Home

Arrest van het Hof van 12 december 1995.

Arrest van het Hof van 12 december 1995.

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
12 december 1995

Uitspraak

Arrest van het Hof

12 december 1995(*)

In de gevoegde zaken C-319/93, C-40/94 en C-224/94,

betreffende verzoeken aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Gerechtshof te Leeuwarden en de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch (Nederland), in de aldaar aanhangige gedingen tussen

H. E. Dijkstra (C-319/93)

en

Friesland (Frico Domo) Coöperatie BA,

C. F. M. van Roessel e. a. (C-40/94)

en

Coöperatieve vereniging Zuivelcoöperatie Campina Melkunie BA,

en

W. de Bie e. a. (C-224/94)

en

Coöperatieve vereniging Zuivelcoöperatie Campina Melkunie BA,

HET HOF VAN JUSTITIE,

samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, C. N. Kakouris, D. A. O. Edward, J.-P. Puissochet en G. Hirsch, kamerpresidenten, J. C. Moitinho de Almeida (rapporteur), P. J. G. Kapteyn, C. Gulmann, J. L. Murray, P. Jann en L. Sevón, rechters,

advocaat-generaal: G. Tesauro

griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur

gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

  • H. E. Dijkstra (zaak C-319/93), vertegenwoordigd door P. E. Mazel, advocaat te Leeuwarden,

  • Friesland (Frico Domo) Coöperatie BA (zaak C-319/93), vertegenwoordigd door M. B. W. Biesheuvel, advocaat te Den Haag,

  • W. de Bie e. a. (zaak C-224/94), vertegenwoordigd door I. W. VerLoren van Themaat, advocaat te Amsterdam,

  • Coöperatieve vereniging Zuivelcoöperatie Campina Melkunie BA (zaken C-40/94 en C-224/94), vertegenwoordigd door T. R. Ottervanger, advocaat te Rotterdam,

  • de Nederlandse regering (zaak C-40/94), vertegenwoordigd door A. Bos, juridisch adviseur van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,

  • de Franse regering (zaak C-319/93), vertegenwoordigd door C. de Salins, adjunct-directeur bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en J.-M. Belorgey, chargé de mission bij dezelfde directie, als gemachtigden,

  • de Deense regering (zaak C-40/94), vertegenwoordigd door P. Biering, directiehoofd bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,

  • de Commissie van de Europese Gemeenschappen (zaken C-319/93, C-40/94 en C-224/94), vertegenwoordigd door B. J. Drijber, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,

gezien de rapporten ter terechtzitting in de zaken C-319/93 en C-40/94 en het rapport van de rechterrapporteur in zaak C-224/94,

gehoord de mondelinge opmerkingen van FI. E. Dijkstra (zaak C-319/93), vertegenwoordigd door P. E. Mazel; C. F. M. van Roessel e. a. (C-40/94), vertegenwoordigd door P. J. L. J. Duijsens, advocaat te Den Haag; Friesland (Frico Domo) Coöperatie BA (zaak C-319/93), vertegenwoordigd door M. B. W. Biesheuvel; Coöperatieve vereniging Zuivelcoöperatie Campina Melkunie BA (zaak C-40/94), vertegenwoordigd door T. R. Ottervanger; de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door J. W. de Zwaan, assistent juridisch adviseur van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde; de Franse regering, vertegenwoordigd door J.-M. Belorgey, en de Commissie, vertegenwoordigd door B. J. Drijber, ter terechtzitting van 21 februari 1995,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 september 1995,

het navolgende

Arrest

1 Bij drie beslissingen van 12 mei 1993, 21 januari en 29 juli 1994, ingekomen bij het Hof op respectievelijk 18 juni 1993, 31 januari en 2 augustus 1994, hebben het Gerechtshof te Leeuwarden (zaak C-319/93) en de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch (zaken C-40/94 en C-224/94) krachtens artikel 177 EEG-Verdrag, thans EG-Verdrag, verschillende prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 2, lid 1, van verordening nr. 26 van de Raad van 4 april 1962 inzake de toepassing van bepaalde regels betreffende de mededinging op de voortbrenging van en de handel in landbouwprodukten (PB 1962, blz. 993; hierna: „verordening nr. 26”).

2 Deze vragen zijn gerezen in geschillen tussen melkveehouders en de zuivelcoöperaties waarbij zij waren aangesloten, in verband met de in de statuten van deze coöperaties opgenomen verplichting voor de leden tot betaling van een uittreegeld in geval van opzegging van of ontzetting uit het lidmaatschap daarvan.

3 Nadat deze veehouders hun lidmaatschap van de coöperatie waartoe zij behoorden hadden opgezegd respectievelijk daaruit waren ontzet, werden zij aangesproken tot betaling van een uittreegeld ten belope van, naar gelang het geval, 10 % van de gedurende de laatste vijf voorafgaande boekjaren gemiddeld per jaar van de coöperatie ontvangen melkprijs, dan wel 4 % van de ontvangen melkprijs in het boekjaar voorafgaand aan het jaar van uittreding.

4 In de procedures voor de nationale gerechten stelden eisers onder meer, dat de uittreeregeling in strijd is met de artikelen 85 en 86 EEG-Verdrag. Sommigen hebben ook nog aangevoerd, dat het door de coöperaties gevorderde uittreegeld in feite een exclusieve leveringsverplichting voor onbepaalde tijd schept die de economische vrijheid van de leden beperkt en een hinderpaal voor de concurrenten van de coöperatie vormt.

5 Zij hebben voorts gerefereerd aan de procedure die de Commissie tegen Zuivelcoöperatie Campina BA had ingeleid krachtens artikel 85 EEG-Verdrag. Deze was geëindigd met de aanvaarding van de verbintenis van de coöperatie om haar statutaire bepalingen inzake uittreding aldus te wijzigen, dat de leden hun lidmaatschap op drie tijdstippen in een boekjaar met inachtneming van een opzegtermijn van twee jaar en zonder betaling van enig uittreegeld kunnen opzeggen, dan wel per 1 april, met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden en tegen betaling van een uittreegeld van 4 % (XXIe Verslag over bet mededingingsbeleid, 1991, punten 83 en 84).

6 Ten slotte stelden eisers in de hoofdgedingen, dat de omstreden uittreeregeling niet onder de uitzondering van artikel 2 van verordening nr. 26 kan vallen. Deze bepaling luidt als volgt:

  1. Artikel 85, lid 1 , van het Verdrag is niet van toepassing op de in het voorgaande artikel bedoelde overeenkomsten, besluiten en gedragingen die een wezenlijk bestanddeel uitmaken van een nationale marktorganisatie of die vereist zijn voor de verwezenlijking van de in artikel 39 van het Verdrag omschreven doelstellingen. Het is in het bijzonder niet van toepassing op de overeenkomsten, besluiten en gedragingen van landbouwondernemers, verenigingen van landbouwondernemers, of verenigingen van deze verenigingen binnen één Lid-Staat, voorzover deze, zonder de verplichting in te houden een bepaalde prijs toe te passen, betrekking hebben op de voortbrenging of de verkoop van landbouwprodukten of het gebruik van gemeenschappelijke installaties voor het opslaan, behandelen of verwerken van landbouwprodukten, tenzij de Commissie vaststelt dat de mededinging zodoende wordt uitgesloten of dat de doeleinden van artikel 39 van het Verdrag in gevaar worden gebracht.

  2. Onder voorbehoud van het toezicht van het Hof van Justitie is uitsluitend de Commissie bevoegd om, na de Lid-Staten te hebben geraadpleegd en de belanghebbende ondernemingen of ondernemersverenigingen, alsmede elke andere natuurlijke of rechtspersoon waarvan zij het noodzakelijk acht de mening in te winnen, te hebben gehoord, in een te publiceren beschikking vast te stellen welke overeenkomsten, besluiten en gedragingen aan de in lid 1 bedoelde voorwaarden voldoen.

  3. De Commissie gaat over tot deze vaststelling, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een bevoegde autoriteit van een Lid-Staat of van een belanghebbende onderneming of ondernemersvereniging.

    ()”

7 In de eerste plaats is huns inziens niet voldaan aan de vereisten van de eerste zin van artikel 2, lid 1, en in de tweede plaats mist de tweede zin van dezelfde bepaling zelfstandige betekenis, zodat voor landbouwcoöperaties dezelfde vereisten gelden als in de eerste zin voor de toepassing van de afwijkingsregeling worden gesteld.

8 De nationale gerechten wijzen erop, dat de toepassing van het bepaalde in artikel 2, lid 1, tweede zin, van verordening nr. 26 altijd omstreden is geweest en dat het op tweeërlei manier is uitgelegd.

9 In de eerste, op de tekst gebaseerde opvatting heeft artikel 2, lid 1, tweede zin, geen zelfstandige betekenis. De woorden „in het bijzonder” waarmee deze zin begint, zouden erop duiden dat daarin slechts een voorbeeld wordt gegeven van overeenkomsten die onder de uitzonderingsregeling van artikel 2, lid 1, eerste zin, vallen. De Commissie heeft deze uitlegging in sommige van haar beschikkingen aanvaard.

10 In de tweede opvatting, gebaseerd op de ontstaansgeschiedenis van verordening nr. 26 en gevolgd door de Commissie in haar eerste beschikkingen evenals in sommige recentere, heeft artikel 2, lid 1, tweede zin, van verordening nr. 26 juist wel zelfstandige betekenis. In verband met de belangrijke plaats van de coöperaties in de landbouwsector wordt in deze zin een uitzondering gemaakt die onderscheiden is van de in de eerste zin genoemde gevallen van niet-toepasselijkheid van artikel 85. Voorts zou deze tweede zin een omkering van de bewijslast inhouden ten gunste van coöperaties van landbouwondernemers, omdat ten aanzien van overeenkomsten als die bedoeld in de tweede zin het bewijs dat zij de mededinging uitsluiten of de doelstellingen van het Verdrag in gevaar brengen, op de Commissie rust. Waar de bepaling een soepeler regeling voor de landbouwcoöperaties beoogt te geven, zou een andere uitleg hen in een nadeligere positie brengen, omdat dan zowel aan de vereisten van de eerste als van de tweede zin moet worden voldaan.

11 Daar zich naar het oordeel van de nationale gerechten problemen van uitlegging van het gemeenschapsrecht voordeden, hebben zij besloten de behandeling van de zaken te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:

In de zaken C-319/93, C-40/94 en C-224/94:

  1. Heeft de tweede zin van artikel 2, lid 1, van de verordening nr. 26 betreffende de toepassing van bepaalde regels ten aanzien van de mededinging op de landbouw, welke zin betrekking heeft op overeenkomsten, besluiten en gedragingen van landbouwondernemingen, verenigingen van landbouwondernemers of verenigingen van deze verenigingen binnen één Lid-Staat, zelfstandige betekenis, aldus dat de nationale rechter van de geldigheid daarvan moet uitgaan, zo lang de Commissie niet heeft vastgesteld dat daardoor de mededinging wordt tiitgesloten of de doeleinden van artikel 39 EEG-Verdrag in gevaar worden gebracht?

  2. Zo ja, is voor een vaststelling door de Commissie dat dat het geval is, vereist dat zij haar oordeel in een beschikking, die is gegeven overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, lid 2, heeft neergelegd?

  3. Zo neen, moet dan de nationale rechter, indien in een voor hem aanhangige procedure een beroep op de nietigheid van een overeenkomst of besluit van een landbouwcoöperatie wordt gedaan wegens strijd met artikel 85 van het EEG-Verdrag en de coöperatie zich beroept op het bepaalde in de tweede zin van artikel 2, lid 1, van de verordening nr. 26 de zaak ter beoordeling voorleggen aan de Commissie?”

In zaak C-224/94 zijn nog drie nadere vragen gesteld:

  1. Dient artikel 2, lid 2, van verordening nr. 26, in verbinding met artikel 1 van de verordening, zo te worden uitgelegd dat zo lang de Commissie niet ingevolge deze bepaling bij beschikking heeft vastgesteld dat een overeenkomst aan de in artikel 2, lid 1, gestelde positieve uitzonderingsvoorwaarden voldoet, ingevolge artikel 1 van verordening nr. 26, artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag direct toepasselijk is?

  2. Luidt het antwoord op de vorige vraag anders ten aanzien van een vaststelling door de Commissie overeenkomstig het slot van de tweede volzin van artikel 2, lid 1, van [verordening nr. 26, dat] de mededinging wordt uitgesloten of dat de doeleinden van artikel 39 van het EEG-Verdrag in gevaar worden gebracht?

  3. Zo de eerste en tweede vraag ontkennend moeten worden beantwoord, is de nationale rechter dan desalniettemin zelfstandig bevoegd de niet toepasselijkheid van de uitzonderingsregime vermeld in artikel 2, lid 1, van verordening nr. 26 uit te spreken nu de Commissie al op andere wijzen dan bij beschikking te kennen heeft gegeven dat artikel 2, lid 1, van verordening nr. 26 niet toepasselijk is, of dient zij de Commissie om een formele beschikking te verzoeken en de zaak aan te houden tot het moment dat de Commissie bij beschikking uitspraak heeft gedaan?”

12 Bij beschikking van 1 december 1994 heeft het Hof krachtens artikel 43 van het Reglement voor de procesvoering de zaken C-319/93 en C-40/94 voor de mondelinge behandeling en het arrest gevoegd.

13 Bij beschikking van 14 juli 1995 heeft het Hof krachtens artikel 43 van het Reglement voor de procesvoering de zaken C-319/94, C-40/94 en C-224/94 voor het arrest gevoegd.

14 Blijkens de gestelde vragen wensen de nationale gerechten duidelijkheid over de uitlegging van artikel 2, lid 1, van verordening nr. 26, in het bijzonder van de tweede zin ervan, en over de respectieve bevoegdheden van de Commissie en de nationale rechter bij de toepassing van dit artikel.

De uitlegging van artikel 2, lid 1, van verordening nr. 26

15 Om te beginnen zij in herinnering gebracht, dat volgens artikel 42 van het Verdrag de bepalingen van het hoofdstuk over de mededingingsregels slechts in zoverre van toepassing zijn op de voortbrenging van en de handel in landbouwprodukten — dat wil zeggen de produkten vermeld in de als bijlage II aan het Verdrag gehechte lijst (artikel 38, lid 3) — als door de Raad wordt bepaald.

16 Krachtens deze bepalingen heeft de Raad verordening nr. 26 vastgesteld, die in artikel 1 de artikelen 85 tot en met 90 van het Verdrag evenals de voor hun toepassing uitgevaardigde bepalingen van toepassing verklaart op alle overeenkomsten, besluiten en gedragingen die betrekking hebben op de voortbrenging van of de handel in de bedoelde produkten, onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 2 van dezelfde verordening.

17 Bij de uitlegging van artikel 2, lid 1, tweede zin, dient te worden uitgegaan van de ontstaansgeschiedenis ervan en de motivering van verordening nr. 26.

18 In de eerste plaats blijkt uit de ontstaansgeschiedenis van deze verordening, dat de wetgever met deze tweede zin, die niet voorkwam in de oorspronkelijke ontwerpverordening van de Commissie en daarin is opgenomen op verzoek van het Europees Parlement, een uitzondering heeft willen creëren voor de overeenkomsten, besluiten en gedragingen van landbouwondernemers die aan de daarin gestelde vereisten voldoen, tenzij de Commissie vaststelt dat door de kartellering de mededinging wordt uitgesloten of de doelstellingen van artikel 39 van het Verdrag in gevaar worden gebracht.

19 Dit streven naar bescherming van de landbouwcoöperaties blijkt in de tweede plaats uit de motivering van verordening nr. 26, met name uit de vierde overweging van de considerans waar wordt gezegd dat bijzondere aandacht dient te worden besteed aan de positie van de verenigingen van landbouwondernemers.

20 De tweede zin zo uit te leggen dat deze geen zelfstandige betekenis heeft, zou ingaan tegen de wil van de wetgever, want op overeenkomsten waarvoor juist een soepeler regime was beoogd, zouden dan zwaardere eisen van toepassing zijn, omdat aan de voorwaarden van zowel de eerste als de tweede zin moet worden voldaan. Bovendien zou de Commissie moeilijk kunnen vaststellen dat een overeenkomst de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 39 van het Verdrag in gevaar brengt, wanneer in het kader van de afwijking bedoeld in de eerste zin reeds is komen vast te staan dat die overeenkomst of dat besluit noodzakelijk is voor de verwezenlijking van die doelstellingen.

21 Evenmin kan het argument worden aanvaard, dat die overeenkomsten voorlopige geldigheid zouden bezitten zolang de Commissie niet heeft vastgesteld dat de mededinging wordt uitgesloten of de doelstellingen van artikel 39 in gevaar worden gebracht, aangezien artikel 2, lid 1, tweede zin, enkel een omkering van de bewijslast ten gunste van de landbouwondernemers bevat.

22 Wanneer derhalve wordt vastgesteld dat een overeenkomst of besluit binnen het toepassingsgebied van artikel 85, lid 1, valt, niet voldoet aan de afwijkingsvoorwaarden bedoeld in artikel 2, lid 1, tweede zin, van verordening nr. 26 en geen ontheffing krachtens artikel 85, lid 3, van het Verdrag geniet, dan is die overeenkomst of dat besluit ingevolge artikel 85, lid 2, nietig. Deze nietigheid werkt ex tune (zie met name het arrest van 6 februari 1973, zaak 48/72, Brasserie de Haecht, Jurispr. 1973, blz. 77, r. o. 27).

23 Van dit systeem gaat de Raad uit, wanneer hij om redenen van opportuniteit voorziet in een uitzondering op het beginsel van de terugwerkende kracht van de nietigheid van door artikel 85, lid 1, verboden overeenkomsten. Aldus bij voorbeeld in verordening nr. 1360/78 van de Raad van 19 juni 1978 betreffende producentengroeperingen en unies van producentengroeperingen (PB 1978, L 166, blz. 1), waarvan artikel 17 bepaalt dat een krachtens artikel 2 van verordening nr. 26 gegeven beschikking houdende vaststelling dat artikel 85, lid 1, van het Verdrag van toepassing is op overeenkomsten als bedoeld in deze verordening, slechts geldt vanaf de datum van die vaststelling.

24 Gelet op het voorgaande dient op de eerste vraag te worden geantwoord, dat de niet-toepasselijkheid van artikel 85 van het Verdrag op overeenkomsten, besluiten en gedragingen van landbouwondernemers, verenigingen van landbouwondernemers, of verenigingen van deze verenigingen uitsluitend afhankelijk is van de in artikel 2, lid 1, tweede zin, van verordening nr. 26 gestelde voorwaarden. Indien een overeenkomst of besluit binnen het toepassingsgebied van artikel 85, lid 1, van het Verdrag valt, niet voldoet aan de af wij kings voorwaar den bedoeld in artikel 2, lid 1, tweede zin, van verordening nr. 26 en geen ontheffing krachtens artikel 85, lid 3, geniet, dan is die overeenkomst of dat besluit van rechtswege nietig; deze nietigheid heeft terugwerkende kracht.

De bevoegdheid tot toepassing van artikel 2, lid 1, van verordening nr. 26

25 Met betrekking tot de bevoegdheidsverdeling tussen de Commissie en de nationale rechter bij de toepassing van artikel 2, lid 1, van verordening nr. 26 dient om te beginnen erop te worden gewezen, dat ingevolge het bepaalde in het tweede en het derde lid van dit artikel de Commissie bij uitsluiting bevoegd is om vast te stellen dat een overeenkomst voldoet aan de voorwaarden van het eerste lid, behoudens het toezicht van het Hof.

26 Daarentegen heeft de Commissie geen exclusieve bevoegdheid tot toepassing van artikel 85, lid 1. Zoals het Hof reeds in het arrest van 28 februari 1991 (zaak C-234/89, Delimitis, Jurispr. 1991, blz. I-935, r. o. 45) heeft uitgemaakt, deelt de Commissie hier haar bevoegdheid tot toepassing van deze bepaling met de nationale rechter. In het arrest van 30 januari 1974 (zaak 127/73, BRT, Jurispr. 1974, blz. 51) besliste het Hof immers, dat artikel 85, lid 1, rechtstreeks werkt in de betrekkingen tussen particulieren en voor de justitiabelen rechtstreeks rechten doet ontstaan die de nationale rechter dient te handhaven.

27 Thans dient aan de hand van de door het Hof in het voormelde arrest Delimitis geformuleerde beginselen te worden onderzocht, welke gevolgen deze bevoegdheidsverdeling heeft voor de concrete toepassing van de communautaire mededingingsregels door de nationale rechter.

28 In dit verband dient te worden bedacht, dat het risico bestaat dat de nationale rechter in een procedure waarin wordt gesteld dat een overeenkomst tussen landbouwondernemers of hun verenigingen gedekt wordt door de bijzondere afwijking in verordening nr. 26, tot een beslissing komt die in tegenspraak is met beschikkingen die de Commissie op grond van artikel 2, lid 1, tweede zin, van verordening nr. 26 of in voorkomend geval op grond van artikel 85, leden 1 en 3, heeft gegeven of voornemens is te geven. Dergelijke tegenstrijdige beslissingen zouden in strijd zijn met het algemene rechtszekerheidsbeginsel en moeten derhalve worden voorkomen wanneer de nationale rechter zich uitspreekt over overeenkomsten of gedragingen waarover nog een beschikking van de Commissie kan worden gegeven.

29 Teneinde de noodzaak om tegenstrijdige beslissingen te voorkomen, te conciliëren met de verplichting van de nationale rechter zich uit te spreken over de vordering van de procespartij die de nietigheid van rechtswege van een overeenkomst inroept, kan de nationale rechter bij de toepassing van artikel 85 rekening houden met de volgende overwegingen.

30 Wanneer de voorwaarden voor toepassing van artikel 85, lid 1, klaarblijkelijk niet zijn vervuld, kan de nationale rechter de procedure voortzetten om over de litigieuze overeenkomst uitspraak te doen.

31 Is hij daarentegen van oordeel dat de voorwaarden voor toepassing van artikel 85, lid 1, zijn vervuld, dient hij aan de hand van artikel 2, lid 1, tweede zin, van verordening nr. 26 te toetsen, of het een overeenkomst van landbouwondernemers, verenigingen van landbouwondernemers, of verenigingen van deze verenigingen betreft die, zonder de verplichting in te houden een bepaalde prijs toe te passen, betrekking heeft op de voortbrenging of de verkoop van landbouwprodukten of het gebruik van gemeenschappelijke installaties voor de opslag, behandeling of verwerking van landbouwprodukten.

32 Indien de nationale rechter vaststelt dat de overeenkomst aan deze voorwaarden voldoet en dat de overeenkomst, gelet op de rechtspraak van het Hof en de beleidspraktijk van de Commissie, die overigens niet enkel kenbaar is uit haar beschikkingen, maar ook en vooral uit haar verslagen over het mededingingsbeleid en uit haar bekendmakingen, de mededinging uitsluit of de doelstellingen van artikel 39 in gevaar brengt, kan hij de nietigheid ervan uitspreken op de voet van artikel 85, lid 2, van het Verdrag, wanneer de overeenkomst in geen geval in aanmerking kan komen voor een ontheffingsbeschikking krachtens artikel 85, lid 3.

33 In dit verband zij opgemerkt, dat een overeenkomst slechts voor een ontheffing in aanmerking kan komen, indien zij is aangemeld of niet behoeft te worden aangemeld. Ingevolge artikel 4, lid 2, van verordening nr. 17 is een overeenkomst vrijgesteld van de aanmeldingsplicht, wanneer enkel ondernemingen uit één Lid-Staat eraan deelnemen en zij geen betrekking heeft op de in-of uitvoer tussen Lid-Staten. De statuten van zuivelcoöperaties kunnen aan deze voorwaarden voldoen.

34 Zou de betrokken overeenkomst naar het oordeel van de nationale rechter evenwel onder de afwijking bedoeld in artikel 2, lid 1, tweede zin, kunnen vallen, dan kan hij besluiten de behandeling van de zaak te schorsen om de betrokken partijen in de gelegenheid te stellen de Commissie om een beschikking op grond van artikel 2, lid 3, te verzoeken, dan wel om zich zelf tot de Commissie te wenden voor inlichtingen over de stand van een eventueel door haar ingeleide procedure en over de waarschijnlijkheid dat zij zich officieel uitspreekt over de betrokken overeenkomst, of ter verkrijging van de economische en juridische gegevens die zij hem kan verschaffen.

35 Hoe dan ook kan de nationale rechter de behandeling van de zaak schorsen en het Hof krachtens artikel 177 van het Verdrag om een prejudiciële beslissing verzoeken.

36 Bijgevolg moet op de derde vraag worden geantwoord, dat indien in een procedure voor de nationale rechter een beroep wordt gedaan op de nietigheid van een bepaling van de statuten van een landbouwcoöperatie wegens strijd met artikel 85, lid 1, van het Verdrag en de coöperatie zich beroept op artikel 2, lid 1, van verordening nr. 26, de nationale rechter de behandeling van de zaak kan voortzetten en daarin uitspraak doen in de gevallen waarin klaarblijkelijk niet aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 85, lid 1, is voldaan, dan wel de nietigheid van de betrokken bepaling vaststellen krachtens artikel 85, lid 2, wanneer hij de zekerheid heeft verkregen dat die bepaling niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in artikel 2, lid 1, van verordening nr. 26 bedoelde afwijking of voor een ontheffing krachtens artikel 85, lid 3. Bij twijfel kan de nationale rechter, zo hem dit nuttig lijkt en overeenkomstig de bepalingen van zijn nationale procesrecht, nadere inlichtingen inwinnen bij de Commissie of partijen in de gelegenheid stellen de Commissie om een uitspraak te verzoeken.

37 Gelet op het antwoord op de eerste en de derde vraag, kunnen de overige vragen onbesproken blijven.

Kosten

38 De kosten door de Nederlandse, de Franse en de Deense regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in de hoofdgedingen is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instanties over de kosten hebben te beslissen.

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door het Gerechtshof te Leeuwarden bij beslissing van 12 mei 1993 (zaak C-319/93) en door de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch bij beslissingen van 21 januari en 29 juli 1994 (zaken C-40/94 en C-224/94) gestelde vragen, verklaart voor recht:

  1. De niet-toepasselijkheid van artikel 85 van het Verdrag op overeenkomsten, besluiten en gedragingen van landbouwondernemers, verenigingen van landbouwondernemers, of verenigingen van deze verenigingen is uitsluitend afhankelijk van de in artikel 2, lid 1, tweede zin, van verordening nr. 26 gestelde voorwaarden. Indien een overeenkomst of besluit binnen het toepassingsgebied van artikel 85, lid 1, van het Verdrag valt, niet voldoet aan de afwijkingsvoorwaarden bedoeld in artikel 2, lid 1, tweede zin, van verordening nr. 26 en geen ontheffing krachtens artikel 85, lid 3, geniet, dan is die overeenkomst of dat besluit van rechtswege nietig; deze nietigheid heeft terugwerkende kracht.

  2. Indien ín een procedure voor de nationale rechter een beroep wordt gedaan op de nietigheid van een bepaling van de statuten van een landbouwcoöperatie wegens strijd met artikel 85, lid 1, van het Verdrag en de coöperatie zich beroept op artikel 2, lid 1, van verordening nr. 26, kan de nationale rechter de behandeling van de zaak voortzetten en daarin uitspraak doen in de gevallen waarin klaarblijkelijk niet aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 85, lid 1, is voldaan, dan wel de nietigheid van de betrokken bepaling vaststellen krachtens artikel 85, lid 2, wanneer hij de zekerheid heeft verkregen dat die bepaling niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in artikel 2, lid 1, van verordening nr. 26 bedoelde afwijking of voor een ontheffing krachtens artikel 85, lid 3. Bij twijfel kan de nationale rechter, zo hem dit nuttig lijkt en overeenkomstig de bepalingen van zijn nationale procesrecht, nadere inlichtingen inwinnen bij de Commissie of partijen in de gelegenheid stellen de Commissie om een uitspraak te verzoeken.

Rodríguez Iglesias

Kakouris

Edward

Puissochet

Hirsch

Moitinho de Almeida

Kapteyn

Gulmann

Murray

Jann

Sevón

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 12 december 1995.

De griffier

R. Grass

De president

G. C. Rodríguez Iglesias