Hof van Justitie EU 24-10-1995 ECLI:EU:C:1995:345
Hof van Justitie EU 24-10-1995 ECLI:EU:C:1995:345
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 24 oktober 1995
Uitspraak
Arrest van het Hof
24 oktober 1995(*)
In zaak C-266/93,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Bundesgerichtshof, in het aldaar aanhangig geding tussen
Bundeskartellamt
enVolkswagen AG,
VAG Leasing GmbH,
ondersteund door
VAG-Händlerbeirat eV,
intervenient,
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, C. N. Kakouris, D. A. O. Edward, G. Hirsch, kamerpresidenten, G. F. Mancini, F. A. Schockweiler (rapporteur), J. C. Moitinho de Almeida, P. J. G. Kapteyn, P. Jann, H. Ragnemalm en L. Sevón, rechters,
advocaat-generaal: G. Tesauro
griffier: H. A. Rühi, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
-
het Bundeskartellamt, vertegenwoordigd door S. Held, vice-president,
-
Volkswagen AG en VAG Leasing GmbH, vertegenwoordigd door R. Bechtold, advocaat te Stuttgart,
-
de Duitse regering, vertegenwoordigd door E. Röder, Ministerialrat bij het Bondsministerie van Economische zaken, en C.-D. Quassowski, Regierungsdirektor bij hetzelfde ministerie, als gemachtigden,
-
de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door S. L. Hudson, Assistant Treasury Solicitor, als gemachtigde, en P. Goldsmith, QC,
-
de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door B. Langeheine, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
-
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van het Bundeskartellamt, Volkswagen AG en VAG Leasing GmbH, de Duitse regering, vertegenwoordigd door S. Held, vicepresident van het Bundeskartellamt, als gemachtigde, de regering van het Verenigd Koninkrijk, en de Commissie, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur M. Götz zur Hausen, als gemachtigde, ter terechtzitting van 17 mei 1994,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 22 november 1994,
gezien de beschikking tot heropening van de mondelinge behandeling van 25 januari 1995,
gehoord de mondelinge opmerkingen van het Bundeskartellamt, Volkswagen AG en VAG Leasing GmbH, de Duitse regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door L. Nicoli, van het Treasury Solicitor's Department, als gemachtigde, bijgestaan door P. Goldsmith, en van de Commissie, vertegenwoordigd door B. Langeheine, ter terechtzitting van 31 mei 1995,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 juni 1985,
het navolgende
Arrest
1 Bij beschikking van 19 januari 1993, ingekomen bij het Hof op 3 mei daaraanvolgend, heeft het Bundesgerichtshof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag het Hof verschillende prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag en van verordening (EEG) nr. 123/85 van de Commissie van 12 december 1984 betreffende de toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag op groepen afzet- en klantenserviceovereenkomsten inzake motorvoertuigen (PB 1985, L 15, blz. 16; hierna: „verordening nr. 123/85”).
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen het Bundeskartellamt en Volkswagen AG (hierna: „VAG”) en VAG Leasing GmbH (hierna: „VAG Leasing”), een dochteronderneming van VAG die zich bezighoudt met leasing, betreffende het tot deze ondernemingen gerichte bevel van het Bundeskartellamt om een einde te maken aan gedragingen die in strijd zouden zijn met het Duitse mededingingsrecht.
3 Met een marktaandeel van 28,2 % in 1989 is VAG de belangrijkste autoconstructeur in Duitsland. Via een net van meer dan 1 600 dealers verkoopt zij in dat land de auto's van de merken Volkswagen en Audi.
4 De betrekkingen tussen VAG en de dealers zijn geregeld in een dealerovereenkomst waarbij VAG hen voor een bepaald gebied belast met de verkoop aan de klant van nieuwe auto's en onderdelen van de merken Volkswagen en Audi, en met de klantenservice. Voorts moeten de dealers een aantal diensten aanbieden, waaronder leasingcontracten, die VAG Leasing binnen de VA G-groep voor haar rekening neemt.
5 Sinds haar oprichting in 1966 heeft VAG Leasing, een 100 %-dochteronderneming van VAG, haar activiteit uitgeoefend in samenwerking met dealers, met name via exclusieve agentuurovereenkomsten. Sedert 1989 zijn alle Duitse dealers in het systeem opgenomen. VAG en VAG Leasing hebben hun toen namelijk een brief gestuurd betreffende „de activiteit van de VAG-dealers als agent van VAG Leasing GmbH”.
6 In deze brief heette het, dat de dealers voor rekening van VAG Leasing leasingovereenkomsten sluiten. Zij kopen de auto's in eigen naam en voor eigen rekening bij VAG, en dragen vervolgens het eigendom ervan over aan VAG Leasing, tegen de prijs die zij zelf hebben betaald. Voor elke leasingovereenkomst ontvangen zij van VAG Leasing een provisie ten bedrage van de gebruikelijke winstmarge bij verkoop. Na afloop van de leasingovereenkomst krijgen zij de auto terug. Zij verkopen hem dan volgens de modaliteiten van de overeenkomsten en van de algemene instructies. Blijkens de verwijzingsbeschikking en het leasinghandboek dat de dealers hebben gekregen, kopen zij daartoe de auto van VAG Leasing terug.
7 Volgens de brief moeten de dealers bovendien uitsluitend voor VAG Leasing klanten werven en als agent optreden. Blijkens de verwijzingsbeschikking is dit exclusiviteitsbeding voor hen evenwel geen beletsel om voor een concurrerende leasingonderneming te onderhandelen over leasingovereenkomsten, wanneer de klant op die onderneming een beroep wenst te doen of door haar is aangebracht.
8 Ten slotte heette het in de brief, dat voor de inschakeling van VAG Leasing in het VAG-distributiestelsel vereist was, dat directe rechtsbetrekkingen tot stand kwamen tussen VAG Leasing en de VAG-dealers. Ten bewijze van hun akkoord met de voorgestelde samenwerking met VAG Leasing werd hen verzocht het tweede exemplaar van het bijgevoegde contract te ondertekenen en terug te zenden.
9 Leasing vertegenwoordigt 18 % van de nationale omzet van VAG. Blijkens door haar verstrekte inlichtingen loopt ongeveer 80 % van de leasingovereenkomsten voor Volkswagens en Audi's over VAG Leasing, wat overeenkomt met ongeveer 20 % van de Duitse markt voor autoleasing. Ongeveer 400 leasingondernemingen zijn op deze markt actief, waaronder dochterondernemingen van andere producenten en ondernemingen die banden hebben met autohandelaren en grote kredietinstellingen. Volgens een studie van een van de voornaamste onafhankelijke leasingondernemingen, Auto-Leasing D, hebben de door autoconstructeurs gecontroleerde ondernemingen een marktaandeel van 60 %, en is VAG Leasing de belangrijkste van die ondernemingen.
10 Van oordeel dat de exclusieve band van de VA G-dealers met VAG Leasing de handelsactiviteit van deze dealers en van onafhankelijke leasingondernemingen op onbillijke wijze belemmerde, heeft het Bundeskartellamt bij beschikking van 25 juli 1990 VAG en VAG Leasing verbod opgelegd de dealers te verplichten uitsluitend voor VAG Leasing op te treden bij het sluiten van leasingovereenkomsten. Bovendien mag VAG zijn dealers niet verbieden nieuwe auto's te verkopen aan onafhankelijke leasingondernemingen, wanneer die dealers als tussenpersonen bij deze leasingovereenkomsten zijn opgetreden.
11 Het Bundeskartellamt beriep zich op § 26, lid 2, van het Gesetz gegen Wettbewerbsbeschränkungen (wet betreffende mededingingsbeperkende gedragingen, hierna: „GWB”), waarbij ondernemingen die op de markt een machtspositie innemen, verbod is opgelegd een onderneming zonder objectief gerechtvaardigde gronden direct of indirect te hinderen bij handelsbetrekkingen die normalerwijs openstaan voor een dergelijke onderneming. Volgens deze bepaling geldt dit verbod ook voor ondernemingen waarop kleine en middelgrote ondernemingen als leveranciers of afnemers van een bepaald soort produkten of diensten aangewezen zijn, voor zover er geen voldoende en redelijke mogelijkheid is om zich tot andere ondernemingen te wenden.
12 Naar aanleiding van de klacht van VAG en VAG Leasing heeft het Kammergericht op 15 maart 1991 de beschikking van het Bundeskartellamt nietig verklaard, op grond dat niet was voldaan aan de voorwaarden van § 26, lid 2, GWB. Volgens het Kammergericht nemen VAG en VAG Leasing geen machtspositie in op de automarkt. Bovendien zijn de dealers geen Ideine en middelgrote ondernemingen. Daarop heeft het Bundeskartellamt bij het Bundesgerichtshof „Rechtsbeschwerde” ingesteld.
13 Het Bundesgerichtshof was van oordeel, dat de exclusiviteitsovereenkomsten tussen de VAG-dealers en VAG Leasing noodzakelijkerwijs een onrechtmatige belemmering zijn in de zin van § 26, lid 2, GWB, indien wordt vastgesteld dat zij onverenigbaar zijn met artikel 85, lid 1, van het Verdrag. Zijn eerste vraag betreft dan ook de strekking van deze verdragsbepaling. Indien de betrokken overeenkomsten onverenigbaar zijn met artikel 85, lid 1, van het Verdrag, wenst het Bundesgerichtshof bovendien te vernemen, of zij bij verordening nr. 123/85 zijn vrijgesteld. Indien de betrokken overeenkomsten wel verenigbaar zijn met artikel 85, lid 1, dan wel, indien dit niet het geval is, bij verordening nr. 123/85 zijn vrijgesteld, wenst de verwijzende rechter ten slotte te vernemen, of een van deze communautaire rechtsregels zich verzet tegen de toepassing van strengere bepalingen van het Duitse mededingingsrecht.
14 Op basis van deze overwegingen heeft het Bundesgerichtshof besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof van Justitie om een prejudiciële beslissing verzocht over de volgende vragen:
De belangrijkste binnenlandse autoconstructeur verbiedt de binnenlandse dealers van zijn selectief distributiestelsel, ten behoeve van leasingondernemingen — die van de eigen groep uitgezonderd — te bemiddelen bij het sluiten van leasingovereenkomsten, of aan die ondernemingen nieuwe auto's te verkopen, wanneer zulks geschiedt in het kader van leasingovereenkomsten waarbij door de dealers is bemiddeld. Moet worden aangenomen dat een dergelijk verbod en de naleving hiervan door de binnenlandse dealers, in strijd met artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag de handel tussen Lid-Staten ongunstig kan beïnvloeden, of moet worden vermoed dat zulks het geval kan zijn?
Valt de in vraag 1 omschreven handelwijze onder artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag, wanneer zij de handel tussen Lid-Staten ongunstig kan beïnvloeden?
Indien vraag 2 bevestigend moet worden beantwoord: is de in vraag 1 omschreven gedraging ingevolge verordening (EEG) nr. 123/85 van de toepassing van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag vrijgesteld?
Staan voormelde regels van het Europees gemeenschapsrecht in de weg aan een beschikking van de nationale kartelautoriteiten die een gedraging als bedoeld in vraag 1 verbiedt?”
15 Het Hof gaat ervan uit, dat de prejudiciële vragen, zoals in zaak C-70/93, betrekking hebben op de verkoop aan leasingondernemingen waarbij niet is bepaald dat de auto's later eigendom worden van de gebruikers aan wie zij in leasing zijn gegeven.
De eerste twee vragen, betreffende de toepassing van artikel 85, lid 1, van het Verdrag
16 Met zijn eerste twee vragen wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of artikel 85, lid 1, van het Verdrag aldus moet worden uitgelegd, dat het de voornaamste autoconstructeur van een Lid-Staat verbiedt al zijn in die Lid-Staat gevestigde dealers te verplichten inzake leasing uitsluitend als agent van zijn eigen leasingonderneming op te treden.
17 Volgens vaste rechtspraak (arresten van 30 juni 1966, zaak 56/65, Société Technique Miniere, Jurispr. 1966, blz. 391, en 13 juli 1966, gevoegde zaken 56/64 en 58/64, Consten en Grundig, Jurispr. 1966, blz. 449) kunnen overeenkomsten tussen marktdeelnemers die in verschillende stadia van het economische proces werkzaam zijn, ook verticale overeenkomsten genoemd, overeenkomsten in de zin van artikel 85, lid 1, van het Verdrag zijn en onder het verbod van deze bepaling vallen.
18 VAG en VAG Leasing stellen evenwel, dat de Duitse VAG-dealers, als tussenpersonen van VAG Leasing, met hen een economische eenheid vormen, zodat geen sprake is van verschillende ondernemingen, en artikel 85, lid 1, op de exclusieve agentuurovereenkomsten niet van toepassing is.
19 Dit argument kan niet slagen. Tussenpersonen verliezen hun hoedanigheid van zelfstandig marktdeelnemer slechts wanneer zij geen van de risico's dragen die voortvloeien uit de overeenkomsten die zij voor rekening van de opdrachtgever hebben gesloten en als in de onderneming van de opdrachtgever opgenomen medewerkers zijn te beschouwen (arrest van 16 december 1975, gevoegde zaken 40/73-48/73, 50/73, 54/73-56/73, 111/73, 113/73 en 114/73, Suiker Unie e. a., Jurispr. 1975, blz. 1663, r. o. 539). De Duitse VAG-dealers dragen evenwel althans een gedeelte van de financiële risico's van hun activiteiten voor rekening van VAG Leasing, aangezien zij bij afloop van de leasingovereenkomsten de auto's van haar terugkopen. Anderzijds houden zij zich hoofdzakelijk en met een ruime mate van zelfstandigheid, in eigen naam en voor eigen rekening bezig met verkoop en klantenservice.
20 Aangezien de exclusieve agentuurovereenkomsten die alle VAG-dealers met VAG Leasing hebben gesloten, overeenkomsten in de zin van artikel 85, lid 1, van het Verdrag zijn, moet worden nagegaan, of zij ertoe strekken of tot gevolg hebben dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt merkbaar wordt beperkt en dat zij de handel tussen Lid-Staten ongunstig kunnen beïnvloeden.
21 Wat de vraag betreft of de betrokken exclusieve agentuurovereenkomsten ertoe strekken de mededinging te beperken, zij er allereerst op gewezen, dat zij een toevoegsel zijn bij de VAG-dealerovereenkomsten, waarvan vaststaat dat zij in strijd zijn met artikel 85, lid 1, doch bij verordening nr.,123/85 zijn vrijgesteld. Wegens hun hoedanigheid van VAG-dealers is aan de dealers namelijk de verplichting opgelegd als agent van VAG Leasing op te treden. Enerzijds waren zij krachtens de dealerovereenkomsten reeds verplicht de klanten de diensten van VAG Leasing aan te bieden. Anderzijds legt de circulaire over de leasingagentuur uitdrukkelijk een verband tussen deze activiteit en de voor hen uit de dealerovereenkomst voortvloeiende verplichting om met alle middelen de belangen te behartigen en te bevorderen van VAG, van de verkooporganisaties van VW en Audi alsmede van hun merk (artikel 2, punt 6, van de dealerovereenkomst).
22 Voorts zij beklemtoond, dat de exclusieve agentuurovereenkomsten alle Duitse VAG-dealers binden, die in hun contractgebied het alleenverkooprecht hebben van nieuwe Volkswagens en Audi's.
23 Onder deze omstandigheden moet worden vastgesteld, dat het aan de dealers opgelegde verbod om voor rekening van met VAG Leasing concurrerende leasingondernemingen klanten te werven en als tussenpersoon op te treden, de toegang van deze ondernemingen tot de leasing van Volkswagens en Audi's beperkt. De concurrerende ondernemingen kunnen immers niet via het bevoorrechte kanaal van het VAG-distributienet contact leggen met hun potentiële klanten.
24 Ook in een ander opzicht is het exclusiviteitsbeding in de agentuurovereenkomsten een beperking van de mededinging: de VA G-dealers kunnen niet in eigen naam en voor eigen rekening auto's in leasing geven. In die zin beperkt het de ondernemingsvrijheid van marktdeelnemers die onderscheiden zijn van VAG, en strekt het ertoe hen nog meer te integreren in de distributiestrategie van de fabrikant.
25 Gelet op het leiderschap van VAG op de nationale markt voor de verkoop van nieuwe auto's, en van VAG Leasing op de nationale markt voor autoleasing, blijkt dat de exclusieve agentuurovereenkomsten tot doel of in ieder geval tot gevolg hebben, dat de mededinging merkbaar wordt beperkt.
26 Wat ten slotte de ongunstige beïnvloeding van het intracommunautaire handelsverkeer betreft, deze blijkt reeds uit de enkele omstandigheid, dat de exclusieve agentuurovereenkomsten alle Duitse VAG-dealers binden. Het Hof heeft herhaaldelijk geoordeeld dat mededingingsbeperkende gedragingen die het gehele grondgebied van een Lid-Staat bestrijken, naar hun aard een versterking van de nationale drempelvorming tot gevolg hebben, hetgeen de in het Verdrag beoogde economische vervlechting doorkruist (arrest van 11 juli 1985, zaak 42/84, Remia e. a., Jurispr. 1985, blz. 2545, r. o. 22). De Duitse VAG-dealers kunnen namelijk niet als tussenpersoon voor in andere Lid-Staten gevestigde leasingondernemingen optreden, en evenmin voor eigen rekening leasingovereenkomsten sluiten met in andere Lid-Staten gevestigde consumenten.
27 Op de eerste twee vragen moet dus worden geantwoord, dat artikel 85, lid 1, van het EEG-Verdrag aldus moet worden uitgelegd, dat het zich ertegen verzet dat de voornaamste autoconstructeur van een Lid-Staat zijn dealers in die Lid-Staat de verplichting oplegt inzake leasing uitsluitend voor rekening van zijn eigen leasingmaatschappij als agent op te treden.
De derde vraag, betreffende verordening nr. 123/85
28 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of verordening nr. 123/85 aldus moet worden uitgelegd, dat zij de door de voornaamste autoconstructeur van een Lid-Staat aan al zijn dealers in die Lid-Staat opgelegde verplichting inzake leasing uitsluitend voor rekening van zijn eigen leasingmaatschappij als agent op te treden, vrijstelt.
29 Bij verordening nr. 123/85 is artikel 85, lid 1, van het Verdrag buiten toepassing verklaard voor overeenkomsten waarbij de leverancier de (erkende) wederverkoper belast met de afzet van de contractprodukten in een bepaald gebied en zich ertoe verbindt binnen dat gebied alleen aan hem auto's en onderdelen te leveren (artikel 1). Tevens is ontheffing verleend voor het aan de dealers opgelegde verbod op de verkoop van auto's van concurrerende merken (artikel 3, punt 3) en van contractprodukten aan verkopers die geen deel uitmaken van het distributienet, (artikel 3, punt 10), tenzij het gaat om tussenpersonen, dat wil zeggen marktdeelnemers die in naam en voor rekening van eindgebruikers optreden en daartoe een schriftelijke volmacht krijgen (artikel 3, punt 11).
30 Leasing daarentegen is in de verordening nergens uitdrukkelijk geregeld. Alleen in artikel 13, betreffende de definities van de in de verordening gebruikte termen, heet het in punt 12, dat onder „‚afzetten’ en ‚verkopen’ eveneens andere afzetvormen zoals ‚leasing’zijn begrepen”.
31 Met een beroep op deze bepaling, in samenhang met artikel 3, punt 10, sub a, van de verordening, bepalende dat de constructeur zijn dealers kan verbieden contractprodukten te leveren aan een wederverkoper buiten het distributienet, stellen VAG en VAG Leasing de onafhankelijke leasingondernemingen op één lijn met wederverkopers die geen deel uitmaken van het VAG-distributienet. Aangezien zij de dealers dus verbod mogen opleggen aan onafhankelijke leasingondernemingen te leveren, zouden zij hen a fortiori mogen verbieden voor rekening van dergelijke ondernemingen leasingcontracten tot stand te brengen. De exclusieve agentuurovereenkomsten zouden dus onder verordening nr. 123/85 vallen.
32 Dit argument kan niet slagen.
33 Allereerst zij eraan herinnerd dat, gezien het algemene verbod van artikel 85, lid 1, van het Verdrag op afspraken ter beperking van de mededinging, aan de in een verordening inzake een groepsvrijstelling opgenomen afwijkingen van dat verbod geen ruime uitlegging mag worden gegeven, en dat die afwijkingen niet aldus mogen worden uitgelegd dat de gevolgen van de verordening verder reiken dan ter bescherming van de te vrijwaren belangen nodig is.
34 Bovendien kunnen leasingondernemingen die geen koopoptie aanbieden, zolang zij alleen auto's kopen om te voldoen aan de vraag van hun klanten en geen voorraad vormen die zij aanbieden aan klanten die daarvoor belangstelling hebben, niet worden beschouwd als wederverkopers van nieuwe auto's, op wie verordening nr. 123/85 bij uitsluiting van toepassing is.
35 Ten slotte betreft de definitie in artikel 13, punt 12, gelijk de Commissie terecht heeft opgemerkt, enkel de betrekkingen tussen constructeur en dealer. Deze bepaling strekt er immers toe de dealer te verhinderen aan bepaalde van zijn contractuele verplichtingen te ontsnappen via leasingcontracten. Zo moet artikel 13, punt 12, voorkomen, dat de dealer zich aan het verbod om auto's van een ander merk te verkopen (artikel 3, punt 3, van de verordening) onttrekt door auto's van een concurrerend merk in leasing te geven. Tevens verzekert het de naleving van zijn verplichting om buiten zijn contractgebied geen klanten te werven (artikel 3, punt 8, van de verordening) door hem te verbieden buiten zijn contractgebied contractprodukten in leasing te geven. Artikel 13, punt 12, is derhalve irrelevant om uit te maken, of de onafhankelijke leasingondernemingen wederverkopers zijn die geen deel uitmaken van het distributienet in de zin van artikel 3, punt 10, sub a, van de verordening.
36 De exclusieve agentuurovereenkomsten zijn evenmin vrijgesteld op basis van artikel 3, punt 3, van de verordening, bepalende dat de dealer verbod kan worden opgelegd nieuwe auto's van een concurrerend merk te verkopen. De betrokken overeenkomsten betreffen immers de leasing van auto's van de merken Volkswagen en Audi en niet van een concurrerend merk.
37 Op de derde vraag van de verwijzende rechter moet derhalve worden geantwoord, dat verordening nr. 123/85 aldus moet worden uitgelegd, dat zij geen vrijstelling verleent voor de door de voornaamste autoconstructeur van een Lid-Staat aan zijn dealers in die Lid-Staat opgelegde verplichting om inzake leasing uitsluitend voor rekening van zijn eigen leasingonderneming als agent op te treden.
De vierde vraag, betreffende de band tussen het communautaire en het nationale mededingingsrecht
38 De vierde vraag is gesteld voor het geval dat de betrokken exclusieve agentuurovereenkomsten met artikel 85, lid 1, verenigbaar zouden zijn, of althans krachtens verordening nr. 123/85 zouden zijn vrijgesteld, en behoeft dus niet te worden beantwoord.
Kosten
39 De kosten door de Duitse en de Britse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door het Bundesgerichtshof bij beschikking van 19 januari 1993 gestelde vragen, verklaart voor recht:
-
Artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag moet aldus worden uitgelegd, dat het zich ertegen verzet, dat de voornaamste autoconstructeur van een Lid-Staat zijn dealers in die Lid-Staat de verplichting oplegt inzake leasing uitsluitend voor rekening van zijn eigen leasingonderneming als agent op te treden.
-
Verordening (EEG) nr. 123/85 van de Commissie van 12 december 1984 betreffende de toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag op groepen afzet- en klantenserviceovereenkomsten inzake motorvoertuigen, moet aldus worden uitgelegd, dat zij geen vrijstelling verleent voor de door de voornaamste autoconstructeur van een Lid-Staat aan zijn dealers in die Lid-Staat opgelegde verplichting om inzake leasing uitsluitend voor rekening van zijn eigen leasingonderneming als agent op te treden.
Rodríguez Iglesias
Kakouris
Edward
Hirsch
Mancini
Schockweiler
Moitinho de Almeida
Kapteyn
Jann
Ragnemalm
Sevón
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 24 oktober 1995.
De griffier
R. Grass
De president
G. C. Rodríguez Iglesias