Home

Hof van Justitie EU 14-11-1991 ECLI:EU:C:1991:425

Hof van Justitie EU 14-11-1991 ECLI:EU:C:1991:425

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
14 november 1991

Conclusie van advocaat-generaal

W. Van Gerven

14 november 1991(*)

Mijnheer de President,

mijne heren Rechters,

1. Met het voorliggende beroep vraagt de vennootschap naar Koreaans recht Goldstar Co. Ltd (hierna „Goldstar”) de vernietiging van verordening (EEG) nr. 112/90 van de Raad van 16 januari 1990 tot instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van bepaalde compactdiscspelers van oorsprong uit Japan en de Republiek Korea en tot definitieve inning van het voorlopige recht (hierna: de definitieve verordening)(1), voor zover die verordening haar betreft. Goldstar voert daartoe drie middelen aan die in hoofdzaak steunen op de beweerde schending van artikel 2, lid 3, sub b, van verordening (EEG) nr. 2423/88 van de Raad van 11 juli 1988 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (hierna „de basisverordening”).(2)

Situering

2. Goldstar maakt deel uit van de groep Lucky Goldstar. Zij produceert elektrische en elektronische toestellen die zij zowel in Korea als in het buitenland verkoopt. Tijdens het referentietijdvak (1 juni 1986 tot 31 mei 1987), heeft Goldstar de vijf volgende modellen van compactdiscspelers (hierna „CD-spelers”) in Korea en in de Gemeenschap verkocht: GCD 603, GCD 605, GCD 606, GCD 613 en GCD 616. De drie eerstgenoemde modellen — waarvan Goldstar de produktie in 1985 heeft stopgezet — werden in Korea en in de Gemeenschap uitsluitend onder eigen merknaam verkocht. De twee laatstgenoemde modellen werden in de Gemeenschap zowel onder eigen merknaam verkocht als aan Original Equipment Manufacturers(3) (hierna „OEM's”), maar werden in Korea uitsluitend onder eigen merknaam in het verkeer gebracht.

3. In juni 1987 diende het Committee of Mechoptronics Producers and Connected Technologies (hierna „Compact”), namens de producenten die het grootste deel van de produktie van CD-spelers in de Gemeenschap voor hun rekening nemen, bij de Commissie een klacht in betreffende de invoer in de Gemeenschap van CD-spelers van oorsprong uit Japan en de Republiek Korea.

Het onderzoek van de Commissie resulteerde in het instellen van een voorlopig anti-dumpingrecht op de invoer van bepaalde CD-spelers van oorsprong uit Japan en de Republiek Korea bij verordening (EEG) nr. 2140/89 van de Commissie van 12 juli 1989 (hierna „de voorlopige verordening”).(4) Het voorlopige anti-dumpingrecht op de invoer van produkten van Goldstar werd door de Commissie op 32,5 % van de nettoprijs franco grens Gemeenschap vastgesteld. Het peil van dit voorlopige antidumpingrecht stond in verband met de normale waarde van de door Goldstar ingevoerde produkten, normale waarde die de Commissie voor elk model apart heeft vastgesteld. Afhankelijk van de op de binnenlandse markt verkochte hoeveelheden en de wijze van verkoop (onder eigen merknaam of aan OEM's) heeft de Commissie in de voorlopige verordening tot vaststelling van de normale waarde de drie volgende methodes aangewend.

  1. Wat betreft de zowel in Korea als in de Gemeenschap onder eigen merknaam verkochte modellen GCD 603, GCD 605, GCD 606 en GCD 616.

    Volgens de Commissie werden deze modellen gedurende het referentietijdvak in voldoende hoeveelheden (d. i. meer dan 5 % van het exportvolume naar de Gemeenschap van het betrokken model) op de binnenlandse markt verkocht. Zoals aangeduid in punt 23 van de voorlopige verordening werd de normale waarde van elk model aan de hand van het gewogen gemiddelde van de binnenlandse prijzen van de gehele verkoop van dat model aan onafhankelijke afnemers vastgesteld.

  2. Wat betreft het zowel in Korea als in de Gemeenschap onder eigen merknaam verkochte model GCD 613.

    Het aantal gedurende het referentietijdvak op de binnenlandse markt verkochte toestellen van dit model bedroeg minder dan 5 % van het exportvolume naar de Gemeenschap van dit model. De Commissie heeft de normale waarde van dit model daarom vastgesteld op grond van de aangenomen waarde berekend zoals aangeduid in punt 48 van de voorlopige verordening, dat is aan de hand van de gewogen gemiddelden van de kosten en de winst van Goldstar in verband met de door haar op de Koreaanse markt verkochte modellen GCD 603, GCD 605, GCD 606 en GCD 616.

  3. Wat betreft de alleen in de Gemeenschap aan OEM verkochte modellen GCD 613 en GCD 616.

Zoals aangeduid in de punten 51 en 52 van de voorlopige verordening heeft de Commissie geoordeeld dat de OEM's waaraan Goldstar voor uitvoer naar de Gemeenschap had verkocht, een aparte categorie afnemers vormden. Bij het vaststellen van de normale waarde van de aan deze OEM's verkochte modellen heeft zij een schatting gemaakt van de verschillen die tussen de prijzen voor de onder eigen merknaam verkochte toestellen en de OEM-prijzen zouden hebben bestaan indien er OEM-verkopen op de Koreaanse markt hadden plaatsgevonden. Dit resulteerde in het in aanmerking nemen van een winstpercentage van 30 % van de winst op de verkopen onder eigen merknaam op de binnenlandse markt.

4. In de loop van de procedure voorafgaand aan de definitieve verordening heeft Goldstar bezwaren aangevoerd tegen de methodes die de Commissie bij het vaststellen van de normale waarde van de dooi: Goldstar verkochte modellen heeft aangewend. Deze bezwaren stemmen grotendeels overeen met deze die Goldstar in de loop van de procedure voorafgaand aan de voorlopige verordening had gemaakt. Zoals de Commissie heeft de Raad de bezwaren van Goldstar verworpen. Hij heeft de normale waarde van de betrokken modellen volgens dezelfde methodes vastgesteld als hiervoor beschreven en het definitieve antidumpingrecht op de invoer van produkten van Goldstar vastgesteld op 26,1% (i. p. v. 32,5%) van de nettoprijs franco grens Gemeenschap.

Het eerste middel

5. Goldstar betoogt dat de Raad de normale waarde van de zowel in Korea als in de Gemeenschap onder eigen merknaam verkochte modellen GCD 603, GCD 605, GCD 606 en GCD 616 ten onrechte heeft vastgesteld aan de hand van de binnenlandse prijzen. Volgens Goldstar vonden de verkopen van die modellen op de Koreaanse markt tijdens het referentietijdvak niet plaats in het kader van normale handelstransacties en lieten zij geen bruikbare vergelijking toe, zodat de Raad, overeenkomstig artikel 2, lid 3, sub b, van de basisverordening, de normale waarde op grond van de aangenomen waarde had moeten vaststellen. Goldstar voert daartoe een aantal argumenten aan die in twee groepen kunnen worden ingedeeld.

Goldstar voert in de eerste plaats aan dat de begrippen „normale handelstransacties” en „een bruikbare vergelijking” een voldoende aantal verkopen op een representatieve binnenlandse markt veronderstellen. Goldstar betwist niet dat het aantal op de Koreaanse markt gedurende het referentietijdvak verkochte toestellen van de modellen GCD 603, GCD 605, GCD 606 en GCD 616 voor elk model meer dan 5 % van het exportvolume naar de Gemeenschap vertegenwoordigt. Zij aanvaardt bovendien de praktijk van de instellingen om de verkopen op de binnenlandse markt niet als grondslag voor de vaststelling van de normale waarde te gebruiken wanneer het aantal verkopen op die markt beneden de voornoemde 5 %-drempel ligt, en in de plaats daarvan een aangenomen waarde te gebruiken. Zij betoogt echter dat de instellingen ertoe gehouden zijn de methode van een aangenomen normale waarde eveneens te gebruiken wanneer de 5 %-drempel wordt overschreden indien, zoals in de voorliggende zaak, het verkoopvolume van de betrokken modellen op de binnenlandse markt in absolute termen miniem is (omwille van het vertrouwelijk karakter ervan worden de precieze cijfers hier weggelaten). Goldstar is verder van oordeel dat ook de kenmerken en de totale omvang van de binnenlandse markt in aanmerking moeten worden genomen. In casu zou de totale omvang van de Koreaanse markt te verwaarlozen zijn (zij schat de totale verkoop van CD-spelers in Korea gedurende het referentietijdvak op ongeveer 5 000 toestellen), wat onder meer zou toe te schrijven zijn aan het feit dat er gedurende die periode nog maar weinig Koreaanse CD-produkties waren. Zij verwijt de Raad derhalve de drempel van 5 % blindelings te hebben toegepast, dat is zonder rekening te houden met het absolute aantal door Goldstar op de Koreaanse markt verkochte toestellen of met de kenmerken en de totale omvang van die markt. Om dezelfde reden zou de Raad eveneens niet hebben voldaan aan zijn motiveringsplicht.

In de tweede plaats wijst Goldstar erop dat zij de produktie van de modellen GCD 603, GCD 605 en GCD 606 in de loop van 1985, dus vóór het begin van het referentietijdvak, heeft stopgezet. De prijs waartegen deze verouderde modellen gedurende die periode op de binnenlandse markt werden verkocht zou volgens haar geen bruikbare vergelijkingsbasis bieden.

6. Het betoog van Goldstar kan mij niet overtuigen.

Luidens artikel 2, lid 3, sub a, van de basisverordening wordt onder normale waarde op de eerste plaats verstaan:

„de vergelijkbare prijs die bij normale handelstransacties werkelijk is of moet worden betaald voor een soortgelijk produkt dat bestemd is voor verbruik in het land van uitvoer of het land van oorsprong”.

Andere sub b-i en ii, aangeduide elementen kunnen pas als normale waarde worden gebruikt:

„wanneer op de binnenlandse markt van het land van uitvoer of van oorsprong geen verkoop van een soortgelijk produkt in het kader van normale handelstransacties plaatsvindt of indien dergelijke verkopen geen bruikbare vergelijking mogelijk maken”.

Zoals het Hof in arrest Canon(5) in rechtsoverweging 11 heeft verklaard, volgt uit tekst en structuur van de geciteerde bepalingen dat voor de vaststelling van de normale waarde in de eerste plaats moet worden uitgegaan van de prijs die bij normale handelstransacties op de binnenlandse markt werkelijk is of moet worden betaald. De andere oplossingen zijn slechts secundair. Daaruit volgt dat de instellingen de normale waarde zoveel mogelijk aan de hand van de reële binnenlandse prijzen moeten vaststellen en dat zij hiervan slechts mogen afwijken in een geval waarin ten minste één van de in artikel 2, lid 3, sub b, van de basisverordening voorziene situaties duidelijk voorhanden is.

7. Overeenkomstig deze laatste bepaling moeten twee situaties worden onderscheiden. Vooreerst is er de situatie waarin op de binnenlandse markt „geen verkoop van een soortgelijk produkt in het kader van normale handelstransacties plaatsvindt”. Zoals blijkt uit de in de punt 4 van de basisverordening gegeven voorbeelden gaat het hier om gevallen waarin de handelstransacties op zich gezien niet normaal zijn, met name wanneer een produkt werd verkocht tegen prijzen die lager zijn dan de produktiekosten of wanneer de transacties plaatsvonden tussen partijen die geassocieerd zijn of een compensatieregeling toepassen. Goldstar heeft niet betoogd en zeker niet aangetoond, dat haar verkopen op de Koreaanse markt op zich abnormaal zouden zijn. Bijgevolg kan zij uit deze passage van artikel 2, lid 3, sub b, van de basisverordening geen argument halen om af te wijken van de prioritaire regel dat de normale waarde aan de hand van de binnenlandse prijzen wordt vastgesteld.

8. Vervolgens is er de situatie waarin de verkopen op de binnenlandse markt „geen bruikbare vergelijking mogelijk maken”. Zoals blijkt uit artikel 2, lid 4, van de anti-dumpingcode(6) gaat het er hier om te weten of transacties die op zich normaal zijn, toch niet ingevolge de bijzondere marktsituatie buiten beschouwing moeten worden gelaten. De op de binnenlandse markt doorgevoerde transacties moeten immers, ook globaal gezien, de neerslag zijn van een normaal koopgedrag en van een normale prijsvorming. Alleen dan laten de binnenlandse prijzen een bruikbare vergelijking toe met de prijzen bij uitvoer.

Bij wijze van minimumwaarborg van de representativiteit van de binnenlandse prijzen en terwille van de rechtszekerheid, hebben de instellingen de hun op grond van voornoemde bepalingen gelaten beoordelingsruimte enigszins ingeperkt door in de praktijk een richtsnoer, meer bepaaldelijk een „insignificantie-drempel”, aan te houden. Voor het eerst in het kader van de antidumpingprocedure ten aanzien van elektronische schrijfmachines van oorsprong uit Japan(7) en sindsdien stelselmatig hebben de instellingen aldus vooropgesteld dat een volume van binnenlandse verkopen dat voor het betrokken produkt minder dan 5 % van het exportvolume naar de Gemeenschap voor dat produkt vertegenwoordigt, niet als grondslag voor de vaststelling van de normale waarde in aanmerking kan komen. In het voornoemde arrest Canon (r. o. 13 tot 15), evenals in het arrest Brother(8) (r. o. 11 tot 13), heeft het Hof de bezwaren verworpen die verzoeksters tegen de 5 %-drempel hadden aangevoerd en ook aanvaard dat de drempel per model (met eigen kenmerken) mag worden toegepast.(9) In het latere arrest Neotype Techmashexport(10) (r. o. 31) heeft het Hof bovendien een argument gehaald uit de in Canon en Brother besproken 5 %-drempel om het bezwaar te verwerpen dat de markt van een referentieland in de zin van artikel 2, lid 5, van de basisverordening niet representatief zou zijn. In het recente arrest Nolle(11) heeft het Hof daaraan toegevoegd dat het enkele feit dat het produktievolume van het referentieland lager ligt dan 5 % van de uitvoer naar de Gemeenschap, niet betekent dat de keuze van dit referentieland niet passend en redelijk kan zijn, maar dat een cijfer van 1,25 % wijst op de zwakke representativiteit van de in aanmerking genomen markt.

9. Goldstar stelt terecht dat wanneer het volume van de binnenlandse verkopen groter is dan 5 % van het exportvolume naar de Gemeenschap, dit niet noodzakelijk betekent dat de binnenlandse prijzen een bruikbare vergelijking mogelijk maken (evenmin als dit het geval is, zo blijkt uit het voornoemde arrest Nolle, wanneer dat volume lager ligt). Anders dan Goldstar het laat voorkomen zijn de Raad en de Commissie het daarmee eens. De noodzaak om ook andere factoren in aanmerking te nemen, blijkt trouwens uit de vierde overweging van de basisverordening luidens dewelke een aangenomen normale waarde moet worden gehanteerd indien de binnenlandse prijzen „om enigerlei reden” geen bruikbare basis vormen voor het vaststellen van het bestaan van dumping.

Het komt me echter voor dat, nu de instellingen als minimumwaarborg van representativiteit en terwille van de rechtszekerheid aan zichzelf een richtsnoer hebben opgelegd — dat zij echter niet blindelings mogen toepassen — zij daarop alleen dan een uitzondering mogen en moeten maken, wanneer bijzondere omstandigheden voorhanden zijn die tot gevolg hebben dat de binnenlandse prijs geen bruikbare basis vormt voor vergelijking met de prijs bij uitvoer.

10. Welke zijn dergelijke bijzondere omstandigheden ? Met Goldstar ben ik het eens dat de kenmerken en in het bijzonder de totale omvang van de binnenlandse markt dergelijke bijzondere omstandigheden kunnen uitmaken. Het Hof heeft deze zienswijze trouwens impliciet in Brother (r. o. 10) en in Silver Seiko(12) (r. o. 11) bevestigd. In die zaken stelden verzoeksters eveneens dat op de binnenlandse Japanse markt, vergeleken met de communautaire markt, een te gering aantal elektronische schrijfmachines werden verkocht. Het Hof heeft dit argument niet als zodanig verworpen maar was van oordeel dat het feitelijke grondslag miste aangezien op de Japanse markt jaarlijks enkele tienduizenden machines werden verkocht en die markt bovendien gekenmerkt was door een tamelijk levendige concurrentie. Onder die omstandigheden noemde het Hof de prijzen op de Japanse markt vergelijkbaar met die op de communautaire markt.

Het komt mij voor dat het argument dat in voorliggende zaak door Goldstar in verband met de kenmerken van de Koreaanse markt wordt ingeroepen, eveneens feitelijke grondslag mist. Vooreerst heeft Goldstar, wat de totale omvang van de markt van CD-spelers (alle modellen samengenomen) betreft, haar bewering niet kunnen staven dat gedurende de referentieperiode niet meer dan 5 000 CD-spelers op de Koreaanse markt zouden zijn verkocht. Ter terechtzitting stelde de Commissie dat dit aantal ongeveer 6 500 CD-spelers zou bedragen terwijl Compact persberichten citeerde volgens dewelke het zou gaan over een markt van wel 30 000 CD-spelers. Hoe dit ook zij, zelfs een markt van 5 000 CD-spelers lijkt mij in absolute cijfers al voldoende betekenisvol wanneer dit cijfer percentsgewijze een niet onaanzienlijk aandeel van het totale exportvolume naar de Gemeenschap uitmaakt. Welnu, volgens de niet weersproken bewering van de Raad bedroeg laatstgenoemd volume in 1986 iets minder dan 34 000 eenheden. Met andere woorden, het minimale door Goldstar genoemde cijfer van 5 000 op de Koreaanse markt verkochte CD-spelers maakt toch nog 14 % uit van de export van Koreaanse CD-spelers naar de Gemeenschap — wat niet onaanzienlijk is.

11. Goldstar beroept zich verder op het volgens haar minieme [hier om redenen van vertrouwelijkheid niet genoemde] aantal binnenlandse verkopen per model van de toestellen GCD 603, GCD 605, GCD 606 en GCD 616. Eerst een voorafgaande opmerking. Het op zich juiste argument dat voor de vergelijkbaarheid van binnenlandse prijzen een in absolute cijfers voldoende verkoopvolume op de binnenlandse markt voorhanden moet zijn, is ingegeven door de vaststelling dat de binnenlandse prijzen van verkooppunt tot verkooppunt kunnen verschillen. Bovendien kunnen er zich gedurende eenzelfde referentietijdvak prijsschommelingen voordoen. De instellingen hanteren daarom meestal, zoals ook in de voorliggende procedure, een prijs die het gewogen gemiddelde is van de gehele verkoop van het betrokken produkt aan onafhankelijke afnemers. Welnu, om representatief te zijn moet dat gewogen gemiddelde op een minimum aantal verkopen zijn gesteund.

Het voorgaande betekent echter niet dat de instellingen, benevens de hiervoor genoemde en in casu per model berekende relatieve „insignificantie-drempel” van 5 %, ook nog een absolute „insignificantie-drempel” zouden moeten hanteren. Het heeft immers weinig zin een absolute minimumdrempel in het algemeen te bepalen omdat de waarde van een absoluut cijfer te veel afhankelijk is van de aard van het produkt. Derhalve moet per produkt of model worden beoordeeld of er voldoende verkopen zijn op de markt tegen stabiele prijzen, zodat het op grond daarvan berekende prijsgemiddelde voldoende representatief is. Afgezien van een algemene bewering dat het aantal verkopen op de binnenlandse markt miniem is, heeft Goldstar echter geen argumenten aangevoerd waaruit zou blijken dat het toegepaste prijsgemiddelde niet representatief zou zijn.(13)

Relatieve cijfers die voor eenzelfde produkt of model of voor een categorie van soortgelijke produkten een verhouding uitdrukken tussen op de binnenlandse en op de exportmarkt verkochte produkten kunnen daarentegen wel in het algemeen worden vastgesteld en relateren de omvang van de binnenlandse markt rechtstreeks aan de omvang van de exportmarkt. Nu de globale Koreaanse markt voor CD-spelers op zijn minst 14 % vertegenwoordigt van de exportmarkt naar de Gemeenschap en de verkoop op de Koreaanse markt per model ook de algemene (relatieve) „insignificantie-drempel” van 5 % van de uitvoer naar de Gemeenschap overschrijdt, volstaat dit mijns inziens om de representativiteit en de bruikbaarheid var. de binnenlandse prijzen te erkennen.

12. Buiten het volume van de globale Koreaanse markt enerzijds en de eigen verkoopaantallen per model anderzijds roept Goldstar geen andere bijzondere omstandigheden in om de representativiteit van de binnenlandse prijzen te betwisten. In het bijzonder voert zij niet aan dat er op de Koreaanse markt geen „tamelijk levendige concurrentie” zou zijn, een kenmerk dat door het Hof in Brother en Silver Seiko in aanmerking werd genomen om de representativiteit van de prijzen te beoordelen. In verband gebracht met het voorgaande heeft zij meer bepaaldelijk niet beweerd en nog minder aangetoond dat de binnenlandse prijzen lager zouden hebben gelegen indien het verkoopvolume van en de concurrentie op de binnenlandse markt groter zouden zijn geweest. Uit het dossier(14) blijkt integendeel dat Goldstar bewust voor relatief hoge binnenlandse prijzen (en dito winstmarges) heeft gekozen in het kader van haar strategie om CD-spelers in Korea als luxegoederen te verkopen.

Aan deze omstandigheid hecht ik veel belang. Het komt mij namelijk voor dat een producent de eigen weloverwogen beslissing om zijn produkt in een bepaald segment van de markt en in een bepaalde prijsklasse te positioneren — hetgeen ook de reden kan zijn waarom hij, als deze strategie verkeerd uitvalt, minder toestellen dan zijn concurrenten verkoopt — niet kan inroepen als een bijzondere omstandigheid om de representativiteit van de door hem aangerekende binnenlandse prijzen in twijfel te trekken. Alleen externe omstandigheden die de producenten moeten ondergaan, komen daarvoor in aanmerking. Zoniet zouden de producenten zelf omstandigheden kunnen creëren die maken dat dient te worden afgeweken van het beginsel dat de normale waarde op de eerste plaats aan de hand van de reële binnenlandse prijzen wordt vastgesteld.

13. Op grond van het voorgaande besluit ik dan ook dat de Raad terecht geoordeeld heeft dat het aantal door Goldstar op de Koreaanse markt verkochte toestellen en de totale omvang van die markt geen redenen zijn om de bruikbaarheid van de binnenlandse prijzen als vergelijkingsbasis af te wijzen.

Daaruit blijkt eveneens dat de instellingen een beroep mochten doen op de „5 %-drempel”-richtsnoer en dat het op artikel 190 EEG-Verdrag gesteunde argument van gebrekkige motivering derhalve moet worden afgewezen. Overweging 21 van de definitieve verordening verwijst immers naar overweging 27 van de voorlopige verordening waarin de Commissie verklaart:

„De Commissie is van oordeel dat een in absolute termen geringe verkoop op de binnenlandse markt op zichzelf geen voldoende reden is om deze verkoop te beschouwen als niet te zijn gebeurd in het kader van normale handelstransacties. Er bestaat geen reden om van de normale gang van zaken af te wijken, waarbij de normale waarde wordt vastgesteld aan de hand van de binnenlandse verkoop die meer bedraagt dan 5 % van de export naar de Gemeenschap.”

Deze motivering geeft voldoende duidelijk de gedachtengang van de instellingen weer.

14. Ten slotte acht ik het argument dat Goldstar haalt uit de stopzetting van de produktie van de modellen GCD 603, GCD 605 en GCD 606 vóór het begin van het referentietijdvak, eveneens ongegrond. Zoals blijkt uit de tekst van artikel 2, lid 3, sub b, van de basisverordening moet rekening worden gehouden met de „verkoop” op de binnenlandse markt. De bepaling maakt geen onderscheid tussen produkten die al dan niet in produktie zijn. Het feit dat de verkochte modellen niet meer worden geproduceerd, is op zichzelf dan ook geen reden om de bruikbaarheid van de binnenlandse prijzen voor die modellen af te wijzen. Anders beslissen zou er kunnen toe leiden dat de normale waarde van relatief nieuwe produkten zoals CD-spelers waarvan voortdurend nieuwe modellen op de markt worden gebracht, nog slechts uitzonderlijk aan de hand van binnenlandse prijzen kan worden vastgesteld.

15. Gelet op wat voorafgaat ben ik bijgevolg van oordeel dat het eerste middel van Goldstar moet worden verworpen.

Het tweede middel

16. Goldstar betoogt in de tweede plaats dat de Raad artikel 2, lid 3, sub b-ii, van de basisverordening heeft geschonden door de aangenomen waarde van het onder eigen merknaam op de binnenlandse markt en in de Gemeenschap verkochte model GCD 613 en meer bepaaldelijk het bij de produktiekosten te voegen bedrag voor winst te hebben bepaald, rekening houdend met de gemiddelde winst die Goldstar gedurende het referentietijdvak, op zijn binnenlandse verkopen van andere modellen, namelijk de modellen GCD 603, GCD 605, GCD 606 en GCD 616, heeft geboekt [omwille van het vertrouwelijk karakter is dit gemiddelde, uitgedrukt in percent van de produktiekost, hier weggelaten]. Zoals reeds aangemerkt (hiervoor, nr. 5) aanvaardt Goldstar dat de instellingen voor een produkt als GCD 613 waarvan de verkopen onder de relatieve „insignificantie-drempel” van 5 % van het exportvolume lagen, een aangenomen waarde mochten (en moesten) in aanmerking nemen.(15) Volgens Goldstar zou de gemiddelde winst over de verkoop van die andere modellen evenwel niet bruikbaar zijn om de twee volgende redenen. Vooreerst zou zij berekend zijn aan de hand van verkopen op de binnenlandse markt die niet in het kader van normale handelstransacties plaatsvonden en/of die geen bruikbare vergelijking mogelijk maakten. Vervolgens zou artikel 2, lid 4, van de anti-dumpingcode de op de binnenlandse markt gerealiseerde winst van een individuele exporteur als onbruikbaar bestempelen wanneer zij zoals in casu uitstijgt boven de winst die gewoonlijk wordt behaald bij verkoop van soortgelijke produkten op de binnenlandse markt.

17. Op het eerste argument hoef ik niet meer in te gaan, nu ik bij het onderzoek van het eerste middel tot het besluit ben gekomen dat de binnenlandse verkopen onder eigen merknaam van de modellen GCD 603, GCD 605, GCD 606 en GCD 616 wel in het kader van normale handelstransacties plaatsvonden èn een bruikbare vergelijking mogelijk maakten.

Het tweede argument verdient daarentegen aandacht. Sinds het arrest Nakajima(16) (in het bijzonder r. o. 26 tot 32) staat het immers vast dat producenten de rechtsgeldigheid van een anti-dumpingverordening op grond van de bepalingen van de anti-dumpingcode mogen betwisten.

18. Luidens artikel 2, lid 3, sub b-ii, van de basisverordening wordt de aangenomen waarde bepaald door bij de produktiekosten een redelijk bedrag voor winst te voegen. Die bepaling schrijft daartoe drie methodes voor die, zoals het Hof in Nakajima (r. o. 61) heeft verklaard, in volgorde moeten worden toegepast.(17) Het bedrag voor winst wordt derhalve bij voorrang berekend door het te relateren aan de door de producent bij de winstgevende verkopen van soortgelijke produkten op de binnenlandse markt geboekte winst. Pas indien de gegevens in verband met een dergelijke winst niet beschikbaar, onbetrouwbaar of niet bruikbaar zijn, wordt het bedrag voor winst berekend door het te relateren aan de winst die door andere producenten in het land van oorsprong bij winstgevende verkopen van een soortgelijk produkt wordt geboekt. Indien geen van deze twee methodes kan worden toegepast, wordt het bedrag voor winst berekend door het te relateren aan de door de producent of andere producenten in dezelfde tak van handel in het land van oorsprong verrichte verkopen, of op elke andere redelijke grondslag.

19. Goldstar voert aan dat de eerste in de basisverordening voorziene berekeningsmethode „niet bruikbaar” is wanneer de winst die de betrokken producent behaalt over de binnenlandse verkoop van een soortgelijk produkt, groter is dan de winst die gewoonlijk wordt behaald bij verkoop van soortgelijke produkten op de binnenlandse markt. Zij steunt deze stelling op de laatste zin van artikel 2, lid 4, van de anti-dumpingcode, die als volgt luidt:

„Als regel mag de opslag voor winst niet hoger zijn dan de winst die gewoonlijk wordt behaald bij verkoop van produkten van dezelfde algemene soort op de binnenlandse markt van het land van oorsprong.”

Goldstar gaat er blijkbaar van uit i) dat de woorden „winst die gewoonlijk wordt behaald” aldus moeten worden verstaan dat zij verwijzen naar de gemiddelde winst die de gezamenlijke producenten van het land van oorsprong behalen bij verkoop van soortgelijke produkten op de binnenlandse markt, en ii) dat de eerste in artikel 2, lid 3, sub b-ii, van de basisverordening voorziene berekeningsmethode die wel degelijk verwijst naar de door de betrokken producent geboekte winst, in strijd is met de als hiervoor aangeduid te verstane laatste zin van artikel 2, lid 4, van de anti-dumpingcode.

20. Goldstar's opvatting steunt mijns inziens op een verkeerde uitlegging van de anti-dumpingcode.

Het is juist dat de laatste zin van artikel 2, lid 4, van bedoelde code niet uitdrukkelijk aangeeft door wie de daarin bedoelde winst gewoonlijk moet zijn behaald. Daaruit mag evenwel niet worden afgeleid dat dit noodzakelijkerwijze de gemiddelde winst is die alle producenten samen bij de verkoop van soortgelijke produkten op de binnenlandse markt behalen. De tekst laat evengoed een uitlegging toe in die zin, dat de toegepaste opslag voor winst niet hoger mag zijn dan de winst die door de betrokken producent gewoonlijk bij verkoop van soortgelijke produkten op de binnenlandse markt wordt behaald. Een dergelijke uitlegging sluit trouwens beter aan bij het doel van het vaststellen van een aangenomen waarde. Zoals het Hof reeds herhaaldelijk heeft verklaard(18) strekt die vaststelling ertoe de verkoopprijs van een produkt te bepalen zoals deze zou zijn geweest indien dit produkt in het land van oorsprong of van uitvoer zou zijn verkocht geworden. Welnu, de meest nauwkeurige methode om die prijs te bepalen bestaat erin, de aangenomen waarde vast te stellen aan de hand van de verkopen van soortgelijke produkten op de binnenlandse markt door de betrokken producent zelf. De Commissie heeft bovendien terecht opgemerkt dat uit artikel 8, lid 2, van de anti-dumpingcode de voorkeur blijkt welke ook in die code aan een individuele boven een globale benadering wordt gegeven.

Het Hof heeft zich overigens reeds in Nakajima (r. o. 37) in het algemeen uitgesproken ten voordele van de verenigbaarheid met artikel 2, lid 4, van de anti-dumpingcode van de in artikel 2, lid 3, sub b-ii, van de basisverordening „geconcretiseerde” berekeningsmethodes :

„Artikel 2, lid 3, sub b-ii, van de nieuwe basisverordening is in overeenstemming met artikel 2, lid 4, van de anti-dumpingcode, in zover eerstgenoemde bepaling, zonder de ratio van laatstgenoemde bepaling te miskennen, zich ertoe beperkt, voor de onderscheiden situaties die zich in de praktijk kunnen voordoen de redelijke berekeningsmethodes van de aangenomen normale waarde te concretiseren.”(19)

Ten slotte herinner ik eraan dat Goldstar haar binnenlandse prijzen heeft vastgesteld in het kader van een bewuste strategie om de CD-spelers in Korea als luxegoederen te verkopen. Evenmin als Goldstar haar weloverwogen prijszetting kan inroepen als een bijzondere omstandigheid welke tot gevolg heeft dat haar binnenlandse prijzen niet langer representatief zijn (hiervoor, nr. 12), kan zij inroepen dat de hoge winstmarges die uit die prijszetting voortvloeien niet langer in aanmerking mogen worden genomen bij het vaststellen van de aangenomen waarde van model GCD 613.

Gelet op wat voorafgaat moet ook het tweede middel van Goldstar worden verworpen.

Het derde middel

21. Het derde middel van Goldstar houdt verband met de beslissing van de Raad om een aparte normale waarde voor de verkoop aan OEM(20) vast te stellen. Zoals aangeduid in overweging 22 van de definitieve verordening heeft de Raad namelijk aanvaard:

„dat deze afnemers duidelijk andere functies vervulden dan andere categorieën onafhankelijke afnemers en dat deze verschillende functies op de betrokken markten duidelijk tot uiting kwamen in de verkochte hoeveelheden en het toegepaste prijzenpatroon”.

Goldstar betoogt dat de Raad artikel 2, lid 3, sub b-ii, van de basisverordening heeft geschonden in zover hij de aangenomen waarde van de aan OEM voor uitvoer naar de Gemeenschap verkochte modellen GCD 613 en GCD 616 heeft bepaald rekening houdend met een bedrag voor winst dat 30 % bedraagt van de winst die zij bij verkoop van die modellen onder eigen merknaam op de binnenlandse markt heeft behaald. Om dit middel te staven voert Goldstar de vier volgende argumenten aan:

  1. er zou geen verband bestaan tussen de kosten en de winst met betrekking tot verkopen aan OEM en deze met betrekking tot verkopen onder eigen merknaam;

  2. de Raad zou in strijd met een vroegere praktijk hebben gehandeld;

  3. 30 % zou een willekeurig percentage zijn;

  4. de Raad zou het gelijkheidsbeginsel hebben geschonden.

22. Vooraleer de argumenten van Goldstar te onderzoeken, wens ik eraan te herinneren dat, zoals hiervoor reeds aangeduid, het doel van een aangenomen normale waarde erin bestaat, de verkoopprijs van een produkt te bepalen zoals deze zou zijn geweest indien het produkt in het land van oorsprong of van uitvoer zou zijn verkocht geworden. In een geval zoals het voorliggende waarin een aparte normale waarde voor de verkoop aan OEM werd vastgesteld, impliceert dit dat de verkoopprijs van het produkt moet worden bepaald alsof dit produkt aan op de binnenlandse markt bedrijvige OEM werd verkocht.

In casu konden de instellingen evenwel niet beschikken over gegevens omtrent OEM-verkopen aan op de Koreaanse markt opererende afnemers aangezien Goldstar noch andere bij de procedure betrokken Koreaanse producenten dergelijke verkopen hebben verricht. Het dossier bevat bovendien geen gegevens die erop wijzen dat Goldstar of andere producenten in dezelfde tak van handel produkten aan OEM in Korea zouden hebben verkocht. Daaruit leid ik af dat de aangenomen waarde van de aan OEM voor uitvoer naar de Gemeenschap verkochte toestellen GCD 613 en GCD 616 diende te worden vastgesteld aan de hand van de laatste in artikel 2, lid 3, sub b-ii, van de basisverordening aangeduide berekeningsmethode, meer bepaald „op elke andere redelijke grondslag”.

Zoals het Hof reeds herhaaldelijk heeft verklaard (zie voor het laatst r. o. 63 van Nakajima) verleent artikel 2, lid 3, sub b-ii, van de basisverordening de instellingen een ruime beoordelingsbevoegdheid bij de vaststelling van het „redelijk bedrag” voor kosten en winst dat in de aangenomen normale waarde moet worden opgenomen.

a) Het verband tussen OEM-verkopen en verkopen onder eigen merknaam

23. Het argument dat er geen verband bestaat tussen de kosten en de winst met betrekking tot verkopen aan OEM op de binnenlandse markt en deze met betrekking tot verkopen onder eigen merknaam op die markt, kan in het algemeen niet staande worden gehouden. Op de binnenlandse markt verkopende OEM zijn concurrenten van de op de binnenlandse markt onder eigen merknaam verkopende producent. In een dergelijke situatie ligt het voor de hand dat de betrokken producent alleen dan aan OEM zal verkopen indien hij door zo te handelen zijn rendabiliteit duidelijk kan verbeteren. Bij het vaststellen van de OEM-verkoopprijs zal hij dan ook, benevens met de produktiekosten die voor beide categorieën dezelfde zijn, nog met tal van andere factoren rekening houden zoals: de grotere omzet die hij dank zij de OEM-verkopen kan realiseren, de mindere kosten verbonden aan OEM-verkopen onder anderen op het stuk van reclame, maar ook de verhoogde concurrentie vanwege de OEM op de binnenlandse markt en de daarvan uitgaande druk op het prijsniveau van de door de producent op diezelfde markt onder eigen merknaam verkochte produkten. Kortom, een producent zal redelijkerwijze aan een op dezelfde markt als hijzelf opererende OEM-afnemer een prijs aanrekenen die hem, globaal genomen, toelaat meer winst te realiseren dan wanneer hij op die markt uitsluitend onder eigen merknaam zou verkopen. Er bestaat dus ongetwijfeld een verband tussen de prijs- en winstbepaling met betrekking tot verkopen aan op de binnenlandse markt opererende OEM en de prijs-en winstbepaling met betrekking tot de op die markt onder eigen merknaam verkochte produkten. Het is echter een complexe zaak om dat verband in abstracto te becijferen wanneer geen verkopen aan OEM op de binnenlandse markt hebben plaatsgevonden en bijgevolg moet aan de instellingen op dit punt een zekere beoordelingsmarge worden gelaten.

24. In casu hebben de instellingen geoordeeld dat het genoemde verband het hen mogelijk maakte om de aangenomen waarde van de (onbestaande) OEM-verkopen op de Koreaanse markt vast te stellen aan de hand van de gewogen gemiddelden van de kosten en de winst die door eenzelfde producent werden gemaakt in verband met zijn (werkelijk) op de Koreaanse markt onder eigen merknaam verkochte modellen, met dien verstande dat slechts een deel (30 %) van de door de betrokken producent op de laatstbedoelde verkopen geboekte winst in aanmerking werd genomen. Met andere woorden, door een proportioneel geringere winstmarge in aanmerking te nemen hebben de instellingen gemeend alle denkbare verschillen in kosten en winst tussen de OEM-verkopen en de verkopen onder eigen merknaam van de betrokken producent te dekken.

Het komt mij voor dat de instellingen zodoende de grenzen van hun beoordelingsbevoegdheid niet zijn te buiten gegaan, des te meer nu deze handelswijze in overeenstemming is met een vaste praktijk, zoals blijkt uit drie andere door Goldstar ingeroepen anti-dumpingprocedures (fotokopieerapparaten voor gewoon papier(21), videocassetterecorders(22) en ontvangtoestellen voor kleurentelevisie met klein beeldscherm(23)). In die procedures hebben de instellingen de aangenomen waarde van de (ook daar onbestaande) OEM-verkopen op de binnenlandse markt eveneens vastgesteld aan de hand van de gegevens met betrekking tot de (werkelijke) binnenlandse verkopen onder eigen merknaam, waarbij het bedrag voor winst echter werd vastgesteld aan de hand van een voor alle producenten uniform percentage van 5 %. Ongeacht de hierna besproken verschillen met de berekeningswijze van het bedrag voor winst in de voorliggende procedure (hierna „nr. 25”), blijkt dat in al deze procedures eenzelfde uitgangspunt werd genomen, namelijk dat door het in aanmerking nemen voor OEM-verkopen van een kleinere winstmarge dan de winstmarge op de binnenlandse verkopen alle denkbare verschillen in kosten en winst tussen OEM-verkopen en andere verkopen in acht zijn genomen.

Ik meen dan ook dat aan de Raad ten onrechte wordt verweten dat hij in onderhavige zaak tussen OEM-verkopen en verkopen onder eigen naam een verband heeft gelegd. In het reeds genoemde arrest Nashua (r. o. 33; zie hierna nr. 28) heeft het Hof de geldigheid van het leggen van een dergelijk verband overigens impliciet erkend.

b) Heeft de Raad in strijd gehandeld met een vroegere praktijk ?

25. Goldstar wijst erop dat de instellingen in de drie andere hiervoor reeds genoemde anti-dumpingprocedures een voor alle producenten uniform winstpercentage hebben toegepast om de aangenomen waarde van de (onbestaande) OEM-verkopen op de binnenlandse markt vergeleken met de (werkelijke) merknaamverkopen op die markt vast te stellen, terwijl zij in onderhavige procedure een winstpercentage voor OEM-verkopen hebben toegepast, eveneens vergeleken met de merknaamverkopen maar gebaseerd op de individuele gegevens van elke producent afzonderlijk.(24) Deze afwijkende methode zou er in het onderhavige geval voor Goldstar toe geleid hebben dat een onredelijk groot winstpercentage, namelijk y % (zie voetnoot nr. 24) van Goldstar's produktiekosten, in aanmerking werd genomen.

Goldstar's argument dat de Raad ook thans, in overeenstemming met zijn vroegere praktijk, een voor alle producenten van CD-spelers op de Koreaanse markt uniform winstpercentage in aanmerking had moeten nemen veeleer dan een voor elke producent — in casu Goldstar — individueel percentage, overtuigt mij niet. Hiervoor (nr. 20) heb ik er reeds op gewezen, dat de meest nauwkeurige manier om eenaangenomen waarde vast te stellen erin bestaat, die waarde met behulp van de verkopen van de betrokken producent op de binnenlandse markt te bepalen. Aangezien er in casu geen OEM-verkopen op de binnenlandse markt plaatsvonden, kwam het de instellingen toe de aangenomen waarde van de (onbestaande) OEM-verkopen vast te stellen rekening houdend met de (werkelijke) verkopen onder eigen merknaam, waarbij zij de voorrang mochten geven aan individuele gegevens met betrekking tot de (werkelijke) verkopen onder eigen merknaam van elke betrokken producent. De instellingen waren dus niet gehouden een uniform winstpercentage te gebruiken.

26. In dat verband moet worden opgemerkt dat in de nog voor het Hof hangende zaak C-172/87, Mita Industrial, door Mita een stelling wordt verdedigd die juist de tegenovergestelde is van die welke Goldstar in deze zaak voorstaat. Mita verwijt de Raad met name dat hij haar op discriminerende wijze heeft behandeld door in de antidumpingverordening in verband met fotokopieerapparaten voor gewoon papier de aangenomen waarde van de (onbestaande) OEM-verkopen op de binnenlandse markt te hebben vastgesteld met behulp van een uniform winstpercentage waardoor de exporteurs met hoge winsten op hun binnenlandse verkopen werden bevoordeeld. In zijn op 13 december 1990 eenomen conclusie (punt 12) stelt advocaatgeneraal Mischo voor om dit bezwaar te verwerpen onder meer gelet op de beoordelingsbevoegdheid van de Raad terzake.

Dit standpunt is niet onverenigbaar met de in deze conclusie verdedigde opvatting. De instellingen moeten immers elk geval apart onderzoeken en rekening houden met eventuele verschillen. Welnu, zoals de Raad terecht heeft opgemerkt, zijn er duidelijke verschillen tussen de drie andere door Goldstar genoemde procedures en de voorliggende procedure, in het bijzonder wat betreft de winstmarge van de producenten op hun (werkelijke) binnenlandse verkopen onder eigen merknaam. Wat de procedure inzake fotokopieerapparaten voor gewoon papier betreft, zijn de winstverschillen tussen de producenten niet bekend; alleen de gemiddelde winstmarge van 14,6 % wordt vermeld. In de twee andere procedures is evenwel melding gemaakt van de verschillen in winstmarge van de onderscheiden producenten bij de verkoop onder eigen naam. Die marges schommelden tussen 8 % en 12 % van de produktiekosten in de procedure inzake videocassettes en tussen 7 % en 14 % in de procedure inzake ontvangtoestellen voor kleurentelevisie met klein beeldscherm. Dit zijn relatief kleine verschillen en ik kan begrijpen dat de instellingen, aan wie een zekere beoordelingsvrijheid toekomt, in die omstandigheden niet voor een individuele benadering hebben gekozen.

Anders staat het in de voorliggende procedure. Goldstar's winst op haar verkopen onder eigen merknaam op de binnenlandse markt ligt ver boven de hierboven genoemde winstpercentages in de andere procedures. Goldstar geeft bovendien zelf aan dat haar winst (voor zover ik kan zien: vèr) boven de gemiddelde winst van de overige producenten uitstijgt. In die omstandigheden was er mijns inziens geen reden om af te wijken van de voorkeur die in de regel bij het vaststellen van de normale aangenomen waarde aan de cijfers van de betrokken producent mag worden gegeven. De vaststelling van een voor alle producenten uniform winstpercentage zou overigens kunnen leiden tot een onverantwoorde benadeling van de andere in de aangevochten definitieve verordening geviseerde Koreaanse producent van CD-spelers die gedurende het referentietijdvak eveneens aan OEM in de Gemeenschap had verkocht.

c) Is 30 % een willekeurig percentage ?

27. Gelet op de voorkeur van de instellingen om in de voorliggende procedure de aangenomen waarde voor OEM-verkopen vast te stellen aan de hand van (in casu Goldstar's) individuele gegevens en gelet op de afwezigheid van reële winstcijfers aangezien er geen verkopen van CD-spelers aan OEM op de binnenlandse markt hadden plaatsgevonden en op dat ogenblik ook elke ervaring met binnenlandse OEM-verkopen in andere procedures ontbrak, konden de instellingen niet anders dan de verhouding tussen de winst over OEM-verkopen en de winst over merknaamverkopen op de Koreaanse markt zo goed mogelijk te schatten. Door die verhouding op 30 % vast te stellen zijn de instellingen mijns inziens de grenzen van de hun toekomende beoordelingsbevoegdheid niet te buiten gegaan. De drie volgende elementen wijzen er immers op dat 30 % geen willekeurige schatting is.

In de procedure inzake fotokopieerapparaten voor gewoon papier werd, zoals vermeld, een aangenomen waarde voor OEM-verkopen berekend met behulp van een voor alle producenten uniform winstpercentage van 5 % van de produktiekosten. Dit percentage stemde overeen met zowat één derde van de gemiddelde winst op de binnenlandse verkopen van deze producenten die 14,6 % van de produktiekosten bedroeg. Daaruit mag worden afgeleid dat, in de veronderstelling dat het bedrag voor winst in die procedure niet op een uniforme maar op een individuele basis zou zijn vastgesteld, de instellingen eveneens een verhouding van één tot drie tussen het bedrag voor winst over OEM verkopen en de door elke producent op zijn merknaamverkopen geboekte winst in aanmerking zouden hebben genomen.

Bovendien beschikken de instellingen thans over de gegevens van de anti-dumpingprocedure in verband met de invoer van „seriële impact dot matrix-printers” van oorsprong uit Japan(25) en onder meer over de gegevens met betrekking tot de verkoop van deze produkten door Japanse producenten aan de eveneens op de Japanse markt opererende OEM. Daaruit blijkt dat de winst op de betrokken OEM-verkopen ongeveer één derde bedraagt van de winst op verkopen onder eigen merknaam.

Ten slotte kan erop gewezen worden dat Goldstar zelf, tijdens de administratieve procedure, een verhouding van 30 % heeft voorgesteld maar dan wel van de gemiddelde winst van alle producenten samen.(26)

28. Volledigheidshalve wil ik nog aanstippen dat ook in de voornoemde zaak Nashua door verzoekster werd gesteld dat de instellingen een willekeurig winstpercentage (5 %) in aanmerking hadden genomen bij het vaststellen van de aangenomen waarde van de aan OEM verkochte produkten (zie r. o. 32 tot 34). Verzoekster was van oordeel dat dit winstpercentage onvoldoende rekening hield met de verschillen tussen verkopen aan OEM en verkopen onder eigen merknaam. Het Hof heeft dit middel verworpen niet met verwijzing naar de beoordelingsvrijheid van de instellingen maar op grond van de overweging dat verzoekster de juistheid van haar stelling niet had kunnen aantonen. Welnu, evenmin als Nashua is het Goldstar in deze procedure gelukt aan te tonen dat, indien zij aan OEM op de binnenlandse markt zou hebben verkocht, haar prijzen lager zouden zijn geweest dan de door de instellingen vastgestelde aangenomen waarde.

d) Heeft de Raad het gelijkheidsbeginsel geschonden ?

29. Goldstar voert tenslotte aan dat alle Koreaanse producenten zich in een soortgelijke situatie bevinden aangezien geen van hen OEM-verkopen op de binnenlandse markt heeft verricht. Op grond van het gelijkheidsbeginsel zou de Raad dan ook voor elke Koreaanse producent eenzelfde bedrag voor winst in aanmerking hebben moeten nemen.

Ook dit argument moet worden verworpen. Zoals hiervoor reeds aangeduid lag de winst van Goldstar op haar binnenlandse verkopen boven deze van de andere Koreaanse producenten. De door de instellingen aangehouden berekeningswijze van de aangenomen waarde van de aan OEM verkochte produkten houdt rekening met die winstverschillen, zodat hen geen schending van het gelijkheidsbeginsel kan worden verweten.

Besluit

30. Gelet op wat voorafgaat stel ik voor het beroep te verwerpen en verzoekster te verwijzen in de kosten, met inbegrip van de interventiekosten van Compact. Overeenkomstig artikel 69, lid 4, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering, zoals gewijzigd op 15 mei 1991, dient de Commissie haar eigen interventiekosten te dragen.