Hof van Justitie EU 11-05-1995 ECLI:EU:C:1995:136
Hof van Justitie EU 11-05-1995 ECLI:EU:C:1995:136
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 11 mei 1995
Conclusie van advocaat-generaal
C. O. Lenz
van 11 mei 1995(*)
A — Inleiding
1. In deze door de Social Security fič Child Support Commissioner(1) ingeleide prejudiciële procedure gaat het om richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden(2), en om de toepassing van deze richtlijn op een in het Verenigd Koninkrijk verleende gezinstoeslag.
2. Volgens artikel 1, lid 1, van de richtlijn beoogt deze „de tenuitvoerlegging in de Lid-Staten van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, met inbegrip van promotiekansen, en tot de beroepsopleiding, alsmede ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden en, onder de voorwaarden bedoeld in lid 2, de sociale zekerheid”.
3. Wat de sociale zekerheid betreft, bepaalt artikel 1, lid 2, van de richtlijn het volgende:
„Ten einde de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling op het gebied van de sociale zekerheid te waarborgen, stelt de Raad op voorstel van de Commissie bepalingen vast waarbij met name de inhoud, de draagwijdte en de wijze van toepassing van dat beginsel nader worden omschreven.”
4. Artikel 3 van de richtlijn regelt het verbod van discriminatie op grond van geslacht met betrekking tot de toegangsvoorwaarden tot beroepen en functies. Artikel 3, lid 2, bepaalt, dat de Lid-Staten de nodige maatregelen nemen om discriminatie op dit gebied te beletten.
5. Artikel 5 van de richtlijn bevat een overeenkomstige regeling met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van de ontslagvoorwaarden.
6. In liet hoofdgeding gaat het om de vraag, of verzoekster, J. Meyers, recht heeft op de family credit, een in het Verenigd Koninkrijk sinds 1986 bestaande gezinstoeslag.
7. Deze gezinstoeslag wordt verleend, indien aan drie voorwaarden is voldaan:
-
het inkomen van de aanvrager mag een bepaald bedrag niet overschrijden;
-
de aanvrager of, indien hij gehuwd is of ongehuwd samenleeft, zijn partner moet regelmatig betaalde arbeid verrichten;
-
de aanvrager of, indien hij gehuwd is of ongehuwd samenleeft, zijn partner moet een gezinslid ten laste hebben, te weten een kind of een andere persoon die tot een in de wet omschreven kring van personen behoort.
8. Is de gezinstoeslag toegekend, dan wordt deze gedurende 26 weken betaald. De uitkeringsduur — en het bedrag van de toeslag — blijven ongewijzigd, indien de aanvrager gedurende die periode werkloos wordt, een hoger respectievelijk lager salaris ontvangt, ziek wordt of een ongeval krijgt, waardoor hij zijn arbeid niet langer kan verrichten.
9. Wordt de gezinstoeslag aan een echtpaar of een ongehuwd samenlevend paar toegekend, dan wordt deze in elk geval aan de vrouw betaald, ook al is zij niet degene die betaalde arbeid verricht. Oorspronkelijk was voorzien de toeslag via de werkgever samen met het loon te betalen. Na protesten van tal van vrouwenorganisaties en van de werkgevers werd evenwel besloten, de family credit aan de vrouw te betalen.
10. Het Verenigd Koninkrijk stelt, dat het doel van de family credit is neergelegd in een document, dat de titel „Reform of Social Security” draagt. In het tweede deel wordt naast het aanvullen van het stelsel van sociale-zekerheidsuitkeringen als tweede doel genoemd, te verzekeren dat gezinnen zich niet in een ongunstigere materiële situatie bevinden indien zijn werken, dan indien zij niet werken.
11. De berekening van het inkomen van de aanvrager wordt geregeld in de algemene verordening inzake de gezinstoeslag [Family Credit (General) Regulations 1987]. In die verordening wordt bepaald, dat sommige betalingen niet tot het inkomen worden gerekend. De bepalingen zijn in algemene bewoordingen gesteld. Er kan niet uit worden afgeleid, of de kosten voor kinderopvang bij de berekening in aanmerking worden genomen. Volgens vaste rechtspraak van de Engelse rechterlijke instanties kunnen kosten voor kinderopvang evenwel bij de berekening niet in mindering worden gebracht.
12. Op 26 april 1989 diende verzoekster een aanvraag om family credit in voor zichzelf en haar destijds driejarige dochter.
13. De voor de verlening van family credit bevoegde Adjudication Officer besliste op 10 juni 1989, dat Meyers geen recht had op betaling van de gezinstoeslag.
14. Omdat verzoekster alleenstaand ouder is, moet zij, om betaalde arbeid te kunnen verrichten, bepaalde kosten maken voor de opvang van haar dochter. Vaststaat, dat zij recht op family credit zou hebben, indien zij deze kosten bij de berekening van haar inkomen in mindering mocht brengen.
15. Verzoekster is van mening, dat de wijze van berekening van het inkomen een indirecte discriminatie van alleenstaande ouders oplevert. Ouders hebben de mogelijkheid afspraken te maken over de kinderopvang en elkaar af te wisselen, terwijl zij als alleenstaande ouder daarvoor iemand moet betalen. Het is voor haar daarom veel moeilijker laagbetaalde arbeid te aanvaarden. Zij moet in dat geval kosten voor kinderopvang betalen, doch ontvangt geen gezinstoeslag. Aangezien het merendeel der alleenstaande ouders vrouwen zijn, is er ook sprake van een indirecte discriminatie van vrouwen.
16. Het hoger beroep in deze zaak dient voor de Social Security & Child Support Commissioner. Deze acht voor het antwoord op de vraag, of er sprake is van discriminatie, een prejudiciële beslissing noodzakelijk over de werkingssfeer van richtlijn 76/207 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden.
17. Hij heeft het Hof daarom de volgende prejudiciële vraag voorgelegd:
„Valt een uitkering met de kenmerken en het doel van family credit binnen de werkingssfeer van richtlijn 76/207/EEG van de Raad?”
B — Discussie
18. In artikel 1 van de richtlijn wordt de werkingssfeer van deze laatste bepaald. Genoemd worden de gebieden waarop het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten uitvoer moet worden gelegd. Naast de arbeidsvoorwaarden en de toegang tot het arbeidsproces, de promotiekansen en de beroepsopleiding, wordt ook de sociale zekerheid genoemd. De sociale zekerheid valt echter slechts onder bepaalde voorwaarden onder de richtlijn. Deze worden genoemd in artikel 1, lid 2. Daarin wordt bepaald, dat de Raad op het gebied van de sociale zekerheid bepalingen vaststelt waarbij met name de inhoud, de draagwijdte en de wijze van toepassing van het beginsel van gelijke behandeling nader worden omschreven.
19. Volgens het Verenigd Koninkrijk worden socialezekerheidsregelingen door het bepaalde in artikel 1, lid 2, volledig van de werkingssfeer van de richtlijn uitgesloten.
20. De Commissie is een andere mening toegedaan en verwijst hiervoor terecht naar het arrest van het Hof in zaak 152/84, Marshall.(3)
21. In die zaak heeft het Hof geoordeeld, dat het bepaalde in artikel 1, lid 2, van richtlijn 76/207 een uitzondering vormt op de werkingssfeer van de richtlijn, die wegens het fundamentele belang van het beginsel van gelijke behandeling strikt moet worden uitgelegd.(4)
22. Het standpunt van het Verenigd Koninkrijk kan daarom niet worden aanvaard. Ook al zijn in artikel 1, lid 2, en in de laatste overweging van de considerans van de richtlijn specifieke regels voor het gebied van de sociale zekerheid in het vooruitzicht gesteld, dit kan enkel betekenen, dat de richtlijn niet zonder uitzondering van toepassing is op het gebied van de sociale zekerheid. Indien het gebied van de sociale zekerheid volledig van de werkingssfeer van de richtlijn ware uitgesloten, zou de uitdrukkelijke verwijzing naaide sociale zekerheid in artikel 1, lid 1, onbegrijpelijk zijn.
23. Is de sociale zekerheid echter alleen in uitzonderingsgevallen van de werkingssfeer van de richtlijn uitgesloten, dan betekent dit, dat een regeling die formeel tot het gebied van de sociale zekerheid behoort, wel degelijk binnen de werkingssfeer van richtlijn 76/207 kan vallen. Dit is ook in overeenstemming met het arrest van het Hof in de gevoegde zaken Jackson en Cress well, waarin is geoordeeld, dat het feit dat een regeling een onderdeel vormt van een stelsel van sociale zekerheid, op zich niet volstaat om deze regeling van de werkingssfeer van de richtlijn uit te sluiten.(5)
24. Anderzijds kan een dergelijke regeling niet in alle gevallen binnen de werkingssfeer van richtlijn 76/207 vallen. Er moet aan bepaalde voorwaarden zijn voldaan.
25. Dienaangaande oordeelde het Hof in de gevoegde zaken Jackson en Cresswell(6), dat een regeling die een onderdeel vormt van een stelsel van sociale zekerheid, alleen binnen de werkingssfeer van richtlijn 76/207 valt, „indien zij verband houdt met de toegang tot het arbeidsproces, daaronder begrepen de beroepsopleidingen, de promotiekansen, of met de arbeidsvoorwaarden”.
26. In de zaak Jackson en Cresswell oordeelde het Hof, dat dit niet het geval was voor de in het Verenigd Koninkrijk bestaande inkomenssteun. Deze uitkering heeft slechts tot doel lage inkomens aan te vullen. Aangezien dit het enige doel van de inkomenssteun is, valt deze niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 76/207. Het feit dat de wijze waarop wordt berekend of aan de voorwaarden voor toekenning van de inkomenssteun is voldaan, invloed heeft op de mogelijkheid van een alleenstaande moeder om toegang tot het arbeidsproces te krijgen, volstaat niet om die uitkering binnen de werkingssfeer van richtlijn 76/207 te brengen.(7)
27. Vervolgens moet worden onderzocht, of family credit voldoet aan de door het Hof geformuleerde criteria om binnen de werkingssfeer van de richtlijn te vallen.
28. Het Verenigd Koninkrijk is van mening, dat family credit evenmin als inkomenssteun binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt.
29. Vaststaat echter, dat family credit, in tegenstelling tot inkomenssteun, waarbij de begunstigden niet in elk geval beschikbaar dienen te zijn voor werk, verband houdt met het verrichten van betaalde arbeid; een voorwaarde voor toekenning is immers, dat de aanvrager of zijn partner dergelijke arbeid verricht.
30. Niettemin betoogt het Verenigd Koninkrijk, dat family credit alleen al daarom niet aan de criteria voldoet, omdat er geen verband bestaat tussen het recht op uitkering en de beroepsbezigheid van de aanvrager.
31. Een argument ten gunste van die stelling is, dat het geld in elk geval aan de vrouw wordt uitbetaald, zelfs al verricht zij geen betaalde arbeid.
32. Daartegen kan worden ingebracht, dat die omstandigheid niet zonder meer het doel van family credit aangeeft. Gelijk het Verenigd Koninkrijk zelf stelt, was het oorspronkelijke plan family credit samen met het loon via de werkgever te betalen. Pas na protesten van de werkgevers en van tal van vrouwenorganisaties is voor de huidige regeling geopteerd.
33. Bovendien verandert dit niets aan de voorwaarde, dat de aanvrager betaalde arbeid moet verrichten. Indien family credit aan een paar wordt toegekend en de betaling aan de vrouw wordt verricht, ofschoon deze geen beroepswerkzaamheden verricht, is de beroepsbezigheid van de man bepalend voor de toekenning. Verzoekster zelf heeft dit ter terechtzitting beklemtoond. Daarom is het niet uitgesloten, dat ook family credit verband houdt met een beroepsbezigheid, in dat geval de beroepsbezigheid van de partner.
34. Als verdere aanwijzing voor het ontbreken van een verband met een beroepsbezigheid voert het Verenigd Koninkrijk aan, dat de family credit wordt doorbetaald, indien de begunstigde na de toekenning werkloos wordt. Ook dit is evenwel geen overtuigend argument. Indien men het betoog van het Verenigd Koninkrijk aanvaardt en tevens aanneemt, dat family credit, gelijk het Verenigd Koninkrijk stelt, slechts als aanvulling van lage inkomens is bedoeld, zou de betaling van de uitkering moeten worden stopgezet, indien de begunstigde inmiddels een hoger salaris geniet. Vaststaat echter, dat ook in dit geval de betaling doorgaat. Ook met dit argument kan derhalve niet worden aangetoond, dat family credit enkel verband houdt met de sociale zekerheid.
35. Dit geldt ook voor de opmerking van het Verenigd Koninkrijk, dat voor hoger beroep tegen beslissingen die verband houden met family credit, het Social Security Appeal Tribunal bevoegd is, zoals dat op het gebied van de sociale zekerheid steeds het geval is. Het wordt niet betwist, dat family credit een vorm van sociale zekerheid is, doch misschien wordt nog een tweede doel nagestreefd. Het is mogelijk, dat de voorwaarde dat de aanvrager arbeid verricht, anders dan het Verenigd Koninkrijk stelt, meer is dan slechts één van de voorwaarden voor toekenning van family credit.
36. Zoals gezegd, is het door het Hof geformuleerde criterium, dat de uitkering ook verband houdt met de toegang tot het arbeidsproces respectievelijk de arbeidsvoorwaarden.
37. Verzoekster en de Commissie zijn van mening, dat in ieder opzicht aan dit criterium is voldaan.
38. Het Verenigd Koninkrijk betwist dit met de stelling, dat family credit slechts tot doel heeft financiële bijstand te verlenen aan gezinnen of alleenstaande ouders met lage inkomens.
39. Wat de toegang tot het arbeidsproces betreft, betogen de Commissie en verzoekster, dat family credit onder meer tot doel heeft, het vergemakkelijken van de beslissing om laagbetaalde arbeid te aanvaarden of te blijven verrichten.
40. Verzoekster verwijst in dit verband naar de opmerkingen van het Verenigd Koninkrijk in zaak C-78/91, Hughes.(8) In die zaak ging het onder meer om de vraag, of family credit een sociale-zekerheidsuitkering in de zin van artikel 4, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71(9) is. Gelijk uit het arrest kan worden opgemaakt, stelde de Britse regering destijds, dat „family credit met geen enkele van de in artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1408/71 genoemde takken van sociale zekerheid verband houdt, daar het hoofddoel van de uitkering erin bestaat, laagbetaalde werknemers met een gezin, die als werkloze een hoger inkomen zouden hebben, aan het werk te houden door hun een aanvullend inkomen te verschaffen”.(10)
41. Dit strookt ook met het feit, dat één van de doelstellingen van family credit erin bestaat, te verzekeren dat een werkend gezin niet in een ongunstiger situatie verkeert dan een gezin dat werkloos is, gelijk het Verenigd Koninkrijk in zijn schriftelijke opmerkingen in deze zaak heeft gesteld.
42. Ook ter terechtzitting heeft het Verenigd Koninkrijk geen andere argumenten aangevoerd.
43. Het Verenigd Koninkrijk verwijst in dit verband slechts naar het arrest in de zaak Jackson en Cresswell. In die zaak oordeelde het Hof, dat een sociale-zekerheidsuitkering niet wegens haar invloed op de toegang tot het arbeidsproces binnen de werkingssfeer van richtlijn 76/207 valt. Het Hof nam dit standpunt echter slechts in, omdat het in dat geval niet de bedoeling was geweest, invloed uit te oefenen op de toegang tot het arbeidsproces. Het Verenigd Koninkrijk heeft zelf betoogd, dat dit bij family credit anders ligt. Anders dan de inkomenssteun in de zaak Jackson en Cresswell, is family credit niet enkel een steun om in de behoeften van personen met lage inkomens te voorzien, doch ook een middel om werknemers te stimuleren, laagbetaalde arbeid te blijven verrichten, of om werklozen de beslissing te vergemakkelijken, laagbetaalde arbeid te aanvaarden. Een dergelijke functie kon de uitkering in de zaak Jackson en Cresswell niet vervullen, aangezien voor deze uitkering niet de voorwaarde van een beroepsbezigheid gold.
44. Het Hof oordeelde daarom ook, dat family credit een dubbele functie heeft: enerzijds, „laagbetaalde werknemers aan het werk houden, anderzijds, de gezinslasten verlichten”.(11)
45. Ten slotte betoogt het Verenigd Koninkrijk, dat family credit geen verband kan houden met de toegang tot het arbeidsproces, daar de uitkering pas kan worden verleend, indien de aanvrager reeds betaalde arbeid verricht. De Commissie stelt in dit verband, dat artikel 3 van de richtlijn, wegens het fundamentele belang van het beginsel van gelijke behandeling, ruim moet worden uitgelegd.
46. Ter terechtzitting heeft de Commissie er voorts op gewezen, dat het in artikel 3 niet enkel over de toegang tot het arbeidsproces gaat, doch ook over de promotiekansen.(12) De werkingssfeer van artikel 3 van de richtlijn is daarom niet beperkt tot de toegang.
47. Het probleem van de promotiekansen is in deze zaak echter irrelevant. Het gaat er slechts om, of overwegingen betreffende de toegang tot het arbeidsproces leiden tot de toepasselijkheid van de richtlijn. Om op die vraag te antwoorden, behoeft artikel 3 niet ruim of zelfs uitbreidend te worden uitgelegd. Een uitkering als family credit kan wel degelijk van invloed zijn op de toegang tot het arbeidsproces. Het maakt het voor een werkloze gemakkelijker, laagbetaalde arbeid te aanvaarden, indien hij weet, dat hij als laagbetaalde werknemer een aanvullende uitkering, namelijk family credit, zal ontvangen.
48. Verzoekster geeft in dit verband een voorbeeld: indien het niet ging om een voordeel, verleend na aanvaarding van laagbetaalde arbeid, doch om een straf, zou het geen enkele twijfel lijden, dat deze straf, waarvoor als voorwaarde geldt, dat laagbetaalde arbeid wordt verricht, de toegang tot dergelijke arbeid aanmerkelijk zou beïnvloeden.
49. Gezien een en ander staat vast, dat family credit binnen de werkingssfeer van artikel 3 van richtlijn 76/207 valt.
50. Verzoekster betoogt voorts, dat ook artikel 5 van richtlijn 76/207, dat de gelijke behandeling met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden regelt, van toepassing is op family credit. Ook hier geldt het door het Hof in de zaak Jackson en Cresswell geformuleerde criterium, dat wil zeggen dat het doel van family credit beslissend is. Om binnen de werkingssfeer van artikel 5 van de richtlijn te vallen, moet de uitkering ook verband houden met de arbeidsvoorwaarden.
51. Zoals gezegd, helpt family credit gezinnen met lage inkomens in hun behoeften te voorzien. Daarnaast dient de uitkering het evenwel ook mogelijk te maken, laagbetaalde arbeid te aanvaarden respectievelijk te blijven verrichten. Wederom is het de tweede functie van family credit, die aan het criterium van het Hof kan beantwoorden.
52. De betaling van family credit brengt de begunstigde gezinnen in een betere financiële situatie. De uitkering heeft dus invloed op de algemene levensomstandigheden van een persoon die of een gezin dat betaalde arbeid verricht. Dit betekent echter niet automatisch, dat family credit een arbeidsvoorwaarde in de zin van artikel 5 van de richtlijn is.
53. Verzoekster is een andere mening toegedaan. Aangezien family credit uiteindelijk bepalend is voor het bedrag waarover zij zal beschikken wanneer zij werkt, vormt de uitkering haars inziens een arbeidsvoorwaarde in de zin van artikel 5.
54. Tot staving van haar stelling voert zij aan, dat de gezinstoeslag zonder meer als arbeidsvoorwaarde zou worden beschouwd, indien deze —zoals oorspronkelijk voorzien — samen met het loon zou worden betaald.
55. Het Verenigd Koninkrijk brengt hiertegen in, dat family credit in dat geval een deel van het loon zou vormen en binnen de werkingssfeer zou vallen van richtlijn 75/117/EEG van de Raad van 10 februari 1975 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen der Lid-Staten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers.(13)
56. Zelfs in dat geval kan de gezinstoeslag echter niet als loon in de zin van richtlijn 75/117 worden aangemerkt. In artikel 119, tweede alinea, EG-Verdrag wordt „beloning” omschreven als „het gewone basis- of minimumloon of -salaris, en alle overige voordelen in geld of in natura die de werkgever direct of indirect aan de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking betaalt”. Ook al zou de gezinstoeslag door de overheid via de werkgever aan de werknemer worden betaald, dit neemt niet weg, dat het om een uitkering van overheidswege gaat, en derhalve niet om een beloning in de zin van artikel 119, tweede alinea, EG-Verdrag. Gelijk het Verenigd Koninkrijk ter terechtzitting zelf heeft gesteld, is de inhoud beslissend, en niet de vorm van de betaling.
57. Ook het tweede argument van het Verenigd Koninkrijk tegen verzoeksters standpunt is niet overtuigend. Het Verenigd Koninkrijk stelt, dat zelfs indien de gezinstoeslag samen met het loon werd betaald, hetgeen niet het geval is, en toch binnen de werkingssfeer van richtlijn 76/207 viel, een dergelijke uitkering alleen zou worden betaald aan iemand die betaalde arbeid verricht, onder de voorwaarde, dat hij die arbeid ook blijft verrichten. Een dergelijke regeling is voor family credit echter niet voorzien. Dit argument bevat nieuwe stellingen over eventuele betalingsvoorwaarden, die louter hypothetisch zijn. Het valt moeilijk in te zien, waarom een uitkering als die welke in het voorbeeld is genoemd, enkel onder de door het Verenigd Koninkrijk genoemde voorwaarden zou kunnen worden uitbetaald.
58. Verzoeksters stelling is echter evenmin overtuigend. Uit het feit dat de betaling van de gezinstoeslag mede bepalend is voor de financiële situatie van degene die betaalde arbeid verricht, kan niet worden afgeleid, dat deze uitkering een arbeidsvoorwaarde in de zin van artikel 5 van de richtlijn vormt. Het is aan de hand van de criteria van het Hof dat moet worden nagegaan, of family credit verband houdt met de arbeidsvoorwaarden. De wijze van betaling kan in elk geval geen invloed hebben op het voorwerp van de gezinstoeslag.
59. Family credit is een uitkering die aan een gezinslid wordt betaald, omdat dit gezinslid werkt en opdat het ook zou blijven werken. Er bestaat dus een nauw verband met het arbeidsproces. Eén van de doelstellingen van de gezinstoeslag is immers het in stand houden van de arbeidsverhouding. Op grond van dit nauwe verband zou er sprake kunnen zijn van een arbeidsvoorwaarde in de zin van artikel 5 van richtlijn 76/207.
60. Volgens het Verenigd Koninkrijk kan er alleen sprake zijn van een arbeidsvoorwaarde, indien deze in een arbeidscontract tussen de werkgever en de werknemer is vastgelegd of wanneer het gaat om een maatregel die de werkgever in het kader van de arbeidsverhouding op de werknemer dient toe te passen. De gezinstoeslag zou niet aan deze voorwaarden voldoen, aangezien het gaat om een sociale-zekerheidsuitkering, die door de overheid wordt betaald en dit niet altijd aan degene die betaalde arbeid verricht.
61. In deze zaak wordt family credit echter niet uit het oogpunt van haar functie van sociale-zekerheidsuitkering, doch uit het oogpunt van haar tweede functie beschouwd. Gelijk het Hof in de zaak Jackson en Cresswell heeft geoordeeld, is het in beginsel mogelijk, dat een door de overheid betaalde sociale-zekerheidsuitkering een arbeidsvoorwaarde in de zin van artikel 5 van richtlijn 76/207 vormt. De door het Verenigd Koninkrijk voorgestelde definitie van arbeidsvoorwaarden is daarom te eng, daar zij slechts doelt op de verhouding tussen werkgever en werknemer.
62. Onjuist is ook de stelling van het Verenigd Koninkrijk, dat het Hof in de zaak Jackson en Cresswell heeft geoordeeld, dat een uitkering als family credit geen arbeidsvoorwaarde in de zin van de richtlijn kan vormen. De in die zaak onderzochte sociale-zekerheidsuitkering was juist geen uitkering in de zin van family credit. Integendeel, de uitkering was alleen bedoeld om gezinnen met lage inkomens een aanvullende steun te verlenen om in hun behoeften te kunnen voorzien. Een tweede functie, namelijk het vergemakkelijken van de toegang tot laagbetaalde arbeid, zoals dit bij family credit het geval is, kon de uitkering in de zaak Jackson en Cresswell niet vervullen, aangezien hiervoor niet de voorwaarde gold, dat de aanvrager betaalde arbeid verricht. Om die reden kon het Verenigd Koninkrijk ook niet op goede gronden stellen, dat family credit geen arbeidsvoorwaarde in de zin van de richtlijn kan zijn. Anders zou dit argument in de zaak Jackson en Cresswell zijn aangevoerd. Zoals gezegd, verschillen de feiten in deze zaak van die in de zaak Jackson en Cresswell.
63. Maar zelfs indien family credit een sociale-zekerheidsuitkering zou zijn, kan zij in beginsel toch een arbeidsvoorwaarde in de zin van artikel 5 van de richtlijn vormen. Wat het verband met de uitgeoefende werkzaamheid betreft, bestaat geen verschil tussen een maatregel die de werkgever toepast, omdat deze door de wet ten gunste van de werknemer wordt voorgeschreven — en die volgens het Verenigd Koninkrijk een arbeidsvoorwaarde vormt — en een uitkering als family credit, die de overheid zelf op grond van een arbeidsverhouding verleent, en die volgens het Verenigd Koninkrijk geen arbeidsvoorwaarde vormt. Blijkens de overwegingen van de considerans van richtlijn 76/207 zijn de arbeidsvoorwaarden met betrekking tot de beloning in richtlijn 75/117 geregeld, terwijl de overige arbeidsvoorwaarden in richtlijn 76/207 dienen te worden geregeld. Tot de arbeidsvoorwaarden in de zin van richtlijn 75/117 behoren ook de gezinstoeslagen voor ambtenaren. Wat de voorwaarden voor toekenning en uitbetaling daarvan betreft, bestaan waarschijnlijk geen grote verschillen met family credit. Beide worden slechts uitbetaald of toegekend, indien een dienstrespectievelijk arbeidsverhouding bestaat en de begunstigde instaat voor een gezin. Uit dit oogpunt bezien, kan family credit als een arbeidsvoorwaarde in de zin van artikel 5 van de richtlijn worden aangemerkt.
64. Daarbij gaat het om een ruime uitlegging van het begrip „arbeidsvoorwaarden”, doch dit begrip wordt ook in het kader van artikel 48 EG-Verdrag en de nadere uitwerking daarvan door verordening (EEG) nr. 1612/68(14), ruim uitgelegd. Ook de Commissie heeft zich, wegens het belang van het beginsel van gelijke behandeling, voor een ruime uitlegging van het begrip arbeidsvoorwaarden uitgesproken. Haars inziens behoort tot de arbeidsvoorwaarden al wat betrekking heeft op de situatie waarin een werknemer zich na aanvaarding van een betrekking bevindt.
65. Tot slot wil ik nog ingaan op de stelling van het Verenigd Koninkrijk, dat in het kader van family credit reeds rekening wordt gehouden met de bijzondere situatie van alleenstaande ouders. Dit is in casu irrelevant, aangezien het hier gaat om de vraag, of er daadwerkelijk sprake is van discriminatie van alleenstaande ouders. Deze vraag moet door de nationale rechter worden beantwoord.
66. Concluderend kan worden gesteld, dat family credit zowel verband houdt met de toegang tot het arbeidsproces als met de arbeidsvoorwaarden.
C — Conclusie
67. Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de prejudiciële vraag te beantwoorden als volgt:
Een uitkering met de kenmerken en het doel van family credit valt binnen de werkingssfeer van richtlijn 76/207/EEG van de Raad.