Home

Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 13 oktober 1993.

Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 13 oktober 1993.

1 Bij beschikking van 24 februari 1992, ingekomen bij het Hof op 16 april daaraanvolgend, heeft de High Court of Justice, Queen's Bench Division krachtens artikel 177 EEG-Verdrag het Hof een aantal prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van verordening (EEG) nr. 765/86 van de Commissie van 14 maart 1986 houdende nadere regels voor de verkoop van boter uit interventievoorraden voor uitvoer naar bepaalde bestemmingen (PB 1986, L 72, blz. 11).

2 Die vragen zijn gerezen in een geding tussen An Bord Bainne Co-operative Ltd (hierna: "An Bord Bainne") en Compagnie Inter-Agra SA (hierna: "Interagra") enerzijds en de Intervention Board for Agricultural Produce (hierna: "IBAP") anderzijds over de weigering van deze laatste om de ingevolge artikel 6 van verordening nr. 765/86 gestelde inschrijvingszekerheid vrij te geven.

3 Bij een op 16 september 1985 gesloten overeenkomst verbond Interagra zich ertoe, 15 000 ton boterconcentraat te verkopen aan Prodintorg, een handelsorganisatie in de Sovjet-Unie. In de overeenkomst was bepaald, dat het boterconcentraat moest voldoen aan de in de eerste bijlage ervan genoemde voorwaarden.

4 Op 8 april 1986 reageerde An Bord Bainne op een bericht van IBAP betreffende een bijzondere inschrijving met een offerte voor 11 000 ton gezouten boter, vergezeld van een schriftelijke verbintenis om de boter na verwerking tot boterconcentraat naar de USSR uit te voeren. An Bord Bainne diende haar offerte in na met Interagra te zijn overeengekomen, dat zij de boter aan Interagra zou leveren opdat deze laatste haar overeenkomst met Prodintorg kon nakomen, en dat zij de in artikel 6 van verordening nr. 765/86 vereiste inschrijvingszekerheid zou stellen.

5 Op 14 april 1986 liet IBAP aan An Bord Bainne weten, dat de 11 000 ton gezouten boter haar was toegewezen. Die boter bezat de kwaliteit die nodig was voor verwerking tot boterconcentraat dat voldeed aan de destijds in de Sovjet-Unie geldende technische normen en aan de voorwaarden van de overeenkomst tussen Interagra en Prodintorg. Bij besluit van 5 mei 1986 wijzigden de sovjetautoriteiten evenwel hun sinds 1955 geldende kwaliteitseisen voor ingevoerd boterconcentraat. Daar de door An Bord Bainne verworven boter niet aan de nieuwe criteria beantwoordde, kon zij niet meer naar de USSR worden uitgevoerd.

6 Interagra noch An Bord Bainne was in kennis gesteld van de wijziging van de kwaliteitseisen. Bij brief van 26 november 1986 deelde An Bord Bainne aan IBAP mee, dat zij wegens overmacht niet in staat was het uitvoercontract na te komen, en verzocht zij om vrijgifte van de inschrijvingszekerheid. Bij brief van 2 december 1986 antwoordde IBAP, dat de gehele inschrijvingszekerheid ingevolge artikel 6, lid 1, van verordening nr. 765/86 was verbeurd, omdat de boter niet overeenkomstig artikel 10, lid 1, vóór 1 december 1986 was afgehaald. Bij brief van 2 februari 1989 eiste IBAP de door An Bord Bainne gestelde zekerheid op.

7 Op 19 april 1990 daagden An Bord Bainne en Interagra IBAP voor de High Court of Justice, Queen's Bench Division (Commercial Court), stellende dat wegens overmacht de inschrijvingszekerheid niet was verbeurd.

8 In het kader van dat geding heeft de nationale rechter het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

"1) Is er sprake van overmacht in de zin van het gemeenschapsrecht en meer in het bijzonder van verordening (EEG) nr. 765/86 van de Commissie, wanneer:

a) de offerte van een onderneming in de Gemeenschap voor afname van boter overeenkomstig verordening nr. 765/86 vergezeld ging van een schriftelijke verbintenis als bedoeld in de verordening, om de boter tot boterconcentraat te verwerken en uit de Gemeenschap naar een bepaald derde land uit te voeren;

b) de offerte door het nationaal interventiebureau is aanvaard;

c) de bevoegde autoriteiten van het derde land vervolgens in overeenstemming met de aldaar geldende wetgeving de kwaliteitsvereisten voor ingevoerd boterconcentraat zo hebben gewijzigd, dat het onmogelijk werd (ondanks alle inspanningen van de belanghebbende exporteur) om van de op de offerte toegewezen boter een acceptabel boterconcentraat te maken dat overeenkomstig de schriftelijke verbintenis naar dat land kon worden uitgevoerd;

d) de wijziging van de kwaliteitsvereisten niet tevoren bekend is gemaakt of aan de belanghebbende exporteur is medegedeeld, en voor deze volkomen onverwachts kwam?

2) Bij een bevestigend antwoord op de eerste vraag: heeft overmacht in de omstandigheden van de onderhavige zaak tot gevolg, dat de zekerheden die ingevolge verordening nr. 765/86 zijn gesteld, in het bijzonder de ingevolge artikel 6, lid 1, gestelde inschrijvingszekerheid, niet kunnen worden verbeurd?"

9 Voor een nadere uiteenzetting van de toepasselijke bepalingen, de antecedenten van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven, voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.

De eerste vraag

10 Alvorens de eerste vraag te beantwoorden, zij herinnerd aan de vaste rechtspraak van het Hof, dat de betekenis van het begrip overmacht moet worden bepaald naar gelang van het wettelijk kader waarin het bestemd is effect te sorteren, aangezien het op de verschillende toepassingsgebieden van het gemeenschapsrecht niet een zelfde inhoud heeft.

11 Het begrip overmacht in de landbouwverordeningen is afgestemd op de bijzondere aard van de rechtsbetrekkingen tussen de ondernemers en het nationale bestuur en op de doelstellingen van die verordeningen. Blijkens deze doelstellingen en de stellige voorschriften van de betrokken verordeningen is onder het begrip overmacht niet slechts volstrekte onmogelijkheid te verstaan, maar omvat het mede abnormale en onvoorzienbare omstandigheden waarop de betrokken ondernemer geen invloed heeft en waarvan de gevolgen, alle betrachte zorgvuldigheid ten spijt, slechts ten koste van onevenredig grote offers te vermijden waren geweest (zie, onder meer, arrest van 17 december 1970, zaak 11/70, Internationale Handelsgesellschaft, Jurispr. 1970, blz. 1125).

12 De wijziging van de wetgeving van een derde land betreffende de kwaliteit van in dat land ingevoerde produkten, als gevolg waarvan een voorgenomen uitvoer naar dat land niet kan worden verwezenlijkt, moet worden beschouwd als een omstandigheid waarop de betrokken ondernemer geen invloed heeft.

13 In een geval als dat in het hoofdgeding kan evenwel niet worden gezegd, dat aan de overige in de rechtspraak van het Hof vermelde voorwaarden is voldaan. Een dergelijke gebeurtenis is immers een normaal commercieel risico in het kader van handelstransacties met een orgaan van een land met staatshandel, dat rechtstreeks afhangt van het openbaar gezag van die staat. Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, dragen handelaren die bij dergelijke transacties betrokken zijn, het risico dat de staat waarvan het betrokken handelsorgaan afhangt, nadien door een soevereine handeling wijziging brengt in de wettelijke regeling betreffende de aan dat orgaan verkochte produkten.

14 Verzoeksters stellen voorts, dat de wijziging van de sovjetwetgeving als een abnormale en onvoorzienbare gebeurtenis moet worden beschouwd, omdat die wetgeving dertig jaar lang had gegolden en de wijziging niet tevoren was aangekondigd of bekendgemaakt.

15 Dit argument kan niet worden aanvaard. Een zorgvuldig handelaar die betrokken is bij een handelstransactie betreffende de verkoop van produkten in een derde land aan een orgaan als hiervoor omschreven, dient er rekening mee te houden, dat de voorschriften van de invoerende staat inzake de kwaliteit van ingevoerde produkten, die bepalend zijn voor de uitvoering van de transactie, kunnen worden gewijzigd, ook wanneer die voorschriften lange tijd ongewijzigd zijn gebleven.

16 Een voorzichtig handelaar, die bovendien op basis van wat hij als zijn belang ziet, volstrekt vrij is in de keuze van zijn handelspartners, dient voorts de nodige voorzorgsmaatregelen te treffen, hetzij door een passende bepaling in de betrokken overeenkomst op te nemen, hetzij door een specifieke verzekering af te sluiten. Een dergelijke zorgvuldigheid is te meer nodig in een geval als het onderhavige, omdat volgens verordening nr. 765/86 de door An Bord Bainne verworven boter niet kan worden uitgevoerd naar andere bestemmingen dan de USSR. Indien het, zoals verzoeksters stellen, niet mogelijk was dergelijke maatregelen bij de overeenkomst met het betrokken handelsorgaan te nemen, dan moet de handelaar die dat risico heeft aanvaard, de consequenties ervan dragen.

17 Mitsdien moet op de vraag van de High Court of Justice, Queen's Bench Division, worden geantwoord, dat de in de prejudiciële vragen beschreven omstandigheden geen overmacht opleveren in de zin van het gemeenschapsrecht en meer in het bijzonder van verordening nr. 765/86.

18 Gezien het antwoord op de eerste vraag, behoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.

HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),

uitspraak doende op de door de High Court of Justice, Queen's Bench Division, bij beschikking van 24 februari 1992 gestelde vragen, verklaart voor recht:

De in de prejudiciële vragen beschreven omstandigheden leveren geen overmacht op in de zin van het gemeenschapsrecht, en meer in het bijzonder van verordening (EEG) nr. 765/86 van de Commissie van 14 maart 1986 houdende nadere regels voor de verkoop van boter uit interventievoorraden voor uitvoer naar bepaalde bestemmingen.

Het begrip overmacht in de landbouwverordeningen is afgestemd op de bijzondere aard van de publiekrechtelijke rechtsbetrekkingen tussen de ondernemers en de nationale administratie en op de doelstellingen van die verordeningen; onder dat begrip overmacht is niet slechts volstrekte onmogelijkheid te verstaan, maar het omvat mede abnormale en onvoorzienbare omstandigheden waarop de betrokken ondernemer geen invloed heeft en waarvan de gevolgen, alle betrachte zorgvuldigheid ten spijt, slechts ten koste van onevenredig grote offers te vermijden waren geweest.

Zo moet de wijziging van de wetgeving van een derde land inzake de kwaliteit van in dat land ingevoerde produkten, als gevolg waarvan een voorgenomen uitvoer naar dat land, in verband waarmee de betrokken ondernemer verplichtingen is aangegaan - zoals het stellen van zekerheid in het kader van een inschrijving als bedoeld in verordening nr. 765/68 houdende nadere regels voor de verkoop van boter uit interventievoorraden voor uitvoer naar bepaalde bestemmingen -, niet kan worden verwezenlijkt, worden beschouwd als een omstandigheid waarop de betrokken ondernemer geen invloed heeft.

Wanneer het echter gaat om uitvoer naar een land met staatshandel, kan niet worden gezegd dat het een abnormale en onvoorzienbare gebeurtenis betreft. Het is integendeel een normaal commercieel risico in het kader van handelstransacties met een orgaan van een dergelijk land, dat rechtstreeks afhangt van het openbaar gezag. Ondernemers die bij dergelijke transacties zijn betrokken, dragen het risico dat de staat waarvan het betrokken handelsorgaan afhangt, ook na een zeer lange periode van stabiliteit door een soevereine handeling onverwacht wijziging brengt in de wettelijke regeling betreffende de invoer van aan dat orgaan verkochte produkten.

Een voorzichtig ondernemer, die dat risico behoort te kennen en die vrij is in de keuze van zijn handelspartners, dient de passende voorzorgsmaatregelen te treffen, hetzij door een vrijwaringsclausule in de overeenkomst op te nemen, hetzij door een bijzondere verzekering af te sluiten. Als dat niet mogelijk is en hij gaat de overeenkomst toch aan, dan neemt hij een risico waarvan hij de gevolgen heeft te dragen.

Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Zekerheidstelling - Overmacht - Begrip - Wijziging, in land met staatshandel, van wettelijke regeling inzake kwaliteitseisen voor ingevoerde produkten - Onmogelijkheid om door zekerheid gewaarborgde uitvoertransactie te verwezenlijken - Geen overmacht

(Verordening nr. 765/86 van de Commissie)

Kosten

19 De kosten door de regering van het Verenigd Koninkrijk, de Italiaanse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

In zaak C-124/92,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de High Court of Justice, Queen's Bench Division (Commercial Court), in het aldaar aanhangig geding tussen

1) An Bord Bainne Co-operative Ltd 2) Compagnie Inter-Agra SA

en

Intervention Board for Agricultural Produce,

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van verordening (EEG) nr. 765/86 van de Commissie van 14 maart 1986 houdende nadere regels voor de verkoop van boter uit interventievoorraden voor uitvoer naar bepaalde bestemmingen (PB 1986, L 72, blz. 11),

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE

(Zesde kamer),

samengesteld als volgt: G. F. Mancini, kamerpresident, M. Diez de Velasco, C. N. Kakouris, F. A. Schockweiler en P. J. G. Kapteyn, rechters,

advocaat-generaal: C. Gulmann

griffier: L. Hewlett, administrateur

gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

- An Bord Bainne Co-operative Ltd en Compagnie Inter-Agra SA, vertegenwoordigd door D. Vaughan, QC, en D. Anderson, Barrister,

- de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. E. Collins, Assistant Treasury Solicitor, als gemachtigde, bijgestaan door A. Macnab, Barrister,

- de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door L. Ferrari Bravo, hoofd van de dienst diplomatieke geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, bijgestaan door P. G. Ferri, avvocato dello Stato,

- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H. G. Crossland en C. Docksey, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden,

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de mondelinge opmerkingen van An Bord Bainne Co-operative Ltd en Compagnie Inter-Agra SA, de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door C. Vajda, Barrister, bijgestaan door J. E. Collins, en de Commissie ter terechtzitting van 29 april 1993,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 juni 1993,

het navolgende

Arrest