Hof van Justitie EU 11-07-1991 ECLI:EU:C:1991:311
Hof van Justitie EU 11-07-1991 ECLI:EU:C:1991:311
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 11 juli 1991
Uitspraak
Arrest van het Hof (Vijfde kamer)
11 juli 1991(*)
In zaak C-31/90,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Social Security Commissioners, in het aldaar aanhangig geding tussen
E. R. Johnson
enChief Adjudication Officer,
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: J. C. Moitinho de Almeida, kamerpresident, G. C. Rodríguez Iglesias, Sir Gordon Slynn, R. Joliét en M. Zuleeg, rechters,
advocaat-generaal: M. Darmon
griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
-
E. R. Johnson, vertegenwoordigd door V. Chapman, Solicitor te Londen,
-
de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door H. A. Kaya, Treasury Solicitor te Londen, als gemachtigde,
-
de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door K. Banks, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
-
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van verzoekster, vertegenwoordigd door R. Drabble, Barrister, de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door H. Kaya als gemachtigde, R. Jay, Barrister, en J. Laws, Barrister, en de Commissie ter terechtzitting van 5 februari 1991,
gehoord de conclusie van de advocaatgeneraal ter terechtzitting van 5 maart 1991,
het navolgende
Arrest
1 Bij beschikking van 25 januari 1990, ingekomen ter griffie van het Hof op 31 januari daaraanvolgend, hebben de Social Security Commissioners krachtens artikel 177 EEG-Verdrag vier prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 2 en 4 van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (PB 1979, L 6, biz. 24).
2 De vragen zijn gerezen in een bij de Social Security Commissioners aanhangig geding tussen E. R. Johnson en de Adjudication Officer over de weigering van deze laatste om aan Johnson een uitkering wegens ernstige invaliditeit (Severe Disablement Allowance, hierna: SDA) toe te kennen.
3 Blijkens het dossier hield Johnson in 1970 op met werken om voor haar dochter te zorgen, die toen zes jaar oud was en met wie zij alleen woonde. In 1980 wilde zij weer gaan werken, maar kon zij dit niet wegens een rugletsel. Wegens haar arbeidsongeschiktheid werd haar in 1981 op grond van de toen geldende Section 36, lid 2, van de Social Security Act 1975 een niet op premiebetaling berustend invaliditeitspensioen (Non-Contributory Invalidity Pension, hierna: NCIP) tpegekend. De betaling van het NCIP werd echter stopgezet toen verzoekster met haar huidige partner ging samenwonen, op grond dat zij niet kon aantonen dat zij voldeed aan de aanvullende voorwaarde die door Section 36, lid 2, werd gesteld aan samenwonende vrouwen, namelijk dat zij ongeschikt was voor het verrichten van normale huishoudelijke werkzaamheden.
4 Het NCIP werd met ingang van 29 november 1984 afgeschaft bij Section 11 van de Health and Social Security Act 1984; de nieuwe uitkering, de SDA, waarvoor mannen en vrouwen onder gelijke voorwaarden in aanmerking kwamen, werd met ingang van 29 november 1984 van kracht. Op grond van artikel 20, lid 1, van de Social Security (Severe Disablement Allowance) Regulations 1984 evenwel kwamen degenen die aanspraak konden maken op het oude NCIP, vanaf 29 november 1984 automatisch in aanmerking voor de nieuwe SDA, zonder dat zij hoefden aan te tonen dat zij aan de nieuwe voorwaarden voldeden.
5 Op 17 augustus 1987 diende verzoekster via een Citizens' Advice Bureau een aanvraag in om toekenning van een SDA op basis van artikel 20, lid 1, van de Social Security (Severe Disablement Allowance) Regulations 1984. Zij stelde, dat zij voor het tijdvak onmiddellijk vóór 29 november 1984 recht zou hebben gehad op een NCIP, ware het niet dat gehuwde of samenwonende vrouwen moesten voldoen aan de aanvullende voorwaarde betreffende de ongeschiktheid voor huishoudelijke werkzaamheden, welke voorwaarde volgens het arrest van het Hof van 24 juni 1987 (zaak 384/85, Borrie Clarke, Jurispr. 1987, blz. 2865) als discriminerend moest worden beschouwd.
6 Verzoeksters aanvraag werd door de Adjudication Officer bij beschikking van 13 november 1987 afgewezen. Verzoeksters beroep tegen die beschikking werd door het Sutton Social Security Appeal Tribunal afgewezen bij uitspraak van 24 oktober 1988.
7 In hoger beroep voor de Social Security Commissioners betoogde de Adjudication Officer in de eerste plaats, dat verzoekster niet viel binnen de in artikel 2 omschreven personele werkingssfeer van richtlijn 79/7. Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van 27 juni 1989 (gevoegde zaken 48/88, 106/88 en 107/88, Achterberg-te Riele e. a., Jurispr. 1989, blz. 1963) stelde hij, dat verzoekster niet kon worden aangemerkt als iemand wiens arbeid was onderbroken door ziekte of een andere in artikel 3 van de richtlijn bedoelde eventualiteit, omdat zij uit eigen beweging was opgehouden met werken om voor haar dochter te zorgen. In de tweede plaats stelde hij dat, zelfs wanneer verzoekster binnen de personele werkingssfeer van richtlijn 79/7 viel, zij vóór 29 november 1984 nooit had verzocht om een NCIP en daardoor niet voldeed aan de voorwaarden voor verkrijging van een SDA, omdat zij niet kon aantonen dat zij recht had op een NCIP althans om toekenning daarvan had verzocht.
8 Van oordeel dat voor de beslechting van het geschil een uitlegging van de richtlijn nodig is, hebben de Social Security Commissioners de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
Moet artikel 2 van richtlijn 79/7 van de Raad aldus worden uitgelegd, dat de personele werkingssfeer ervan zich ook uitstrekt tot de vrouw (of man) die werkzaam was in loondienst, doch deze werkzaamheid heeft gestaakt om voor een kind te zorgen, en die daarna door ziekte is verhinderd weer te gaan werken?
Moet, meer bepaald, die vrouw (of man) worden geacht binnen de personele werkingssfeer van de richtlijn te vallen, wanneer zij (of hij) enkel wegens ziekte niet werkt of niet werkzoekende is, of moet degene die stelt binnen de personele werkingssfeer van de richtlijn te vallen, zijn werkzaamheid in de eerste plaats hebben gestaakt wegens het intreden van een der in artikel 3 vermelde risico's en niet om voor een kind te zorgen?
Is het voor de beoordeling van de situatie van die vrouw in verband met artikel 2 van de richtlijn van belang, of zij al dan niet werkzoekende is geweest tussen het tijdstip waarop de zorg voor het kind een einde heeft genomen en het intreden van de ziekte waardoor zij nu arbeidsongeschikt is?
Heeft artikel 4 van richtlijn 79/7 van de Raad rechtstreekse werking in die zin, dat een vrouw er een recht op prestaties aan kan ontlenen (uitkering ‚B’) voor het tijdvak na de indiening van haar aanvraag, wanneer:
een Lid-Staat een invaliditeitsuitkering toekende (gelijk de in de zaak Clarke onderzochte, niet op bijdragebetaling berustende invaliditeitsuitkering; uitkering ‚A’), waarop gehuwde of samenwonende vrouwen slechts aanspraak hadden voor zover zij aan een aanvullende voorwaarde voldeden, die niet voor mannen gold;
uitkering ‚A’ is afgeschaft en vervangen door uitkering ‚B’;
het recht op uitkering ‚B’ althans in sommige gevallen afhankelijk is gesteld van een vroegere aanspraak op de afgeschafte uitkering ‚A’;
het recht van de vrouw op uitkering ‚A’ krachtens de nationale wettelijke regeling niet is vastgesteld door de indiening van een aanvraag vóór de afschaffing ervan, en niet kan worden vastgesteld door nu nog een aanvraag in te dienen, omdat geen uitkering kan worden toegekend voor tijdvakken die meer dan twaalf maanden vóór de datum van aanvraag liggen?”
9 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten en van het rechtskader van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
10 De door de Social Security Commissioners gestelde prejudiciële vragen werpen twee afzonderlijke kwesties op : de afbakening van de personele werkingssfeer van richtlijn 79/7 (eerste, tweede en derde vraag) en de vaststelling van de draagwijdte van het in artikel 4 van richtlijn 79/7 neergelegde beginsel van gelijke behandeling met betrekking tot de voorwaarden voor verkrijging van een sociale-zekerheidsuitkering (vierde vraag).
11 Naar luid van artikel 1 beoogt richtlijn 79/7
„(...) de geleidelijke tenuitvoerlegging, voor wat betreft de in artikel 3 genoemde gebieden van de sociale zekerheid en van de andere factoren van sociale bescherming, van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, hierna ‚beginsel van gelijke behandeling’ genoemd.”
12 Volgens artikel 2 is de richtlijn van toepassing op
„de beroepsbevolking — met inbegrip van zelfstandigen, van werknemers en zelfstandigen wier arbeid is onderbroken door ziekte, ongeval of onvrijwillige werkloosheid en van werkzoekenden — alsmede op gepensioneerde of invalide werknemers en zelfstandigen.”
13 Volgens artikel 3, lid 1, is de richtlijn van toepassing op:
de wettelijke regelingen die bescherming bieden tegen de volgende eventualiteiten :
ziekte,
invaliditeit,
ouderdom,
arbeidsongevallen en beroepsziekten,
werkloosheid ;
de sociale-bijstandsregelingen, voor zover deze een aanvulling vormen op of in de plaats komen van de sub a) bedoelde regelingen.”
14 Artikel 4 bepaalt het volgende :
„Het beginsel van gelijke behandeling houdt in dat iedere vorm van discriminatie op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect door verwijzing naar met name echtelijke staat of gezinssituatie, is uitgesloten in het bijzonder met betrekking tot:
de werkingssfeer van de regelingen alsmede de voorwaarden inzake toelating tot de regelingen,
de verplichting tot premiebetaling en de premieberekening,
de berekening van de prestaties, waaronder begrepen verhogingen verschuldigd uit hoofde van de echtgenoot en voor ten laste komende personen, alsmede de voorwaarden inzake duur en behoud van het recht op prestaties.”
15 Volgens artikel 7, lid 1, doet de richtlijn
„(...) geen afbreuk aan de bevoegdheid van de Lid-Staten om van haar werkingssfeer uit te sluiten:
(...)
(...); het verkrijgen van rechten op prestaties na tijdvakken van onderbreking van het werk wegens de opvoeding van kinderen”.
De personele werkingssfeer van richtlijn 79/7
16 Met de eerste drie vragen, die gezamenlijk moeten worden onderzocht, wensen de Social Security Commissioners in hoofdzaak te vernemen of iemand die zijn of haar beroepswerkzaamheid heeft onderbroken om zich met de opvoeding van zijn of haar kinderen bezig te houden en die door ziekte verhinderd is weer te gaan werken, al dan niet binnen de personele werkingssfeer van richtlijn 79/7 valt.
17 Meer bepaald wordt het Hof met de tweede en derde vraag verzocht dienaangaande duidelijk te maken
-
of iemand die zou werken of op zoek zou zijn naar werk, indien hij of zij niet ziek was, zijn of haar vorige beroepswerkzaamheid moet hebben gestaakt wegens het intreden van een van de in artikel 3 van de richtlijn bedoelde eventualiteiten, wil hij of zij binnen de werkingssfeer van richtlijn 79/7 vallen;
-
of het feit dat betrokkene al dan niet op zoek was naar werk toen een van de in artikel 3 van de richtlijn bedoelde eventualiteiten zich voordeed, bepalend is voor de vraag of betrokkene binnen de werkingssfeer van richtlijn 79/7 valt.
18 Uit artikel 2 juncto artikel 3 van richtlijn 79/7 vloeit voort, dat deze enkel van toepassing is op degenen die beschikbaar zijn op de arbeidsmarkt of die dit niet meer zijn doordat een van de in de richtlijn bedoelde eventualiteiten zich heeft voorgedaan.
19 Dit betekent in de eerste plaats, dat degene die zijn of haar beroepswerkzaamheid heeft gestaakt om zich bezig te houden met de opvoeding van zijn of haar kinderen, niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 79/7 valt als werknemer wiens arbeid is onderbroken door een van de in de richtlijn bedoelde eventualiteiten, aangezien onderbreking van het werk wegens de opvoeding van kinderen niet behoort tot de in artikel 3, lid 1, sub a, van de richtlijn opgesomde eventualiteiten.
20 Het betekent in de tweede plaats, dat deze persoon wel kan worden geacht binnen de werkingssfeer van richtlijn 79/7 te vallen als werkzoekende wiens zoeken naar werk onmogelijk wordt gemaakt doordat een van de in artikel 3, lid 1, sub a, van de richtlijn bedoelde eventualiteiten zich voordoet.
21 Reeds in zijn hoedanigheid van werkzoekende maakt betrokkene deel uit van de beroepsbevolking in de zin van artikel 2 van de richtlijn, zonder dat daarbij onderscheid dient te worden gemaakt naar gelang van de reden waarom de betrokkene zijn of haar vroegere werkzaamheid heeft opgegeven of zelfs naar gelang hij of zij voorheen al dan niet een beroepswerkzaamheid heeft verricht.
22 Betrokkene moet evenwel aantonen, dat hij of zij werkzoekende was toen een van de in artikel 3, lid 1, sub a, van de richtlijn bedoelde eventualiteiten zich voordeed. Dienaangaande staat het aan de nationale rechter om vast te stellen of betrokkene daadwerkelijk werkzoekende was op het moment waarop hij of zij werd getroffen door een van de in de richtlijn bedoelde eventualiteiten, waarbij met name in aanmerking genomen dient te worden of betrokkene was ingeschreven bij een organisatie die zich bezig houdt met arbeidsbemiddeling of die behulpzaam is bij het solliciteren, of betrokkene sollicitatiebrieven heeft gestuurd naar werkgevers en of verklaringen beschikbaar zijn van bedrijven, waaruit blijkt dat betrokkene sollicitatiegesprekken heeft gehad.
23 Hieruit volgt, dat de bescherming die richtlijn 79/7 biedt aan degenen die hun beroepswerkzaamheid hebben gestaakt om zich bezig te houden met de opvoeding van hun kinderen, enkel ten goede komt aan diegenen onder hen die arbeidsongeschikt zijn geworden gedurende een periode waarin zij op zoek waren naar werk.
24 Zoals door het Verenigd Koninkrijk en de Commissie is uiteengezet, zijn het uiteraard voornamelijk vrouwen die hun beroepswerkzaamheid onderbreken om zich bezig te houden met de opvoeding van kinderen en die dientengevolge worden benadeeld wanneer zij ziek of invalide worden, voordat zij zelfs maar opnieuw op zoek zijn gegaan naar werk.
25 Hierbij moet echter worden opgemerkt, dat richtlijn 79/7 blijkens de eerste overweging en artikel 1 enkel de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid beoogt. Aangaande de sociale bescherming van niet-werkende moeders volgt uit artikel 7, lid 1, sub b, van richtlijn 79/7, dat het verkrijgen van rechten op prestaties na tijdvakken van onderbreking van het werk wegens de opvoeding van kinderen, nog steeds tot de regelgevende bevoegdheid van de Lid-Staten behoort.
26 Onder die omstandigheden staat het aan de gemeenschapswetgever om de maatregelen te nemen die hij nodig acht om de op dit punt in sommige nationale wetgevingen nog bestaande discriminaties op te heffen.
27 Mitsdien moet op de eerste drie vragen worden geantwoord, dat artikel 2 van richtlijn 79/7 aldus moet worden uitgelegd, dat deze richtlijn niet van toepassing is op iemand die zijn of haar beroepswerkzaamheid heeft onderbroken om zich met de opvoeding van zijn of haar kinderen bezig te houden, en die door ziekte verhinderd is weer te gaan werken, tenzij de betrokkene op zoek was naar werk en dat zoeken onderbroken is doordat een van de in artikel 3, lid 1, sub a, van de richtlijn bedoelde eventualiteiten zich heeft voorgedaan; daarbij dient geen onderscheid te worden gemaakt naar gelang van de reden waarom de betrokkene zijn of haar vroegere werkzaamheid heeft opgegeven. Het staat aan de nationale rechter om vast te stellen dat degene die zich op richtlijn 79/7 beroept, daadwerkelijk werkzoekende was op het moment waarop een van de in artikel 3, lid 1, sub a, van de richtlijn bedoelde eventualiteiten zich voordeed.
Het in artikel 4 van richtlijn 79/7 bedoelde beginsel van gelijke behandeling
28 Met de vierde vraag wensen de Social Security Commissioners te vernemen, of artikel 4 van richtlijn 79/7 zich verzet tegen de gevolgen van een nationale wettelijke regeling, die het recht op een uitkering doet afhangen van de voorwaarde dat voordien een aanvraag is ingediend voor een andere, inmiddels afgeschafte uitkering, waarvan de toekenning afhankelijk was van een voor vrouwelijke werknemers discriminerende voorwaarde en, zo deze vraag bevestigend wordt beantwoord, wat de gevolgen zouden zijn van de onverenigbaarheid van de betrokken nationale wettelijke regeling met artikel 4 van de richtlijn.
29 Blijkens het dossier heeft Section 165 A van de Social Security Act 1975, bepalende onder welke voorwaarden betrokkene een aanvraag voor een uitkering kan indienen, tot gevolg dat iemand die niet heeft verzocht om betaling van het NCIP voordat deze uitkering werd afgeschaft, niet automatisch aanspraak kan maken op toekenning van de SDA uit hoofde van artikel 20, lid 1, van de Social Security (Severe Disablement Allowance) Regulations 1984.
30 Dienaangaande wordt in herinnering gebracht, dat de toekenning van het NCIP aan getrouwde of samenwonende vrouwen onder meer afhankelijk was gesteld van - de voorwaarde, dat betrokkene ongeschikt was voor huishoudelijke werkzaamheden, een voorwaarde waarvan het discriminerende karakter vaststaat.
31 Door te bepalen dat deze vrouwen een NCIP moeten hebben aangevraagd om aanspraak te kunnen maken op de SDA, laat voormelde Section 165 A juncto voormeld artikel 20, lid 1, deze discriminatie voortbestaan, omdat nagenoeg alle vrouwen die het slachtoffer waren van de discriminerende voorwaarde betreffende de ongeschiktheid voor huishoudelijke werkzaamheden, voortaan niet automatisch aanspraak kunnen maken op betaling van de SDA, terwijl mannen in een vergelijkbare situatie hiervoor wel automatisch in aanmerking komen. Deze laatsten hadden namelijk recht op het NCIP en konden er derhalve redelijkerwijze een aanvraag voor indienen, terwijl vrouwen geen enkele reden hadden om deze uitkering aan te vragen, omdat zij wisten dat zij er geen recht op hadden.
32 Gelijk het Hof oordeelde in het arrest van 24 juni 1987, Borrie Clarke, reeds aangehaald, rechtsoverweging 10, voorziet de richtlijn niet in uitzonderingen op het in artikel 4, lid 1, van de richtlijn neergelegde beginsel van gelijke behandeling, op grond waarvan oudere nationale bepalingen hun discriminerende werking zouden mogen behouden. Bijgevolg mag een Lid-Staat na 22 december 1984 — de datum waarop de door de richtlijn voorgeschreven termijn voor aanpassing van de nationale wettelijke regelingen verstreek — geen ongelijke behandelingen laten voortduren.
33 Onder die omstandigheden moet worden vastgesteld, dat een nationale wettelijke regeling als Section 165 A van de Social Security Act 1975 juncto artikel 20, lid 1, van de Social Security (Severe Disablement Allowance) Regulations 1984, die het recht op een uitkering doet afhangen van de voorwaarde dat voordien een aanvraag is ingediend voor een andere uitkering, waarvan de toekenning afhankelijk was van een voor vrouwelijke werknemers discriminerende voorwaarde, onverenigbaar is met artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7.
34 Gelijk het Hof ten slotte reeds oordeelde in het arrest Borrie Clarke, reeds aangehaald, rechtsoverweging 9, is artikel 4, lid 1, zowel op zichzelf beschouwd als gezien in verband met het doel en de inhoud van de richtlijn, voldoende nauwkeurig om door een justitiabele voor de nationale rechter te kunnen worden ingeroepen, opdat deze elke met dit artikel strijdige nationale bepaling buiten toepassing verklaart.
35 Uit voornoemd arrest (r. o. 12) blijkt voorts, dat vrouwen vanaf 23 december 1984 recht hebben op dezelfde behandeling en op toepassing van dezelfde regeling als mannen die in een gelijke situatie verkeren, waarbij die regeling, zolang aan de richtlijn geen juiste uitvoering is gegeven, het enige bruikbare referentiekader blijft.
36 Mitsdien moet op de vierde vraag worden geantwoord, dat sedert 23 december 1984 een beroep kan worden gedaan op artikel 4 van richtlijn 79/7 met het oog op buitentoepassingverklaring van een nationale wettelijke regeling die het recht op een uitkering doet afhangen van de voorwaarde, dat voordien een aanvraag is ingediend voor een andere, inmiddels afgeschafte uitkering, waarvan de toekenning afhankelijk was van een voor vrouwelijke werknemers discriminerende voorwaarde. Wanneer passende maatregelen ter uitvoering van artikel 4 van richtlijn 79/7 ontbreken, hebben vrouwen die door het voortduren van de discriminatie worden benadeeld, recht op dezelfde behandeling en toepassing van dezelfde regeling als mannen die in een gelijke situatie verkeren, waarbij die regeling, zolang aan de richtlijn geen uitvoering is gegeven, het enig bruikbare referentiekader blijft.
Kosten
37 De kosten door de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door de Social Security Commissioners bij beschikking van 25 januari 1990 gestelde vragen, verklaart voor recht:
-
Artikel 2 van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, moet aldus worden uitgelegd, dat deze richtlijn niet van toepassing is op iemand die zijn of haar beroepswerkzaamheid heeft onderbroken om zich met de opvoeding van zijn of haar kinderen bezig te houden, en die door ziekte verhinderd is weer te gaan werken, tenzij de betrokkene op zoek was naar werk en dat zoeken onderbroken is doordat een van de in artikel 3, lid 1, sub a, van de richtlijn bedoelde eventualiteiten zich heeft voorgedaan; daarbij dient geen onderscheid te worden gemaakt naar gelang van de reden waarom de betrokkene zijn of haar vroegere werkzaamheid heeft opgegeven. Het staat aan de nationale rechter om vast te stellen dat degene die zich op richtlijn 79/7/EEG beroept, daadwerkelijk werkzoekende was op het moment waarop een van de in artikel 3, lid 1, sub a, van de richtlijn bedoelde eventualiteiten zich voordeed.
-
Sedert 23 december 1984 kan een beroep worden gedaan op artikel 4 van richtlijn 79/7/EEG met het oog op buitentoepassingverklaring van een nationale wettelijke regeling die het recht op een uitkering doet afhangen van de voorwaarde, dat voordien een aanvraag is ingediend voor een andere, inmiddels afgeschafte uitkering, waarvan de toekenning afhankelijk was van een voor vrouwelijke werknemers discriminerende voorwaarde. Wanneer passende maatregelen ter uitvoering van artikel 4 van richtlijn 79/7/EEG ontbreken, hebben vrouwen die door het voortduren van de discriminatie worden benadeeld, recht op dezelfde behandeling en toepassing van dezelfde regeling als mannen die in een gelijke situatie verkeren, waarbij die regeling, zolang aan de richtlijn geen uitvoering is gegeven, het enig bruikbare referentiekader blijft.
Moitinho de Almeida
Rodríguez Iglesias
Slynn
Joliét
Zuleeg
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 11 juli 1991.
De griffier
J.-G. Giraud
De president van de Vijfde kamer
J. C. Moitinho de Almeida