Hof van Justitie EU 14-09-1995 ECLI:EU:C:1995:282
Hof van Justitie EU 14-09-1995 ECLI:EU:C:1995:282
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 14 september 1995
Conclusie van advocaat-generaal
M. B. Elmer
van 14 september 1995(*)
Inleiding
1. In deze zaak wordt het Hof gevraagd een uitspraak te doen over de vraag, of de gemeenschapsregeling betreffende goederen die het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht, aldus moet worden uitgelegd dat de nationale douaneautoriteiten aan importeurs mogen toestaan, goederen na afloop van de daarvoor gestelde termijnen voor het vrije verkeer aan te geven, en of zij als voorwaarde voor deze toestemming betaling van een bepaald bedrag mogen verlangen.
2. Verordening (EEG) nr. 4151/88 van de Raad van 21 december 1988 tot vaststelling van de bepalingen die van toepassing zijn op goederen die het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht(1) (hierna: de „verordening”), bepaalt in artikel 15:
„1. Wanneer voor goederen een summiere aangifte is gedaan, dienen zij voor het vrije verkeer of voor een andere douaneregeling te worden aangegeven of dient er een verzoek voor een van de andere in artikel 14 bedoelde douanebestemmingen te worden ingediend binnen de termijn die door de douaneautoriteit wordt vastgesteld. Deze termijn mag niet langer zijn dan:
vijfenveertig dagen te rekenen vanaf de datum van de indiening van de summiere aangifte voor goederen die over zee zijn aangevoerd;
twintig dagen te rekenen vanaf de datum van indiening van de summiere aangifte voor goederen die anders dan over zee zijn aangevoerd.
2. Wanneer de omstandigheden zulks rechtvaardigen, kan de douaneautoriteit een verlenging van de in lid 1 bedoelde termijn toestaan. Deze verlenging mag echter niet langer zijn dan de door de omstandigheden gerechtvaardigde werkelijke behoefte.”
Artikel 19, lid 1, bepaalt:
„De douaneautoriteit neemt onverwijld alle nodige maatregelen, met inbegrip van de verkoop van de goederen, om de situatie te regelen van goederen waarvoor binnen de overeenkomstig artikel 15 gestelde termijn geen begin is gemaakt met de procedure om ze een van de in artikel 14 bedoelde douanebestemmingen te geven.”
3. Artikel 638, lid 1, van de Portugese douaneverordening (hierna: „douaneverordening”) bepaalt dat onder een douaneregeling of voor liet vrije verkeer in opslag geplaatste goederen bij overschrijding van de opslagtermijn door de douanekantoren worden verkocht, na vervulling van de wettelijke formaliteiten.
Artikel 639 van de douaneverordening bepaalt voorts:
„1. De eigenaar van goederen die na het verstrijken van de wettelijke termijn nog zijn opgeslagen, kan deze goederen inklaren, indien hij binnen zes maanden te rekenen vanaf de datum waarop de goederen onder de regeling van openbare verkoop zijn komen te vallen, een verzoek daartoe indient.
2. Voor goederen die overeenkomstig het in dit artikel bepaalde zijn ingeklaard, moeten alle toepasselijke heffingen en belastingen worden betaald, vermeerderd met een percentage van 5 % over de waarde.”
4. De vennootschap Siesse — Soluções Integrais em Sistemas Software e Aplicações, Lda. (hierna: „Siesse”), gevestigd te Lissabon, had in 1993 uit een niet nader genoemd derde land via Le Havre (Frankrijk), als doorvoerhaven, een partij computermateriaal ingevoerd, die na summiere aangifte in de containerterminal van Liscont (Portugal) in tijdelijke opslag werd geplaatst voor een periode van twintig dagen. Toen Siesse binnen die termijn geen begin had gemaakt met de procedure om de goederen een bepaalde douanebestemming te geven, vroeg zij de douaneautoriteit toestemming om de goederen voor het vrije verkeer aan te geven tegen betaling van 5 % van de waarde van de goederen, overeenkomstig artikel 639 van de douaneverordening, teneinde een openbare verkoping van de goederen te voorkomen. Dat verzoek werd ingewilligd en Siesse heeft het daarvoor verschuldigde bedrag voldaan.
De prejudiciële vragen
5. Vervolgens stelde Siesse tegen de Portugese douaneautoriteit beroep in voor het Tribunal Fiscal Aduaneiro de Lisboa, waarbij zij de wettigheid van de heffing van 5 % aanvocht.
6. Het Tribunal Fiscal Aduaneiro de Lisboa heeft bij beschikking van 20 januari 1994 de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
Mag de douaneautoriteit de eigenaar van de goederen ook nog na het verstrijken van de in artikel 15, lid 1, sub a en b, van verordening (EEG) nr. 4151/88 van de Raad van 21 december 1988 gestelde termijnen toestaan, de goederen voor het vrije verkeer aan te geven?
Behoeven in dat geval enkel de douanerechten en overige wegens de invoer verschuldigde heffingen te worden betaald, vermeerderd met de eventuele kosten in verband met voorlopige opslag?
In geval van een bevestigend antwoord op de eerste vraag, kan dan de douaneautoriteit haar toestemming op grond van artikel 19, lid 1, van de verordening afhankelijk stellen van de betaling van een bepaald bedrag in geld, naast de rechten, overige belastingen en kosten bedoeld in vraag 2, welk bedrag tot de inkomsten van de Lid-Staat behoort?”
De eerste vraag
7. Met zijn eerste vraag wenst de nationale rechter door het Hof te zien uitgemaakt, of de nationale douaneautoriteit ingevolge de verordening een marktdeelnemer mag toestaan goederen waarvoor summiere aangifte is gedaan, voor het vrije verkeer aan te geven, ook al zijn de daartoe gestelde termijnen verstreken.
8. In haar opmerkingen betoogt Siesse dat de Portugese autoriteiten niet bevoegd zijn om de in de verordening gestelde termijnen voor inldaring in het algemeen met zes maanden te verlengen, zoals is voorzien in artikel 639 van de douaneverordening.
De Portugese regering stelt dat de verordening zich er niet tegen verzet dat de eigenaar van goederen waarvoor binnen de gestelde termijnen geen begin is gemaakt met de procedure, tot regeling van de situatie overgaat, nadat hij toestemming heeft gekregen om deze goederen voor het vrije verkeer aan te geven.
Volgens de Commissie volgt rechtstreeks uit artikel 15, lid 2, van de verordening, dat de situatie van goederen waarvoor binnen de gestelde termijnen geen begin is gemaakt met de procedure, kan worden geregeld door toe te staan dat die goederen voor het vrije verkeer worden aangegeven, waar die bepaling de nationale douaneautoriteiten de mogelijkheid geeft de gestelde termijnen te verlengen. Voor het overige bevat de verordening geen enkele bepaling die de douaneautoriteiten verplicht om een aangifte voor het vrije verkeer te weigeren, zelfs wanneer de daarvoor gestelde termijnen zijn verstreken. De eerste prejudiciële vraag dient volgens de Commissie daarom bevestigend te worden beantwoord.
9. Ik wil in de eerste plaats benadrukken, dat uit artikel 15, lid 2, van de verordening rechtstreeks voortvloeit dat de nationale douaneautoriteiten de gestelde termijnen kunnen verlengen, wanneer de omstandigheden zulks rechtvaardigen. Dat dient volgens mij eveneens te gelden, wanneer de in artikel 15, lid 1, sub a en b, gestelde termijnen zijn verstreken, aangezien de belangrijkste functie van de douaneregeling is ervoor te zorgen dat de invoerrechten en heffingen zo snel mogelijk worden betaald en er, naar het mij voorkomt, geen concrete belangen zijn die zich tegen deze oplossing verzetten.
10. Voor deze opvatting is ook steun te vinden in artikel 19, lid 1, van de verordening, betreffende de verplichtingen van de Lid-Staten ingeval de importeur de in het kader van de artikel 15, lid 1, van de verordening gestelde termijnen overschrijdt. Deze bepaling schrijft voor dat de douaneautoriteiten onverwijld alle nodige maatregelen nemen, de verkoop van de goederen daaronder begrepen, om de situatie te regelen van goederen waarvoor binnen de gestelde termijn geen begin is gemaakt met de procedure. Ingevolge artikel 19, lid 1, kunnen dus alleen de nodige maatregelen worden genomen om de situatie te regelen van goederen die niet binnen de voorgeschreven termijn zijn ingeklaard. De bepaling verklaart dat de situatie bij voorbeeld kan worden geregeld door de verkoop van de goederen. Deze bepaling verplicht de nationale autoriteiten dus niet om de situatie van de betrokken goederen op een bepaalde wijze te regelen. De douaneautoriteiten van de Lid-Staten hebben dus de mogelijkheid om de goederen vrij te geven wanneer de verschuldigde bedragen zijn betaald, en om de termijn met het oog op een vrijwillige betaling te verlengen. Het is in een dergelijk geval dus niet nodig om tot gedwongen verkoop of tot andere dwangmaatregelen over te gaan om die bedragen te innen.
11. Ook economische redenen en overwegingen betreffende debiteurs pleiten voor dit resultaat. Een regeling van de situatie van de goederen door middel van toestemming voor aangifte van het vrije verkeer is in de praktijk doelmatiger en minder kostbaar of in voorkomend geval minder verliesgevend dan bij voorbeeld een gedwongen openbare verkoping.
12. De eerste vraag dient derhalve aldus te worden beantwoord, dat de douaneautoriteiten ook na het verstrijken van de overeenkomstig artikel 15, lid 1, sub a en b, van de verordening gestelde termijnen, de eigenaar van de goederen nog toestemming kunnen geven deze voor het vrije verkeer aan te geven.
De tweede vraag
13. Met zijn tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter door het Hof te zien verduidelijkt, of de douaneautoriteiten, in het geval dat zij na het verstrijken van de in artikel 15, lid 1, sub a en b, gestelde termijnen, toestemming verlenen om de goederen voor het vrije verkeer aan te geven, nog andere bedragen kunnen verlangen dan invoerrechten en andere ter zake van de invoer verschuldigde heffingen, vermeerderd met eventuele onkosten in verband met de tijdelijke opslag. De verwijzende rechter doelt hiermee op het recht van 5 % over de waarde van goederen, dat van Siesse werd gevorderd ingevolge artikel 639 van de douaneverordening.
14. De Commissie stelt dat naast de douanerechten en andere ter zake van de invoer verschuldigde heffingen en eventuele kosten in verband met de tijdelijke opslag alleen bedragen mogen worden gevorderd die daadwerkelijk geleden verliezen dienen te compenseren of een daadwerkelijk aan de importeur verleende dienst dienen te vergoeden. Volgens de Commissie is het betrokken recht bovendien onverenigbaar met artikel 9, lid 1, van het Verdrag, betreffende het gemeenschappelijk douanetarief jegens derde landen. Een recht dat slechts wordt geheven over ingevoerde goederen, dat de betaling voor een dienst vormt en dat niet nodig is om de situatie van de betrokken goederen te regelen, moet volgens de Commissie worden gekwalificeerd als een douanerecht op goederen van oorsprong uit derde landen.
15. De Portugese regering verdedigt de wettigheid van het aldus geheven recht met het argument dat de „nodige maatregelen”, die de Lid-Staten ingevolge artikel 19, lid 1, moeten nemen, buiten de maatregelen die de betaling van douanerechten en andere kosten moeten waarborgen, ook die maatregelen kunnen omvatten die verzekeren dat de gestelde termijnen waarbinnen aan produkten een bepaalde douanebestemming moet worden gegeven, daadwerkelijk worden geëerbiedigd. De nationale douaneautoriteiten kunnen dan ook maatregelen nemen die, doordat zij een sanctie stellen op een onwettige gedraging, voor de eigenaar van de goederen een aansporing vormen om binnen de gestelde termijnen te handelen. Een dergelijke maatregel kan — zoals in casu — bestaan in de heffing van een recht van 5 % wegens overschrijding van de gestelde termijn. Volgens de Portugese regering kan dit recht niet in strijd worden geacht met artikel 9 en volgende van het Verdrag, betreffende het gemeenschappelijk douanetarief jegens derde landen, aangezien deze heffing niet aan iedere importeur wordt opgelegd, maar alleen aan importeurs kan worden opgelegd wegens onregelmatigheden in de vorm van de niet-inachtneming van de voor de vervulling van douaneformaliteiten gestelde termijnen.
16. Naar mijn mening moeten de douaneautoriteiten vanuit schaderechtelijk oogpunt het recht hebben om voor de inklaring van goederen na het verstrijken van de hiervoor gestelde termijnen naast de verschuldigde douanerechten en andere heffingen een bedrag te innen, dat de kosten van tijdelijke opslag dekt, alsmede een bedrag — bij voorbeeld in de vorm van vertragingsrente — dat het renteverlies als gevolg van de te late betaling dekt. Vanuit dit zelfde gezichtspunt zijn de douaneautoriteiten naar mijn mening ook gerechtigd om betaling van een vergoeding te verlangen, ter dekking van het extra werk en het ongemak van de douane als gevolg van het feit dat de importeur niet tijdig een bepaalde douanebestemming voor die goederen heeft aangewezen.
17. In casu is het probleem evenwel, dat de nationale douaneautoriteiten ook bedragen kunnen heffen die noch in een concreet geval noch in het algemeen bedoeld zijn als vergoeding voor het verlies en het ongemak van de douane, maar integendeel het karakter van een administratieve sanctie voor overschrijding van de vastgestelde termijnen hebben, in de vorm van een aan de schatkist te betalen percentage van de waarde van de betrokken goederen.
18. In een vaste rechtspraak(2) heeft het Hof met betrekking tot sanctiemaatregelen verklaard, dat wanneer een gemeenschapsregeling geen specifieke sanctie stelt op de overtreding van de bepalingen ervan, of daarvoor verwijst naar nationale bepalingen, de Lid-Staten ingevolge artikel 5 van het Verdrag gehouden zijn, alle passende maatregelen te nemen om de doeltreffende toepassing van het gemeenschapsrecht te verzekeren. Daartoe dienen de Lid-Staten erop toe te zien, dat overtredingen van het gemeenschapsrecht onder gelijke materiële en formele voorwaarden worden bestraft als vergelijkbare en even ernstige overtredingen van het nationale recht. Zij zijn daarbij weliswaar vrij in hun keuze van de op te leggen sancties, doch deze moeten hoe dan ook doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.
Aangaande de grenzen waaraan de Lid-Staten zich bij hun keuze van sanctiemaatregelen op overtreding van een gemeenschapsregeling hebben te houden, heeft het Hof laatstelijk bij arrest van 16 december 1992(3) bovendien verklaard:
„Allereerst zij eraan herinnerd, dat waar harmonisatie van de gemeenschapswetgeving op het gebied van douaneovertredingen ontbreekt, de Lid-Staten bevoegd zijn de sancties te kiezen die hun passend voorkomen (...) Zij moeten deze bevoegdheid echter uitoefenen met eerbiediging van het gemeenschapsrecht en de algemene beginselen daarvan en, bijgevolg, met eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel.
Zoals het Hof reeds herhaaldelijk heeft overwogen, mogen administratieve of strafrechtelijke maatregelen niet verder gaan dan hetgeen strikt noodzakelijk is ter bereiking van het beoogde doel (...)” (r. o. 19 en 20).
Waar de gemeenschapsvoorschriften niet in sancties voorzien, zijn de Lid-Staten dus bevoegd om sancties te stellen op overtreding van de gemeenschapsvoorschriften. Die sancties moeten in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel, dat wil zeggen dat die sanctie nodig moet zijn om de naleving van de gemeenschapsvoorschrifen te verzekeren en niet verder mag gaan dan noodzakelijk is. Voor de sanctie op overtreding van de hier aan de orde zijnde gemeenschapsbepaling behoren dezelfde regels te gelden als die welke in het nationale recht gelden voor vergelijkbare en even ernstige overtredingen.
19. Om te beginnen dient dus te worden onderzocht, of de verordening — in het bijzonder artikel 19, lid 1 — de Lid-Staten de mogelijkheid biedt om sancties op te leggen aan een importeur wegens diens verzuim binnen de gestelde termijnen een bepaalde douanebestemming voor zijn goederen aan te wijzen. Deze vraag dient volgens mij ontkennend te worden beantwoord. Enerzijds verplicht de verordening de Lid-Staten niet om sancties op zulke overtredingen te stellen. Anderzijds verzetten de bepalingen van de verordening zich er mijns inziens ook niet tegen, dat de Lid-Staten zulke sancties vaststellen die in het specifieke geval ten doel hebben om waar nodig de importeurs ertoe aan te zetten, vóór het verstrijken van de termijnen te beginnen met de vereiste procedure voor het aanwijzen van een douanebestemming voor de goederen. Artikel 19, lid 1, van de verordening zwijgt met name over de vraag, of aan de importeur sancties kunnen worden opgelegd wegens het feit dat hij verzuimd heeft, vóór het verstrijken van de termijnen de noodzakelijke formaliteiten te vervullen. Daarentegen regelt deze bepaling wel, in welke mate de douaneautoriteiten verplicht zijn, na het verstrijken van de termijnen maatregelen te nemen om betaling van de verschuldigde bedragen te verzekeren. Dat de douaneautoriteiten de verplichting hebben de verschuldigde bedragen te innen door middel van bij voorbeeld de verkoop van de produkten, sluit niet uit dat de Lid-Staten de importeur daarnaast strafrechtelijke of administratieve sancties kunnen opleggen, omdat hij niet tijdig het nodige heeft gedaan met het oog op de vervulling van de douaneformaliteiten, opdat de douaneautoriteiten niet in een situatie worden gebracht waarin zij tot gedwongen verkoping moesten overgaan, met alle risico van verlies van dien.
20. Volgens de rechtspraak van het Hof mag een sanctie niet verder gaan dan hetgeen noodzakelijk is om de naleving van de termijnen te verzekeren. Gaat het om goederen van niet geringe waarde, dan zal een recht dat evenredig is aan de waarde van de ingevoerde produkten, de importeur een sterke stimulans geven om ervoor te zorgen, dat de produkten tijdig een bepaalde douanebestemming krijgen. Is de waarde gering, dan zal de aldus berekende sanctie op overschrijding van de termijn eventueel relatief minder zwaar zijn, zodat zij voor dergelijke produkten niet dezelfde preventieve werking heeft als voor produkten van grotere waarde. Gaat het daarentegen om bijzonder waardevolle goederen, dan is het anderzijds denkbaar dat een recht van een percentage van de waarde van die goederen niet meer in verhouding staat tot de aard van de overtreding, die in voorkomend geval van louter formele aard kan zijn, en tot de hoogte van het daardoor te laat betaalde recht. Het is aan de nationale rechter om te beoordelen of een dergelijk recht, als percentage van de waarde van de goederen berekend, in het concrete geval in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel is. In dit verband zij opgemerkt dat de Portugese regering ter terechtzitting heeft verklaard, dat in Portugal naast de heffing van het recht van 5 % van de waarde van de goederen geen vertragingsrente of administratieve kosten in rekening worden gebracht. Een gedeelte van het recht van 5 % van de waarde van de goederen dient dus ter dekking van de kosten in verband met de te late betaling van de douanerechten enzovoort, een gegeven waarmee de nationale rechter rekening zal moeten houden wanneer hij beoordeelt, of de sanctie in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel.
21. Het is eveneens aan de nationale rechter om te beoordelen of de sanctie overeenkomt met sancties die naar nationaal recht gelden voor vergelijkbare en even ernstige overtredingen.
22. Naar aanleiding van het argument van de Commissie, dat het betrokken recht in strijd is met artikelen 9 en volgende van het Verdrag, betreffende het gemeenschappelijk douanetarief, merk ik op dat het Hof met betrekking tot het intracommunautaire handelsverkeer heeft verklaard dat „het verbod van heffingen van gelijke werking als in- en uitvoerrechten iedere eenzijdig opgelegde last omvat, hoe gering ook en ongeacht de benaming en structuur ervan, die wegens grensoverschrijding op nationale of buitenlandse goederen wordt gelegd”.(4)
23. Wat de totstandbrenging van het gemeenschappelijk douanetarief jegens derde landen betreft, heeft het Hof verklaard dat het Verdrag geen uitdrukkelijke voorschriften bevat, overeenkomende met die welke in het handelsverkeer tussen de Lid-Staten heffingen van gelijke werking als douanerechten verbieden.(5) Evenwel houdt de totstandbrenging van het gemeenschappelijk douanetarief in, dat de Lid-Staten sedert de instelling van dat tarief niet eenzijdig nieuwe heffingen op rechtstreekse importen uit derde landen kunnen leggen of het peil van de op die datum bestaande heffingen kunnen verhogen.(6)
24. Importeurs die produkten uit derde landen in Portugal invoeren, worden alleen bij wijze van administratieve sanctie met het betrokken recht belast in bijzondere situaties waarin de importeur bepaalde douanevoorschriften niet heeft nageleefd; het recht wordt alleen geheven wanneer de importeur zelf gebruik wenst te maken van de in de douaneverordening vastgestelde mogelijkheid van inklaring na het verstrijken van de termijnen. Het is dus geenszins zo, dat iedere importeur die produkten uit derde landen in Portugal invoert, dat recht moet betalen. Bovendien wordt dat recht alleen geheven na het verstrijken van een relatief lange termijn, zodat de importeur over een reële mogelijkheid beschikt om zijn goederen tijdig in te klaren. Het betrokken recht kan naar mijn mening niet worden beschouwd als een douanerecht of een heffing die Portugal eenzijdig en algemeen toepast op uit derde landen ingevoerde produkten, waardoor het gemeenschappelijk douanetarief van de Gemeenschap wordt doorkruist. Voor mijn conclusie in deze zaak maakt het dus geen verschil, of men de ruime definitie van het Hof van heffing van gelijke werking als een douanerecht in het intracommunautaire verkeer analoog toepast op heffingen die door een Lid-Staat over goederen uit derde landen worden geheven.
25. De tweede vraag dient daarom aldus te worden beantwoord, dat de Lid-Staten, behalve de douanerechten en andere ter zake van de invoer van een partij goederen verschuldigde heffingen alsmede eventuele opslagkosten, enerzijds de bedragen kunnen terugverlangen ter dekking van rente en kosten en ter dekking van het extra werk en ongemak in verband met de toestemming voor de aangifte voor het vrije verkeer na afloop van de daartoe gestelde termijnen, en anderzijds de importeur een bedrag in rekening mogen brengen als sanctie op het verzuim van de gestelde termijnen. Deze sanctie moet in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel en overeenkomen met sancties die naar nationaal recht gelden voor gelijksoortige en even ernstige inbreuken. Het is aan de nationale rechter om te beoordelen of in het concrete geval aan die voorwaarden moet worden geacht te zijn voldaan.
De derde vraag
26. Ten slotte wenst de nationale rechter een uitspraak van het Hof over de vraag, of de nationale douaneautoriteiten hun toestemming voor de indiening van een aangifte voor het vrije verkeer na het verstrijken van de in artikel 15, lid 1, sub a en b, van de verordening gestelde termijnen afhankelijk kunnen stellen van de betaling aan de schatkist van een bepaald bedrag, naast eventuele heffingen en eventuele kosten.
Ik begrijp deze vraag aldus, dat de nationale rechter in werkelijkheid wenst te vernemen of de douaneautoriteiten, wanneer de termijn eenmaal is afgelopen, toestemming voor de aangifte voor het vrije verkeer afhankelijk mogen stellen van de betaling van een recht van 5 % van de waarde van het goed, bedoeld in artikel 639 van de douaneverordening, en van de overige in de tweede vraag bedoelde bedragen. Ik ga dus alleen in op de vraag of zulks mogelijk is, en niet op de vraag of de douaneautoriteiten voor het overige hun toestemming kunnen doen afhangen van de betaling van enigerlei ander bedrag dat een importeur eventueel iemand verschuldigd is.
27. De heffing van bedragen die gelet op het antwoord op de tweede vraag door de douaneautoriteiten mogen worden geïnd, staat in nauw verband met de verlening van toestemming voor een aangifte voor het vrije verkeer na het verstrijken van de gestelde termijnen. Om er zeker van te zijn dat die bedragen worden betaald, spreekt het volgens mij vanzelf dat de nationale douaneautoriteiten een dergelijke toestemming van de betaling van bedoelde bedragen doen afhangen. Het gaat om onkosten in ruime zin, waarbij de goederen als onderpand dienen, waardoor de douaneautoriteiten ingeval van niet-betaling vóór andere rechthebbenden kunnen worden voldaan. Een dergelijk zekerheidsrecht kan alleen worden gehandhaafd, wanneer de douaneautoriteiten ervoor kunnen zorgen dat inderdaad niet over de goederen kan worden beschikt, totdat de op het goed rustende kosten zijn voldaan. Zij mogen dus voor hun toestemming voor een aangifte voor het vrije verkeer van de goederen de voorwaarde stellen, dat die bedragen worden voldaan.
28. Op de derde vraag dient dus te worden geantwoord, dat wanneer de in artikel 15, lid 1, sub a en b, van de verordening gestelde termijnen zijn verstreken, de douaneautoriteiten hun toestemming voor een aangifte voor het vrije verkeer afhankelijk kunnen stellen van de betaling van de in het antwoord op de tweede vraag bedoelde bedragen.
Conclusie
29. Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging de gestelde vragen te beantwoorden als volgt:
Ook na het verstrijken van de termijnen die zijn vastgesteld in artikel 15, lid 1, sub a en b, van verordening (EEG) nr. 4151/88 van de Raad van 21 december 1988 tot vaststelling van de bepalingen die van toepassing zijn op goederen die het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht, kunnen de douaneautoriteiten de eigenaar van de goederen nog toestemming geven deze voor het vrije verkeer aan te geven.
Behalve de douanerechten en andere ter zake van de invoer van een partij goederen verschuldigde heffingen alsmede eventuele opslagkosten, kunnen de Lid-Staten enerzijds de bedragen terugverlangen ter dekking van rente en kosten en ter dekking van het extra werk en ongemak in verband met de toestemming voor de aangifte voor het vrije verkeer na afloop van de daartoe gestelde termijnen, en mogen zij anderzijds de importeur een bedrag in rekening brengen als sanctie op het verzuim van de gestelde termijnen. Deze sanctie moet in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel en overeenkomen met sancties die naar nationaal recht gelden voor gelijksoortige en even ernstige inbreuken. Het is aan de nationale rechter om te beoordelen of in het concrete geval aan die voorwaarden moet worden geacht te zijn voldaan.
Wanneer de in artikel 15, lid 1, sub a en b, van verordening (EEG) nr. 4151/88 van de Raad van 21 december 1988 gestelde termijnen zijn verstreken, kunnen de douaneautoriteiten hun toestemming voor een aangifte voor het vrije verkeer afhankelijk stellen van de betaling van de in het antwoord op de tweede vraag bedoelde bedragen.”