Home

Hof van Justitie EU 26-05-1993 ECLI:EU:C:1993:217

Hof van Justitie EU 26-05-1993 ECLI:EU:C:1993:217

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
26 mei 1993

Conclusie van advocaat-generaal

F. G. Jacobs

van 26 mei 1993(*)

Mijnheer de President,

mijne heren Rechters,

1. De Cour d'appel de Chambéry heeft verzocht om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 5, sub 1, van het verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: „het Executieverdrag”), zoals gewijzigd bij het verdrag van 9 oktober 1978 betreffende de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot Brittannië en Noord-Ierland (PB 1978, L 304, blz. 1).

De feiten

2. H. Geels, Nederlands onderdaan, was per 1 november 1988 door Mulox IBC Limited (hierna: „Mulox”), een vennootschap naar Engels recht, gevestigd te Londen, in dienst genomen als internationaal marketing manager. Gedurende zijn dienstverband met Mulox woonde Geels te Aix-les-Bains (Frankrijk) en gebruikte hij zijn woning blijkbaar als kantoor en als basis voor zijn werkzaamheden. Aanvankelijk was het zijn taak klanten te werven en voor de produkten van Mulox een distributienet op te zetten in Duitsland, België, Nederland en Scandinavië, welke landen hij regelmatig bezocht. Uit een in december 1989 aan zijn werkgever gezonden jaarverslag over zijn werkzaamheden blijkt, dat hij na bezoeken aan Duitsland, België en Spanje zijn marketingwerkzaamheden in 1989 ontplooide in Duitsland en vervolgens in Scandinavië, België en Nederland. Tot september 1989 viel de Franse markt niet onder zijn verantwoordelijkheid. Volgens een door Geels opgesteld memorandum aan zijn werkgever van 19 april 1990 begon hij pas in januari 1990 met vertegenwoordigers van Mulox in Frankrijk te werken en de Franse klanten van zijn werkgever te bezoeken. Ontevreden met de resultaten van Geels' werk besloot Mulox van zijn diensten geen gebruik meer te maken en de arbeidsverhouding lijkt op 7 mei 1990 te zijn beëindigd, toen hij Mulox schreef dat hij de ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst accepteerde en verzocht om een schadeloosstelling, gelijk aan twaalf maanden salaris, plus een schadevergoeding.

3. Geels stelde een vordering in bij de Conseil des Prud'hommes te Aix-les-Bains die, van oordeel dat hij krachtens artikel 5, sub 1, van het Executieverdrag bevoegd was en op het geschil het Franse recht van toepassing was, een vonnis wees dat voor Geels zeer gunstig uitviel. Tegen dit vonnis stelde Mulox hoger beroep in bij de Cour d'appel de Chambéry, met als voornaamste argument, dat de Franse gerechten niet bevoegd waren, omdat de plaats van uitvoering van de arbeidsovereenkomst heel Europa bestreek, en zij zelf in Londen was gevestigd. Subsidiair stelde zij, dat op de overeenkomst het Engelse recht van toepassing was, dat door partijen was gekozen en door het verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (PB 1980, L 266, blz. 1) was aangewezen als het recht van de plaats van vestiging van de werkgever, en voorts dat Geels naar Engels recht geen aanspraak had op schadeloosstelling of schadevergoeding. Meer subsidiair stelde Mulox, dat de vordering van Geels naar Frans recht ongegrond was.

4. De Cour d'appel de Chambéry merkte op, dat volgens het arrest van het Hof van 26 mei 1982 (zaak 133/81, Ivenel, Jurispr. 1982, blz. 1891) de verbintenis die bij vorderingen, gebaseerd op verschillende verbintenissen uit een arbeidsovereenkomst, voor de toepassing van artikel 5, sub 1, van het Executieverdrag in aanmerking moet worden genomen, de verbintenis is waardoor de overeenkomst wordt gekarakteriseerd. Verder merkte de Cour d'appel op, dat het Hof van Justitie in dat arrest het wenselijk had geoordeeld, dat geschillen die uit arbeidsovereenkomsten voortvloeien, aanhangig worden gemaakt bij de gerechten van de staat welks recht de overeenkomst beheerst, en dat, volgens de ontwikkeling van de verwijzingsregels zoals deze tot uiting komt in artikel 6 van het verdrag van Rome, het op een arbeidsovereenkomst toepasselijke recht wordt bepaald door de verbintenis waardoor de overeenkomst wordt gekarakteriseerd, dat wil in de regel zeggen de verbintenis om arbeid te verrichten. De Franse rechter was van mening, dat de overeenkomst in onderhavige zaak ingevolge het genoemde artikel 6 waarschijnlijk door het Engelse recht werd beheerst. Aangezien er dus twijfel bestond over de vraag of artikel 5, sub 1, van het Executieverdrag aldus moest worden uitgelegd, dat de Franse gerechten onder de omstandigheden van het geval bevoegd waren, verzocht de Cour d'appel het Hof van Justitie om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Is het voor de toepassing van het in artikel 5, sub 1, van het Executieverdrag van 27 september 1968 voorziene bevoegdheidscriterium noodzakelijk, dat de verbintenis waardoor de arbeidsovereenkomst wordt gekarakteriseerd, in haar geheel enkel is uitgevoerd op het grondgebied van de staat van het gerecht waaraan het geschil is voorgelegd, of is daarvoor voldoende dat een deel van de verbintenis (eventueel het belangrijkste) op het grondgebied van deze staat is nagekomen?”

De relevante verdragsbepalingen en rechtspraak

5. Artikel 2 van het Executieverdrag stelt als algemene regel, dat degenen die woonplaats hebben op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat voor de gerechten van die staat moeten worden opgeroepen. Volgens artikel 3 zijn de enige uitzonderingen op deze regel die welke zijn voorzien in de afdelingen 2 tot en met 6 van titel II van het Executieverdrag. Zoals in het rapport Jenard wordt verklaard (PB 1979, C 59, blz. 1, inzonderheid blz. 22), zijn zij hierdoor gemotiveerd, dat „er een rechtstreeks aanknopingspunt bestaat tussen het geschil en de rechter die daarvan kennis moet nemen.” De uitzonderingen moeten restrictief worden uitgelegd (arresten van 27 september 1988, zaak 189/87, Kalfelis Jurispr. 1988, blz. 5565, r. o. 8, en 15 februari 1989, zaak 32/88, Six Constructions, Jurispr. 1989, blz. 341, r. o. 18). Een van deze uitzonderingen staat in artikel 5, sub 1, waarin wordt bepaald:

„De verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat, kan in een andere Verdragsluitende Staat (...) worden opgeroepen:

  1. ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst: voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd.”

6. Voor de toepassing van deze bevoegdheidsregel moet eerst de relevante verbintenis worden bepaald en vervolgens de plaats waar de verbintenis is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd (plaats van uitvoering). Met betrekking tot het eerste punt is de algemene regel, dat voor de toepassing van artikel 5, sub 1, de verbintenis in aanmerking moet worden genomen die aan de rechtsvordering ten grondslag ligt (zaak 14/76, De Bloos, Jurispr. 1976, blz. 1497, r. o. 11). In het geval van arbeidsovereenkomsten is de relevante verbintenis evenwel die waardoor de overeenkomst wordt gekarakteriseerd, gewoonlijk de verbintenis om arbeid te verrichten (arrest Ivenel, reeds aangehaald in punt 4), hetgeen is bevestigd in het arrest van 15 januari 1987 (zaak 266/85, Shevanai, Jurispr. 1987, blz. 239). In het arrest Ivenel heeft het Hof ter rechtvaardiging van deze uitzondering op de algemene regel voor arbeidsovereenkomsten een aantal redenen genoemd, onder meer dat de bevoegdheid moet worden verleend aan de rechter van het land dat een rechtstreeks aanknopingspunt heeft met het geschil, dat het noodzakelijk is om werknemers een passende bescherming te bieden, dat het wenselijk is bevoegdheid te verlenen aan de gerechten van de staat welks recht de overeenkomst beheerst en dat het Executieverdrag zodanig moet worden uitgelegd, dat de rechter zich niet genoodzaakt ziet zich bevoegd te verklaren ten aanzien van sommige vorderingen, doch onbevoegd ten aanzien van andere. In het arrest Shenavai verklaarde het Hof ter rechtvaardiging van zijn beslissing nog, dat bij arbeidsovereenkomsten de verbintenis om arbeid te verrichten de relevante verbintenis is, omdat arbeidsovereenkomsten van andere overeenkomsten verschillen in dier voege „dat zij een duurzame band creëren waardoor de werknemer een bepaalde plaats in het bedrijf van de onderneming of van de werkgever krijgt, en zij zijn te lokaliseren op de plaats waar de werkzaamheden worden verricht, welke plaats bepalend is voor de toepassing van regels van dwingend recht en van collectieve arbeidsovereenkomsten” (r. o. 16).

7. Met betrekking tot de vaststelling van de plaats van uitvoering van de relevante verbintenis geldt als algemene regel, dat zij moet geschieden overeenkomstig het recht dat krachtens de verwijzingsregels van de aangezochte rechter de verbintenis beheerst (zaak 12/76, Tessili, Jurispr. 1976, blz. 1473). Dit arrest is in zoverre ongewoon, dat het Hof voor recht heeft verklaard, dat een in het Executieverdrag gebruikt begrip moest worden uitgelegd aan de hand van het nationale recht van een bepaald land. Meestal was het Hof van mening, dat aan de in het Executieverdrag gebruikte bewoordingen, gezien de doelstellingen van dit verdrag, een autonome betekenis moet worden gegeven. Een van de problemen waarover in de onderhavige zaak moet worden beslist is, of de in het arrest Tessili neergelegde regel dat de plaats van uitvoering van de onderhavige verbintenis in het algemeen dient te worden vastgesteld op basis van het toepasselijke nationale recht, eveneens geldt voor arbeidsovereenkomsten of dat in het kader van arbeidsverhoudingen de plaats van uitvoering moet worden bepaald op basis van onafhankelijke criteria, die het Hof zou moeten formuleren.

8. In de meeste gevallen is het niet erg moeilijk om de plaats van uitvoering van de kenmerkende verbintenis uit arbeidsovereenkomst te bepalen, aangezien de doorsneewerknemer zijn arbeid op één plaats verricht. De enige zaak waarin het Hof een uitspraak moest doen over een situatie waarin een werknemer in een aantal verschillende landen arbeid verrichtte, is de zaak Six Constructions (reeds aangehaald in punt 5). In die zaak voerde de werknemer zijn verbintenissen uit in een aantal niet-Verdragsluitende Staten. Het Hof was van mening, dat onder die omstandigheden niet met een beroep op artikel 5, sub 1, van hetExecutieverdrag een bevoegdheid kan worden verleend ten aanzien van een grondgebied binnen het toepassingsgebied van het verdrag. Interessanter is echter, dat het Hof het standpunt heeft verworpen dat, wanneer het moeilijk of onmogelijk is vast te stellen in welke staat de arbeid werd verricht, de rechter van de plaats van de vestiging die de werknemer in dienst heeft genomen, bevoegd moet worden verklaard. Het Hof deed dit met het argument dat zulks nadelige gevolgen voor de werknemer zou kunnen hebben, aangezien de werkgever hem dan in zijn vestigingsplaats zou kunnen oproepen, waardoor een forum actoris zou ontstaan, wat in strijd met het grondbeginsel van het Executieverdrag zou zijn.

9. Opgemerkt zij, dat artikel 5, sub 1, van het Executieverdrag thans is gewijzigd bij artikel 4 van het verdrag van San Sebastian inzake de toetreding van Spanje en Portugal tot het Executieverdrag (PB 1989, L 285, blz. 1). Aan artikel 5, sub 1, is een zin toegevoegd en het luidt thans als volgt:

„De verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat, kan in een andere Verdragsluitende Staat (...) worden opgeroepen:

  1. ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst: voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd; ten aanzien van individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomst is dit de plaats waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht; wanneer de werknemer niet in een zelfde land gewoonlijk zijn arbeid verricht, kan de werkgever tevens worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar zich de vestiging bevindt of bevond die de werknemer in dienst heeft genomen.”

10. Zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen beklemtoonde, is het verdrag van San Sebastian voor Frankrijk, Nederland en Spanje ingevolge artikel 32 op 1 februari 1991 in werking getreden. De bij dit verdrag aangebrachte wijzigingen zijn slechts van toepassing op vorderingen ingesteld na de inwerkingtreding van het verdrag in de staat van herkomst (artikel 29, lid 1). Zoals duidelijk uit het verwijzingsarrest blijkt, heeft Geels vóór 1 februari 1991 tegen Mulox een rechtsvordering ingesteld, zodat de versie die in 1978 bij de toetreding van Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk is opgesteld, de in casu toepasselijke versie van het Executieverdrag is.

11. Volledigheidshalve noem ik nog twee andere verdragen, die enig licht kunnen werpen op de problemen die aan het Hof zijn voorgelegd. Bij het verdrag van Lugano van 16 september 1988 (PB 1988, L 319, blz. 9) werden de beginselen van het Executieverdrag uitgebreid tot de landen van de Europese Vrijhandelsassociatie. Artikel 5, sub 1, van het verdrag van Lugano, dat niet van toepassing is in de onderhavige zaak, bepaalt:

„De verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat, kan in een andere Verdragsluitende Staat (...) worden opgeroepen

  1. ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst: voor het gerecht van de plaats waar dc verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd; ten aanzien van individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomst is dit de plaats waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht en, wanneer de werknemer niet in een zelfde land gewoonlijk zijn arbeid verricht, de plaats waar zich de vestiging bevindt die de werknemer in dienst heeft genomen.”

12. De bij het verdrag van San Sebastian in artikel 5, sub 1, van het Executieverdrag aangebrachte wijzigingen volgden het model van het verdrag van Lugano, maar ook werd rekening gehouden met het commentaar van het Hof in het arrest Six Constructions, dat na de vaststelling van het verdrag van Lugano is gewezen: zie het rapport van de heren de Almeida Cruz, Desantes Real en Jenard betreffende het verdrag van San Sebastian (PB 1990, C 189, biz. 35, en met name biz. 44 en 45). Volgens het verdrag van San Sebastian kan dus ook alleen de werknemer het gerecht van de plaats van de vestiging die hem in dienst heeft genomen aanzoeken, terwijl volgens het verdrag van Lugano beide partijen dat kunnen doen. Het bijzondere van artikel 5, sub 1, van het verdrag van Lugano is, dat het gedeeltelijk op een juridische fictie berust: wanneer de arbeid niet gewoonlijk in een zelfde land wordt verricht, wordt als plaats van uitvoering beschouwd de plaats van de vestiging die de werknemer in dienst heeft genomen, ook al was de werkgever noch de werknemer ooit verplicht om uit de overeenkomst voortvloeiende verbintenissen op die plaats uit te voeren. Ofschoon het verdrag van San-Sebastian een soortgelijke bevocgdheidsrcgel bevat, wordt een juridische fictie gebruikt: er wordt eenvoudig bepaald, dat de werkgever op een bepaalde plaats kan worden opgeroepen, zonder dat het daarbij moet gaan om de plaats van uitvoering van een uit de overeenkomst voortvloeiende verbintenis.

13. Het verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, dat in werking is getreden op 1 april 1991, bevat verwijzingsregels voor geschillen die uit overeenkomsten voortvloeien. Volgens artikel 3 is de grondregel, dat een overeenkomst wordt beheerst door het recht dat partijen hebben gekozen. Artikel 6, lid 2, bepaalt:

„bij gebreke van een rechtskeuze overeenkomstig artikel 3, wordt de arbeidsovereenkomst beheerst door:

  1. het recht van het land waar de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht, zelfs wanneer hij tijdelijk in een ander land te werk is gesteld,

    of

  2. het recht van het land waar zich de vestiging bevindt die de werknemer in dienst heeft genomen, wanneer deze niet in een zelfde land gewoonlijk zijn arbeid verricht,

    tenzij uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de arbeidsovereenkomst nauwer is verbonden met een ander land, in welk geval het recht van dat andere land toepasselijk is.”

14. Dit verdrag van Rome is in elke Verdragsluitende Staat van toepassing op overeenkomsten die zijn gesloten nadat het voor deze staat in werking is getreden (artikel 17).(1) Plet Hof is nog niet bevoegd om dit verdrag van Rome uit te leggen en het is hoe dan ook niet zijn taak om de rechters van de Verdragsluitende Staten richtlijnen te geven over de vaststelling van de lex causae. In het arrest Ivenel heeft het Hof evenwel naar het verdrag van Rome verwezen en te kennen gegeven, dat het wenselijk was dat artikel 5, sub 1, van het Executieverdrag aldus werd uitgelegd, dat bevoegdheid wordt verleend aan de rechter van het land welks materiële recht de arbeidsovereenkomst beheerst. Ik zal straks nog nader op dit punt ingaan.

De bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen

15. Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door de Franse en de Duitse regering en door de Commissie. De Franse regering is van mening, dat artikel 5, sub 1, van het Executieverdrag thans kan worden uitgelegd met inachtneming van het verdrag van San Sebastian; aangezien de werknemer niet in een zelfde land gewoonlijk zijn arbeid verrichtte, zou dus bevoegdheid moeten worden verleend aan het gerecht van de staat waar zich de vestiging bevindt die de werknemer in dienst heeft genomen. Volgens de Franse regering waarborgt dit, dat de rechterlijke bevoegdheid samenvalt met het toepasselijke recht, omdat de overeenkomst haars inziens krachtens artikel 6, lid 2, van het verdrag van Rome door het Engelse recht wordt beheerst.

16. Volgens de Duitse regering volstaat, dat een gedeelte van de kenmerkende overeenkomst is uitgevoerd binnen het rechtsgebied van de aangezochte rechter om hem bevoegd te maken krachtens artikel 5, sub 1. Wanneer de verbintenis in een aantal verschillende staten is uitgevoerd, geeft zij er de voorkeur aan, het gerecht van de plaats die samenvalt met de woonplaats van de werknemer, in casu de Franse rechter, bevoegd te verklaren. Paradoxaal genoeg is de Duitse regering, evenals de Franse regering, van mening, dat de door haar aanbevolen oplossing het voordeel biedt dat de rechterlijke bevoegdheid en het toepasselijke recht samenvallen, want haars inziens wordt de overeenkomst op grond van artikel 6, lid 2, van het verdrag van Rome door het Franse recht beheerst, aangezien de overeenkomst nauw verbonden is met Frankrijk.

17. De Commissie beklemtoont dat volgens het arrest Tessili (reeds aangehaald in punt 7) de plaats van uitvoering van de betrokken verbintenis moet worden vastgesteld door het recht dat volgens de collisieregels van de aangezochte rechter de verbintenis beheerst. Zij vraagt zich evenwel af, of deze oplossing voor arbeidsovereenkomsten bruikbaar is en acht het wenselijker om met betrekking tot dergelijke overeenkomsten het begrip plaats van uitvoering autonoom uit te leggen. De overwegingen op grond waarvan het Hof arbeidsovereenkomsten als een speciale categorie behandelt voor het bepalen van de relevante verbintenis, zijn haars inziens een goede reden om deze overeenkomsten ook anders te behandelen voor het bepalen van de plaats van uitvoering van deze verbintenis. Zij merkt op, dat deze benadering wordt bevestigd door het verdrag van San Sebastian, dat een autonome definitie van de plaats van uitvoering van arbeidsovereenkomsten geeft, maar volgens haar kan een zelfde resultaat worden bereikt op basis van de versie van 1978 van het Executieverdrag.

18. Met betrekking tot de inhoud van de autonome definitie is de Commissie van mening dat, wanneer de arbeid in verschillende Verdragsluitende Staten wordt verricht, de gerechten van de plaats waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht, bevoegd zouden moeten worden verklaard. Haars inziens is deze plaats in een zaak als de onderhavige doorgaans de plaats waar de werknemer zijn kantoor heeft en waar de orders van zijn klanten binnenkomen. Wanneer het onmogelijk is om de voornaamste plaats van uitvoering van de verbintenis op basis van de feiten vast te stellen, is artikel 5, sub 1, volgens de Commissie niet van toepassing en moet de rechterlijke bevoegdheid overeenkomstig de algemene regel in artikel 2 van het Executieverdrag worden vastgesteld.

De keuze tussen een nationale en een autonome uitlegging van het begrip „plaats van uitvoering”

19. De eenvoudigste oplossing — die bovendien volledig strookt met de bestaande rechtspraak — zou in de eerste plaats zijn het arrest Ivenel aldus te bevestigen, dat de voor de toepassing van artikel 5, sub 1, relevante verbintenis in geschillen die uit een arbeidsovereenkomst voortvloeien, de verbintenis is waardoor de overeenkomst wordt gekarakteriseerd (gewoonlijk de verbintenis ora de arbeid te verrichten), en in de tweede plaats om het arrest Tessili aldus te bevestigen dat de plaats van uitvoering van de relevante verbintenis moet worden vastgesteld overeenkomstig het recht dat volgens de collisieregels van de aangezochte rechter de verbintenis beheerst. Bij een dergelijke benadering zou het Hof niet nader behoeven in te gaan op de criteria op basis waarvan de plaats van uitvoering van een arbeidsovereenkomst moeten worden vastgesteld, wanneer de werknemer zijn arbeid op grond daarvan in een aantal Verdragsluitende Staten verricht. Dit probleem zou door de nationale rechter moeten worden opgelost overeenkomstig het recht dat volgens zijn eigen verwijzingsregels op de overeenkomst van toepassing is.

20. Evenals de Commissie acht ik dit geen goede oplossing. Ik zeg dit, ondanks het feit, dat het Hof het arrest Tessili in het arrest Ivenel heeft geciteerd (r. o. 7) en de algemene regel dat de plaats van uitvoering moet worden vastgesteld overeenkomstig het toepasselijke nationale recht, heeft herhaald (zie eveneens de opmerkingen van advocaat-generaal Reischl, blz. 1904). Het ging daarbij echter duidelijk om een obiter dictum, aangezien er in die zaak geen enkele twijfel over bestond, dat de werknemer in één Verdragsluitende Staat moest werken en de uitlegging van het begrip „plaats van uitvoering” dus nooit een punt van geschil was; de zaak had betrekking op de vraag welke verbintenis voor de toepassing van artikel 5, sub 1, in aanmerking moest worden genomen.

21. In beginsel verdient het de voorkeur om de in het Executieverdrag gebruikte bewoordingen autonoom uit te leggen, want dit draagt bij aan het waarborgen van een uniforme toepassing van dit verdrag en dus aan de verwezenlijking van de onderliggende doelstelling, namelijk de eenmaking van de bevoegdheidsregels van de Verdragsluitende Staten. Een dergelijke eenmaking wordt onvermijdelijk belemmerd, wanneer de betekenis van de in het Executieverdrag gebruikte bewoordingen verschilt naar gelang van het toepasselijke recht. Dit verklaart ongetwijfeld waarom het Hof autonome uitlegging steeds als de norm heeft beschouwd en enkel in uitzonderlijke gevallen, wanneer specifieke overwegingen golden, zijn toevlucht nam tot een uitlegging met verwijzing naar het nationale recht. De door het Hof in het arrest Tessili genoemde redenen voor de vaststelling van de plaats van uitvoering aan de hand van het nationale recht lijken met betrekking tot een arbeidsovereenkomst lang niet zo dwingend, vooral wanneer het verrichten van arbeid de relevante verbintenis is (zie punten 22 en 23 hierna). Bovendien lijken de in de arresten Ivenel en Shenavai genoemde redenen om voor de vaststelling van de relevante verbintenis arbeidsovereenkomsten anders te behandelen dan de andere overeenkomsten evenzeer te gelden voor het vaststellen van de plaats van uitvoering van deze verbintenis (punt 24 hierna).

22. In het arrest Tessili werd het beroep op het nationale recht voor het vaststellen van de plaats van uitvoering door het Hof gemotiveerd met het argument, dat het onmogelijk was om „verdere” aanwijzingen te geven over de uitlegging van dit begrip „gezien de nog bestaande verschillen tussen de nationale rechtsbepalingen inzake overeenkomsten evenals het ontbreken van elke unificatie van het toepasselijke materiële recht in de huidige stand van de rechtsontwikkeling”. In die zaak vorderde een Duitse koper schadevergoeding van een Italiaanse verkoper, omdat laatstgenoemde zijn verplichting om goederen van behoorlijke kwaliteit te leveren niet zou zijn nagekomen; de verkoper, gevestigd te Como, had de goederen aan een door de koper aangewezen transporteur te Como afgeleverd. Alle rechtsstelsels bevatten voorschriften voor het vaststellen van de plaats van de uitvoering van dit type verbintenissen; deze voorschriften zijn dikwijls van zeer technische aard, variëren naar gelang het soort overeenkomst (cif, fob, af fabriek, enz.), houden rekening met wettelijke vermoedens ten aanzien van de bedoelingen van partijen en zijn alles behalve eenvormig. Het zou duidelijk onjuist zijn geweest, wanneer het Hof een eenvormige regel had trachten op te stellen en deze aan de gerechten van de Verdragsluitende Staten op te leggen. Hetzelfde geldt voor verbintenissen tot betaling van een geldsom, waarvan de plaats van uitvoering dikwijls wordt bepaald door willekeurige voorschriften op grond waarvan een schuld betaalbaar is in de woonplaats van de schuldeiser dan wel van de schuldenaar. Ook in dit geval zou het niet passend zijn, wanneer het Hof een uniforme regel zou opleggen, zelfs niet voor de vaststelling van de rechterlijke bevoegdheid.

23. Deze moeilijkheden doen zich bij arbeidsovereenkomsten niet voor, wanneer wordt aanvaard, dat de verbintenis van de werknemer om arbeid te verrichten de relevante verbintenis is. Er is weinig ruimte om technische rechtsvoorschriften toe te passen teneinde te bepalen waar iemand zijn arbeid verricht; dit is voornamelijk een feitelijk probleem. Wanneer iemand in meer dan een plaats werkt is het wellicht geen eenvoudig feitelijk probleem. Het zou echter geen grote moeilijkheden opleveren, wanneer het Hof voor het bepalen van de rechterlijke bevoegdheid in dergelijke gevallen een uniform criterium vaststelt.

24. Uit de arresten Ivenel en Shenavai blijkt, dat de voornaamste reden om arbeidsovereenkomsten als een bijzonder geval te behandelen, het bestaan van een nauwe en duurzame band met een bijzonder rechtsstelsel is, waarbinnen de arbeidsverhouding zich ontplooit en de werknemer door regels van dwingend recht wordt beschermd (zie in het bijzonder r. o. 15 en 19 van het arrest Ivenel en r. o. 16 van het arrest Shenavai). Wanneer dan bij de toepassing van artikel 5, sub 1, op arbeidsovereenkomsten het doel moet zijn te bepalen met welk land deze nauwe en duurzame band bestaat, is er weinig ruimte voor de toepassing van nationale rechtsvoorschriften, welke de plaats van uitvoering in een ander land zou lokaliseren, en evenals in artikel 5, sub 1, van het verdrag van Lugano, op een juridische fictie zou zijn gebaseerd. Hieruit volgt, dat de plaats van uitvoering niet aan de hand van het toepasselijke nationale recht moet worden bepaald, maar op basis van uniforme criteria die het Hof moet vaststellen. Met andere woorden het begrip „plaats van uitvoering” moet autonoom worden uitgelegd.

25. Zoals de Commissie heeft opgemerkt, wordt dit standpunt bevestigd in het verdrag van San Sebastian, dat met betrekking tot individuele arbeidsovereenkomsten een autonome definitie van de plaats van uitvoering geeft. Om de hiervoor genoemde redenen deel ik het standpunt van de Commissie dat, hoewel het verdrag van San Sebastian in de onderhavige zaak niet van toepassing is, op basis van de vroegere versie van artikel 5, sub 1, kan worden geconcludeerd, dat het begrip „plaats van uitvoering” autonoom moet worden uitgelegd.

De uitlegging van het begrip „plaats van uitvoering”

26. Het arrest Ivenel lijkt de indruk te wekken, dat een van de voornaamste criteria bij de uitlegging van artikel 5, sub 1, de wenselijkheid is om bevoegdheid te verlenen aan een gerecht dat zijn eigen recht zal kunnen toepassen in plaats van buitenlands recht. Zo verklaarde het Hof in rechtsoverweging 5:

„Uit deze uiteenzetting volgt, dat op het gebied van de overeenkomsten artikel 5, sub 1, van het Executieverdrag in het bijzonder beoogt bevoegdheid te verlenen aan de gerechten van het land dat een rechtstreeks aanknopingspunt heeft met het geschil; dat bij een overeenkomst betreffende arbeid in dienstverband dit aanknopingspunt inzonderheid gelegen is in de op de overeenkomst toepasselijke wet, en dat, volgens de ontwikkeling van de desbetreffende verwijzingsregels, deze wet wordt bepaald door de verbintenis waardoor de betrokken overeenkomst wordt gekarakteriseerd, dat wil in de regel zeggen de verbintenis om arbeid te verrichten.”

Een variant van deze gedachte komt voor in het arrest Šlienavai, waarin het Hof (in rechtsoverweging 16) verklaart, dat artikel 5, sub 1, zodanig moet worden uitgelegd dat de toepassing is verzekerd van „regels van dwingend recht en van collectieve arbeidsovereenkomsten” die op de plaats waar de arbeid wordt verricht van kracht zijn. In de verwijzingsbeschikking van de Cour d'appel de Chambéry en in de schriftelijke opmerkingen van de Franse en de Duitse regering wordt eveneens de nadruk gelegd op de band tussen de rechterlijke bevoegdheid en het toepasselijke recht.

27. Hoe wenselijk het ook moge zijn om bij arbeidsgeschillen rechterlijke bevoegdheid te verlenen aan de gerechten van het land welks recht van toepassing is, dit zal zelfs na de harmonisatie van de regels inzake het toepasselijke recht bij het verdrag van Rome in de praktijk niet altijd mogelijk zijn. Uit de artikelen 3 en 6, lid 1, van het verdrag van Rome blijkt duidelijk, dat het partijen in beginsel vrij staat het op een arbeidsovereenkomst toepasselijke recht te kiezen; het gekozen recht behoeft niet noodzakelijkerwijze het recht van de bevoegde rechter te zijn, tenzij partijen in hun overeenkomst een jurisdictieclausule opnemen waarin de gerechten van het land welks recht als lex causae is gekozen, worden aangewezen. Maar zelfs zonder deze complicaties staat niet vast, dat de lex causae altijd met de lex fori zal samenvallen, vooral omdat het Hof van Justitie niet bevoegd is zowel het verdrag van Rome als het Executieverdrag uit te leggen. De onderhavige zaak bewijst dit. De Franse rechter, die het arrest Ivenel aldus lijkt te lezen, dat er tussen het toepasselijke recht en de rechterlijke bevoegdheid een band moet bestaan, is van mening dat de overeenkomst tussen Mulox en Geels krachtens artikel 6 van het verdrag van Rome door het Engelse recht wordt beheerst. Men zou echter kunnen stellen, dat artikel 6 aldus moet worden uitgelegd, dat de overeenkomst door het Franse recht wordt beheerst. Zeker een Engelse rechter zou tot die conclusie kunnen komen, hetzij op basis van artikel 6 van het verdrag van Rome hetzij op basis van zijn eigen regels van internationaal privaatrecht. Het paradoxale resultaat is, dat wanneer het geschil na de prejudiciële beslissing van het Hof uiteindelijk in Frankrijk wordt beslecht, Engels recht zal worden toegepast, terwijl wanneer het geschil voor de Engelse rechter zou dienen, het Franse recht zou kunnen worden toegepast (artikel 15 van het verdrag van Rome sluit renvoi uit). Eveneens mag niet worden vergeten, dat de bevoegdheid op grond van artikel 5, sub 1, niet exclusief is en dat de eiser hoe dan ook op grond van artikel van het Executieverdrag zou kunnen besluiten de zaak aanhangig te maken bij het gerecht van de woonplaats van de verweerder, ongeacht de plaats van uitvoering van de verbintenis. Er moeten veel gevallen zijn waarin een arbeidsovereenkomst wordt beheerst door ander recht dan dat van het land van de woonplaats van de verweerder.

28. Op grond van het voorgaande kom ik tot de conclusie, dat het fout zou zijn om het belang van de band tussen de rechterlijke bevoegdheid en de lex causae in arbeidsgeschillen te overdrijven. Wat de verwijzing naar regels van dwingend recht in het arrest Shenavai betreft, uiteraard is het van belang te voorkomen, dat een werkgever zich onttrekt aan de toepassing van regels ter bescherming van werknemers waarvan niet bij overeenkomst kan worden afgeweken. Maar dat roept slechts de vraag op, van welk land de regels van dwingend recht moeten worden toegepast. Zaken als arbeidstijd, jaarlijkse vakantie, zwangerschapsverlof en onredelijk ontslag moeten vermoedelijk worden beheerst door de dwingende regels van de lex causae. Met betrekking tot zaken als veiligheid en hygiëne (bij voorbeeld regels betreffende nooduitgangen of het gebruik van asbest als isolatiemateriaal), lijkt het beter om de op elk van de verschillende arbeidsplaatsen geldende regels van dwingend recht toe te passen. De artikelen 6 en 7 van het verdrag van Rome bevatten bepalingen waarmee de gewenste resultaten lijken te kunnen worden bereikt, ongeacht het land waar het geschil aanhangig is.

29. Aan de beslissing van het Hof dat voor de toepassing van artikel 5, sub 1, van het Executieverdrag in arbeidsgeschillen de relevante verbintenis die is waardoor de arbeidsovereenkomst wordt gekarakteriseerd, ligt mijns inziens niet zozeer de wenselijkheid ten grondslag om bevoegdheid te verlenen in het land welks recht de overeenkomst beheerst, maar eerder de eenvoudige gedachte dat de werknemer het recht moet hebben zijn werkgever op te roepen voor het gerecht van de plaats waar hij arbeid verricht (en uiteraard omgekeerd). Voor dergelijke geschillen is die plaats het natuurlijke forum en voor de werknemer zal het in de meeste gevallen het meest geschikte forum zijn. De mogelijkheid zijn vordering daar in te dienen mag hem niet worden ontnomen, enkel omdat zijn werkgever in een andere Verdragsluitende Staat woonachtig is. Deze uitzondering op de algemene regel van artikel 2 van het Executieverdrag wordt gerechtvaardigd door de bijzonder nauwe band tussen het geschil en de gerechten van de plaats waar de arbeid wordt verricht.

30. Nu ik dus heb vastgesteld waarop de regel dat de bevoegdheid in arbeidsgeschillen wordt bepaald door de kenmerkende verbintenis berust, ga ik thans over tot de betrekkelijk gemakkelijke taak om vast te stellen op welke plaats deze verbintenis is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd, in een zaak als de onderhavige, waarin de arbeid in meer dan één Verdragsluitende Staat werd verricht.

31. Gelet op de formulering van de vraag van de Cour d'appel, moet ik twee prealabele opmerkingen maken. In de eerste plaats is het voor de toepasselijkheid van artikel 5, sub 1, niet nodig dat het werk „geheel en al” in één Verdragsluitende Staat is uitgevoerd, Wanneer de werknemer zijn arbeid gewoonlijk in één land verricht, zullen de gerechten van dat land hun bevoegdheid niet verliezen, enkel omdat hij voor zijn werk af en toe naar een andere land reist. In de tweede plaats kan, wanneer kleine onderdelen van de arbeid in een aantal verschillende landen worden verricht, artikel 5, sub 1, niet aldus worden uitgelegd, dat naar keuze van de eiser de gerechten van al deze landen concurrent bevoegd worden. Indien Geels bij voorbeeld een zakenreis naar Denemarken heeft gemaakt, zou dit niet betekenen dat hij de zaak bij een Deens gerecht aanhangig kan maken of daar kan worden opgeroepen. De band met Denemarken zou niet sterk genoeg zijn om een rechterlijke bevoegdheid in dat land te vestigen. Hoewel het Hof de bijzondere bevoegdheidsregels van het Executieverdrag zo nu en dan heeft uitgelegd alsof de eiser de bevoegde rechter kon kiezen (zoals in het arrest van 30 november 1976, zaak 21/76, Mines de potasse d'Alsace, Jurispr, 1976, blz. 1735, dat de rechterlijke bevoegdheid in geval van onrechtmatige daad betrof, waarvoor andere overwegingen gelden), is bovendien de algemene regel, dat artikel 5, sub 1, moet worden uitgelegd op een wijze dat „zoveel mogelijk [wordt] voorkomen dat met betrekking tot eenzelfde overeenkomst meerdere rechterlijke instanties bevoegd zijn” (r. o. 9 van het arrest De Bloos, zaak 14/76, reeds aangehaald in punt 6 hiervoor). Ook moet worden bedacht, iets waarop de Commissie en de Duitse regering wijzen, dat wanneer de eiser de bevoegde rechter kan kiezen, deze keuze voor vorderingen van zowel de werkgever als de werknemer zou gelden. Het zou eigenlijk niet eerlijk zijn wanneer de werkgever de werknemer zijn natuurlijke forum kan ontnemen, gewoonweg door van hem te verlangen, dat hij een klein gedeelte van zijn arbeid in een andere Verdragsluitende Staat verricht.

32. Uit deze prealabele opmerkingen volgt dat, wanneer de arbeid in meer dan een Verdragsluitende Staat wordt verricht, artikel 5, sub 1, van het Executieverdrag aldus moet worden uitgelegd, dat de rechterlijke bevoegdheid wordt gevestigd op de voornaamste arbeidsplaats. In de meeste gevallen zal dit begrip min of meer synoniem zijn met het begrip „plaats waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht” dat in artikel 6 van het verdrag van Rome en in de verdragen van Lugano en van San Sebastian wordt gebruikt. Het begrip „voornaamste arbeidsplaats” lijkt echter de voorkeur te verdienen, aangezien daarmee duidelijker tot uitdrukking wordt gebracht, dat van de diverse arbeidsplaatsen van de werknemer er doorgaans een belangrijker is dan de andere. Dat de term „gewoonlijk” niet veel helpt, blijkt wel uit de feiten in deze zaak: iemand die zijn arbeid in meerdere staten verricht, heeft wellicht in geen van deze staten een plaats waar hij gewoonlijk zijn arbeid verricht, maar in één ervan toch zijn voornaamste arbeidsplaats. De vraag welke plaats de voornaamste arbeidsplaats is, is voornamelijk een feitelijke kwestie en moet uiteindelijk aan de nationale rechter worden overgelaten, hoewel het Hof van Justitie met inachtneming van de vaststaande feiten van de zaak wellicht enkele richtsnoeren kan geven. Met enige voorzichtigheid, aangezien ik niet alle feiten ken, zal ik mij tot de volgende opmerkingen beperken.

33. Wanneer iemand in loondienst als handelsvertegenwoordiger in de ene Verdragsluitende Staat een kantoor heeft, dat hij als basis voor zijn werkzaamheden gebruikt, en van waaruit hij af en toe naar andere Verdragsluitende Staten reist teneinde klanten te bezoeken, bestaat er een sterk vermoeden, dat zijn voornaamste arbeidsplaats zich bevindt op de plaats waar hij zijn kantoor heeft, vooral wanneer hij, zoals in casu, daar ook woont. Op die plaats ontvangt hij instructies van zijn werkgever, van daaruit onderhoudt hij contact met zijn klanten per post, telefoon, telefax, enz., en organiseert hij zijn zakenreizen naar andere Verdragsluitende Staten, en daar keert hij na elke reis terug. Zelfs indien hij meer dan de helft van het jaar op reis is in andere landen en in het land waar zijn kantoor zich bevindt in feite geen enkele klant bezoekt, lijkt mij moeilijk het vermoeden te kunnen worden weerlegd, dat zijn voornaamste arbeidsplaats zich bevindt op de plaats waar het centrum van zijn werkzaamheden is.

34. Tot slot nog drie korte opmerkingen. In de eerste plaats betoogde de Duitse regering, dat het in de praktijk beter zou zijn om in plaats van voor de rechterlijke bevoegdheid aan te knopen bij de voornaamste plaats van arbeid, die wellicht moeilijk is vast te stellen, de woonplaats van de werknemer als aanknopingspunt te nemen; aldus zou hij dan het gerecht van zijn woonplaats kunnen aanzoeken, mits —naar ik aanneem— dat gedeelte van zijn arbeid daar wordt verricht. In de onderhavige zaak leidt deze aanpak tot een bevredigend resultaat, want het kantoor van Geels bevond zich in zijn woonplaats. Er bestaat echter geen garantie, dat dit altijd een bevredigend resultaat oplevert. Wanneer Geels bij voorbeeld in Italië zou hebben gewoond en zijn kantoor en het centrum van zijn werkzaamheden zich net over de grens in Frankrijk hadden bevonden, en wanneer hij af en toe klanten in Italië zou hebben bezocht, zou het standpunt van de Duitse regering betekenen, dat hij zich krachtens artikel 5, sub 1, tot de Italiaanse rechter had kunnen wenden, ook wanneer hij slecht een onbelangrijk gedeelte van zijn arbeid in Italië had verricht. Ik zie niet, hoe de woonplaats van de werknemer voor de toepassing van artikel 5, sub 1, een doorslaggevend aanknopingspunt kan zijn.

35. Ten tweede is het denkbaar, dat zich uitzonderlijke gevallen zullen voordoen waarin twee of meer plaatsen van arbeid even belangrijk zijn. Wanneer Geels bij voorbeeld het Franse kantoor van Mulox in Aix-les-Bains en haar Italiaanse kantoor in Turijn zou hebben geleid en in elk van beide steden ongeveer de helft van zijn tijd zou hebben doorgebracht, zou het moeilijk zijn één van beide als de voornaamste plaats en de andere als de ondergeschikte plaats aan te merken. Volgens de Commissie zou in een dergelijk geval artikel 5, sub 1, van het Executieverdrag niet meer van toepassing zijn en zou Geels de vordering tegen Mulox op grond van artikel 2 in haar woonplaats in Engeland moeten indienen, ook wanneer hij daar helemaal niet had gewerkt. Een dergelijk resultaat zou mijns inziens betreurenswaardig en onredelijk zijn. Het zou even onlogisch zijn om te stellen, dat Smith en Jones beiden evenzeer promotie verdienen en dat de promotie, teneinde een moeilijke keuze tussen hen te vermijden, aan Brown moet worden gegund, die dat veel minder verdient. Zelfs in moeilijke gevallen moet het mogelijk zijn relevante criteria te vinden om de ene plaats van arbeid voorrang te verlenen boven een andere (bij voorbeeld de plaats waar socialezekerheidspremies en inkomstenbelasting worden betaald of de plaats waar de werknemer zijn salaris ontvangt). In de zeldzame gevallen waarin het onmogelijk is een voornaamste plaats van arbeid te bepalen, zou het redelijk zijn om, in weerwil van hetgeen ik hiervoor heb gezegd over de noodzaak van een veelvoud van rechterlijke bevoegdheid te vermijden, de eiser toe te staan de zaak aanhangig te maken bij het gerecht van één van de plaatsen die met evenveel recht de voornaamste plaats van arbeid kan zijn.

36. In de derde plaats, hoewel Mulox op grond van artikel 2 van het Executieverdrag in Engeland, het land van haar vestiging, zou kunnen worden opgeroepen, ben ik het niet eens met het standpunt van de Franse regering, dat de Engelse gerechten krachtens artikel 5, sub 1, van het Executieverdrag bevoegd zouden kunnen zijn. Zoals de Franse regering erkent, zou een dergelijk resultaat enkel mogelijk zijn op grond van de bij het verdrag van San Sebastian ingevoerde nieuwe versie van artikel 5, sub 1. De oude versie ging uit van een enkel aanknopingspunt: de plaats van uitvoering van de betrokken verbintenis die, naar het oordeel van het Hof, in arbeidsgeschillen de plaats is waar de arbeid wordt verricht. Bij het verdrag van San Sebastian is een alternatief aanknopingspunt ingevoerd (de plaats waar de vestiging die de werknemer in dienst heeft genomen, zich bevindt of bevond), dat enkel de werknemer dient en enkel ingeval hij zijn arbeid gewoonlijk niet in eenzelfde land verricht. Dit alternatieve aanknopingspunt verschilt volledig van het in de oude versie van artikel 5, sub 1, gebruikte aanknopingspunt en kan tot resultaat hebben, dat rechterlijke bevoegdheid wordt verleend aan de gerechten van een land waar geen verbintenis uit de overeenkomst behoefde te worden uitgevoerd, Op grond van de oude versie van artikel 5, sub 1, zou een dergelijk resultaat niet kunnen worden gerechtvaardigd en de nieuwe versie van dit artikel kan niet worden toegepast in een zaak die vóór de inwerkingtreding ervan aanhangig is gemaakt. Wanneer het in de onderhavige zaak onmogelijk is de voornaamste plaats van arbeid te bepalen, moet dus niet te rade worden gegaan met de bij het verdrag van San Sebastian ingevoerde nieuwe regel, maar met de algemene bcvoegdheidsregel van artikel 2 van het Executieverdrag.

37. Hiermee wil ik niet zeggen, dat de bij het verdrag van San Sebastian aangebrachte wijzigingen volledig buiten beschouwing moeten worden gelaten. Het bij dit verdrag ingevoerde alternatieve aanknopingspunt kan enigszins abnormale resultaten opleveren: wanneer Geels bij voorbeeld in Luxemburg in dienst was genomen door een bedrijf dat vervolgens naar Italië was verhuisd, zou dit voldoende zijn om rechterlijke bevoegdheid te verlenen aan de gerechten in Luxemburg of in Italië, ook al had hij nooit in een van beide landen gewerkt. Hieruit blijkt duidelijk hoe belangrijk het is, serieus te proberen de voornaamste plaats van arbeid (of de plaats waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht) vast te stellen. Daarmee kan worden gewaarborgd, dat bevoegdheid wordt verleend aan de gerechten van een land dat een reële band met het geschil heeft — een resultaat dat niet altijd mogelijk is, wanneer een beroep wordt gedaan op het alternatieve aanknopingspunt dat bij het verdrag van San Sebastian is ingevoerd. Om die reden ben ik van mening dat, wanneer het verdrag van San Sebastian in een zaak als de onderhavige van toepassing zou zijn, de term „gewoonlijk” niet al te letterlijk moet worden uitgelegd, maar moet worden gelezen als de voornaamste plaats van arbeid.

Conclusie

38. Mitsdien ben ik van mening, dat de aan het Hof gestelde vraag van de Cour d'appel de Chambéry moet worden beantwoord als volgt:

„Artikel 5, sub 1, van het verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, moet aldus worden uitgelegd, dat in geschillen die zijn ontstaan in het kader van een arbeidsovereenkomst waarbij de arbeid in meer dan één Verdragsluitende Staat moet worden verricht, rechterlijke bevoegdheid moet worden verleend aan de gerechten van de voornaamste plaats van arbeid. De nationale rechter dient deze plaats met inachtneming van alle relevante feiten vast te stellen. Ingeval een internationaal marketing manager in een van de Verdragsluitende Staten een kantoor heeft, dat als zijn centrum van werkzaamheden en als correspondentieadres dient en van waaruit hij af en toe naar andere verdragsluitende en niet-Verdragsluitende Staten reist teneinde klanten te bezoeken, vormt dit kantoor gewoonlijk de voornaamste plaats van arbeid, tenzij uit een of ander gegeven blijkt, dat er sprake is van een nauwere band met een andere Verdragsluitende Staat.”