Home

Hof van Justitie EU 06-02-1992 ECLI:EU:C:1992:60

Hof van Justitie EU 06-02-1992 ECLI:EU:C:1992:60

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
6 februari 1992

Uitspraak

Arrest van het Hof

6 februari 1992(*)

In zaak C-75/91,

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door T. van Rijn, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,

verzoekster, tegen

Koninkrijk der Nederlanden, vertegenwoordigd door J. W. de Zwaan en T. Heukels, assistent juridisch adviseurs bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Nederlandse ambassade, Rue C. M. Spoo 5,

verweerder,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE,

samengesteld als volgt: O. Due, president, R. Joliét, F. A. Schockweiler, P. J. G. Kapteyn, kamerpresidenten, C. N. Kakouris, G. C. Rodríguez Iglesias en M. Diez de Velasco, rechters,

advocaatgeneraal: G. Tesauro

griffier: J. A. Pompe, adjunct-griffier

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 16 januari 1992,

gehoord de conclusie van de advocaatgeneraal ter terechtzitting van dezelfde datum,

het navolgende

Arrest

1 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 22 februari 1991, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 169 EEG-Verdrag verzocht vast te stellen dat het Koninkrijk der Nederlanden, door niet de maatregelen te nemen welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof van 13 oktober 1987 (zaak 236/85, Commissie/Nederland, Jurispr. 1987, blz. 3989), de krachtens artikel 171 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.

2 In dat arrest heeft het Hof verklaard, dat „het Koninkrijk der Nederlanden, door niet binnen de gestelde termijn alle wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te treffen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand, de krachtens het EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen”.

3 Aangezien de Nederlandse regering ook na voornoemd arrest geen maatregelen nam om de betrokken richtlijn om te zetten in nationaal recht, maande de Commissie haar bij schrijven van 24 april 1989 aan, haar verplichtingen dienaangaande na te komen. Van oordeel, dat het antwoord van de Nederlandse regering hierop ontoereikend was, bracht de Commissie op 27 februari 1990 een met redenen omkleed advies uit.

4 In antwoord op dat met redenen omkleed advies deelde de Nederlandse regering bij schrijven van 2 mei 1990 mee, dat binnen de kortst mogelijke termijn twee wetsontwerpen, tot wijziging van de Jachtwet en de Vogelwet, bij het parlement zouden worden ingediend. Toen de Commissie nadien geen enkel bericht ontving op grond waarvan zij mocht aannemen, dat die wetsontwerpen inmiddels aan het parlement waren voorgelegd, heeft zij het onderhavige beroep ingesteld.

5 Voor een nadere uiteenzetting van de antecedenten van het geschil, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze. elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dit noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.

6 De Nederlandse regering erkent, dat zij nog niet de maatregelen heeft genomen die nodig zijn om uitvoering te geven aan het betrokken arrest. Zij schrijft dit toe aan de bij de vaststelling van nationale wetgeving te volgen procedurevoorschriften, die van invloed zijn op de termijn waarbinnen bovenbedoelde wetten kunnen worden gewijzigd.

7 Er zij aan herinnerd, dat ofschoon artikel 177 EEG-Verdrag niet aangeeft, binnen welke termijn een arrest moet worden uitgevoerd, het belang van een onverwijlde en uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht eist, dat die uitvoering onverwijld wordt aangevat en binnen de kortst mogelijke tijd wordt afgesloten (zie laatstelijk het arrest van 30 januari 1992, zaak C-328/90, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1992, blz. 1-425, r. o. 6).

8 Mitsdien moet worden vastgesteld dat het Koninkrijk der Nederlanden, door niet de maatregelen te nemen welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof van 13 oktober 1987, de krachtens artikel 171 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.

Kosten

9 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien het Koninkrijk der Nederlanden in het ongelijk is gesteld, dient het in de kosten te worden verwezen.

HET HOF VAN JUSTITIE,

rechtdoende:

  1. Door niet de maatregelen te nemen welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof van 13 oktober 1987 is het Koninkrijk der Nederlanden de krachtens artikel 171 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.

  2. Het Koninkrijk der Nederlanden wordt verwezen in de kosten.

Due

Joliét

Schockweiler

Kapteyn

Kakouris

Rodríguez Iglesias

Diez de Velasco

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 6 februari 1992.

De griffier

J.-G. Giraud

De president

O. Due