Home

Hof van Justitie EU 02-12-1992 ECLI:EU:C:1992:481

Hof van Justitie EU 02-12-1992 ECLI:EU:C:1992:481

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
2 december 1992

Uitspraak

Arrest van het Hof

2 december 1992(*)

In zaak C-280/89,

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur R. C. Fischer en P. Oliver, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,

verzoekster,

ondersteund door

Koninkrijk Spanje, aanvankelijk vertegenwoordigd door J. Conde de Saro, vervolgens door A. J. Navarro Gonzalez, directeur-generaal Coördinatie communautaire juridische en institutionele aangelegenheden, en door R. Silva de Lapuerta, Abogado del Estato, hoofd van de dienst communautaire geschillen, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Spaanse ambassade, Boulevard Emmanuel Servais 4-6,

intervenient,

tegen

Ierland, vertegenwoordigd door L.J.Dockery, Chief State Solicitor, bijgestaan door J. O'Reilly, Senior Counsel bij de balie van Ierland, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Ierse ambassade, Route d'Arlon 28,

verweerder,

HET HOF VAN JUSTITIE,

samengesteld als volgt: O. Due, president, C.N. Kakouris, G.C. Rodríguez Iglesias en M. Zuleeg, kamerpresidenten, G. F. Mancini, R. Joliét, F. A. Schockweiler, J. C. Moitinho de Almeida, F. Grévisse, M. Diez de Velasco en P. J. G. Kapteyn, rechters,

advocaat-generaal: C. Gulmann

griffier: D. Triantafyllou, administrateur

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 17 maart 1992,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 mei 1992,

het navolgende

Arrest

1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 11 september 1989, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EEG-Verdrag het Hof verzocht vast te stellen dat Ierland, door vaststelling van de Sea Fishing Boats Regulations 1986, de verplichtingen niet is nagekomen die op hem nisten krachtens artikel 30 EEG-Verdrag, artikel 2 van verordening (EEG) nr. 101/76 van de Raad van 19 januari 1976 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijk structuurbeleid in de visserijsector (PB 1976, L 20, blz. 19), en artikel 27 van verordening (EEG) nr. 3796/81 van de Raad van 29 december 1981 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijprodukten (PB 1981, L 376, blz. 1).

2 Blijkens het dossier mag krachtens Regulation 2(1) van de Sea Fishing Boats Regulations 1986 (Statutory Instrument nr. 289 van 1986) een in het Verenigd Koninkrijk, de Kanaaleilanden en het eiland Man geregistreerd vissersvaartuig

„(...) niet worden gebruikt

  1. voor het vissen op zeevis in de exclusieve visserijzone van de staat;

  2. om vis aan te landen op Iers grondgebied;

  3. om binnen die zone, in de havens of elders, vis over te laden in het eigen of in een ander vissersvaartuig,

tenzij tijdens dit gebruik ten minste 75 % van de bemanning van een dergelijk vaartuig uit Ierse onderdanen of onderdanen van een andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschap bestaat [met uitzondering (...), tot 1 januari 1993, van Spaanse of Portugese onderdanen, niet zijnde een echtgenoot of een kind beneden de 21 jaar van een (...) Spaanse of Portugese werknemer die reeds in het Verenigd Koninkrijk is gevestigd, in overeenstemming met de overgangsregeling inzake het vrije verkeer van werknemers na de toetreding van (...) Spanje en Portugal tot de Gemeenschappen, bedoeld in de betrokken Toetredingsverdragen], die hun gewone woonplaats in het Verenigd Koninkrijk, het eiland Man of de Kanaaleilanden hebben. Onder ‚woonplaats’wordt verstaan woonplaats op de wal; dienst aan boord van een Brits vaartuig wordt in dit verband niet aangemerkt als woonplaats in het Verenigd Koninkrijk, het eiland Man of de Kanaaleilanden.”

3 Verder blijkt uit het dossier, dat de litigieuze regeling werd vastgesteld naar aanleiding van de door het Verenigd Koninkrijk na 1 januari 1986 genomen maatregelen inzake visvergunningen. Deze maatregelen stelden de verlening van vergunningen aan vaartuigen onder Britse vlag met name afhankelijk van een nationaliteits- en een woonplaatsvereiste; deze vereisten zijn identiek aan die van de litigieuze Ierse regeling. De Britse maatregelen beoogden te voorkomen, dat vaartuigen die onder Britse vlag voeren, doch aan Spaanse belangen toebehoorden, en waarvan de bemanning voor het grootste deel uit Spaanse onderdanen bestond, onder de Britse quota visten. Ierland stelde de litigieuze regeling vast om die vaartuigen de toegang tot zijn visserijzone te ontzeggen.

4 Van oordeel dat het visserijverbod van de litigieuze regeling in strijd is met artikel 2, lid 1, van verordening nr. 101/76 en het aanlandings- en overladingsverbod van Regulation 2(l)(b) en (c) van de bestreden Ierse regeling in strijd is met de artikelen 30 EEG-Verdrag en 27, lid 2, van verordening nr. 3796/81, stelde de Commissie tegen Ierland de procedure van artikel 169 EEG-Verdrag in.

5 Bij beschikking van 17 januari 1990 heeft het Hof het Koninkrijk Spanje toegestaan te interveniëren ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie.

6 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.

7 Ter terechtzitting betoogde de Ierse regering, dat de omstreden regeling op 11 maart 1992 is ingetrokken. Volgens vaste rechtspraak (zie arrest van 18 maart 1992, zaak C-29/90, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1992, blz. I-1971) wordt het voorwerp van een krachtens artikel 169 EEG-Verdrag ingesteld beroep evenwel bepaald door het met redenen omkleed advies van de Commissie en blijft, ook wanneer de inbreuk na het verstrijken van de krachtens artikel 169, tweede alinea, gestelde termijn is opgeheven, de handhaving van het beroep van belang ter vaststelling van de grondslag van de aansprakelijkheid die ten gevolge van de niet-nakoming op een Lid-Staat kan rusten jegens andere Lid-Staten, de Gemeenschap of particulieren.

8 Eerst dienen de grieven van de Commissie te worden onderzocht en vervolgens de door de Ierse regering aangevoerde rechtvaardigingsgronden.

Het visverbod

9 Artikel 2, lid 1, van verordening nr. 101/76 bepaalt:

„De in elk van de Lid-Staten geldende regeling voor de uitoefening van de visserij in het gedeelte der zee dat onder hun soevereiniteit of hun jurisdictie valt mag niet leiden tot verschillen in behandeling ten opzichte van andere Lid-Staten.

Met name dienen de Lid-Staten te waarborgen dat voor alle vissersvaartuigen die onder de vlag van één der Lid-Staten varen en op het grondgebied van de Gemeenschap staan ingeschreven, gelijke voorwaarden gelden ten aanzien van de toegang tot en de bevissing van de visgronden in het in de voorgaande alinea bedoelde gedeelte der zee.”

10 Een Lid-Staat heeft derhalve niet het recht om aan bepaalde vaartuigen die de vlag van een andere Lid-Staat voeren, de toegang tot en de bevissing van binnen zijn visserijzone gelegen visgronden te verbieden.

11 Het visverbod voor bepaalde vaartuigen die de Britse vlag voeren, is bijgevolg een belemmering van de gelijke toegang tot en bevissing van de visgronden in de zeewateren die onder de soevereiniteit of de jurisdictie vallen van de Lid-Staten, zoals neergelegd in artikel 2, lid 1, van verordening nr. 101/76 van de Raad.

Het aanlandings- en overladingsverbod

12 De Commissie betoogt, dat vaartuigen onder Britse vlag in bepaalde opzichten zijn gelijk te stellen met Brits grondgebied. Dat beginsel komt tot uiting in artikel 4, lid 2, sub f, van verordening (EEG) nr. 802/68 van de Raad van 27 juni 1968 betreffende de gemeenschappelijke definitie van het begrip „oorsprong van goederen” (PB 1968, L 148, blz. 1), volgens hetwelk „de produkten van de zeevisserij en andere produkten” van oorsprong zijn uit een land, wanneer zij „uit de zee zųn gewonnen met schepen welke in dat land zijn ingeschreven of geregistreerd en die de vlag van dat land voeren”.

13 Daaruit volgt, aldus de Commissie, dat de aanlanding van vis in Ierland door een Brits vaartuig als invoer in Ierland moet worden beschouwd. Het verbod daarop of op het overladen van vis voor bepaalde Britse vaartuigen is dus een kwantitatieve beperking of een maatregel van gelijke werking in de zin van artikel 30 EEG-Verdrag en is in strijd met artikel 27, lid 2, van verordening nr. 3796/81, dat bepaalt dat alle vissersvaartuigen die onder de vlag van één der Lid-Staten varen, gelijke voorwaarden dient te worden verzekerd ten aanzien van de toegang tot de havens en het gebruik van de inrichtingen waar de produkten in eerste aanleg worden verhandeld, alsmede van alle uitrustingen en alle technische installaties die daartoe behoren.

14 In dit verband moet erop worden gewezen, dat de door Britse vaartuigen gevangen vis ingevolge artikel 4, lid 2, sub f, van verordening nr. 802/68, van Britse oorsprong is, ongeacht waar deze is gevangen. Het verbod voor bepaalde vaartuigen die de Britse vlag voeren, om vis in Ierland aan te landen en over te laden, is bijgevolg een door artikel 30 EEG-Verdrag verboden beperking van het vrije verkeer van goederen.

15 Gelet op deze vaststelling behoeft ter zake niet aan artikel 27, lid 2, van verordening nr. 3796/81 te worden getoetst.

De ter rechtvaardiging van de litigieuze regeling aangevoerde middelen

16 Ierland voert vier middelen aan ter rechtvaardiging van de litigieuze regeling: a) de goedkeuring door de Commissie van de vorige Ierse regeling die identiek was aan de litigieuze regeling van 1986, b) de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van een nationaliteitsvereiste dat identiek is aan het Ierse en door het Verenigd Koninkrijk aan Britse vissersvaartuigen is opgelegd, c) het doel van de litigieuze regeling, en d) de overeenstemming van die regeling met het volkenrecht.

17 Ierland stelt allereerst, dat de Commissie de vorige Ierse regeling — de Sea Fishing Boats Regulations 1983 — heeft goedkeurd en dat de litigieuze regeling op alle essentiële punten identiek is aan die van 1983.

18 In zoverre volstaat de opmerking, dat het door de Commissie ingenomen standpunt met betrekking tot de eerdere Ierse regeling de hierboven vastgestelde onverenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van de in de huidige regeling neergelegde vis-, aanlandings- en overladingsverboden niet kan opheffen. Dit middel moet dus worden verworpen.

19 Ierland betoogt vervolgens, dat het in de omstreden Ierse regeling gestelde nationaliteitsvereiste het equivalent is van het door het Verenigd Koninkrijk sinds 1 januari 1986 op zijn eigen vissersvaartuigen toegepaste vereiste en dat het Ierse vereiste, voor zover het de visserijactiviteiten van Britse vaartuigen betreft, evenzeer gerechtvaardigd moet worden geacht als het Britse vereiste in het arrest van 14 december 1989 (zaak C-3/87, Agegate, Jurispr. 1989, blz. 4459). Het nationaliteitsvereiste met betrekking tot de aanlanding van vis is gerechtvaardigd, aangezien het dat betreffende de visserijactiviteiten aanvult.

20 Dit middel moet worden verworpen. Het feit dat bepaalde maatregelen van een Lid-Staat jegens vaartuigen die zijn vlag voeren en op zijn quota vissen, verenigbaar kunnen zijn met het gemeenschapsrecht, betekent niet, dat maatregelen van een andere Lid-Staat jegens dezelfde vaartuigen verenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht.

21 Voorts stelt Ierland, dat de litigieuze regeling gerechtvaardigd is omdat zij dezelfde doelen nastreeft als het communautaire vangstquotastelsel, namelijk bescherming van de van de visserij afhankelijke bevolkingsgroepen en de aanverwante industrieën tegen aantasting van de normale visserijvoorwaarden in de Ierse wateren. Het wijst eveneens erop, dat het Hof in zijn arrest van 14 december 1989 (zaak C-216/87, Jaderow, Jurispr. 1989, blz. 4509, r. o. 24) oordeelde, dat het quotastelsel een afwijking vormt op van de in artikel 2, lid 1, van verordening nr. 101/76 neergelegde algemene regel van gelijke voorwaarden ten aanzien van de toegang tot de vis gronden.

22 Er zij op gewezen, dat alleen de maatregelen die een Lid-Staat ter bescherming van zijn nationale quota treft jegens onder zijn eigen vlag varende schepen, uit hoofde van de doelstellingen van het gemeenschappelijk vangstquotastelsel gerechtvaardigd kunnen zijn. De onderhavige Ierse regeling is echter van toepassing op vissersvaartuigen die de Britse vlag voeren, waarvan de quota gevangen hoeveelheden in geen geval op de aan Ierland toegekende quota kunnen worden aangerekend. Dit middel moet dus ook worden verworpen.

23 Ten slotte betoogt Ierland, dat de litigieuze regeling gerechtvaardigd is uit hoofde van het volkenrecht krachtens hetwelk de nationaliteit van vaartuigen die geen wezenlijke band hebben met de staat waarvan zij de vlag voeren, niet behoeft te worden erkend. Dat is het geval bij de vaartuigen die onder de litigieuze regeling vallen.

24 Hierbij volstaat de opmerking, dat volkenrechtelijk een vaartuig de nationaliteit bezit van de staat waar het is geregistreerd, en dat die staat soeverein de voorwaarden voor de verkrijging van die nationaliteit vaststelt (zie arrest van 24 november 1992, zaak C-286/90, Poulsen, Jurispr. 1992, blz. I-6019, r. o. 13, 14 en 15). De litigieuze Ierse regeling kan dus niet uit hoofde van het volkenrecht worden gerechtvaardigd.

25 Uit het voorgaande volgt, dat Ierland, door aan bepaalde vaartuigen die de Britse vlag voeren, te verbieden in zijn exclusieve visserijzone te vissen, vis over te laden of op zijn grondgebied vis aan te landen, de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 30 EEG-Verdrag en artikel 2, lid 1, van verordening nr. 101/76 van de Raad van 19 januari 1976 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijk structuurbeleid in de visserijsector.

Kosten

26 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Aangezien Ierland in het ongelijk is gesteld, dient het in de kosten te worden verwezen. Overeenkomstig artikel 69, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering dient het Koninkrijk Spanje, intervenient, zijn eigen kosten te dragen.

HET HOF VAN JUSTITIE

rechtdoende, verklaart:

  1. Door aan bepaalde vaartuigen die de Britse vlag voeren, te verbieden in zijn exclusieve visserijzone te vissen, vis over te laden of op zijn grondgebied vis aan te landen, is Ierland de verplichtingen niet nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 30 EEG-Verdrag en artikel 2, lid 1, van verordening (EEG) nr. 101/76 van de Raad van 19 januari 1976 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijk structuurbeleid in de visserijsector.

  2. Ierland wordt in de kosten verwezen.

  3. Het Koninkrijk Spanje zal zijn eigen kosten dragen.

Due

Kakouris

Rodríguez Iglesias

Zuleeg

Mancini

Joliét

Schockweiler

Moitinho de Almeida

Grévisse

Diez de Velasco

Kapteyn

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 2 december 1992.

De griffier

J.-G. Giraud

De president

O. Due