Hof van Justitie EU 15-01-1991 ECLI:EU:C:1991:7
Hof van Justitie EU 15-01-1991 ECLI:EU:C:1991:7
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 15 januari 1991
Uitspraak
Arrest van het Hof (Derde kamer)
15 januari 1991(*)
In zaak C-215/89,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Bundesverwaltungsgericht, in het aldaar aanhangig geding tussen
F. Eddelbüttel
enBezirksregierung Lüneburg,
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
samengesteld als volgt: J. C. Moitinho de Almeida, kamerpresident, F. Grévisse en M. Zuleeg, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs,
griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
-
F. Eddelbüttel, verdachte in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door M. Petersen, advocaat te Lüneburg,
-
de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur D. Booss als gemachtigde, bijgestaan door M. Schütte, advocaat te Hamburg en Brussel,
-
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de Commissie, vertegenwoordigd door H.-J. Rabe, advocaat te Hamburg, ter terechtzitting van 2 oktober 1990,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 23 oktober 1990,
het navolgende
Arrest
1 Bij beschikking van 27 april 1989, ingekomen bij het Hof op 10 juli daaraanvolgend, heeft het Bundesverwaltungsgericht krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 3, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1078/77 van de Raad van 17 mei 1977 tot invoering van een stelsel van premies voor het niet in de handel brengen van melk en zuivelprodukten en voor de omschakeling van het melkveebestand (PB 1977, L 131, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1041/78 van de Raad van 22 mei 1978 (PB 1978, L 134, blz. 9), en van artikel 1, lid 3, sub b, eerste streepje, van verordening (EEG) nr. 1391/78 van de Commissie van 23 juni 1978 houdende gewijzigde bepalingen ter uitvoering van het stelsel van premies voor het niet in de handel brengen van melk en zuivelprodukten en voor de omschakeling van het melkveebestand (PB 1978, L 167, blz. 45).
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen F. Eddelbüttel (verzoeker in het hoofdgeding, hierna: „verzoeker”), eigenaar van een landbouwbedrijf, en de Bezirksregierung Lüneburg (verweerster in het hoofdgeding, hierna: „verweerster”) over een krachtens voornoemde verordeningen aan verzoeker betaalde omschakelingspremie.
3 Verzoeker vroeg de in geding zijnde omschakelingsprernie op 29 maart 1979 aan. In de bij verweerster ingediende aanvraag gaf hij op, dat hij op die datum 24 melkkoeien op zijn bedrijf hield en in de twaalf maanden voorafgaande aan de indiening van de aanvraag 113 059 l melk in de handel had gebracht.
4 Bij beschikking van 17 april 1979 keurde verweerster de premieaanvraag met ingang van 29 maart 1979 goed en stelde zij de voor premie in aanmerking komende hoeveelheid melk voorlopig vast op de in de aanvraag genoemde hoeveelheid. Op basis van een beschikking van 15 mei 1979 betaalde verweerster aan verzoeker de eerste tranche — 40 390,31 DM — van de omschakelingsprernie uit.
5 Na vervolgens te hebben vernomen, dat verzoeker vóór de indiening van de aanvraag mogelijk tien koeien met een hoge melkproduktie had verkocht en vervangen door slachtvee, trok verweerster bij beschikking van 31 augustus 1981 voornoemde beschikkingen van 27 april en 15 mei 1979 in en stelde zij de voor premie in aanmerking komende hoeveelheid melk en de eerste tranche van de premie vast op 65 951 l respectievelijk 23 993,68 DM. Bij beschikking van dezelfde datum vorderde zij van verzoeker terugbetaling van het verschil tussen dit bedrag en het hem op 15 mei 1979 uitgekeerde bedrag, vermeerderd met rente. Ter rechtvaardiging hiervan voerde zij aan, dat verzoeker zijn melkveebestand voor een deel had vervangen, met als gevolg dat de bij de indiening van de aanvraag opgegeven hoeveelheid melk niet meer overeenstemde met de produktiecapaciteit van zijn landbouwbedrijf.
6 Na tegen die beschikkingen van 31 augustus 1981 zonder succes bezwaar te hebben aangetekend, stelde verzoeker beroep in bij het bevoegde Verwaltungsgericht.
7 Van oordeel, dat de oplossing van het geschil afhankelijk was van de uitlegging van bepaalde voorschriften van de toepasselijke gemeenschapsregeling, heeft het Bundesverwaltungsgericht, waarbij beroep in Revision is ingesteld, het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
„Moet artikel 1, lid 3, sub b, eerste streepje, van verordening (EEG) nr. 1391/78 aldus worden uitgelegd, dat bij de vaststelling van de hoeveelheid melk een vermindering mag worden toegepast, wanneer het in die bepaling aangehaalde artikel 3, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1078/77, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1041/78, voor de betrokken feitelijke situatie niet in een vermindering van de premie voorziet?
Zo ja, hoe moet dan het begrip ‚passend’ in artikel 1, lid 3, sub b, eerste streepje, van verordening (EEG) nr. 1391/78 worden uitgelegd?”
8 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, de toepasselijke bepalingen van gemeenschapsrecht, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
De eerste vraag
9 Blijkens het dossier moet de eerste vraag aldus worden opgevat, dat zij ertoe strekt te vernemen, of artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1078/77 van de Raad, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1041/78 van de Raad, juncto artikel 1, lid 3, sub b, eerste streepje, van verordening nr. 1391/78 van de Commissie aldus moet worden uitgelegd, dat het bedrag van de omschakelingspremie moet worden verlaagd wanneer het bij de goedkeuring van de aanvraag op het bedrijf gehouden aantal melkkoeien weliswaar vijftien of meer bedraagt, doch lager is dan het aantal dat noodzakelijk is om de leveranties van melk of zuivelprodukten te halen op basis waarvan het bedrag van de premie is berekend.
10 Artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1078/77, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1041/78, luidt als volgt:
„Om voor de omschakelingspremie in aanmerking te komen, dient de producent ten genoegen van de bevoegde instanties aan te tonen,
dat hij tijdens de twaalf kalendermaanden voorafgaande aan de maand waarin de aanvraag is ingediend, ten minste 50 000 kg melk of het equivalent ervan in zuivelprodukten heeft geleverd en dat hij nog een evenredig aantal melkkoeien op zijn bedrijf houdt,
of
dat hij nog ten minste 15 melkkoeien, inclusief drachtige vaarzen, op zijn bedrijf houdt.
De betrokken voorwaarde moet nog vervuld zijn op de datum waarop de aanvraag wordt goedgekeurd; indien dit niet het geval is, wordt de premie dienovereenkomstig verminderd.”
11 Verordening nr. 1391/78 van de Commissie, vastgesteld overeenkomstig artikel 7 van verordening nr. 1078/77 van de Raad, bepaalt in artikel 1, lid 3, het volgende:
„Voor de vaststelling van de voor de berekening van de premie in aanmerking te nemen hoeveelheid melk:
(...)
wordt de hoeveelheid melk (...), in voorkomend geval, naar evenredigheid verminderd :
overeenkomstig (...) artikel 3, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1078/77 in het geval dat het op het bedrijf gehouden aantal melkkoeien, op het tijdstip van goedkeuring van de aanvraag minder zou bedragen dan het aantal melkkoeien, dat passend is bij de bovengenoemde hoeveelheid melk,
(...)”
12 Blijkens voornoemde bepalingen, inzonderheid artikel 1, lid 3, sub b, eerste streepje, van verordening nr. 1391/78, is de voor de berekening van de premie in aanmerking te nemen hoeveelheid melk in beginsel gelijk aan de hoeveelheid melk die is geleverd in de twaalf kalendermaanden voorafgaande aan de maand waarin de aanvraag is ingediend, met dien verstande dat deze hoeveelheid naar evenredigheid moet worden verminderd wanneer het op het bedrijf gehouden aantal melkkoeien bij de goedkeuring van de aanvraag lager is dan het aantal koeien dat past bij de geleverde hoeveelheid melk.
13 Uit deze bepalingen valt echter niet zonder meer op te maken, of die evenredige vermindering ook moet worden toegepast wanneer de producent bij de goedkeuring van de aanvraag nog voldoet aan de in artikel 3, lid 1, tweede streepje, van verordening nr. 1078/77 gestelde voorwaarde, dat hij ten minste vijftien melkkoeien op zijn bedrijf houdt. Bij de beoordeling van deze vraag moet derhalve worden uitgegaan van de context van de betrokken bepalingen, met inachtneming van het doel van de regeling inzake de omschakelingspremie.
14 Blijkens de considerans van verordening nr. 1078/77 heeft die regeling ten doel, de melkproducenten ertoe aan te zetten hun melkveebestanden om te schakelen op rundvleesproduktie, ten einde de op de markt bestaande overschotten van melk en zuivelprodukten te verminderen. De in geding zijnde bepalingen beogen dus te verzekeren, dat wanneer een producent een omschakelingspremie krijgt toegekend, ook werkelijk een hoeveelheid melk uit de markt wordt gehaald die overeenkomt met de hoeveelheid op basis waarvan de premie is berekend.
15 De verwezenlijking van die doelstelling zou evenwel in gevaar worden gebracht, indien het volledige premiebedrag werd uitgekeerd aan een producent die op het moment van indiening van de aanvraag niet meer beschikt over een melkveebestand waarvan de produktiecapaciteit overeenkomt met genoemde hoeveelheid melk. In een dergelijk geval valt immers niet uit te sluiten, dat de koeien waarvan de produktie bij de berekening van de premie tot uitgangspunt is genomen, door andere landbouwers, aan wie zij zijn verkocht, geheel of gedeeltelijk nog steeds voor de melkproduktie worden gebruikt.
16 Een en ander betekent, dat wanneer het bij de goedkeuring van de premieaanvraag op het bedrijf gehouden melkveebestand minder produktief is dan het bestand waarmee de bij de berekening van de premie tot uitgangspunt genomen melkleveranties konden worden gehaald, de omschakelingspremie naar evenredigheid moet worden verminderd. Die vermindering kan derhalve niet worden uitgesloten, wanneer de betrokken producent bij de goedkeuring van de aanvraag nog minstens vijftien melkkoeien op zijn bedrijf houdt.
17 Mitsdien moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat artikel 3, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1078/77 van de Raad van 17 mei 1977, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1041/78 van de Raad van 22 mei 1978, juncto artikel 1, lid 3, sub b, eerste streepje, van verordening (EEG) nr. 1391/78 van de Commissie van 23 juni 1978 aldus moet worden uitgelegd, dat het bedrag van de omschakelingspremie moet worden verlaagd wanneer het bij de goedkeuring van de aanvraag op het bedrijf gehouden aantal melkkoeien weliswaar vijftien of meer bedraagt, doch lager is dan het aantal dat noodzakelijk is om de leveranties van melk of zuivelprodukten te halen op basis waarvan het bedrag van de premie is berekend.
De tweede vraag
18 De tweede vraagt strekt ertoe te vernemen, wat wordt bedoeld met de uitdrukking „het passende aantal melkkoeien” in artikel 1, lid 3, sub b, eerste streepje, van verordening nr. 1391/78.
19 Zoals uit het antwoord op de eerste vraag blijkt, heeft deze uitdrukking betrekking op het aantal melkkoeien dat noodzakelijk is om de melkleveranties te halen op basis waarvan het bedrag van de premie is berekend.
20 Derhalve moet als „passend” in de zin van voornoemde bepaling worden beschouwd het aantal melkkoeien waarmee, gelet op de specifieke situatie van het betrokken bedrijf, genoemde leveranties kunnen worden gehaald.
21 Mitsdien moet op de tweede vraag worden geantwoord, dat de uitdrukking „het passende aantal melkkoeien” in artikel 1, lid 3, sub b, eerste streepje, van verordening (EEG) nr. 1391/78 van de Commissie van 23 juni 1978 aldus moet worden uitgelegd, dat ermee wordt gedoeld op het aantal melkkoeien dat, gelet op de concrete situatie van het betrokken bedrijf, noodzakelijk is om de leveranties van melk of zuivelprodukten te halen op basis waarvan het bedrag van de premie is berekend.
Kosten
22 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
uitspraak doende op de door het Bundesverwaltungsgericht bij beschikking van 27 april 1989 gestelde vragen, verklaart voor recht:
-
Artikel 3, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1078/77 van de Raad van 17 mei 1977 tot invoering van een stelsel van premies voor het niet in de handel brengen van melk en zuivelprodukten en voor de omschakeling van het melkveebestand, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1041/78 van de Raad van 22 mei 1978, juncto artikel 1, lid 3, sub b, eerste streepje, van verordening (EEG) nr. 1391/78 van de Commissie van 23 juni 1978 houdende gewijzigde bepalingen ter uitvoering van het stekel van premies voor het niet in de handel brengen van melk en zuivelprodukten en voor de omschakeling van het melkveebestand, moet aldus worden uitgelegd, dat het bedrag van de omschakelingspremie moet worden verlaagd wanneer het bij de goedkeuring van de aanvraag op het bedrijf gehouden aantal melkkoeien weliswaar vijftien of meer bedraagt, doch lager is dan het aantal dat noodzakelijk is om de leveranties van melk of zuivelprodukten te halen op basis waarvan het bedrag van de premie is berekend.
-
De uitdrukking „het passende aantal melkkoeien” in artikel 1, lid 3, sub b, eerste streepje, van verordening (EEG) nr. 1391/78 van de Commissie van 23 juni 1978 moet aldus worden uitgelegd, dat ermee wordt gedoeld op het aantal melkkoeien dat, gelet op de concrete situatie van het betrokken bedrijf, noodzakelijk is om de leveranties van melk of zuivelprodukten te halen op basis waarvan het bedrag van de premie is berekend.
Moitinho de Almeida
Grévisse
Zuleeg
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 15 januari 1991.
De griffier
J.-G. Giraud
De president van de Derde kamer
J. C. Moitinho de Almeida