Hof van Justitie EU 20-06-1991 ECLI:EU:C:1991:269
Hof van Justitie EU 20-06-1991 ECLI:EU:C:1991:269
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 20 juni 1991
Conclusie van advocaat-generaal
J. Mischo
van 20 juni 1991(*)
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. Artikel 3, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1224/80 van de Raad van 28 mei 1980 inzake de douanewaarde van de goederen (PB 1980, L 134, biz. 1; hierna: „basisverordening”), bepaalt:
„De douanewaarde van ingevoerde goederen, vastgesteld met toepassing van dit artikel, is de transactiewaarde, dat wil zeggen de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs indien zij worden verkocht voor uitvoer naar het douanegebied van de Gemeenschap, aangepast overeenkomstig artikel 8 (.!.).”
2. In lid 1, sub ai, bepaalt laatstgenoemd artikel, dat bij de vaststelling van de douanewaarde met toepassing van artikel 3, de voor de ingevoerde goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs wordt verhoogd met commissies en courtage, met uitzondering van inkoopcommissies, voor zover deze commissies en courtage ten laste komen van de koper, maar niet begrepen zijn in de werkelijk voor de goederen betaalde of te betalen prijs.
3. Het begrip „inkoopcommissies” is in artikel 8, lid 4, gedefinieerd als „vergoedingen die een importeur aan zijn agent betaalt voor de dienst van het hem vertegenwoordigen bij de aankoop van de goederen waarvan de waarde wordt bepaald”.
4. In het hoofdgeding moeten deze begrippen worden toegepast op de volgende feiten. De vennootschap Hepp, verzoekster in het hoofdgeding, importeerde van 1983 tot 1986 goederen uit het Verre Oosten door bemiddeling van een Zwitserse vennootschap, Novimex, waarmee zij in 1982 een overeenkomst had gesloten volgens welke Novimex de goederen zou kopen in eigen naam, maar voor rekening van Hepp. Novimex verkocht vervolgens de goederen door aan Hepp tegen betaling van een inkoopcommissie van 6 of 7% en terugbetaling van de gemaakte kosten. Voor elke verrichting bracht Novimex Hepp de prijzen van haar transactie met de producent in rekening; de commissies werden apart gefactureerd.
5. In haar douaneaangiften vermeldde Hepp Novimex in de rubriek „verkoper” en legde zij de door Novimex op haar naam gestelde facturen over, zonder gewag te maken van de overeengekomen commissies. Op basis van deze aangiften stelde het Hauptzollamt Karlsruhe, verweerder in het hoofdgeding, met toepassing van voormeld artikel 3 de douanewaarde van de goederen vast. Na controle besloot het echter de commissies in de douanewaarde op te nemen en douanerechten na te vorderen. Om deze beslissing gaat het in het hoofdgeding.
De eerste vraag
6. Het Bundesfinanzhof, dat zich over de zaak moet uitspreken, stelt ons in de eerste plaats de volgende vraag:
„Welke overeenkomst moet in geval van inschakeling van een inkoopagent die in eigen naam, maar voor rekening van derden handelt, worden aangemerkt als verkoop in de zin van artikel 3 van verordening (EEG) nr. 1224/80 van de Raad van 28 mei 1980 inzake de douanewaarde van de goederen?”
7. Het Bundesfinanzhof, de Duitse regering, de Commissie en de partijen in het hoofdgeding zijn het erover eens, dat het begrip „verkoop” in de zin van artikel 3 van de basisverordening niet mag worden uitgelegd aan de hand van begrippen uit de verschillende stelsels van privaatrecht die van toepassing zijn, maar dat het wegens het vereiste van eenvormige uitlegging van het gemeenschapsrecht een uniforme inhoud moet krijgen. Ook moet rekening worden gehouden met de eisen van de internationale handelspraktijk.
8. Zij verschillen echter van mening over de vraag, tussen welke contractpartijen er een verkoop in de zin van artikel 3 heeft plaatsgehad.
9. Volgens de Duitse regering heeft de tussenpersoon in eigen naam gekocht bij de producent en is hij aldus zelf partij geworden bij de verkoopovereenkomst die de producent heeft afgesloten. Het zou daarbij irrelevant zijn, dat hij niet de bedoeling had voor eigen rekening te handelen, maar voor die van een derde, namelijk verzoekster in het hoofdgeding. Dit zou dus een eerste verkoop in de zin van artikel 3 van de basisverordening zijn.
10. Anderzijds zou de tussenpersoon ook partij zijn bij een overeenkomst tot het verrichten van enkele diensten, die moet worden beschouwd als een „verkoopovereenkomst” in de zin van voormelde bepaling. Die overeenkomst vertoont immers bij de noodzakelijke ruime uitlegging van dit begrip de wezenlijke kenmerken van een verkoop, namelijk de overdracht aan een persoon van de eigendom van een goed tegen betaling van een som geld. Tevens beoogt zij de levering van dit goed in de Gemeenschap.
11. In casu zouden er dus twee opeenvolgende transacties zijn die voldoen aan de voorwaarden van artikel 3, en heeft de importeurkoper aan de verkoper bijgevolg een commissie betaald. Men zou dus te maken hebben met dezelfde situatie als in het arrest Unifert(1), waarin het Hof heeft verklaard, dat een dergelijke commissie in de douanewaarde moet worden begrepen.
12. Ik stel u voor, deze zienswijze niet te volgen, en wel om de volgende redenen.
13. Hoewel verordening nr. 1224/80 het begrip „verkoop” niet definieert, is dat wel het geval met het begrip „inkoopcommissies”. Ik herinner eraan, dat hieronder worden verstaan
„de vergoedingen die een importeur aan zijn agent betaalt voor de dienst van het hem vertegenwoordigen bij de aankoop van de goederen waarvan de waarde wordt bepaald”.
14. De Duitse formulering „daß er für ihn tätig wird” (letterlijk: „dat hij voor hem handelt”) lijkt mij zwakker dan die in de acht andere taalversies, namelijk „representing him”, „le représenter”, „rappresentarlo”, enzovoort die eerder overeenkomen met het Duitse „daß er ihn vertritt”. Ik meen, dat wanneer één enkele taalversie een enigszins afwijkend begrip hanteert, men dient uit te gaan van het begrip dat voorkomt in alle andere versies, in casu dat van „vertegenwoordiging”.
15. Aangezien de agent dus de importeur vertegenwoordigt met het oog op de aankoop van het goed, wordt de koop geacht plaats te vinden tussen de producent (of leverancier) en de importeur.
16. Deze redenering vindt men ook terug in toelichting 2.1 van het Technisch comité inzake de douanewaarde(2), waaraan mijns inziens veel belang moet worden gehecht. Dit Technisch comité is opgericht krachtens artikel 18 van de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel, gesloten te Genève op 12 april 1979, en goedgekeurd bij besluit van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 10 december 1979 betreffende de sluiting van de multilaterale overeenkomsten waarover tijdens de handelsbesprekingen van 1973 tot en met 1979 overeenstemming is bereikt (PB 1980, L 71, biz. 1). Het Technisch comité inzake de douanewaarde staat onder auspiciën van de Internationale Douaneraad en is samengesteld uit vertegenwoordigers van alle landen die partij zijn bij de Overeenkomst. Volgens bijlage II bij de Overeenkomst heeft het Technisch comité tot taak „op technisch niveau tot eenheid in uitlegging en toepassing van deze Overeenkomst te komen”. Zijn adviezen, die diverse vormen kunnen aannemen (waaronder die van toelichtingen), worden goedgekeurd met een meerderheid van ten minste twee derde van de aanwezige leden. Hoewel zij slechts een raadgevend karakter hebben, vertolken deze adviezen toch de mening van deskundigen uit de meeste landen die deelnemen aan de wereldhandel. De aanvaarding door de Gemeenschap van een uitlegging die ingaat tegen een dergelijk advies, zou ernstige problemen kunnen doen rijzen; de Gemeenschap kan dat dan ook enkel doen om zeer gewichtige redenen.
17. Bijlage I bij de Overeenkomst van Genève bevat een noot voor de interpretatie van artikel 8 van de Overeenkomst, die voor inkoopcommissies een definitie geeft die identiek is aan die van artikel 8, lid 4, van verordening nr. 1224/80.
18. Bezien we nu de inhoud van toelichting 2.1 van het Technisch comité. Zij bevat in de eerste plaats een algemene definitie:
„Commissies en courtage zijn vergoedingen, betaald aan tussenpersonen voor hun medewerking bij de afsluiting van de koopovereenkomst” (punt 2).
Vervolgens preciseert zij:
„De commissionair (ook ‚agent’ of tussenpersoon genoemd) is iemand die koopt of verkoopt, desgevallend in eigen naam, maar altijd voor rekening van een committent. Hij neemt deel aan het afsluiten van de koopovereenkomst door er de verkoper of de koper te vertegenwoordigen”
19. Na te hebben vastgesteld dat de commissionair wordt vergoed met een commissie die gewoonlijk wordt uitgedrukt in een percentage van de prijs van de goederen, maakt de toelichting vervolgens onderscheid tussen verkoop en inkoopcommissionairs. Met betrekking tot deze laatsten verklaart zij, dat het personen zijn die
„handelen voor rekening van de kopers aan wie zij diensten verlenen bij het zoeken van leveranciers, het kenbaar maken van de wensen van de koper aan de verkoper, het onderzoek van stalen, de controle van de goederen en eventueel ook bij de verzekering, het transport, de opslag en de levering van de goederen” (punt 9). „De inkoopcommissionairs ontvangen gewoonlijk een inkoopcommissie van de importeur, onafhankelijk van de betaling van de prijs van de door deze laatste gekochte goederen” (punt 10). „De aldus door de koper van de geïmporteerde goederen betaalde commissie mag krachtens artikel 8, lid 1, sub ai, niet worden toegevoegd aan de voor deze goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs” (punt 11).
Ten slotte beklemtoont het comité:
„Bij de vaststelling van de transactiewaarde van de geïmporteerde goederen moeten de door de koper betaalde commissies en courtage, met uitzondering van de inkoopcommissies, in deze waarde worden begrepen. In dit verband hangt het in laatste instantie af van de door de tussenpersoon vervulde rol en niet van de naam (commissionair of makelaar) die men hem geeft, of aan de werkelijk betaalde of te betalen prijs de kosten van de bemiddeling moeten worden toegevoegd die de koper draagt, maar die niet in deze prijs zijn begrepen” (punt 15).
20. Deze toelichting beschrijft zeer duidelijk de toepasselijke regels; ik zie geen enkele reden, waarom het gemeenschapsrecht het Hof tot een andere conclusie zou moeten brengen. In casu hebben de toepasselijke bepalingen van het gemeenschapsrecht, namelijk verordening nr. 1224/80 van de Raad en de uitvoeringsverordeningen van de Commissie, uitdrukkelijk ten doel, te voldoen aan de verplichting van de Gemeenschap „haar wetgeving, verordeningen en administratieve procedures in overeenstemming te brengen met de bepalingen van de Overeenkomst” inzake de toepassing van artikel VII van het GATT (zie de vijfde overweging van de considerans van verordening nr. 1224/80).
21. De toelichting bevestigt allereerst wat advocaatgeneraal Tesauro reeds had beklemtoond in punt 10 van zijn conclusie in de zaak Unifert (Jurispr. 1990, blz. I-2287), namelijk dat eerst en vooral moet worden vastgesteld, welke rol de tussenpersoon werkelijk heeft gespeeld. Indien hij uitsluitend voor rekening van de koper heeft gehandeld, was hij partij bij de sluiting van de koopovereenkomst door er de koper te vertegenwoordigen, en is de overeenkomst in wezen gesloten tussen de producent/leverancier en de importeur/koper.
22. Uit de technische toelichting blijkt tevens, dat dit ook het geval is wanneer de commissionair in eigen naam koopt.
23. Voor de toepassing van artikel 3 van de basisverordening kan men dus geen onderscheid maken tussen de eigenlijke, openlijke vertegenwoordiging en de onvolmaakte of „verborgen”(3) vertegenwoordiging die in het hoofdgeding aan de orde is. Deze twee soorten rechtsbetrekkingen zijn immers wat hun economische kenmerken betreft, in wezen van dezelfde aard en de tweede lijkt vrij frequent te zijn in de internationale handel, waarvan het vlotte verloop door de uit te leggen bepalingen moet worden vergemakkelijkt. Uit de preambule van de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VÌI van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel blijkt immers, dat „de douanewaarde behoort te worden vastgesteld volgens eenvoudige en rechtvaardige maatstaven, die in overeenstemming zijn met de handelspraktijk”.
24. De zesde overweging van de considerans van de basisverordening preciseert op haar beurt, dat met deze verordening „wordt beoogd de wereldhandel te stimuleren via een billijk, uniform en neutraal systeem voor de bepaling van de douanewaarde waarbij het gebruik van willekeurig vastgestelde of fictieve douanewaarden wordt uitgesloten”, en „dat de douanewaarde derhalve moet worden bepaald aan dé hand van criteria die met de handelspraktijk verenigbaar zijn”.
25. Welnu, het is duidelijk dat dit doel niet kan worden bereikt indien men een louter formeel onderscheid maakt tussen twee rechtsinstituten, die van „openlijk” vertegenwoordiger en die van „verborgen” verter genwoordiger, die uit economisch oogpunt in wezen gelijk zijn. De positie van beide vertegenwoordigers verschilt immers fundamenteel van die van een koper, omdat zij geen van de risico's van de transactie dragen.
26. Zoals de Commissie, bij wie Hepp zich ter terechtzitting heeft aangesloten, beklemtoont, volgt uit het voorgaande, dat noch de transactie tussen Novimex en Hepp, noch die tussen Novimex en de producent kan worden beschouwd als een verkoop in de zin van artikel 3 van de basisverordening. Voor de toepassing van dit artikel is de relevante transactie integendeel die welke door bemiddeling van Novimex plaatsvond tussen Hepp en de producent.
27. De Duitse regering werpt evenwel op, dat er tussen Hepp en de producent geen enkele contractuele betrekking bestaat. Formeel gezien is dat stellig juist. Maar de Duitse regering wijst er zelf op, dat men overdreven formalisme dient te vermijden en het begrip „transactiewaarde” ruim moet uitleggen. Zo gezien komt het mij voor, dat men enkel kan aanvaarden, dat de transactie in de zin van de basisverordening heeft plaatsgevonden tussen Hepp en de producent, waarbij Novimex enkel tussenpersoon was.
28. Men kan er hier overigens aan herinneren, dat een dergelijke benadering volledig in de lijn ligt van één van de grote trends in de rechtspraak van het Hof, dat er steeds op uit is, achter de soms louter formele įuridisehe kwalificaties de economische realiteit te vatten.(4)
29. Ik geef derhalve in overweging, de eerste vraag te beantwoorden als volgt:
„Wanneer vaststaat dat de tussenpersoon die in eigen naam is opgetreden, in werkelijkheid in naam en voor rekening van de importeur heeft gehandeld, is er slechts sprake van één enkele verkoop in de zin van artikel 3 van verordening (EEG) nr. 1224/80 van de Raad van 28 mei 1980 inzake de douanewaarde van de goederen, namelijk die tussen de producent/leverancier en de importeur van de goederen.”
De tweede vraag
30. De tweede vraag luidt als volgt:
„Ingeval op vraag 1 wordt geantwoord, dat zowel de overeenkomst producent/agent als de overeenkomst agent/importeur aan de voorwaarden van artikel 3 van verordening nr. 1224/80 voldoet, en de importeur de in zijn overeenkomst met de agent genoemde prijs als grondslag voor de vaststelling van de douanewaarde heeft aangegeven, moet de inkoopcommissie dan bij de betaalde prijs worden opgeteld?”
31. Wanneer de eerste vraag wordt beantwoord zoals ik zojuist heb voorgesteld, is beantwoording van de tweede niet nodig. Wanneer het Hof echter evenals de Duitse regering zou menen, dat het hier gaat om twee koopovereenkomsten in de zin van artikel 3 van de basisverordening, dan moet de rechtspraak Unifert worden toegepast, die een identiek geval betrof, namelijk dat van twee opeenvolgende verkopen van dezelfde goederen. Daaruit volgt, dat de importeur kan kiezen tussen de verkoop producent/agent of die tussen hemzelf en de agent, maar dat hij, wanneer hij zijn keuze eenmaal heeft gemaakt, daaraan gebonden is (zie r. o. 21 van het arrest Unifert).
32. De Duitse regering meent, dat de importeur in casu de tweede mogelijkheid heeft gekozen en dat hij daar de gevolgen van moet dragen, namelijk dat de relevante prijs die is welke zijn agent hem heeft gefactureerd, met inbegrip van de commissie, daar volgens voormeld arrest een afzonderlijk gefactureerde, als „inkoopcommissie” omschreven betaling van de koper aan de verkoper tot de werkelijk betaalde of te betalen prijs van de ingevoerde goederen in de zin van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1224/80 behoort. Evenals het Bundesfinanzhof meen ik, dat dit een onvermijdelijk gevolg is van het arrest Unifert, maar enkel voor zover er werkelijk twee opeenvolgende verkopen waren, dat wil zeggen, dat Novimex een koper was en geen inkoopcommissionair.
33. De Commissie stelt een andere oplossing voor. Zij gaat ervan uit, dat de importeur in casu de tweede transactie heeft gekozen, maar meent dat de inkoopcommissie daarom niet noodzakelijkerwijs in de prijs moet worden begrepen. Bij de toepassing van het arrest Unifert dient men immers rekening te houden met de bijzondere rol die Novimex heeft gespeeld, en moet men het bedrag van haar commissie buiten beschouwing laten, daar het hier zeer duidelijk ging om een inkoopcommissie in de zin van artikel 8, lid 4, van de basisverordening en dergelijke commissies krachtens artikel 8, lid 1, niet in de douanewaarde worden opgenomen.
34. Ik kan het met deze redenering niet eens zijn, daar zij mij een contradictie lijkt te bevattten. Ofwel hebben wij immers te maken met twee opeenvolgende verkopen en is Novimex bij de tweede transactie een „gewone” verkoper; in dat geval moet het bedrag dat zij ontvangt, volgens het arrest Unifert in de douanewaarde worden begrepen. Ofwel is Novimex slechts een agent en zijn er dus geen verschillende verkopen. Het lijkt mij daarentegen onlogisch, Novimex eerst te beschouwen als een „gewone” koper/verkoper die in twee verkopen optreedt, en er dan een agent van te maken ten einde een bedrag uit te sluiten dat zelfs geen commissie is, daar Novimex een „gewone” verkoper is.
De derde vraag
35. De derde vraag luidt als volgt:
„Ingeval op vraag 1 wordt geantwoord, dat er slechts sprake is van één verkooptransactie, namelijk producent/importeur, moet de inkoopcommissie dan in de douanewaarde worden opgenomen wanneer de importeur in zijn douaneaangifte onder ‚verkoper’ de agent heeft vermeld en bovendien de door deze gefactureerde prijs (zonder commissie) heeft aangegeven?”
36. Deze vraag heeft als uitgangspunt het antwoord dat ik heb gesuggereerd voor de eerste vraag. Zij moet derhalve worden beantwoord. Ik deel in dit verband volledig het standpunt van de Commissie, dat de manier waarop de importeur de douaneaangifte heeft ingevuld, het antwoord op de vraag niet kan beïnvloeden.
37. Het is immers duidelijk, dat wanneer uit het oogpunt van artikel 3 van de basisverordening slechts één enkele transactie relevant is, de importeur niet kan kiezen. Dat hij in zijn douaneaangifte de tussenpersoon als de „verkoper” heeft opgegeven, kan geen wijziging brengen in de uit de basisverordening voortvloeiende rechtssituatie. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat hij de factuur die hij van de agent heeft ontvangen, bij de aangifte heeft gevoegd in plaats van de factuur die de producent aan de agent had gestuurd. Dit zijn twee problemen die de juiste afwikkeling van de formaliteiten betreffen en die geen wijziging kunnen brengen in de eigenlijke rechtssituatie, namelijk het bestaan van één enkele transactie in de zin van artikel 3 en het ontbreken van een keuzemogelijkheid voor de importeur.
38. De Commissie merkt daarnaast terecht op, dat het standaardformulier voor de douaneaangifte in bijlage I bij verordening nr. 1496/80(5) hoe dan ook slechts één vakje „verkoper” bevat en dat het de aangever dus niet mogelijk maakt de bijzondere positie te vermelden van de agent, die hem de goederen wel heeft gezonden, maar enkel de rol van tussenpersoon heeft gespeeld. Volgens de Commissie kan een dergelijke administratieve praktijk de declarant niet worden tegengeworpen.
39. Indien het Bundesfinanzhof er dus van overtuigd is, dat Novimex geen koper was, maar een commissionair die Hepp vertegenwoordigde „bij de aankoop van de goederen waarvan de waarde wordt bepaald”, zijn de aan Novimex betaalde bedragen een inkoopcommissie in de zin van artikel 8, lid 4, van de basisverordening en mogen zij krachtens lid 1 van dit artikel niet worden opgenomen in de douanewaarde. Dit wordt bevestigd door artikel 3 van verordening nr. 1495/80(6), dat inkoopcommissies die te onderscheiden zijn van de werkelijk betaalde of te betalen prijs, niet in aanmerking neemt voor de douanewaarde.
40. Anders dan de Duitse regering en evenals de Commissie meen ik, dat het Comité douanewaarde van de Gemeenschap in zijn conclusie nr. 14(7) een feitelijke situatie heeft onderzocht die identiek is aan die van het hoofdgeding. Het besloot, dat „wanneer de aan de fabrikant/leverancier betaalde prijs als basis wordt genomen voor de transactiewaarde, in de zin van artikel 3 van verordening (EEG) nr. 1224/80” — wat volgens de vragen van het Bundesfinanzhof in het hoofdgeding het geval is —, „de aangever op grond van artikel 4 van verordening (EEG) nr. 1496/80 normaliter gehouden (is) een exemplaar van de door de fabrikant/leverancier uitgereikte factuur aan de douane over te leggen”, maar dat „gezien de bovenvermelde feiten, de douaneautoriteiten evenwel de door agent X uitgereikte factuur kunnen aanvaarden (zonder rekening te houden met de inkoopcommissie), onder voorbehoud van eventuele controles”.
41. Derhalve geef ik evenals de Commissie in overweging, de derde vraag te beantwoorden als volgt:
„Zelfs wanneer de importeur in zijn douaneaangifte de tussenpersoon onder ‚verkoper’ heeft vermeld en hij bovendien de door de tussenpersoon gefactureerde prijs (zonder commissie) heeft opgegeven, dient de inkoopcommissie niet in de douanewaarde te worden begrepen.”
De vierde vraag
42. De vierde vraag luidt als volgt:
„Ingeval op vraag 1 wordt geantwoord, dat de overeenkomst producent/agent een verkoop is, doch niet de overeenkomst agent/importeur, hoe moet de douanewaarde dan volgens de gemeenschaprechtelijke voorschriften worden vastgesteld, wanneer de importeur de douanewaarde op de in vraag 3 beschreven wijze heeft aangegeven?”
43. Gelet op mijn voorstel voor het antwoord op de eerste vraag, behoeft de vierde vraag niet te worden beantwoord. Ik merk het volgende dan ook slechts volledigheidshalve op.
44. Indien men ervan uitgaatj dat voor artikel 3 van de basisverordening de transactie tussen de producent en de agent relevant is, moet de prijs hiervan uiteraard als basis worden genomen voor de douanewaarde.
45. De aan de agent betaalde bedragen kunnen dan enkel worden beschouwd als inkoopcommissies in de zin van artikel 8, leden 1, sub a, en 4, van de basisverordening.
46. Om de redenen die ik reeds bij de bespreking van de derde vraag vermeldde, kan het feit dat de importeur zijn aangifte op de hiervoor beschreven wijze heeft ingevuld, niet tot een andere conclusie leiden.
Conclusie
47. Resumerend stel ik u voor, de vragen van heţ Bundesfinanzhof te beantwoorden als volgt:
Wanneer vaststaat dat de tussenpersoon die in eigen naam is opgetreden, in werkelijkheid in naam en voor rekening van de importeur heeft gehandeld, is er slechts sprake van één enkele verkoop in de zin van artikel 3 van verordening (EEG) nr. 1224/80 van de Raad van 28 mei 1980 inzake de douanewaarde van de goederen, namelijk die tussen de producent/leverancier en de importeur van de goederen.
Zelfs wanneer de importeur in zijn douaneaangifte de tussenpersoon onder ‚verkoper’ heeft vermeld en hij bovendien de door de tussenpersoon gefactureerde prijs (zonder commissie) heeft opgegeven, dient de inkoopcommissie niet in de douanewaarde te worden begrepen.”