Home

Hof van Justitie EU 13-07-1995 ECLI:EU:C:1995:244

Hof van Justitie EU 13-07-1995 ECLI:EU:C:1995:244

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
13 juli 1995

Conclusie van advocaat-generaal

M. B. Elmer

van 13 juli 1995(*)

Inleiding

1. Bij op 23 december 1993 ter griffie van het Hof ingediend verzoekschrift heeft het Koninkrijk der Nederlanden beroep ingesteld tegen de Commissie, met het verzoek om nietigverklaring van verordening (EEG) nr. 2920/93 van de Commissie van 22 oktober 1993 tot vaststelling van de uniforme verminderingscoëfficiënt voor het bepalen van de hoeveelheid bananen die in het kader van het tariefcontingent voor de tweede helft van 1993 aan elke marktdeelnemer van de categorieën A en B wordt toegewezen(1) (hierna: de „bestreden verordening”).

2. Tot staving van zijn verzoek heeft het Koninkrijk der Nederlanden inzonderheid betoogd, dat de bestreden verordening berust op een onjuiste uitlegging van verordening (EEG) nr. 1442/93 van de Commissie van 10 juni 1993 houdende bepalingen ter toepassing van de regeling voor de invoer van bananen in de Gemeenschap(2) (hierna: de „toepassingsverordening”), dat de Commissie niet bevoegd was de door de Nederlandse autoriteiten aangemelde hoeveelheden te corrigeren, dat de Commissie het beginsel van gelijke behandeling heeft geschonden en ten slotte, dat de verordening onvoldoende met redenen is omkleed.

3. De Commissie heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep en tot verwijzing van het Koninkrijk der Nederlanden in de kosten van het geding.

De verordening van de Raad

4. Bij verordening (EEG) nr. 404/93 van de Raad van 13 februari 1993 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector bananen(3) (hierna: de „verordening van de Raad”), is een gemeenschappelijke ordening der markten voor bananen ingevoerd ter vervanging van de diverse nationale marktordeningen.

5. Volgens artikel 18, lid 1, van de verordening van de Raad wordt voor elk jaar een tariefcontingent van 2 miljoen ton nettogewicht geopend voor de invoer van bananen uit derde landen en niet-traditionele ACS-bananen.(4) Voor de tweede helft van het jaar 1993 werd het tariefcontingent vastgesteld op 1 miljoen ton. In het kader van het tariefcontingent wordt op de invoer van bananen uit derde landen een douanerecht van 100 ECU per ton geheven, terwijl op de invoer van niet-traditionele ACS-bananen een nulrecht wordt toegepast. Buiten het contingent wordt op de invoer van bananen uit ACS-landen 750 ECU per ton geheven, en op de invoer van bananen uit derde landen 850 ECU per ton.

Het tariefcontingent wordt ingevolge artikel 19, lid 1, verdeeld over drie categorieën marktdeelnemers. Categorie A omvat marktdeelnemers die bananen uit derde landen en/of niet-traditionele ACS-bananen hebben afgezet. Categorie B omvat marktdeelnemers die bananen uit de Gemeenschap en/of traditionele ACS-bananen hebben afgezet, terwijl categorie C marktdeelnemers omvat die vanaf 1992 zijn begonnen andere bananen dan bananen uit de Gemeenschap en/of traditionele ACS-bananen af te zetten. 66,5 % van het contingent wordt toegewezen aan categorie A, 30 % aan categorie B en de resterende 3,5 % aan categorie C.

Om de huidige commerciële betrekkingen niet te verstoren en tegelijk een zekere ontwikkeling van de afzetstructuren mogelijk te maken, geschiedt de verdeling van het contingent binnen iedere categorie op basis van de gemiddelde hoeveelheid bananen die de betrokken marktdeelnemer gedurende de voorgaande drie jaar heeft afgezet.(5)

6. Ingevolge artikel 20 stelt de Commissie bepalingen ter uitvoering van de invoerregeling vast, daaronder begrepen de aanvullende maatregelen voor de afgifte van certificaten.

Luidens de vijftiende overweging moet de Commissie zich bij de vaststelling van de aanvullende criteria waaraan de marktdeelnemers moeten voldoen, laten leiden door het beginsel dat de vergunningen worden toegekend aan natuurlijke of rechtspersonen die het commerciële risico van de afzet van bananen op zich hebben genomen, en dooide noodzaak te voorkomen dat de normale handelsbetrekkingen tussen personen op verschillende punten in de afzetketen worden verstoord.(6)

Uit de zestiende overweging volgt, dat de telling van de marktdeelnemers en de vaststelling van de in de handel gebrachte hoeveelheden die als referentie voor de afgifte van certificaten moeten dienen, door de Lid-Staten worden verricht op grond van door de Commissie vast te stellen voorwaarden en criteria.

De toepassingsverordening

7. De Commissie heeft de toepassingsverordening vastgesteld onder verwijzing naar de artikelen 19 en 20 van de verordening van de Raad.

Ingevolge artikel 3, lid 1, kan aan een onder categorie A of B vallende marktdeelnemer een invoercertificaat worden afgegeven, voor zover de betrokkene voor eigen rekening één of meer van de volgende functies heeft verricht:

  1. aankoop van groene bananen van oorsprong uit derde landen en/of uit ACS-landen van de producenten, of eventueel produktie, gevolgd door verzending ervan en verkoop ervan in de Gemeenschap;

  2. voorziening met groene bananen en in het vrije verkeer brengen ervan, een en ander als eigenaar van deze bananen, en verkoop met het oog op een latere afzet op de communautaire markt; het dragen van de risico's van kwaliteitsverslechtering of verlies van het produkt wordt gelijkgesteld met het dragen van het risico dat op de eigenaar van het produkt rust;

  3. groene bananen als eigenaar ervan laten rijpen en afzet op de markt van de Gemeenschap”.

Ingevolge artikel 4, lid 5, stellen de bevoegde autoriteiten de Commissie binnen nader bepaalde termijnen in kennis van de lijsten van de marktdeelnemers van de categorieën A en B, waarin de door elk van hen afgezette hoeveelheden zijn vermeld. Aan de hand van deze referentiehoeveelheden stelt de Commissie krachtens artikel 6 zo nodig de uniforme verminderingscoëfficiënt voor iedere categorie marktdeelnemers vast. Deze coëfficiënt moet op de referentiehoeveelheid van elke marktdeelnemer worden toegepast om de aan hem toe te wijzen hoeveelheid te bepalen.

8. Bij de behandeling van de voor het tweede halfjaar 1993 ingediende verzoeken legden de Nederlandse autoriteiten artikel 3, lid 1, sub b, van de toepassingsverordening aldus uit, dat deze bepaling ook van toepassing was op marktdeelnemers die groene bananen in derde landen hadden gekocht en deze vervolgens naar de Gemeenschap hadden vervoerd, ook al hadden de Duitse afnemers de bananen in het vrije verkeer gebracht. De redengeving van de Nederlandse autoriteiten voor deze uitlegging was, dat het risico van kwaliteitsverslechtering of verlies in dit geval op de Nederlandse marktdeelnemers rustte.

9. In een mededeling van 9 september 1993 aan de Lid-Staten gaf de Commissie te kennen, dat een marktdeelnemer onder artikel 3, lid 1, sub b, valt, indien aan drie voorwaarden is voldaan. De marktdeelnemer moet eigenaar zijn, de bananen in het vrije verkeer brengen en deze aan een andere marktdeelnemer verkopen met het oog op afzet in de Gemeenschap. Het risico van kwaliteitsverslechtering of verlies vervangt alleen het vereiste, dat de marktdeelnemer eigenaar is. Het eigendomsvereiste heeft, aldus de mededeling, tot doel, vertegenwoordigers en andere tussenpersonen die voor andermans rekening handelen, uit te sluiten. In de praktijk doen zich evenwel gevallen voor waarin de marktdeelnemer die de bananen in het vrije verkeer brengt, geen eigenaar is, maar wel het risico van kwaliteitsverslechtering en verlies draagt. In deze gevallen is het volgens de Commissie deze marktdeelnemer en niet de eigenaar, die de commerciële functie uitoefent. De uitzonderingsbepaling moet verzekeren, dat deze marktdeelnemers bij de verdeling van het tariefcontingent in aanmerking worden genomen.

De bestreden verordening

10. Nadat de Lid-Staten de referentiehoeveelheden bij haar hadden aangemeld, stelde de Commissie vast, dat de in totaal aangevraagde hoeveelheden de door Eurostat geregistreerde importen overschreden. De Commissie leidde hieruit af, dat er sprake moest zijn van dubbeltellingen doordat sommige Lid-Staten artikel 3, lid 1, onjuist hadden uitgelegd.

11. Nadat zij controles had uitgevoerd en contact had opgenomen met de nationale autoriteiten, verminderde de Commissie de door Nederland, Italië en België aangemelde hoeveelheden met respectievelijk 19,7 %, 6,3 % en 0,04 %.

Na deze correctie te hebben aangebracht stelde de Commissie onder verwijzing naar artikel 20 van de verordening van de Raad, met inachtneming van de voorgeschreven comitéprocedure, de bestreden verordening vast tot vaststelling van de uniforme verminderingscoëfficiënt voor het bepalen van de hoeveelheid bananen die voor de tweede helft van 1993 aan de marktdeelnemers van de categorieën A en B moest worden toegewezen.

De vijfde overweging van de bestreden verordening luidt, „dat (...) in verscheidene Lid-Staten hoeveelheden in het kader van dezelfde functie voor verschillende marktdeelnemers tweemaal zijn geteld; dat verificaties bij de bevoegde autoriteiten in verscheidene Lid-Staten deze vaststelling bevestigen en daardoor vrij nauwkeurig kan worden bepaald welke hoeveelheden gemoeid zijn met deze dubbeltellingen, die zijn toe te schrijven aan een onjuiste toepassing van de criteria voor de bepaling van de functies op grond waarvan aanspraak kan worden gemaakt op een aandeel in het tariefcontingent”.

Uit de zesde overweging volgt, dat de door bepaalde Lid-Staten meegedeelde gegevens leidden tot de toepassing van een te hoge verminderingscoëfficiënt, die de marktdeelnemers van categorie A zou benadelen. Om ernstige en moeilijk goed te maken benadeling van bepaalde marktdeelnemers en verstoring van de regeling betreffende het tariefcontingent te voorkomen, verminderde de Commissie de door de Lid-Staten aangemelde hoeveelheden met de geraamde dubbeltellingen.

Uitlegging van artikel 3, lid 1, sub b, van de toepassingsverordening

12. De Nederlandse regering heeft betoogd, dat de Commissie een onjuiste uitlegging heeft gegeven aan artikel 3, lid 1, sub b, van de toepassingsverordening. Tot staving van dit betoog heeft zij aangevoerd, dat de Commissie de vervulling van de formaliteiten voor het in het vrije verkeer brengen, en niet het dragen van het commerciële risico, als criterium heeft gehanteerd.

13. De Commissie heeft erop gewezen, dat artikel 3, lid 1, sub b, van de toepassingsverordening drie voorwaarden bevat die alle moeten zijn vervuld. Het dragen van het risico van kwaliteitsvermindering en verlies kan in de plaats komen van de hoedanigheid van eigenaar, maar de twee overige voorwaarden moeten vervuld zijn.

14. Ik ben het met de Commissie eens, dat artikel 3, lid 1, sub b, van de uitvoeringsverordening drie voorwaarden stelt. De marktdeelnemer moet eigenaar zijn, de produkten voor eigen rekening in het vrije verkeer brengen en deze wederverkopen met het oog op afzet in de Gemeenschap. Het dragen van het risico van kwaliteitsverslechtering of verlies wordt gelijkgesteld met het dragen van het risico dat op de eigenaar rust. De uitzondering heeft derhalve slechts betrekking op een van deze drie voorwaarden. Het is mijns inziens dus kennelijk in strijd met de inhoud van de onderhavige bepaling, deze aldus uit te leggen dat de uitzondering de drie voorwaarden vervangt, en daarmee ook het commerciële risico dat is verbonden met de betaling van de invoerrechten en de verkoop met het oog op afzet in de Gemeenschap. Derhalve moet het betoog van de Nederlandse regering worden verworpen op grond dat het op een onjuiste uitlegging van artikel 3, lid 1, berust.

Bevoegdheid van de Commissie

15. De Nederlandse regering heeft betoogd, dat de Commissie niet bevoegd was de dooide Lid-Staten aangemelde hoeveelheden te corrigeren door de vaststelling van een verminderingscoëfficiënt. Het zijn de Lid-Staten die de marktdeelnemers aanwijzen en die de referentiehoeveelheden vaststellen. Noch artikel 155 van het Verdrag, noch artikel 20 van de verordening van de Raad verleent de Commissie de bevoegdheid, de aangemelde hoeveelheden eigenhandig te wijzigen door de vaststelling van een verminderingscoëfficiënt.

16. De Commissie beroept zich op artikel 155 van het Verdrag en artikel 20 van de verordening van de Raad. Zij heeft tot staving van haar uitlegging betoogd, dat de opsomming in artikel 20 niet uitputtend is en dat uit de plicht tot vaststelling van een verminderingscoëfficiënt volgt, dat de Commissie moet verzekeren dat er ten gevolge van dubbeltelling geen onjuiste coëfficiënt wordt berekend. In het onderhavige geval kon de dubbeltelling rechtstreeks worden vastgesteld door de aanmeldingen van de Lid-Staten te vergelijken met de hoeveelheden die Eurostat had geregistreerd op basis van de beschikbare douanedocumenten. De vermindering, waartoe is besloten na raadpleging van en overleg met sommige Lid-Staten, waaronder in het bijzonder Nederland, is noodzakelijk om zoveel mogelijk te verzekeren, dat het tariefcontingent overeenkomstig de verordening van de Raad wordt verdeeld.

17. Uit de inhoud van de verordening van de Raad kan geen uitdrukkelijke machtigingsgrondslag voor de door de Commissie uitgevoerde correctie worden afgeleid.(7) Bijgevolg moet worden onderzocht, wat kan worden afgeleid uit het doel en de structuur van de invoerregeling, waaronder de achtergrond van de taakverdeling tussen de Lid-Staten en de Commissie.

18. Om het benodigde referentiekader te creëren, moet aansluiting worden gezocht bij het uitgangspunt van het Hof aangaande de bevoegdheid van de Commissie om uitvoeringsbepalingen vast te stellen. In het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid is het uitgangspunt, dat de bevoegdheid van de Commissie in dat opzicht ruim moet worden uitgelegd.(8) De reden hiervoor is, dat de Commissie als enige in staat is, de ontwikkeling van de landbouwmarkten voortdurend en oplettend te volgen en de noodzakelijke spoedmaatregelen te treffen.(9) De grenzen van de bevoegdheid van de Commissie moeten derhalve in hoofdzaak worden bepaald aan de hand van de algemene hoofddoelen van de betrokken marktordening.(10) Het Hof heeft voorts verklaard, dat de Commissie bevoegd is alle maatregelen te treffen die noodzakelijk of dienstig zijn om uitvoering te geven aan een verordening van de Raad, op voorwaarde dat zij niet in strijd zijn met de betrokken verordening van de Raad of de door de Raad vastgestelde uitvoeringsbepalingen.(11)

19. Mijns inziens vormt de bevoegdheidsverdeling in de verordening van de Raad veeleer de uitdrukking van een praktische taakverdeling dan van de wens van de communautaire wetgever, de Lid-Staten een zelfstandige beslissingsbevoegdheid te verlenen. Dit kan worden afgeleid uit de zestiende overweging, volgens welke de Lid-Staten de telling van de marktdeelnemers en de vaststelling van de in de handel gebrachte hoeveelheden moeten verrichten op grond van door de Commissie vast te stellen voorwaarden en criteria. De taak van de Lid-Staten bij de verdeling van het tariefcontingent gaat derhalve niet verder dan een mechanische behandeling van aanvragen op de grondslag van de door de Commissie in de toepassingsverordening vastgestelde voorwaarden en criteria.

20. In het arrest Emerald Meats(12) van 20 januari 1993 heeft het Hof de gelegenheid gehad, een probleem te behandelen dat in bepaalde opzichten aan de onderhavige zaak doet denken. De zaak Emerald Meats had betrekking op de verdeling van een tariefcontingent binnen de gemeenschappelijke marktordening voor rundvlees,(13) Evenals in de onderhavige zaak, verdeelde de Commissie het contingent op basis van door de Lid-Staten opgestelde lijsten waarop de in aanmerking te nemen marktdeelnemers en de ingevoerde hoeveelheden vermeld stonden.

In de referentieperiode had de onderneming Emerald Meats van vleesverwerkende bedrijven quota-aandelen verkregen en de invoer verzorgd. De uitlegging die de Ierse autoriteiten aan de toepassingsverordening gaven, leidde er evenwel toe, dat de ingevoerde hoeveelheden de vleesverwerkers, en niet Emerald Meats werden aangerekend. Emerald Meats legde de zaak voor aan de Ierse High Court en aan het Hof van Justitie. Voorts diende de onderneming haar aanvragen voor het volgende jaar in bij de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk.

Om te voorkomen dat dezelfde ingevoerde hoeveelheden dubbel zouden worden geteld doordat Emerald Meats haar aanvraag in het Verenigd Koninkrijk had ingediend en de vleesverwerkende bedrijven in Ierland, bepaalde de Commissie in haar toepassingsverordening(14), dat invoercertificaten slechts tegen zekerheidsstelling konden worden afgegeven in gevallen waarin twee of meer importeurs voor een zelfde ingevoerde hoeveelheid een aanvraag hadden ingediend. Voorts verzocht de Commissie de Ierse autoriteiten, de verdeling voor 1991(15) opnieuw te ramen. Ten slotte kan uit het rapport ter terechtzitting worden afgeleid, dat de Commissie bij de berekening van de verminderingscoëfficiënt de door Emerald Meats en de vleesverwerkende bedrijven aangemelde dubbele hoeveelheden slechts één keer had meegerekend.(16) Bij de berekening van de coëfficiënt waren derhalve geen hoeveelheden twee keer meegeteld.

Voor het Hof betoogde Emerald Meats onder meer, dat de Commissie gehouden was de toekenning door de Ierse autoriteiten van hoeveelheden aan vleesverwerkende bedrijven ongedaan de maken.

In rechtsoverweging 40 van het arrest overwoog het Hof het volgende: „Een communautair beheer vereist evenmin, dat de Commissie in concrete gevallen noodzakelijkerwijze onjuiste beslissingen van de nationale autoriteiten in het kader van dit beheer moet kunnen corrigeren, aangezien de eerbiediging van de gemeenschappelijke regels en de uniforme toepassing ervan in alle Lid-Staten kan worden verzekerd via de nietnakomingsprocedure van artikel 169 van het Verdrag, dan wel via beroepen bij de nationale rechter, voor wie de procedure van artikel 177 van het Verdrag openstaat.”

Voorts overwoog het Hof in rechtsoverweging 50, dat „de Commissie (...) zich niet in de plaats [kon] stellen van de autoriteiten van de Lid-Staten en de haar toegezonden lijsten corrigeren of dezelfde referentiehoeveelheden zonder meer tweemaal aanvaarden, in welk geval de hoeveelheden die konden worden toegewezen aan andere handelaren van de Gemeenschap op basis van de hoeveelheden waarvan zij de invoer in de referentiejaren hadden bewezen, onrechtmatig zouden zijn verminderd”. Onder deze omstandigheden was het Hof van oordeel, dat de Commissie gegronde redenen had om bovenbedoeld vereiste van een zekerheid te stellen.

21. De feitelijke omstandigheden in de zaak Emerald Meats verschillen op enkele punten van de onderhavige zaak. In de zaak Emerald Meats had de Commissie een verdelingscoëfficiënt berekend zonder dubbelgetelde hoeveelheden in aanmerking te nemen. De Commissie had derhalve in de uitoefening van haar bevoegdheid, de sleutel voor de verdeling van het contingent vast te stellen, verzekerd dat geen dubbele hoeveelheden in aanmerking zouden worden genomen. Anders dan in de onderhavige zaak, draaide het in Emerald Meats derhalve niet om de bevoegdheid van de Commissie in verband met de berekening van de algemene coëfficiënt, maar om de concrete verdeling van een correct berekend aandeel in een contingent over afzonderlijke marktdeelnemers.

22. Uit het arrest Emerald Meats kan mijns inziens derhalve niet worden afgeleid, dat de Commissie bij de vaststelling van de algemene veminderingscoëfficiënt niet over de mogelijkheid beschikt, de door de Lid-Staten aangemelde hoeveelheden te corrigeren, tenzij de Raad haar uitdrukkelijk een dergelijke bevoegdheid heeft ingeruimd.

23. Een invoerregeling als die neergelegd in de verordening van de Raad is en moet zijn gebaseerd op de gedachte, dat de verdeling geschiedt met nauwkeurige inachtneming van het gelijkheidsbeginsel.(17) Indien de algemene uitlegging door een Lid-Staat van de door de Commissie vastgestelde verdelingscriteria ertoe leidt, dat ingevoerde hoeveelheden dubbel worden geteld, vervalt de grondslag van de invoerregeling, ten nadele van de marktdeelnemers en de gemeenschappelijke ordening als geheel. Zoals het Hof in de zaak Emerald Meats beklemtoonde, zal die dubbeltelling leiden tot vermindering van de hoeveelheden die ter beschikking staan van de marktdeelnemers die voldoen aan de gemeenschapsrechtelijke voorwaarden voor een aandeel in het invoercontingent.(18)

24. Gelet op de belangen van de marktdeelnemers en met het oog op de goede werking van de marktordening moet mijns inziens derhalve worden aangenomen dat de Commissie, als instantie die een volledig overzicht heeft over het beheer van de ordening,(19) gerechtigd is in geval van een dergelijke dubbeltelling in te grijpen door de vaststelling van de verminderingscoëfficiënt, die vanuit praktisch administratief oogpunt noodzakelijkerwijs centraal moeten worden vastgesteld.

25. Het zou duidelijk onbevredigend zijn, indien de Commissie gedwongen was een op dubbeltellingen gebaseerde verminderingscoëfficiënt te berekenen, om vervolgens beroep wegens niet-nakoming in te stellen tegen de betrokken Lid-Staat en/of de marktdeelnemers voor de nationale rechter beroep te laten instellen tegen de Lid-Staat of Lid-Staten die de dubbeltelling hebben veroorzaakt. In dat geval zou men de Commissie immers dwingen, een maatregel te treffen die haars inziens op een onjuiste grondslag berust, alsmede alle andere marktdeelnemers een verlies doen lijden dat moeilijk zal kunnen worden hersteld.

26. Een voorwaarde voor de feitelijke verdeling van het tariefcontingent is, dat de Commissie een verminderingscoëfficiënt vaststelt. In de tijd gezien is de Commissie derhalve genoodzaakt, de coëfficiënt nagenoeg gelijk met de ontvangst van de aanmeldingen te berekenen of ter kennis van de Lid-Staten te brengen. Indien men de Commissie niet bevoegd zou achten, de door de Lid-Staten aangemelde hoeveelheden te corrigeren wegens dubbeltellingen, maar haar daarentegen zou dwingen een procedure krachtens artikel 169 in te leiden, zou, om een onjuist coëfficiënt te voorkomen, de vaststelling hiervan moeten worden uitgesteld totdat het Hof zich in de zaak heeft uitgesproken of eventueel totdat het Hof voorlopige maatregelen heeft getroffen. Een dergelijke oplossing zou mijns inziens eveneens schadelijk zijn voor de marktdeelnemers en voor de juiste werking van de marktordening, omdat het binnen het tijdvak dat ter beschikking staat, voor de Commissie in de praktijk nauwelijks mogelijk zal zijn, de procedure van artikel 169 in te leiden, terwijl het Hof moeilijk voorlopige maatregelen zal kunnen treffen.

27. Het voorschrijven van een zekerheidsstelling zal evenmin een bruikbaar alternatief zijn voor de erkenning van de bevoegdheid van de Commissie, dubbeltellingen te corrigeren. Een dergelijke regeling heeft mijns inziens alleen zin, wanneer de Commissie, zoals in de zaak Emerald Meats het geval was, reeds een coëfficiënt heeft vastgesteld zonder dubbelgetelde hoeveelheden mee te rekenen. In die situatie kan met een zekerheidsstelling worden gewaarborgd, dat een aandeel in het contingent slechts eenmaal wordt toegekend, en wel aan die van de aanvragers die vervolgens de berechtigde blijkt te zijn.

28. Er zijn derhalve geen bruikbare alternatieven aanwijsbaar voor de erkenning van de bevoegdheid van de Commissie, voor dubbelgetelde hoeveelheden correcties aan te brengen bij de vaststelling van de verminderingscoëfficiënt. In de onderhavige zaak is het voorts bijzonder duidelijk, dat de Commissie daartoe gerechtigd was. De uitlegging die de Nederlandse autoriteiten aan de verordening van de Raad hebben gegeven, moet immers klaarblijkelijk onjuist worden geacht. Daar komt bij, dat de Commissie de noodzakelijke correctie ook binnen redelijke tijd heeft kunnen aanbrengen.

Schending van het gelijkheidsbeginsel

29. De Nederlandse regering heeft betoogd, dat de Commissie het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden door niet te verzekeren, dat aan elke vorm van dubbeltelling een einde werd gemaakt. Zij heeft erop gewezen, dat er zelfs na correctie geen overeenstemming bestaat tussen de in totaal aangemelde hoeveelheden en de door Eurostat geregistreerde hoeveelheden.

30. De Commissie heeft toegegeven, dat er nog een zekere dubbeltelling plaatsvindt. De Lid-Staten hebben evenwel aan de hand van douanedocumenten aangemelde hoeveelheden kunnen onderbouwen waarvoor het technisch gezien niet mogelijk was, de bron van dubbeltellingen te identificeren. Bovendien hebben de Nederlandse autoriteiten niet aangetoond, dat de Commissie sommige marktdeelnemers al dan niet opzettelijk heeft bevoordeeld.

31. De Nederlandse regering heeft niet aangetoond, dat de handelwijze van de Commissie heeft geleid tot een verschil in behandeling van marktdeelnemers die bij de Commissie een verzoek op dezelfde grondslag zouden hebben ingediend als de Nederlandse. Het aangevoerde argument zou derhalve inhouden dat de Commissie, zulks ten nadele van de marktdeelnemers, de vastgestelde dubbeltelling niet kan corrigeren, enkel omdat niet alle vormen van dubbeltelling aan het licht zijn gekomen. Erkenning van dit standpunt zou resulteren in een situatie waarin een autoriteit niet kan optreden tegen overtredingen, voor zover het binnen het kader van de beschikbare tijd en andere middelen niet mogelijk is, iedere vorm van misbruik of onjuiste toepassing van regels te onthullen.

Het middel moet worden verworpen.

Niet-inachtneming van het motiverings-vereiste

32. De Nederlandse regering heeft betoogd, dat de bestreden verordening onvoldoende met redenen is omkleed, omdat niet blijkt op welke grond de vermindering is toegepast. Dit heeft voor de Nederlandse autoriteiten problemen meegebracht bij de verdeling van de invoercertificaten.

33. De Commissie heeft betoogd, dat een uitvoerige motivering in de verordening overbodig was, voor zover de Lid-Staten betrokken waren bij de voorbereiding van de verordening. In casu heeft de Commissie met de Nederlandse autoriteiten nauw overleg gevoerd over de uitlegging van artikel 3, lid 1, van de toepassingsverordening.

34. Volgens de rechtspraak van het Hof moet de ingevolge artikel 190 van het Verdrag vereiste motivering een duidelijke en ondubbelzinnige uiteenzetting geven van de aan de betrokken handeling ten grondslag liggende overwegingen, in dier voege dat de belanghebbenden kennis kunnen nemen van de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel en hun rechten kunnen verdedigen en het Hof zijn toezicht kan uitoefenen.(20) Het is evenwel niet noodzakelijk, dat alle verschillende gegevens die feitelijk of rechtens relevant zijn, in de motivering werden vermeld; bij de beoordeling van de motivering moet worden gelet op de context waarin zij is gegeven, terwijl ook de praktische mogelijkheden en technische omstandigheden en de termijn waarbinnen de handeling tot stand moest komen, in de beschouwing moeten worden betrokken.(21)

35. Het komt mij voor, dat de bestreden verordening aan deze vereisten voldoet. In de vijfde en de zesde overweging van de considerans worden de vastgestelde dubbeltellingen en de oorzaak daarvan beschreven en wordt gewezen op de noodzaak, hiervoor een correctie aan te brengen bij de berekening van de verminderingscoëfficiënt. Inzonderheid met betrekking tot de door de Nederlandse regering aangevoerde praktische toepassingsproblemen moet worden opgemerkt, dat de uitlegging door de Commissie van artikel 3, lid 1, sub b, van de toepassingsverordening is besproken met de Nederlandse autoriteiten. Voorts is deze uitlegging tot uitdrukking gebracht in de mededeling van de Commissie van 9 september 1993. De Nederlandse autoriteiten kunnen derhalve geen gegronde twijfel hebben gekoesterd aangaande de inhoud van de uitlegging van de Commissie en de aard van de problemen waartoe de toepassing van de betrokken regels had geleid, als bedoeld in de vijfde overweging van de bestreden verordening.

Kosten

36. De Commissie heeft geconcludeerd tot veroordeling van het Koninkrijk der Nederlanden in de kosten. Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dit is gevorderd.

Conclusie

37. Gelet op liet voorgaande geef ik het Hof in overweging:

  1. het beroep te verwerpen;

  2. het Koninkrijk der Nederlanden in de kosten te verwijzen.