Home

Hof van Justitie EU 16-07-1993 ECLI:EU:C:1993:326

Hof van Justitie EU 16-07-1993 ECLI:EU:C:1993:326

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
16 juli 1993

Uitspraak

Beschikking van de president van het Hof

16 juli 1993(*)

In zaak C-107/93 R,

Asociación Española de Fabricantes de Margarina (AEFMA), vereniging naar Spaans recht, te Madrid, vertegenwoordigd door D. López Garrido, advocaat te Madrid, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij S. López, advocaat aldaar, Rue du Curé 26,

verzoekster, tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur F. Santaolalla Gadea als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij N. Annecchino, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,

verweerster,

betreffende een verzoek in kort geding, strekkende tot verkrijging van opschorting van de tenuitvoerlegging van verordening (EEG) nr. 3830/92 van de Commissie van 28 december 1992 betreffende de afschaffing van de douanerechten en vaste elementen in het handelsverkeer tussen de Gemeenschap van de Tien en Spanje en de toepassing door Spanje van de douanerechten van het gemeenschappelijk douanetarief in het handelsverkeer met derde landen, met ingang van 1 januari 1993 (PB 1992, L 387, blz. 46), voor zover deze verordening betrekking heeft op de produkten bedoeld in post 15.17 van het gemeenschappelijk douanetarief,

geeft

DE PRESIDENT VAN HET HOF

de navolgende

Beschikking

1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 24 maart 1993, heeft de Asociación Española de Fabricantes de Margarina (AEFMA) krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag beroep ingesteld tot nietigverklaring van verordening (EEG) nr. 3830/92 van de Commissie van 28 december 1992 betreffende de afschaffing van de douanerechten en vaste elementen in het handelsverkeer tussen de Gemeenschap van de Tien en Spanje en de toepassing door Spanje van de douanerechten van het gemeenschappelijk douanetarief in het handelsverkeer met derde landen, met ingang van 1 januari 1993 (PB 1992, L 387, biz. 46), voor zover deze verordening betrekking heeft op de produkten van post 15.17 van het gemeenschappelijk douanetarief.

2 Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Hof op 24 maart 1993, heeft verzoekster voorts krachtens de artikelen 185 en 186 EEG-Verdrag een verzoek in kort geding ingediend, strekkende tot opschorting van de tenuitvoerlegging van genoemde verordening, voor zover deze tariefpost 15.17 op het oog heeft.

3 De Commissie heeft op 30 april 1993 opmerkingen over het verzoek in kort geding ingediend.

4 Er zij aan herinnerd, dat overeenkomstig artikel 83, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering een verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging van een handeling van een instelling of een verzoek tot verkrijging van voorlopige maatregelen slechts kan worden ontvangen, indien door de verzoeker bij het Hof een beroep is ingesteld tegen de handeling waarvan om opschorting van de tenuitvoerlegging wordt verzocht, of een zaak aanhangig is gemaakt waarop de voorlopige maatregelen betrekking hebben. Een verzoek tot opschorting of tot verkrijging van voorlopige maatregelen kan dientengevolge niet worden ontvangen, indien het beroep in de hoofdzaak waarmee het verzoek in kort geding verband houdt, nict-ontvankelijk is.

5 In het onderhavige geval heeft het Hof bij beschikking van 12 juli 1993 het beroep in de hoofdzaak nict-ontvankelijk verklaard.

6 Mitsdien is ook het verzoek in kort geding niet-ontvankelijk en moet het worden afgewezen.

Kosten

7 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij in de op deze procedure gevallen kosten te worden verwezen.

DE PRESIDENT VAN HET HOF

beschikt:

  1. Het verzoek in kort geding wordt niet-ontvankelijk verklaard.

  2. Verzoekster wordt in de kosten verwezen.

Luxemburg, 16 juli 1993.

De griffier

J.-G. Giraud

De president

O. Due