Home

Hof van Justitie EU 28-09-1994 ECLI:EU:C:1994:352

Hof van Justitie EU 28-09-1994 ECLI:EU:C:1994:352

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
28 september 1994

Uitspraak

Arrest van het Hof

28 september 1994(*)

In zaak C-57/93,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Kantongerecht te Utrecht, in het aldaar aanhangig geding tussen

A. A. Vroege

en

  1. NCIV Instituut voor Volkshuisvesting BV,

  2. Stichting Pensioenfonds NCIV,

HET HOF VAN JUSTITIE,

samengesteld als volgt: O. Due, president, G. F. Mancini (rapporteur), J. C. Moitinho de Almeida, M. Diez de Velasco en D. A. O. Edward, kamerpresidenten, C. N. Kakouris, R. Joliét, F. A. Schockweiler, G. C. Rodríguez Iglesias, F. Gravisse, M. Zuleeg, P. J. G. Kapteyn en J. L. Murray, rechters,

advocaat-generaal: W. Van Gerven

griffier: L. Hewlett, administrateur

  1. gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

    • A. A. Vroege, vertegenwoordigd door T. P. J. de Graaf, advocaat te Utrecht,

    • de Duitse regering, vertegenwoordigd door E. Roder, Ministerialrat bij het Bondsministerie van Economische zaken, en C.-D. Quassowski, Regierungsdirektor bij dat ministerie, als gemachtigden,

    • de Belgische regering, vertegenwoordigd door J. Devadder, bestuursdirecteur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,

    • de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. E. Collins, Assistant Treasury Solicitor, als gemachtigde, bijgestaan door N. Paines, Barrister,

    • de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door K. Banks en B. J. Drijber, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden,

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de mondelinge opmerkingen van A. A. Vroege, vertegenwoordigd door M. Greebe, advocaat te Utrecht, NCIV Instituut voor Volkshuisvesting BV en Stichting Pensioenfonds NCIV, vertegenwoordigd door E. Lutjens, advocaat te Utrecht, de Duitse regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie ter terechtzitting van 26 april 1994,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 7 juni 1994,

het navolgende

Arrest

1 Bij vonnis van 17 februari 1993, ingekomen bij het Hof op 2 maart daaraanvolgend, heeft het Kantongerecht te Utrecht krachtens artikel 177 EEG-Verdrag vier prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 119 EEG-Verdrag, in verband met het recht op aansluiting bij bedrijfspensioenregelingen, van's Hofs arrest van 17 mei 1990 (zaak C-262/88, Barber, Jurispr. 1990, blz. I-1889; hierna: „arrest Barber”) en van het protocol ad artikel 119 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, dat als tweede protocol is gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie van 7 februari 1992 (hierna: „protocol nr. 2”).

2 Die vragen zijn gesteld in een geding tussen mevrouw Vroege enerzijds en NCIV Instituut voor Volkshuisvesting BV en Stichting Pensioenfonds NCIV anderzijds over de aansluiting van Vroege bij dit pensioenfonds.

3 Vroege werkt sinds 1 mei 1975 in deeltijd (25,9 uur per week) bij NCIV Instituut voor Volkshuisvesting BV (hierna: „NCIV”).

4 Volgens artikel 20 van de binnen NCIV toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst zijn de werknemers in dienst van deze instelling aangesloten bij een bedrijfspensioenregeling, de Stichting Pensioenfonds NCIV, waardoor zij recht hebben op een ouderdoms-, een invaliditeits- en een weduwen- en wezenpensioen.

5 Vóór 1 januari 1991 bepaalde het pensioenreglement van NCIV, dat de pensioenregeling enkel openstond voor mannelijke en ongehuwde vrouwelijke werknemers, die voor onbepaalde tijd in dienst waren en voor ten minste 80 % een volledige dagtaak vervulden.

6 Aangezien Vroege altijd minder dan 80 % van de volledige dagtaak heeft gewerkt, werd zij niet tot de regeling toegelaten en kon zij dus geen pensioenrechten opbouwen.

7 Op 1 januari 1991 is een nieuw pensioenreglement in werking getreden, op grond waarvan zowel mannelijke als vrouwelijke werknemers die de leeftijd van 25 jaar hebben bereikt en minimaal 25 % van de normale arbeidstijd werkzaam zijn, zich bij de regeling kunnen aansluiten.

8 Artikel 23, lid 5, van het reglement bepaalt bovendien, dat vrouwelijke werknemers die vóór 1 januari 1991 niet waren aangesloten, extra aansluitingsjaren kunnen inkopen, mits zij op 31 december 1990 50 jaar of ouder waren. Het aantal in te kopen jaren is beperkt tot de jaren die zijn gelegen tussen de datum waarop de aangeslotene de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt en 1 januari 1991.

9 Daar Vroege op 31 december 1990 nog geen 50 jaar was, kon zij zich niet op die overgangsbepaling beroepen en heeft zij dus pas vanaf 1 januari 1991 pensioenrechten kunnen opbouwen. Zij heeft het nieuwe pensioenreglement dan ook aangevochten met het argument, dat het een met artikel 119 van het Verdrag onverenigbare discriminatie behelst, omdat het haar niet het recht verleent, zich voor de tijdvakken van arbeid vóór 1 januari 1991 bij de pensioenregeling aan te sluiten. Zij vordert derhalve aansluiting met terugwerkende kracht vanaf 8 april 1976, de datum van het arrest Defrenne (zaak 43/75, Jurispr. 1976, blz. 455), waarin het Hof voor het eerst de rechtstreekse werking van artikel 119 heeft erkend.

10 Het Kantongerecht te Utrecht, waarbij Vroege haar vordering aanhangig heeft gemaakt, heeft besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:

  1. Valt onder het recht op (gelijke) beloning als bedoeld in artikel 119 EEG-Verdrag ook het recht op een aanspraak op deelname in een bedrijfspensioenregeling?

  2. Indien de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord, geldt de beperking in tijd die het Hof heeft aangelegd in de Barber-zaak voor een pensioenvoorziening als waarvan sprake was in de Barber-zaak (‚contracted-out schemes’), ook voor een aanspraak op deelname in een bedrijfspensioenregeling zoals in de onderhavige zaak?

  3. Is er reden om aan de eventuele toepasselijkheid van het beginsel van gelijke beloning, vervat in artikel 119 EEG-Verdrag een beperking in tijd te verbinden voor aanspraken op deelname in een bedrijfspensioenregeling, waarvan in deze zaak sprake is, en zo ja, tot welke datum?

  4. Hebben het bij het Verdrag van Maastricht behorend protocol ad artikel 119 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (‚Barber-protoco’), alsmede (het wetsvoorstel tot wijziging van) het overgangsartikel III van het wetsvoorstel 20890, dat beoogt uitvoering te geven aan de vierde richtlijn, gevolgen voor de beoordeling van de onderhavige zaak die bij verzoekschrift ter griffie van dit kantongerecht is ingekomen d. d. 11 november 1991, mede gezien het tijdstip waarop deze zaak aanhangig is gemaakt?”

De eerste vraag

11 Met de eerste vraag wenst de nationale rechter te vernemen, of het recht op aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling binnen de werkingssfeer van artikel 119 van het Verdrag valt en dus wordt bestreken door het in dat artikel geformuleerde discriminatieverbod.

12 In het arrest van 13 mei 1986 (zaak 170/84, Bilka, Jurispr. 1986, blz. 1607) heeft het Hof reeds erkend, dat een bedrijfspensioenregeling die, ofschoon ingevoerd in overeenstemming met de door de nationale wetgever vastgestelde bepalingen, haar oorsprong vindt in een akkoord met de werknemers of hun vertegenwoordigers en zonder enige bijdrage van de overheid wordt gefinancierd, geen rechtstreeks bij wet geregeld en als zodanig buiten de werkingssfeer van artikel 119 vallend stelsel van sociale zekerheid is, en dat de uitkeringen aan de werknemers uit hoofde van die regeling als een door de werkgever aan de werknemer uit hoofde van diens dienstbetrekking betaald voordeel in de zin van artikel 119, tweede alinea, zijn aan te merken (r. o. 20 en 22).

13 Deze beginselen zijn bevestigd in het arrest Barber, waarin het ging om vervangende („contracted-out”) bedrijfspensioenregelingen naar Brits recht, en in het arrest van 6 oktober 1993 (zaak C-109/91, Ten Oever, Jurispr. 1993, blz. I-4879).

14 In laatstgenoemd arrest verklaarde het Hof artikel 119 van toepassing op uitkeringen uit hoofde van een met de thans in geding zijnde regeling vergelijkbare bedrijfsregeling naar Nederlands recht. Daarbij hechtte het in het bijzonder belang aan het feit, dat de regels van die regeling niet rechtstreeks bij wet zijn vastgesteld, doch het resultaat zijn van overleg tussen de sociale partners, terwijl de overheid niet meer heeft gedaan dan, op verzoek van de als representatief te beschouwen werkgevers-en werknemersorganisaties, de regeling voor de gehele bedrijfstak verbindend verklaren (r. o. 10).

15 Verder volgt uit het arrest Bilka (reeds aangehaald), dat niet alleen het recht op uitkeringen uit hoofde van een bedrijfspensioenregeling binnen de werkingssfeer van artikel 119 valt, maar ook het recht op aansluiting bij die regeling.

16 Die beslissing is ingegeven door de overweging dat, indien, zoals uit het arrest van 31 maart 1981 (zaak 96/80, Jenkins, Jurispr. 1981, blz. 911) blijkt, een loonpraktijk waarbij voor deeltijdarbeid een lager uurloon wordt vastgesteld dan voor voltijdarbeid, in bepaalde gevallen discriminatie tussen mannelijke en vrouwelijke werknemers oplevert, hetzelfde geldt voor de weigering om deeltijdwerknemers recht op een bedrijfspensioen te verlenen. Immers, aangezien een dergelijk pensioen onder het begrip beloning in de zin van artikel 119, tweede alinea, valt, is de totale beloning die de werkgever aan voltijdwerknemers betaalt, bij een gelijk aantal arbeidsuren hoger dan die welke hij aan deeltijdwerknemers betaalt (r. o. 27).

17 Hieruit volgt, dat een bedrijfspensioenregeling die de aansluiting van gehuwde vrouwen uitsluit, een rechtstreeks op het geslacht gebaseerde discriminatie oplevert, die in strijd is met artikel 119 van het Verdrag. Wanneer de uitsluiting deeltijdwerknemers betreft, wordt deze bepaling slechts geschonden wanneer die maatregel een veel groter aantal vrouwen dan mannen treft, tenzij de werkgever aantoont dat bedoelde maatregel haar verklaring vindt in factoren die objectief gerechtvaardigd zijn en niets van doen hebben met discriminatie op grond van het geslacht (zie arrest Bilka, reeds aangehaald).

18 Gelet op het voorgaande moet op de eerste prejudiciële vraag worden geantwoord, dat het recht op aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling binnen de werkingssfeer van artikel 119 van het Verdrag valt en dus wordt bestreken door het in dat artikel geformuleerde discriminatieverbod.

De tweede en de derde vraag

19 Met deze vragen wenst de nationale rechter in de eerste plaats te vernemen, of de beperking in de tijd van de werking van het arrest Barber ook geldt voor het recht op aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling als in het hoofdgeding aan de orde is, en in de tweede plaats, of het hoe dan ook niet aangewezen zou zijn, in casu een soortgelijke beperking te voorzien.

20 Om deze vragen te kunnen beantwoorden, moet worden herinnerd aan de context waarin werd besloten de werking van het arrest Barber in de tijd te beperken.

21 Overeenkomstig vaste rechtspraak, volgens welke het Hof, met toepassing van een aan de communautaire rechtsorde inherent algemeen beginsel van rechtszekerheid, bij wijze van uitzondering en gelet op de ernstige verstoringen die zijn arrest zou kunnen meebrengen voor rechtsbetrekkingen die in het verleden te goeder trouw tot stand zijn gekomen, voor alle betrokkenen de mogelijkheid kan beperken om met een beroep op een door het Hof uitgelegde bepaling die rechtsbetrekkingen weer in geding te brengen (zie arrest Defrenne, reeds aangehaald), onderzocht het Hof of was voldaan aan de twee criteria die essentieel zijn om tot een dergelijke beperking te kunnen besluiten, te weten de goede trouw van de belanghebbende kringen en het gevaar van ernstige verstoringen.

22 Wat het eerste criterium betreft, stelde het om te beginnen vast (r. o. 42), dat artikel 9, aanhef en sub a, van richtlijn 86/378/EEG van de Raad van 24 juli 1986 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen in ondernemings- en sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid (PB 1986, L 225, biz. 40) voorzag in de mogelijkheid, de voorgeschreven tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling uit te stellen ten aanzien van de vaststelling van de pensioengerechtigde leeftijd met het oog op de toekenning van ouderdomspensioenen, zulks in navolging van de uitzondering die is voorzien in artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (PB 1979, L 6, biz. 24).

23 In het licht van deze bepalingen, zo vervolgde het Hof, mochten de Lid-Staten en de belanghebbende kringen redelijkerwijze aannemen, dat artikel 119 niet van toepassing was op pensioenen uit hoofde van een vervangende regeling en dat uitzonderingen op het beginsel van gelijkheid van mannelijke en vrouwelijke werknemers op dit gebied geoorloofd bleven (r. o. 43).

24 In het arrest van 14 december 1993 (zaak C-110/91, Moroni, Jurispr. 1993, blz. I-6591) heeft het Hof, dat daarin de in de arresten Defrenne, Bilka en Barber geformuleerde beginselen in herinnering bracht en bevestigde, opgemerkt, dat in laatstgenoemd arrest voor het eerst de vraag werd behandeld, hoe de ongelijke behandeling die voortvloeit uit de vaststelling van een naar geslacht verschillende pensioenleeftijd, in het licht van artikel 119 moet worden beoordeeld (r. o. 16).

25 Wat het criterium van de ernstige verstoringen betreft, overwoog het Hof in het arrest Barber, dat indien alle belanghebbende mannelijke werknemers evenals Barber de mogelijkheid zouden hebben, in het geval van discriminaties die tot die tijd op basis van de in richtlijn 86/378 voorziene uitzonderingen als geoorloofd mochten worden beschouwd, hun recht op gelijke behandeling met terugwerkende kracht te doen gelden, het financiële evenwicht van tal van bedrijfsregelingen met terugwerkende kracht verstoord zou kunnen worden (r. o. 44).

26 In die omstandigheden besliste het Hof, dat op de rechtstreekse werking van artikel 119 van het Verdrag slechts een beroep kan worden gedaan teneinde gelijkheid van behandeling op het gebied van bedrijfspensioenen te eisen, wanneer het gaat om uitkeringen die verschuldigd zijn uit hoofde van na 17 mei 1990 vervulde tijdvakken van arbeid, behalve in het geval van werknemers of hun rechtverkrijgenden die vóór die datum een rechtsvordering hebben ingesteld of een naar geldend nationaal recht daarmee gelijk te stellen vordering hebben ingediend (r. o. 45 van het arrest Barber, zoals gepreciseerd in het arrest Ten Oever, reeds aangehaald).

27 Uit het voorgaande volgt in het bijzonder, dat de beperking in de tijd van de werking van het arrest Barber slechts geldt voor de soorten van discriminatie waarvan de werkgevers en de pensioenregelingen, op grond van de tijdelijke uitzonderingen die waren voorzien in het gemeenschapsrecht dat op het gebied van bedrijfspensioenen van toepassing kan zijn, redelijkerwijze mochten aannemen, dat zij getolereerd werden.

28 Met betrekking tot het recht op aansluiting bij bedrijfsregelingen moet evenwel worden vastgesteld, dat uit niets kan worden opgemaakt, dat de betrokken beroepskringen zich hebben kunnen vergissen met betrekking tot de toepasselijkheid van artikel 119.

29 Sedert het arrest Bilka (reeds aangehaald) is het immers duidelijk, dat een schending van de gelijkheidsregel bij de toekenning van dat recht onder artikel 119 valt.

30 Daar in het arrest Bilka geen enkele beperking in de tijd is voorzien, kan de rechtstreekse werking van artikel 119 bovendien worden ingeroepen teneinde met terugwerkende kracht gelijkheid van behandeling met betrekking tot het recht op aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling te eisen, en wel vanaf 8 april 1976, de datum van het arrest Defrenne (reeds aangehaald), waarin het Hof voor het eerst de rechtstreekse werking van dat artikel heeft erkend.

31 Wat ten slotte specifiek het laatste onderdeel van de vraag betreft, zij eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof een eventuele beperking in de tijd van de werking van een prejudicieel uitleggingsarrest slechts mogelijk is in het arrest waarin de gevraagde uitlegging wordt gegeven (zie onder meer arrest van 16 juli 1992, zaak C-163/90, Legros e. a., Jurispr. 1992, blz. I-4625, r. o. 30). Indien het Hof het noodzakelijk had geoordeeld, de werking van de regel volgens welke het recht op aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling onder artikel 119 valt, in de tijd te beperken, had het dit dus in het arrest Bilka moeten doen.

32 Mitsdien moet op de tweede en de derde vraag worden geantwoord, dat de beperking in de tijd van de werking van het arrest Barber niet geldt voor het recht op aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling en dat het niet mogelijk is, met betrekking tot dat recht een vergelijkbare beperking te voorzien.

De vierde vraag

33 Met de vierde vraag wenst de nationale rechter te vernemen, welke invloed het nationale wetsvoorstel ter uitvoering van richtlijn 86/378 en protocol nr. 2 in de context van de onderhavige zaak zouden kunnen hebben.

34 Met betrekking tot het nationale wetsvoorstel kan worden volstaan met eraan te herinneren, dat het volgens vaste rechtspraak niet aan het Hof staat om in het kader van de procedure van artikel 177 het nationale recht uit te leggen en zich over de gevolgen daarvan uit te spreken (zie onder meer arrest van 3 februari 1977, zaak 52/76, Benedetti, Jurispr. 1977, blz. 163, r. o. 25).

35 Protocol nr. 2, dat ingevolge artikel 239 van het Verdrag een integrerend deel daarvan uitmaakt, luidt als volgt:

„Voor de toepassing van artikel 119 van het Verdrag worden uitkeringen uit hoofde van een ondernemings- of sectoriële regeling inzake sociale zekerheid niet als beloning beschouwd indien en voor zover zij kunnen worden toegerekend aan tijdvakken van arbeid vóór 17 mei 1990, behalve in het geval van werknemers of hun rechtverkrijgenden die vóór die datum een rechtsvordering of een naar geldend nationaal recht daarmee gelijk te stellen vordering hebben ingesteld.”

36 Blijkens het dossier en de pleidooien voor het Hof is de vraag die moet worden beslecht in wezen, of dit protocol enkel beperking in de tijd van de werking van het arrest Barber, zoals deze hiervoor in herinnering is gebracht, wil preciseren, dan wel of het een ruimere strekking heeft.

37 Volgens de regering van het Verenigd Koninkrijk wijst de ruime formulering van het protocol erop, dat dit van toepassing is op alle op het geslacht gebaseerde discriminaties die zich in het kader van bedrijfspensioenregelingen kunnen voordoen, daaronder begrepen die welke betrekking hebben op het recht op aansluiting bij die regelingen.

38 Verzoekster in het hoofdgeding, de Duitse regering en de Commissie betogen daarentegen, dat het protocol, in weerwil van de zeer algemene bewoordingen waarin het is gesteld, moet worden gelezen in samenhang met het arrest Barber en geen ruimere strekking kan hebben dan de werking van dat arrest in de tijd te beperken.

39 Dienaangaande moet worden vastgesteld, dat het protocol door zijn algemene bewoordingen van toepassing is op de uitkeringen uit hoofde van een bedrijfspensioenregeling.

40 Hierbij moet echter wel een kanttekening worden gemaakt: deze vaststelling betreft de uitkeringen —die overigens als enige in protocol nr. 2 worden genoemd — en niet het recht op aansluiting bij een ondernemings- of sectoriële regeling inzake sociale zekerheid.

41 Er bestaat immers een duidelijk verband tussen het protocol en het arrest Barber, omdat het verwijst naar 17 mei 1990, de datum van het arrest. In dit arrest werd een discriminatie tussen mannen en vrouwen, die het gevolg was van een naar geslacht verschillende leeftijdsvoorwaarde voor de aanspraak op een pensioen bij gedwongen ontslag, veroordeeld. Het arrest Barber, waarin de werking van de daarin aan artikel 119 van het Verdrag gegeven uitlegging wordt beperkt vanaf de datum van het arrest, te weten 17 mei 1990, is op uiteenlopende wijzen geïnterpreteerd. Het arrest Ten Oever (reeds aangehaald), dat dateert van vóór de inwerkingtreding van het Verdrag betreffende de Europese Unie, heeft op dit punt duidelijkheid geschapen. Ofschoon in protocol nr. 2 de uitlegging die in het arrest Barber aan artikel 119 is gegeven, wordt uitgebreid tot alle uitkeringen uit hoofde van een ondernemings- of sectoriële regeling inzake sociale zekerheid en in het Verdrag wordt geïncorporeerd, heeft het protocol in hoofdzaak dezelfde uitlegging aan het arrest Barber gegeven als het arrest Ten Oever, en heeft het evenmin als het arrest Barber de voorwaarden voor aansluiting bij dergelijke bedrijfsregelingen aangeroerd en deze dus ook niet geregeld.

42 De aansluiting blijft dus beheerst door het arrest Bilka (reeds aangehaald). Volgens dat arrest wordt artikel 119 van het Verdrag geschonden door een onderneming die zonder objectieve rechtvaardiging, die niets van doen heeft met discriminatie op grond van het geslacht, mannen en vrouwen verschillend behandelt door een categorie van werknemers van een bedrijfspensioenregeling uit te sluiten. In het arrest Bilka is de werking van de in dat arrest aan artikel 119 Verdrag gegeven uitlegging overigens niet in de tijd beperkt.

43 Mitsdien moet op de vierde vraag worden geantwoord, dat protocol nr. 2 geen enkele invloed heeft op het recht op aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling, dat beheerst blijft door het arrest Bilka.

Kosten

44 De kosten door de Belgische en de Duitse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk alsmede door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door het Kantongerecht te Utrecht bij vonnis van 17 februari 1993 gestelde vragen, verklaart voor recht:

  1. Het recht op aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling valt binnen de werkingssfeer van artikel 119 van het Verdrag en wordt dus bestreken door het in dat artikel geformuleerde discriminatieverbod.

  2. De beperking in de tijd van de werking van het arrest van 17 mei 1990 (zaak C-262/88, Barber) geldt niet voor het recht op aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling en het is niet mogelijk, met betrekking tot dat recht een vergelijkbare beperking te voorzien.

  3. Het protocol ad artikel 119 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, dat als tweede protocol is gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie, heeft geen enkele invloed op het recht op aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling, dat beheerst blijft door het arrest van 13 mei 1986 (zaak 170/84, Bilka).

Due

Mancini

Moitinho de Almeida

Diez de Velasco

Edward

Kakouris

Joliét

Schockweiler

Rodríguez Iglesias

Grévisse

Zuleeg

Kapteyn

Murray

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 28 september 1994.

De griffier

R. Grass

De president

O. Due