtlijn gemaakte uitzondering voor bepalingen betreffende de bescherming van de vrouw.
Hierbij moet wel de aantekening worden gemaakt, dat een afwijking van een zo fundamenteel recht van de mens als het beginsel van gelijke behandeling op basis van strikte criteria moet worden beoordeeld.(3)
Het Hof heeft namelijk met zoveel woorden bevestigd, dat de betrokken regel strikt moet worden uitgelegd, eraan toevoegend, dat uit de uitdrukkelijke vermelding van zwangerschap en moederschap in de richtlijn blijkt, dat zij de bescherming van de biologische gesteldheid der vrouw alsook van de bijzondere relatie moeder en kind wil verzekeren, en dat deze bepaling derhalve niet toestaat, dat vrouwen de toegang tot een bepaalde betrekking wordt ontzegd, op grond dat de publieke opinie verlangt dat vrouwen meer dan mannen worden beschermd tegen mannen en vrouwen gelijkelijk betreffende gevaren, die verschillen van de specifieke behoeften aan bescherming van de vrouw, zoals de uitdrukkelijk genoemde.(4)
Ook blijkt met name uit het arrest van 12 juli 1984 (zaak 184/83, Hofmann, Jurispr. 1984, blz. 3047), dat de betrokken bepaling de bijzondere relatie tussen moeder en kind niet in abstracte en algemene bewoordingen wil beschermen door een bepaalde traditionele rol van de vrouw in de organisatie van het gezin te bevorderen of te beschermen, maar in beperktere zin de speciale relatie tussen de moeder en het kind tijdens en onmiddellijk na de zwangerschap.(5)
7. Wanneer dus een regeling ter bescherming van de vrouw, ten einde in artikel 2, lid 3, een rechtvaardiging te kunnen vinden, werknemers van het vrouwelijk geslacht moet beschermen wegens de hun eigen hoedanigheden(6), dient te worden onderzocht of nachtarbeid inderdaad extra risico's voor de vrouwen meebrengt.
Uit het reeds genoemde rapport over nachtarbeid dat in 1989 door de Internationale arbeidsorganisatie is gepubliceerd, blijkt dat nachtarbeid medisch gezien in het bijzonder slaapstoornissen en ontregeling van de spijsvertering kan veroorzaken, problemen die soms erger worden door de neiging tot overmatig gebruik van opwekkende middelen zoals koffie en tabak tijdens de nachtelijke uren alsook van slaapmiddelen om overdag te kunnen slapen. De gevolgen die nachtarbeid voor de gezondheid heeft kunnen bovendien aanzienlijk verschillen naargelang de leeftijd van werknemers en hun gezins- en economische situatie.
Over specifieke gezondheidsproblemen van vrouwelijke werknemers is weliswaar nog niet veel bekend, maar bestaande onderzoeken lijken aan te tonen dat er, behalve de noodzaak van een bijzondere bescherming tijdens de zwangerschap wegens de risico's waaraan de vrucht zou kunnen komen bloot te staan, geen echte bijkomende en specifieke contra-indicaties bestaan ten aanzien van nachtarbeid door vrouwen.
Met andere woorden, nachtarbeid kan weliswaar schadelijke gevolgen voor de geestelijke en lichamelijke gezondheid van werknemers meebrengen, en zou dus tot het strikte minimum moeten worden beperkt en in elk geval moeten worden geregeld, maar het is eveneens juist, dat er geen duidelijke aanwijzingen bestaan op grond waarvan moet worden gevreesd, dat er voor de vrouwelijke bevolking een groter specifiek risico bestaat dan voor de mannelijke bevolking.
8. Ook het bezwaar van de grotere risico's van agressie waaraan vrouwen 's nachts zouden blootstaan lijkt mij niet van zodanige aard, dat het de beperking van een fundamenteel recht als gelijke behandeling bij de arbeidsvoorwaarden eventueel kan rechtvaardigen.
Dit risico zou eventueel kunnen worden vermeden door passende maatregelen, bij voorbeeld door middel van een speciale vervoersdienst. Anderszijds bestaan er op het door de Franse wetgever ingestelde verbod op nachtarbeid door vrouwen zo veel uitzonderingen, dat zeer moeilijk valt aan te nemen, dat het op objectieve rechtvaardigingsgronden berust en niet veeleer een historisch overblijfsel is van iets dat in het verleden een maatregel vormde ter bescherming van het destijds meest kwetsbaar geachte gedeelte van de werkende klasse.
Uit een in 1984 door de studiedienst van het Franse Ministerie van Sociale zaken en Werkgelegenheid verricht onderzoek volgt namelijk, dat reeds tussen 1978 en 1984 het aantal 's nachts werkende vrouwen aanzienlijk is gestegen; zo waren in 1984 van de meer dan 1 miljoen loontrekkenden die regelmatig 's nachts werkten ongeveer 170 000 vrouwen.(7)
Wanneer men bovendien bedenkt dat, volgens een circulaire van 30 juni 1987 van het Ministerie van Sociale zaken en Werkgelegenheid, de wet niet verbiedt om vrouwen 's nachts in industriële ondernemingen voor niet-industriële taken zoals in de informaticasector en bewakingsdiensten in te zetten, en voorts dat bepaalde collectieve overeenkomsten voorzien in de mogelijkheid van nachtarbeid door vrouwelijke werknemers in ploegendienst, is een dergelijke rechtvaardigingsgrond nog moeilijker te aanvaarden, omdat immers niet duidelijk is waarom een vrouwelijke werknemer in de informaticasector of in de metaalsector minder aan agressie zou zijn blootgesteld dan bij voorbeeld iemand die in de chemische sector werkt.
Tot slot moet erop worden gewezen, dat het algemene verbod in de Franse wetgeving op nachtarbeid door vrouwen, waarop zoveel uitzonderingen bestaan dat vrouwen die op zich hetzelfde werk doen onder uiteenlopende regelingen kunnen vallen, een nieuwe en ongerechtvaardigde discriminatie tussen de werkneemsters onderling kan creëren.
9. Voor een dergelijke regeling kan mijns inziens evenmin een rechtvaardiging worden gevonden in artikel 5, lid 2, sub c, van de richtlijn op grond waarvan, zoals gezegd, de Lid-Staten verplicht zijn de nodige maatregelen te nemen om te bereiken dat de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen worden herzien die strijdig zijn met het beginsel van gelijke behandeling en die aanvankelijk werden gemotiveerd door beschermende bedoelingen welke niet meer gefundeerd zijn.
Het Hof heeft namelijk verklaard, dat de draagwijdte van artikel 3, lid 2, sub c, — betreffende de voorwaarden voor de toegang tot het arbeidsproces, doch woordelijk gelijk aan het reeds aangehaalde artikel 5, lid 2, sub c — wordt bepaald door artikel 2, lid 3.(8)
Ook al kunnen de omstreden maatregelen in het verleden gerechtvaardigd zijn geweest wegens bij voorbeeld de feitelijke rol van de vrouw in het gezin, thans zijn zij door de richtlijn verboden, omdat zij, zoals wij hebben gezien, niet onder de in artikel 2, lid 3 bedoelde uitzondering vallen. Gelijk de Commissie terecht heeft beklemtoond, lijkt het door de Franse wetgever ingestelde verbod namelijk niet ingegeven door een streven naar speciale bescherming van de biologische gesteldheid van de vrouw, maar lijkt het eerder te berusten op reeds lang achterhaalde sociale overwegingen en kan het voorts negatieve gevolgen voor de werkgelegenheid van vrouwen meebrengen.
10. Het probleem van de rechtstreekse werking van artikel 5 van de richtlijn is, zo lijkt mij, reeds opgelost in 's Hofs rechtspraak waarin is bevestigd, dat artikel 5 de Lid-Staten niet de bevoegdheid geeft om de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling in zijn eigen gebied aan voorwaarden te binden of te beperken en dat deze bepaling voldoende nauwkeurig en onvoorwaardelijk is om door particulieren voor de nationale rechter te kunnen worden ingeroepen, ten einde de toepassing van nationale bepalingen die niet met artikel 5, lid 1, stroken, te verhinderen.(9)
De non-discriminatieverplichting van lid 1 van dit artikel is dus niet afhankelijk van de andere specifieke verplichting om maatregelen te treffen, die in lid 2 aan de Lid-Staten wordt opgelegd.
11. Ten slotte geloof ik niet, dat het feit dat Frankrijk partij is bij verdrag nr. 89 van de IAO tot een andere conclusie kan leiden.
Het is weliswaar juist, dat krachtens artikel 234 EEG-Verdrag de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit overeenkomsten die vóór de inwerkingtreding van het Verdrag zijn gesloten tussen een of meer Lid-Staten enerzijds en een of meer derde staten anderzijds niet worden aangetast, maar het is ook zo, dat de strekking van de richtlijn op zich niet van dien aard is, dat de naleving ervan onverenigbaarheid oplevert met de verplichtingen uit verdrag nr. 89. De communautaire rechtsbron dwingt de Lid-Staten namelijk niet zonder meer om nachtarbeid van vrouwen toe te staan, wat onverenigbaar met het genoemde verdrag zou zijn, maar beperkt zich tot een verplichting om wat de arbeidsvoorwaarden betreft niet op grond van geslacht te discrimineren.
Met andere woorden in een situatie als de onderhavige zou een Lid-Staat geen beroep kunnen doen op artikel 234 om zich aan de non-discriminatieverplichting van richtlijn 76/207 te onttrekken, omdat hij in elk geval aan de verplichtingen van het gemeenschapsrecht kan voldoen, zonder het verdrag te schenden, bij voorbeeld door het verbod op nachtarbeid uit te breiden tot zowel vrouwelijke als mannelijke werknemers. Bovendien is het duidelijk dat, wanneer een dergelijke oplossing door practische problemen moeilijk zou zijn te verwezenlijken, de betrokken Lid-Staat verplicht zou zijn om het verdrag op te zeggen en zich aldus ván de daarin neergelegde verplichtingen te bevrijden.
Het feit dat sommige Lid-Staten zoals Nederland, Ierland en Luxemburg die partij waren bij het verdrag, dit reeds hebben opgezegd(10), en dat het Italiaanse constitutionele hof de wet ter uitvoering van het verdrag gedeeltelijk ongrondwettig heeft verklaard(11), is in dit verband veelbetekenend.
12. In het licht van het voorgaande geef ik het Hof in overweging, de vraag van het Tribunal de police te Illkirch te beantwoorden als volgt:
„Artikel 5 van richtlijn nr. 76/207/EEG verzet zich tegen een nationale wettelijke bepaling die alleen voor vrouwen nachtarbeid in beginsel verbiedt.”