Hof van Justitie EU 17-10-1995 ECLI:EU:C:1995:333
Hof van Justitie EU 17-10-1995 ECLI:EU:C:1995:333
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 17 oktober 1995
Conclusie van advocaat-generaal
D. Ruiz-Jarabo Colomer
van 17 oktober 1995(*)
1. Met het onderhavige beroep vordert de Franse regering de nietigverklaring van verordening (EG) nr. 1641/94 van de Commissie van 6 juli 1994(1) tot wijziging van verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief.(2)
2. Volgens de considerans van de bestreden verordening (hierna: „verordening”) dient „de draagwijdte” van postonderverdeling 2303 10 19„nader (...) te worden gepreciseerd door het vervangen van de aanvullende aantekening (GN) op hoofdstuk 23 [van de in de bijlage bij verordening nr. 2658/87 opgenomen gecombineerde nomenclatuur] door de aantekening vermeld in artikel 1 van deze verordening”, die duidelijk anders luidt.
3. Beide aantekeningen zijn bepalend voor de tariefindeling van het produkt maïsglutenvoer („corn gluten feed”), dat op grote schaal in de Verenigde Staten van Amerika wordt geproduceerd en vervolgens vrij van douanerechten in de Gemeenschap wordt ingevoerd. Deze situatie baart de Franse regering zorgen en vormde voor haar aanleiding het onderhavige beroep in te stellen.
4. Het is juist, dat in een op het oog technisch vraagstuk — te weten de redactie van een eenvoudige aantekening ter aanvulling van een bepaalde postonderverdeling— in werkelijkheid een delicaat handelsprobleem besloten ligt, dat van onmiskenbaar economisch belang is en het voorwerp is geweest van moeizame onderhandelingen tussen de Commissie en de regering van de Verenigde Staten van Amerika. Zowel het verloop van die onderhandelingen als de uitkomst ervan heeft geleid tot diverse interventies in het Europees Parlement(3) en tot reacties in de betrokken economische kringen.
5. Kort gezegd, bestaat tussen partijen verschil van mening over de tariefindeling van het betrokken produkt: de Commissie deelt het door middel van de bestreden verordening in onder post 2303 (afvallen van zetmeelfabrieken), terwijl het volgens de Franse regering moet worden ingedeeld onder post 2309 (bereidingen van de soort gebruikt voor het voederen van dieren). Het geschil zou in het voordeel van de Commissie worden beslecht, indien de verordening geldig werd geacht, daar deze de aanvullende aantekening aldus wijzigt, dat „corn gluten feed” zonder problemen onder post 2303 kan worden ingedeeld.
6. Tot staving van haar beroep tot nietigverklaring voert de Franse regering het volgende aan:
-
Door de verordening wordt de tariefindeling van een bepaald goed gewijzigd.
-
De Commissie heeft met de vaststelling van de verordening haar bevoegdheden tot uitlegging van de gecombineerde nomenclatuur overschreden, daar zij een werkelijke wijziging van de tariefindeling heeft doorgevoerd, terwijl zij daartoe niet bevoegd was.
-
Door aldus te handelen, heeft de Commissie de verbintenissen geschonden die de Gemeenschap is aangegaan in het kader van het Internationaal Verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen (gedaan te Brussel op 14 juni 1983).
-
Schending van een wezenlijk vormvoorschrift wegens het ontbreken van een motivering.
-
Misbruik van bevoegdheid.
De toepasselijke bepalingen
7. In verband met de indeling van goederen met het oog op de toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief en ten behoeve van de communautaire statistieken, is bij verordening nr. 2658/87 (reeds aangehaald) de zogeheten „gecombineerde nomenclatuur” ingesteld. De tekst hiervan is herhaaldelijk gewijzigd en één van die wijzigingen is het voorwerp van het onderhavige beroep tot nietigverklaring.
8. Partijen zijn het erover eens, dat hun geschil verband houdt met hoofdstuk 23 van de gecombineerde nomenclatuur, dat betrekking heeft op „resten en afval van de voedselindustrie; bereid voedsel voor dieren”. Het gaat in casu om de volgende posten en onderverdelingen:
„2303
Afvallen van zetmeelfabrieken en dergelijke afvallen, bietenpulp, uitgeperst suikerriet (ampas) en andere afvallen van de suikerindustrie, bostel (brouwerijafval), afvallen van branderijen, ook indien in pellets:
2303 10
— afvallen van zetmeelfabrieken en dergelijke afvallen:
— — afvallen van maïszetmeelfabrieken (met uitzondering van ingedikt zweiwater), met een gehalte aan proteïnen, berekend op de droge stof:
2303 10 11
— — — van meer dan 40 ge wiclitsp ercenten
2303 10 19
— — van niet meer dan 40 gewichtspercenten
2309
Bereidingen van de soort gebruikt voor het voederen van dieren.”
9. Bij de onderverdelingen 2303 10 11 en 2303 10 19 (die, zoals wij zagen, enkel verschillen op het punt van het gehalte aan proteïnen van de respectieve produkten) hoorde de volgende aanvullende aantekening:
„De onderverdelingen 2303 10 11 en 23 031 019 omvatten uitsluitend de afvallen verkregen bij de winning van maïszetmeel, met uitzondering van mengsels van afvallen verkregen bij de winning van maïszetmeel met produkten verkregen uit andere planten of met produkten verkregen uit maïs met gebruikmaking van een andere methode dan die gebruikt bij de vervaardiging van zetmeel door middel van de natte methode.”
10. Die aanvullende aantekening werd voor het eerst gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 3492/91 van de Commissie van 29 november 1991(4), als gevolg waarvan zij kwam te luiden als volgt (de wijzigingen zijn cursief aangegeven):
„De onderverdelingen 2303 10 11 en 2303 10 19 omvatten uitsluitend de afvallen verkregen bij de winning van maïszetmeel, met uitzondering van mengsels van afvallen verkregen bij de winning van maïszetmeel met produkten verkregen uit andere planten of met produkten verkregen uit maïs met gebruikmaking van een andere methode dan die gebruikt bij de vervaardiging van zetmeel door middel van de natte methode. Deze produkten kunnen echter afvallen, ontstaan bij de winning van olie uit maïskiemen, verkregen door middel van de natte methode, bevatten.
Het gehalte aan zetmeel, berekend op de droge stof overeenkomstig de methode opgenomen in bijlage I, onder 1, van de richtlijn 72/199/EEG(5) van de Commissie dient niet meer dan 28 gewichtspercenten te bedragen en het gehalte aan vet, berekend op de droge stof overeenkomstig de methode A opgenomen in bijlage I van de richtlijn 84/4/EEG(6) van de Commissie, dient niet meer dan 4,5 gewichtspercenten te bedragen.”
11. Bij de tweede — en thans bestreden — wijziging die in de aanvullende aantekening is aangebracht, is aan de tekst van 1991 een belangrijke precisering toegevoegd (de nieuwe elementen zijn cursief aangegeven):
„De volgende aanvullende aantekening (GN) vervangt de aanvullende aantekening (GN) 1 op hoofdstuk 23 van de gecombineerde nomenclatuur, opgenomen als bijlage bij verordening (EEG) nr. 2658/87:
1. De onderverdeling 2303 10 19 omvat uitsluitend de afvallen verkregen bij de winning van maïszetmeel, met uitzondering van mengsels van dergelijke afvallen met produkten verkregen uit andere planten of met produkten verkregen bij de vervaardiging van maïszetmeel door middel van een andere dan de natte methode.
Deze afvallen kunnen echter resten, ontstaan bij de winning van olie uit maïskiemen, verkregen door middel van de natte methode, resten van het zeven van maïs, gebruikt voor de vervaardiging van maïszetmeel door middel van de natte methode, tot een hoeveelheid van niet meer dan 15 gewichtspercenten en resten van het zweiwater, afkomstig van de behandeling van maïs door middel van de natte methode en gebruikt voor de vervaardiging van alcohol of van andere produkten uit zetmeel, bevatten.
Het gehalte aan zetmeel, overeenkomstig de methode opgenomen in bijlage I, punt 1, bij richtlijn 72/199/EEG, berekend op de droge stof, mag niet meer bedragen dan 28 gewichtspercenten en het gehalte aan vet, overeenkomstig methode A opgenomen in bijlage I bij richtlijn 84/4/EEG, berekend op de droge stof, mag niet meer bedragen dan 4,5 gewichtspercenten.”
12. Met andere woorden, volgens de nieuwe tekst van de aanvullende aantekening moeten met ingang van 1 juli 1994 aan onderverdeling 2303 10 19 worden toegevoegd en dus als een bepaald type afvallen van zetmeelfabrieken worden ingedeeld:
-
resten van het zeven van maïs, gebruikt voor de vervaardiging van maïszetmeel door middel van de natte methode, tot een hoeveelheid van niet meer dan 15 gewichtspercenten;
-
resten van het zweiwater, afkomstig van de behandeling van maïs door middel van de natte methode; hieronder moeten ook worden begrepen resten van het zweiwater die worden „gebruikt voor de vervaardiging van alcohol of van andere produkten uit zetmeel”.
13. Indien de nieuwe aanvullende aantekening juridisch door de beugel kan, valt „corn gluten feed” onder onderverdeling 2303 10 19 van de gecombineerde nomenclatuur; zo niet, dan moet dit produkt, zoals de Franse regering stelt, worden ingedeeld onder post 2309.
14. De keuze voor de ene of de andere indeling heeft consequenties op het terrein van de douanerechten: waar de Franse stelling impliceert, dat over de invoer van het betrokken produkt bepaalde douanerechten worden geheven, zouden dergelijke rechten niet worden toegepast indien het produkt onder het volgens de Commissie geldende douanestelsel viel.
15. Het door de Franse regering ingestelde beroep tot nietigverklaring is dus enkel gericht tegen de nieuwe elementen die de bestreden verordening aan de aanvullende aantekening heeft toegevoegd, dat wil zeggen tegen de toevoeging van de resten van het zeven van maïs en van de resten van het zweiwater, afkomstig van de behandeling van maïs, een en ander in de hiervóór reeds weergegeven bewoordingen. Niet in geding is derhalve de aantekening zoals deze destijds in verordening nr. 3492/91 werd geformuleerd.(7)
Het ontbreken van een motivering van verordening nr. 1641/94
16. Ofschoon het niet als hoofdreden voor de nietigheid is aangevoerd, moet het middel betreffende het ontbreken van een motivering van de bestreden verordening als eerste worden onderzocht, zoals het geval is met elk middel waarin wordt gesteld, dat bij de vaststelling van een normatieve handeling wezenlijke vormvoorschriften zijn geschonden.
17. De verplichting om normatieve gemeenschapshandelingen van een motivering te voorzien, is neergelegd in het Verdrag, en niet-nakoming van deze verplichting levert stellig een schending op van de wezenlijke vormvoorschriften die bij de totstandbrenging van handelingen in acht moeten worden genomen. Artikel 190 EG-Verdrag bepaalt namelijk, dat „de verordeningen, richtlijnen en beschikkingen (...) van de Raad of van de Commissie (...) met redenen [worden] omkleed en verwijzen naar de voorstellen of adviezen welke krachtens dit Verdrag moeten worden gevraagd”.
18. Deze van oudsher in het gemeenschapsrecht bestaande verplichting heeft een nieuwe en sterkere betekenis gekregen met de inwerkingtreding van het Verdrag betreffende de Europese Unie.(8) In de aan de Slotakte van dit verdrag gehechte verklaring nr. 17 staat namelijk te lezen, dat „de doorzichtigheid van het besluitvormingsproces het democratische karakter van de instellingen en het vertrouwen van het publiek in het bestuur versterkt”.
19. Om het proces van de totstandkoming van normatieve gemeenschapshandelingen voor de burgers doorzichtig te maken, is het uiteraard noodzakelijk, dat die handelingen genoegzaam met redenen zijn omkleed, dat wil zeggen een duidelijke motivering bevatten, waarbij geen van de elementen die tijdens het wetgevingsproces een rol hebben gespeeld, wordt verzwegen.
20. De bestreden verordening is ogenschijnlijk gemotiveerd, daar zij een considerans bevat waarin een aantal redenen voor haar totstandkoming worden gegeven. In die considerans staat namelijk het volgende te lezen:
„Overwegende dat, met het oog op een uniforme toepassing van de gecombineerde nomenclatuur, bepalingen dienen te worden vastgesteld voor de indeling van resten verkregen bij de winning van maïszetmeel;
Overwegende dat onderverdeling 2303 10 19 uitsluitend de afvallen omvat verkregen bij de vervaardiging van maïszetmeel, met uitzondering van mengsels van dergelijke afvallen met produkten verkregen uit andere planten of met produkten verkregen bij de vervaardiging van maïszetmeel door middel van andere dan de natte methode;
Overwegende dat deze afvallen echter resten, ontstaan bij de winning van olie uit maïskiemen, verkregen door middel van de natte methode, resten van het zeven van maïs, gebruikt voor de vervaardiging van maïszetmeel door middel van de natte methode, tot een hoeveelheid van niet meer dan 15 gewichtspercenten en resten van het zweiwater, afkomstig van de behandeling van maïs door middel van de natte methode en gebruikt voor de vervaardiging van alcohol of van andere produkten uit zetmeel, kunnen bevatten;
Overwegende dat het gehalte aan zetmeel, overeenkomstig de methode opgenomen in bijlage I, punt 1, bij richtlijn 72/199/EEG van de Commissie, laatstelijk gewijzigd bij richtlijn 93/28/EEG, berekend op de droge stof, niet meer mag bedragen dan 28 gewichtspercenten en het gehalte aan vet, overeenkomstig methode A opgenomen in bijlage I bij richtlijn 84/4/EEG van de Commissie, berekend op de droge stof, niet meer mag bedragen dan 4,5 gewichtspercenten;
Overwegende dat de draagwijdte van voornoemde onderverdelingen nader dient te worden gepreciseerd door het vervangen van de aanvullende aantekening (GN) op hoofdstuk 23 door de aantekening vermeld in artikel 1 van deze verordening;
Overwegende dat het Comité douanewetboek, afdeling tarief- en statistieknomenclatuur, geen advies heeft uitgebracht binnen de door zijn voorzitter bepaalde termijn.”
21. Bij lezing van deze considerans blijkt evenwel, dat zij in feite niet meer dan een letterlijke herhaling bevat van hetzij de tekst van de eerdere bepalingen, hetzij hetgeen verderop in het dispositief van de verordening wordt gesteld. Afgezien van de verwijzing naar het ontbreken van het advies van het „Comité douanewetboek” (een belangrijke omissie, waarop ik later in deze conclusie zal ingaan)(9), wordt in de considerans van de verordening geen enkele reden gegeven die de nieuwe redactie van de aanvullende aantekening rechtvaardigt.
22. Indien onder „motivering” wordt verstaan, dat de werkelijke redenen waarom een gemeenschapsinstelling een handeling heeft vastgesteld, vooraf kenbaar worden gemaakt, dan is de verordening niet gemotiveerd. Anders gezegd, de werkelijke motieven die aan de verordening ten grondslag liggen, worden verzwegen.
23. Dat dit zo is, blijkt uit de door de Franse regering in haar verzoekschrift verstrekte details betreffende het verloop van de onderhandelingen tussen de Commissie en de Verenigde Staten van Amerika, en betreffende de verbintenissen die de Commissie in het kader van die onderhandelingen is aangegaan. Deze details kunnen overigens eveneens worden afgeleid uit andere normatieve teksten die de Commissie zelf later heeft vastgesteld en waarin zij, paradoxaal genoeg, de werkelijke reden van de nieuwe formulering van de aanvullende aantekening onthult.
24. Ook uit hetgeen de Commissie in haar verweerschrift zegt over de noodzaak de verordening vast te stellen teneinde een handelsconflict met de Verenigde Staten te vermijden, blijkt aposteriori, wat de werkelijke motieven voor de verordening waren, die in de considerans ervan niet worden genoemd.
25. Het belangenconflict tussen beide partijen bij de onderhandelingen heeft zich een aantal jaren voortgesleept. Een eerste akkoord, op 15 oktober 1991 te Genève ondertekend door vertegenwoordigers van de regering van de Verenigde Staten en van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, leidde tot bovenvermelde wijziging van de aanvullende aantekening, als gevolg waarvan verordening nr. 3492/91 (reeds aangehaald) resten, ontstaan bij de winning van olie uit maïskiemen, verkregen door middel van de natte methode, onder postonderverdeling 2303 10 19 bracht.(10)
26. Volgens het officiële antwoord van de Commissie aan het Franse Ministerie van Landbouw en Visserij, zoals vervat in haar brief van 16 juli 1993, werden de onderhandelingen nadien voortgezet en leidden zij uiteindelijk tot het volgende resultaat:
„In de maand november van het afgelopen jaar hebben de Commissie en de Amerikaanse overheid een akkoord gesloten betreffende de verduidelijking van de in het kader van de GATT verleende concessie betreffende de afvallen verkregen bij de winning van als diervoeder gebruikte maïsgluten (corn gluten feed). De tekst van dit akkoord is gehecht aan de briefwisseling d. d. 23 november en 4 december 1992 tussen ambassadeur Hilles en vice-voorzitter Andriessen. (...) In het kader van de goedkeuring van het akkoord dienen de nodige wijzigingen te worden aangebracht in de communautaire douanewetgeving volgens de daartoe voorziene procedures.”
27. Het is dus duidelijk, dat de bestreden verordening uitvoering geeft aan een eerder tussen de Commissie en een derde land gesloten „akkoord” of overeenkomst, maar deze essentiële omstandigheid, zonder welke de verordening nooit tot stand zou zijn gekomen, wordt in de considerans niet vermeld.
28. Pas enkele maanden later, in de considerans van verordening (EG) nr. 2019/94 van de Commissie van 2 augustus 1994 inzake de invoer van afvallen van maïszetmeelfabrieken uit de Verenigde Staten van Amerika(11), wordt het waarom van de nieuwe regeling voldoende duidelijk uiteengezet:
„Overwegende dat de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika in het kader van de GATT zijn overeengekomen de tariefomschrijving van afvallen van maïszetmeelfabrieken te verduidelijken”.
29. Samenvattend is het duidelijk, dat het werkelijke motief voor de bestreden verordening een „akkoord” was dat de Commissie met een derde land had gesloten over de tariefindeling van een bepaald produkt. Dit werkelijke motief komt echter niet tot uitdrukking in de considerans van de verordening, waarvan de „motivering” niet alleen dit essentiële element verzwijgt, doch ook verder geen enkele aanwijzing bevat waaruit de geadresseerden van de verordening kunnen opmaken, wat de werkelijke redenen van de in de aanvullende aantekening aangebrachte wijziging zijn.
30. In deze omstandigheden heeft het ontbreken van een werkelijke motivering van de normatieve handeling een dubbel karakter:
-
van dit motiveringsgebrek is sprake, omdat de in de considerans van de verordening uiteengezette redenen in werkelijkheid slechts een herhaling van de normatieve inhoud van de verordening zijn en geen aanvullende criteria verschaffen, aan de hand waarvan de verordening beter kan worden begrepen;
-
dit motiveringsgebrek is des te ernstiger, daar in de considerans van de verordening met geen woord wordt gerept over het belangrijkste feit dat aan de verordening ten grondslag ligt, waardoor de geadresseerden onwetend blijven zowel van de omstandigheid dat de verordening haar oorsprong vindt in een akkoord, als van het nagestreefde doel en de fasen van een communautair besluitvormingsproces waarin een derde land een beslissende rol heeft gespeeld.
31. Dit eerste vormgebrek dient naar mijn mening te leiden tot nietigverklaring van de betrokken handeling. Volgens de rechtspraak van het Hof moet de door artikel 190 van het Verdrag vereiste motivering beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en de redenering van de instelling die de handeling heeft vastgesteld, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen.(12) In casu is aan geen van deze voorwaarden voldaan, daar de schijnbare motivering van de verordening juist zwijgt over wat zij kenbaar zou moeten maken: er is dus geen sprake van een loutere vergissing of een toevallige tekortkoming van ondergeschikt belang, die op zichzelf niet voldoende zou zijn om een zo ernstig rechtsgevolg als de nietigheid van de handeling teweeg te brengen.
32. Uiteraard kan niet worden verlangd, dat de motivering van een handeling — helemaal wanneer het een verordening betreft— alle relevante feitelijke en rechtselementén, die soms talrijk en complex zijn, nauwkeurig uiteenzet, wanneer die handeling past in het systematische kader van een groter geheel. Het is daarentegen logisch, dat in de motivering van een normatieve handeling van de factoren die bij de totstandkoming van die handeling een rol hebben gespeeld, op zijn minst de belangrijkste wordt genoemd. In casu is juist die belangrijkste factor verzwegen, waardoor in strijd is gehandeld met de minimumeisen die worden gesteld op het punt van de doorzichtigheid van het gehele proces van de totstandkoming en de bekendmaking van normatieve gemeenschapshandelingen.
33. Voor zover het ontbreken van een motivering in casu een schending van een wezenlijk vormvoorschrift in de zin van artikel 173 van het Verdrag oplevert en dus aan de basis van een beroep tot nietigverklaring kan liggen, is het duidelijk, dat het als rechtsgevolg de nietigheid van de bestreden handeling heeft. Het is dan ook aan het Hof om de bestreden verordening overeenkomstig artikel 174 van het Verdrag „nietig” te verklaren.
De bevoegdheid van de Commissie om de verordening vast te stellen
34. Zo de verordening zich ertoe beperkte, verduidelijkingen te verstrekken met betrekking tot een bepaalde post of postonderverdeling, zou hiertegen niets kunnen worden ingebracht, aangezien de Commissie daartoe ingevolge artikel 9, lid 1, sub a, van verordening nr. 2658/87 bevoegd is.
35. Deze bepaling staat de Commissie namelijk toe, volgens de procedure van artikel 10 maatregelen betreffende de toepassing van de gecombineerde nomenclatuur vast te stellen, met name met betrekking tot de „indeling van goederen” (eerste streepje) en de „toelichtingen” (tweede streepje).
36. Indien de bestreden verordening daarentegen een wijziging van de gecombineerde nomenclatuur als zodanig impliceerde, zou de Commissie daartoe geen gebruik mogen maken van het mechanisme van de „toelichtingen” (noch van dat van de indelingsverordeningen), daar die toelichtingen — en de toepassingsmaatregelen in het algemeen — uitsluitend ten doel hebben, de inhoud van de posten en postonderverdelingen van het gemeenschappelijk douanetarief nader aan te geven, zonder evenwel de tekst daarvan te wijzigen.(13)
37. Zoals het Hof in zijn arrest van 27 september 1988 (Commissie/Raad)(14) met zoveel woorden heeft vastgesteld, is het in beginsel de bevoegdheid van de Raad, de tariefnomenclatuur vast te stellen (en dus te wijzigen). In dat arrest staat te lezen:
„De vaststelling van een tariefnomenclatuur is evenwel onontbeerlijk voor de toepassing van douanerechten. Zonder een systeem voor de omschrijving van de goederen zou het immers onmogelijk zijn, die goederen met bepaalde tariefposten in verbinding te brengen. Waar een uitdrukkelijke bepaling in het Verdrag ontbreekt, impliceert de aan de Raad verleende bevoegdheid om tariefwijzigingen vast te stellen, dan ook noodzakelijk de bevoegdheid om de nomenclatuur voor de toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief vast te stellen en te wijzigen.
Hieruit volgt, dat de Raad in tariefzaken over een algemene bevoegdheid beschikt, die als zodanig evenzeer op artikel 28 als op artikel 113 EEG-Verdrag berust, aangezien zij niet afhangt van de vraag, of de wijziging van rechten van het GDT autonoom tot stand is gekomen (artikel 28) dan wel in het kader van tariefakkoorden of andere handelspolitieke maatregelen (artikel 113).”
38. Het is juist, dat de Commissie zich (met inachtneming van bepaalde procedurele vereisten)(15) uit eigen beweging kan bezighouden met de toepassing en uitlegging van de gecombineerde nomenclatuur, waartoe zij beschikt over het mechanisme van de indelingsverordeningen of toelichtingen. Aan de uitoefening van deze taak zijn echter bepaalde grenzen gesteld, waarover het Hof zich bij herhaling heeft uitgesproken.
39. In zijn arresten van 18 september 1990 (Vismans Nederland)(16) en 13 december 1994 (GoldStar Europe)(17) heeft het Hof namelijk verklaard, dat de bevoegdheden die de Raad aan de Commissie, handelend in nauwe samenwerking met de douanedeskundigen van de Lid-Staten, heeft toegekend, een ruime beoordelingsbevoegdheid bij de verduidelijking van de posten die voor de indeling van een goed in aanmerking komen, impliceren, met als enig voorbehoud dat de door de Commissie vastgestelde bepalingen geen wijziging mogen brengen in de tekst van het gemeenschappelijk douanetarief.
40. Dit betekent niet, dat de overige bevoegdheden waarover de Commissie ingevolge artikel 9 van verordening nr. 2658/87 beschikt en die haar in staat stellen om, met inachtneming van bepaalde restricties en beperkingen(18), wetgevende handelingen op het gebied van de wijziging van de nomenclatuur als zodanig te verrichten, worden miskend.
41. Dergelijke normatieve bevoegdheden mogen echter niet worden verward met de in artikel 9, lid 1, sub a, bedoelde bevoegdheid tot louter „toepassing”. Deze bevoegdheid, waarvan de Commissie in casu gebruik heeft gemaakt, staat haar niet toe, de tekst van de nomenclatuur op enigerlei wijze, direct of indirect, te wijzigen.
42. Zoals ik later zal uiteenzetten, heeft de Commissie met de wijziging van de aanvullende aantekening op postonderverdeling 2303 10 19 niet slechts een reeds bestaande definitie verduidelijkt, zonder de basiselementen ervan te wijzigen, in welk geval haar bevoegdheid niet zou kunnen worden betwist. Zij heeft integendeel, onder het mom van uitlegging, in werkelijkheid een wijziging aangebracht in de gecombineerde nomenclatuur, waardoor het gemeenschappelijk douanetarief — en dus de voor een bepaald produkt geldende douanerechten — is gewijzigd.
43. Door aldus te handelen, heeft de Commissie haar bevoegdheden overschreden, wat een reden zou zijn om de verordening zelf nietig te verklaren, daar de bevoegdheid die de Raad de Commissie heeft toegekend om de inhoud van de posten of postonderverdelingen nader aan te geven, haar niet toestaat die posten of postonderverdelingen te wijzigen. Om tot deze conclusie te komen, moet uiteraard worden aangetoond, in hoeverre de verordening de inhoud van de betrokken postonderverdeling heeft gewijzigd.
De bij de verordening aangebrachte wijziging in de tariefindeling van een bepaald goed
44. De „technische verduidelijking” van een postonderverdeling, zoals de Commissie haar aantekening kwalificeert, dient zich te beperken tot het expliciteren van hetgeen stilzwijgend in de omschrijving van die onderverdeling besloten ligt, of tot het uitleggen van die omschrijving volgens de hermeneutische methoden die eigen zijn aan de toegepaste logica. Daartoe dient de Commissie rekening te houden met de tussenkomst van het Comité nomenclatuur, dat een advies moet uitbrengen over de problemen die zich kunnen voordoen.
45. In haar verzoekschrift geeft de Franse regering een zeer minutieuze beschrijving van de verschillende fasen van het proces waarbij door middel van de natte methode zetmeel wordt vervaardigd uit onbewerkte maïs. De Commissie heeft in haar verweerschrift (paragraaf 1 van het onderdeel „Feiten”) niets ingebracht tegen deze beschrijving.
46. Ofschoon het hier een uiterst technische kwestie betreft, is het voor de oplossing van het geschil noodzakelijk dat produktieproces te analyseren, daar enkel op basis van die analyse kan worden uitgemaakt, of het nieuwe element dat in de aanvullende aantekening op postonderverdeling 2303 10 19 is ingevoerd, al dan niet in overeenstemming is met de geldende tariefindeling.
47. Naar uit de verklaringen van beide partijen blijkt, bestaat genoemd produktieproces, kort weergegeven, uit de volgende fasen:
-
Bij aankomst in de fabriek wordt de partij maïs door middel van zeven droog gezuiverd om de gebroken korrels, de vuildeeltjes en het stof daaruit te verwijderen.
-
De aldus gezuiverde maïskorrels worden vervolgens geweekt in grote bakken met water met een temperatuur van 50 CC, waaraan 0,1 à 0,2 % zwaveldioxyde is toegevoegd. Als gevolg van dat weken komt er zetmeel vrij uit de maïs, terwijl het zweiwater wordt verrijkt met oplosbare elementen, zoals minerale zouten en proteïnen. Vervolgens kunnen door middel van de verdamping van het ingedikte zweiwater de voedzame elementen eruit worden gehaald.
-
Na het weken wordt de maïs grof gemalen, zodat de kiemen ervan kunnen worden gescheiden; uit die kiemen wordt door middel van een mechanisch procédé, aan het einde waarvan de resten van de kiemen tot maïskoeken worden gemaakt, maïsolie gewonnen.
-
De van de kiem ontdane maïskorrels worden vervolgens gescheiden van hun omhulsel en van andere cellulosefragmenten.
48. „Corn gluten feed” is samengesteld uit de sub d genoemde nevenprodukten, vermengd met het zweiwater dat niet het sub b bedoelde verdampingsprocédé heeft ondergaan, en met een kleine hoeveelheid van de sub c genoemde maïskoek.
49. Het produkt dat het resultaat is van het proces dat bestaat uit het schoonmaken, het weken en het scheiden van de kiem en de vezelachtige gedeelten van de maïskorrel, is een suspensie die rijk is aan gluten en aan zetmeel: door deze te centrifugeren, verkrijgt men enerzijds het gluten, waaruit het „corn gluten meal” wordt vervaardigd, dat rijk is aan proteïnen (het bestaat voor ongeveer 60 % uit proteïnen en valt onder postonderverdeling 2303 10 11), en anderzijds het zetmeel in nagenoeg pure staat.
50. Het aan het einde van dit produktieproces verkregen zetmeel kan op zijn beurt ofwel in poedervorm worden verhandeld, ofwel een nieuw verwerkingsproces ondergaan om alcohol of andere organische produkten te winnen door middel van hydrolyse, waardoor glucose wordt verkregen door middel waarvan de ethanol wordt vervaardigd.
51. Het in laatstbedoeld industrieel procédé gebruikte water wordt in de aanvullende aantekening „zweiwater” genoemd, ofschoon de Franse regering de voorkeur geeft aan de benaming „vinasses de fermentation”: door „corn gluten feed” met dat zweiwater te vermengen (de tweede nieuwigheid die de verordening toestaat), neemt de voedingswaarde van het produkt toe.
52. Die voedingswaarde neemt ook toe door de toevoeging van de resten van het zeven van de maïs (deze toevoeging, tot een hoeveelheid van 15 gewichtspercenten, is de eerste door de aanvullende aantekening toegestane nieuwigheid).
53. Kan een produkt waaraan genoemde bestanddelen zijn toegevoegd, worden aangemerkt als „afval verkregen bij de vervaardiging van maïszetmeel” in de zin van postonderverdeling 2303 10?
54. Uit de door de Franse regering ingebrachte stukken (meer in het bijzonder de notulen van de op 20, 21 en 22 januari 1992 gehouden 179ste bijeenkomst van het Comité nomenclatuur) blijkt, dat dit comité — gespecialiseerd orgaan, dat volgens verordening nr. 2658/87 tot taak heeft, de uniforme toepassing van de gecombineerde nomenclatuur te verzekeren— deze vraag destijds ontkennend heeft beantwoord. Naar zijn oordeel viel „corn gluten feed” onder post 2309 (Franse stelling) en niet onder post 2303 (stelling van de Commissie).
55. Het comité was namelijk van mening, dat een produkt dat voor ongeveer een derde uit afvallen van de maïszetmeelindustrie, voor ongeveer een derde uit resten, ontstaan bij de winning van olie uit maïskiemen door middel van de natte methode, en voor ongeveer een derde uit destillatiezwelwater van ethanol bestaat, op geen enkele wijze onder post 2303 kon worden ingedeeld.
56. Volgens het comité wordt laatstgenoemd bestanddeel verkregen tijdens een geheel ander technologisch proces dan de vervaardiging van maïszetmeel in eigenlijke zin: het betreft hier een derivaat van de produktie van alcohol uit granen.
57. Het comité is dan ook van mening, dat „corn gluten feed” moet worden ingedeeld onder post 2309, daar het een specifieke verhouding aan vetten en proteïnen voor de voeding van bepaalde diersoorten vertoont.
58. Dit is het enige advies dat het Comité nomenclatuur heeft uitgebracht, daar het er niet in slaagde binnen de gestelde termijn met een ander advies te komen, toen het daarom door zijn voorzitter werd verzocht.(19) Aan de waarde van dit advies, als technisch oordeel van een orgaan dat is samengesteld uit specialisten op het betrokken gebied, kan niet worden voorbijgegaan.
59. Zelfs afgezien van het door het Comité nomenclatuur geformuleerde standpunt, ben ik van mening, dat de Franse regering gelijk heeft waar zij —in de lijn van het hiervóór besproken advies — stelt, dat een produkt dat voor een deel bestaat uit afvallen van de maïszetmeelindustrie, voor een deel uit resten van het zeven van maïs, en voor een deel uit nevenprodukten van de bereiding van alcohol via gisting van de glucose (zelfs indien deze glucose op haar beurt afkomstig is van het zweiwater van de maïs), niet onder post 2303 kan vallen, doch moet worden ingedeeld onder post 2309 („Bereidingen van de soort gebruikt voor het voederen van dieren”), althans zolang de specifieke formulering van de betrokken tariefposten niet is gewijzigd.
60. Deze conclusie vloeit voort uit twee soorten overwegingen, die betrekking hebben op, respectievelijk, de resten van het zeven van maïs en de toevoeging van nevenprodukten van de vervaardiging van alcohol.
61. Wat de toevoeging van de na het zeven van de maïs overblijvende resten betreft, moet het werkelijke karakter van die resten worden vastgesteld. Het Hof heeft herhaaldelijk gepreciseerd, wat in het kader van de tariefindeling moet worden verstaan onder „afvallen”, een begrip dat moet worden onderscheiden van „afvallen in strikte zin”.(20)
62. Zo staat in het op 22 september 1988 door het Hof gewezen arrest Cargill te lezen, dat „het Hof in zijn arrest van 11 maart 1982 (zaak 129/81, Fancon, Jurispr. 1982, blz. 967) heeft verklaard, dat uit de bewoordingen van post 23.04 zelf blijkt dat afvallen [Frans:‚résidus’] niet steeds afvallen zijn in strikte zin [Frans:‚déchets’]. Daaruit volgt, dat bedoelde post niet alle produkten dekt die na de winning van plantaardige olie overblijven. Integendeel, het moeten produkten zijn die het rechtstreeks resultaat zijn van het oliewinningsproces en niet produkten die zich reeds in het basisprodukt bevonden en in de loop van het oliewinningproces geen bewerking ondergaan.”
63. De Commissie heeft dan ook in dupliek moeten erkennen, dat de resten die overblijven na het zeven van de maïs, niet kunnen worden aangemerkt als „afvallen verkregen bij de winning van zetmeel” in strikte zin. Naar haar mening kan echter op grond van de tekst van postonderverdeling 2303 10 worden geoordeeld, dat het begrip „verkregen bij de vervaardiging van maïszetmeel” ruimer is dan het begrip „winning van maïszetmeel”, zodat er geen reden is de „afvallen” van zetmeelfabrieken op één lijn te stellen met die welke worden verkregen bij de „winning van zetmeel”. De in het arrest Cargill geformuleerde rechtspraak zou slechts gelden voor laatstgenoemde afvallen.
64. Ik acht deze uitlegging niet consistent. Naar mijn mening zijn afvallen verkregen bij de vervaardiging van maïszetmeel juist afvallen van de extractie van zetmeel uit maïs. De hiervóór aangehaalde rechtspraak sluit dan ook uit, dat als „afvallen” kunnen worden beschouwd de partijen of resten maïs die zich reeds in het basisprodukt bevonden en na het zeven overblijven zonder enige bewerking te ondergaan. Een en ander betekent, dat de nieuwe redactie die de aanvullende aantekening met de verordening heeft gekregen, door toe te staan dat onder „afvallen” worden begrepen elementen die in werkelijkheid „afvallen in strikte zin” van het zeven van maïs zijn (een en ander, zoals wij hierna zullen zien, in aanzienlijke hoeveelheden), een wijziging aanbrengt in de nomenclatuur.
65. Het is stellig onvermijdelijk, dat naast de werkelijke afvallen een minimumpercentage aan vuildeeltjes voorkomt. In zijn op 16 december 1992 gewezen arrest in de met de onderhavige zaak vergelijkbare zaak Krohn(21), waarin het ging om de vraag, of nevenprodukten van de maïsoliewinning moesten worden ingedeeld onder post 23.04 B van het gemeenschappelijk douanetarief, wanneer zij naast de afvallen afkomstig van de maïskiemen in eigenlijke zin, andere bestanddelen bevatten die van de maïsplant of van andere graansoorten afkomstig zijn, verklaarde het Hof, dat een dergelijke indeling enkel toelaatbaar is, „voor zover deze niet van de maïskorrel afkomstige bestanddelen slechts in zeer geringe hoeveelheden voorkomen en bij normale produktie-, verwerkings-, vervoers-, overslag- en opslagcondities de aanwezigheid ervan technisch onmogelijk te voorkomen is, tenzij tegen kosten die niet in verhouding staan tot de handelswaarde van de betrokken afvallen”.
66. Het is duidelijk, dat de bestreden verordening, voor zover zij de aanwezigheid van „resten van het zeven” van de maïs [resten die, zoals wij hebben gezien, geen afvallen (Frans: „résidus”), doch afvallen in strikte zin (Frans: „déchets”) zijn] toestaat tot een hoeveelheid van 15 gewichtspercenten, de tolerantiegrenzen die een redelijke uitlegging, zoals die welke het Hof in het arrest Krohn heeft gegeven, toestaat, ruimschoots overschrijdt.
67. Dat de nomenclatuur door de bestreden verordening wordt gewijzigd, blijkt misschien nog duidelijker uit het feit, dat volgens de verordening ook als „afvallen verkregen bij de vervaardiging van maïszetmeel” kunnen worden verstaan, bepaalde derivaten van de vervaardiging van alcohol op basis van het bij de winning van het zetmeel gebruikte zweiwater.
68. „Ingedikt zweiwater” is met zoveel woorden van postonderverdeling 2303 10 uitgesloten. Zoals ik herhaaldelijk heb gezegd, omvat deze postonderverdeling namelijk „afvallen van maïszetmeelfabrieken (met uitzondering van ingedikt zweiwater)”. Dit betekent, dat de resten van het zweiwater, verkregen tijdens een ander en later proces dan de zetmeelwinning uit maïs, al helemaal niet onder die postonderverdeling kunnen worden ingedeeld.
69. Ik wijs erop, dat het proces waarbij alcohol (of andere produkten) wordt vervaardigd op basis van maïs, een proces is dat als zodanig losstaat van de zetmeelwinning uit maïs. De omstandigheid dat de produktieeenheden van alcohol en zetmeel in sommige landen min of meer geïntegreerd zijn (zoals kennelijk in de Verenigde Staten van Amerika het geval is), is een onvoldoende reden om als „afvallen van zetmeelfabrieken” te beschouwen stoffen díe, eenmaal gebruikt voor de vervaardiging van ethanol, duidelijk afvallen van het produktieproces van alcohol (of van andere derivaten) zijn.
70. Bovenstaande overwegingen tonen naar mijn mening genoegzaam aan, dat de bestreden verordening met de aanvullende aantekening de gecombineerde nomenclatuur heeft gewijzigd, daar als gevolg van die aantekening produkten die bereidingen voor het voederen van dieren zijn, onder postonderverdeling 2303 10 kunnen worden ingedeeld.
71. De tussen de Franse regering en de Commissie bestaande controverse betreffende de meer of mindere mate van betrouwbaarheid van de technieken om de samenstelling van „corn gluten feed” te analyseren, controleren en certificeren, biedt naar mijn mening onvoldoende elementen om tot een definitieve conclusie te kunnen komen over de beweerde onmogelijkheid te controleren, of de door de aanvullende aantekening gestelde grenzen al dan niet in acht worden genomen. Deze vraag is trouwens irrelevant, zodra blijkt dat die aanvullende aantekening op basis van de door de Franse regering aangevoerde gronden nietig moet worden geacht.
Schending van het Internationaal Verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen
72. Volgens de Franse regering heeft de Commissie met de vaststelling van de verordening de verbintenissen geschonden die de Gemeenschap is aangegaan in het kader van het Internationaal Verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen, gedaan te Brussel op 14 juni 1983 en namens de Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 87/369/EEG van de Raad van 7 april 1987.(22)
73. Meer in het bijzonder zou de Commissie niet hebben voldaan aan de verplichtingen die voor de Gemeenschap voortvloeien uit artikel 3, lid 1, sub a, punt 2, van dat verdrag, volgens hetwelk elke verdragsluitende partij zich verbindt om, met betrekking tot haar tariefnomenclatuur en haar statistieknomenclaturen, „de algemene regels voor de interpretatie van het geharmoniseerde systeem, alsmede alle aantekeningen op de afdelingen en de hoofdstukken en de aanvullende aantekeningen op de onderverdelingen toe te passen en de draagwijdte van de afdelingen, hoofdstukken, posten of onderverdelingen van het geharmoniseerde systeem niet te wijzigen”.
74. Beide partijen erkennen, dat het lot van dit middel logischerwijze afhankelijk is van het standpunt dat wordt ingenomen ten aanzien van de aard en de gevolgen van de nieuwe elementen die de bestreden verordening in de aanvullende aantekening heeft ingevoerd. Door de premisse waarvan de Franse regering uitgaat, te betwisten (dat wil zeggen, door te ontkennen dat haar verordening ook maar enige wijziging aanbrengt in de gecombineerde nomenclatuur), verwerpt de Commissie ook de door deze bereikte conclusie.
75. Ikzelf ben van mening dat, ofschoon het antwoord op dit middel inderdaad noodzakelijkerwijs afhangt van het oordeel van het Hof ten aanzien van de inhoud van de aanvullende aantekening, de Franse regering het bij het rechte eind heeft. Indien immers, zoals ik geloof, de nieuwe tekst van de aanvullende aantekening de gecombineerde nomenclatuur, zij het ook op slinkse wijze, heeft gewijzigd, heeft de Commissie niet voldaan aan de krachtens het Verdrag van Brussel van 14 juni 1983 op haar rustende verplichting, het geharmoniseerde systeem in acht te nemen en daarin niet eenzijdig wijzigingen in aan te brengen.
Misbruik van bevoegdheid
76. Een instelling — of een administratie in het algemeen— maakt zich schuldig aan misbruik van bevoegdheid, wanneer zij de aan haar toegekende bevoegdheden gebruikt voor een ander doel dan waartoe deze haar zijn verleend. In casu zou de Commissie dus, door de tekst van de aanvullende aantekening te wijzigen, misbruik van bevoegdheid hebben gepleegd, indien zij de verordening had vastgesteld met een ander (zij het ook wettig) doel dan dat wat die vaststelling theoretisch zou moeten rechtvaardigen.
77. Er is sprake van misbruik van bevoegdheid, wanneer, onder het mom van een interpretatieve maatregel, de gecombineerde nomenclatuur op slinkse wijze wordt gewijzigd en deze normatieve procedure wordt gevolgd met het doel de tussenkomst van andere gemeenschapsorganen of -instellingen te omzeilen of zonder effect te doen zijn.
78. Of er van misbruik van bevoegdheid sprake is, is beslist moeilijker te beoordelen in het geval van normatieve handelingen dan in het geval van loutere uitvoerings- of administratieve handelingen. Niets belet evenwel, dat een instelling die over normatieve bevoegdheden beschikt (in casu de Commissie), zich schuldig maakt aan misbruik van bevoegdheid, vooral indien die bevoegdheden haar door een andere instelling (de Raad) zijn toegekend met als doel, bepaalde door deze laatste vastgestelde bepalingen aan te vullen of uit te leggen. Wanneer dergelijke bevoegdheden worden gebruikt voor andere doeleinden (die, ik herhaal, evengoed wettig kunnen zijn) dan die welke aan de vaststelling van de regeling ten grondslag dienen te liggen, is er sprake van misbruik van bevoegdheid.
79. Er zijn naar mijn mening twee feitelijke elementen die erop wijzen, dat de Commissie zich in casu schuldig heeft gemaakt aan misbruik van bevoegdheid, al moet worden erkend, dat het uiteindelijk door haar nagestreefde doel de vermijding van een handelsconflict met de Verenigde Staten van Amerika was. Zoals de Franse regering echter terecht beklemtoont, had de Commissie dat doel moeten verwezenlijken door „corn gluten feed” onder de juiste post (2309) in te delen, waarop de Raad krachtens artikel 113 van het Verdrag een tariefconcessie had kunnen verlenen, op grond waarvan ten aanzien van dat produkt het nultarief had kunnen worden toegepast.
80. Het eerste feitelijke element dat bedenkingen doet rijzen, is de wijze waarop het advies van het Comité nomenclatuur in de praktijk is omzeild. Volgens verordening nr. 2658/87 is bij dit soort kwesties de voorafgaande tussenkomst van dit technisch orgaan verplicht, zowel wanneer het indelingsverordeningen als wanneer het aanvullende aantekeningen betreft. Zoals ik eerder al zei, is het comité er niet in geslaagd, een dergelijk advies uit te brengen.
81. In zijn op 21 september 1994 genomen conclusie in de zaak GoldStar Europe(23) gaat advocaat-generaal Jacobs in op het feit, dat nergens uitdrukkelijk is geregeld, wat de algemene rechtsgevolgen zijn van het ontbreken van het advies van het Comité nomenclatuur. Deze leemte, die tot uitdrukking komt in artikel 10, lid 2, van verordening nr. 2658/87, staat in contrast met de tekst van de voorgangster van die verordening, te weten verordening nr. 97/69, waarin uitdrukkelijk werd ingegaan op het geval waarin geen advies was uitgebracht.
82. Het feit dat in de zaak GoldStar geen advies was uitgebracht binnen de door de voorzitter van het comité bepaalde termijn, belette volgens advocaat-generaal Jacobs niet, dat de Commissie de indelingsmaatregel onmiddellijk in werking kon doen treden. Hij voegde daaraan echter wel toe, dat niet was gesteld, „dat de termijn, die door de vertegenwoordiger van de Commissie, die het comité voorzit, was gesteld, onredelijk kort was of dat de procedure in het comité anderszins onregelmatig was”.
83. In zijn op 13 december 1994 gewezen arrest in genoemde zaak lijkt het Hof deze stelling te onderschrijven. In rechtsoverweging 18 van dat arrest staat namelijk te lezen: „In de gevallen waarin een uitlegging door de Internationale Douaneraad ontbreekt, is de gemeenschapswetgever — onder het toezicht van het Hof van Justitie — bevoegd, de nomenclatuur bij wege van verordening uit te leggen voor de toepassing ervan door de Gemeenschap.”
84. Uit de door de Commissie verstrekte informatie blijkt echter, dat de aan het Comité nomenclatuur gestelde termijn extreem kort moet zijn geweest, daar de voorzitter (de vertegenwoordiger van de Commissie) het voorstel voor een verordening tijdens de zitting van 23 en 24 juni 1994 aan het comité voorlegde, opdat dit zijn verplichte advies zou uitbrengen, terwijl de verordening reeds op 6 juli 1994 door de Commissie werd goedgekeurd en de dag daarop in het Publikatieblad werd bekendgemaakt en met terugwerkende kracht tot 1 juli 1994 van toepassing werd verklaard.
85. De verklaring die de Commissie voor deze haast heeft gegeven (de voor bepaalde afvallen van de maïszetmeelindustrie geldende opschorting van douanerechten hield op 30 juni 1994 op te gelden), is onaanvaardbaar, daar het hier een probleem betreft dat reeds maanden, ja zelfs jaren, voor die datum was gerezen. Alles lijkt erop te wijzen, dat de Commissie het comité in een situatie wilde brengen waarin het voor hem moeilijker, zo niet onmogelijk, was zijn advies uit te brengen.
86. Veelzeggender nog is het feit, dat de Commissie aan de jegens de Verenigde Staten van Amerika aangegane verbintenis uitvoering heeft gegeven zonder de tussenkomst van de Raad af te wachten. Dit is het tweede — en belangrijkste — van de feitelijke elementen waarop mijn overtuiging is gebaseerd, dat de Commissie zich schuldig heeft gemaakt aan misbruik van bevoegdheid. Het is met name dit element dat door verzoekster naar voren wordt gebracht.
87. In de op 25 maart 1993 door de Commissie ten overstaan van het Europees Parlement afgelegde verklaring betreffende de vraag die ons hier bezighoudt(24), erkende haar vertegenwoordiger (Sir Leon Brittan), dat „in verband met de onderhandelingen die uitmondden in de overeenkomst van Blair House in december 1992”, tussen de Commissie en de Verenigde Staten van Amerika een reeks akkoorden betreffende „corn gluten feed” waren gesloten. Hij voegde daaraan toe, dat de Commissie „deze regelingen in haar vergadering van 9 maart [heeft] goedgekeurd en de tekst aan de Raad [heeft] toegezonden” (cursivering van mij).
88. In diezelfde officiële verklaring werd herhaald: „De Commissie keurde een tekst over uitvoering van de corn gluten feed overeenkomst op 9 maart goed, en heeft die aan de Raad doorgegeven. De zaak werd besproken in het comité voor artikel 113 en het bijzonder comité voor de landbouw. Begin juni gaat het naar verwachting naar het nomenclatuurcomité, dat bevoegd is voor beslissingen terzake van wijzigingen op eerdere overeenkomsten.”
89. In de notulen van de van 20 tot en met 24 juni 1994 gehouden 1772ste zitting van de Raad (Landbouw) staat te lezen, dat de Raad zich ertoe beperkt, „akte te nemen” van een uiteenzetting van een Commissievertegenwoordiger betreffende de modaliteiten van „de uitvoering van het Blair Houseakkoord van 1992 met betrekking tot de invoer van maïsglutenvoer, waaronder de voorlegging door de Commissie aan het Comité inzake tariefnomenclatuur van een ontwerp inzake de omschrijving van de betrokken tariefposten. Dat comité vergadert op 23 juni 1994”.
90. Het is hoe dan ook duidelijk, dat de Raad (noch in het comité in de zin van artikel 113, noch in het speciale landbouwcomité) nooit (noch vooraf, noch achteraf) zijn instemming heeft betuigd met de betrokken handeling van de Commissie, zeker niet waar een advies van het Comité nomenclatuur ontbreekt. Het staat evenmin vast, dat de Raad de door de Commissie aangegane internationale verbintenissen, die aan de bestreden verordening ten grondslag liggen, heeft aanvaard of bekrachtigd.
91. Alles wijst er integendeel op, zoals de Franse regering stelt, dat de Commissie juist aan dit ontbreken van instemming van de Raad is willen voorbijgaan, door de vaststelling van een verordening die ogenschijnlijk slechts tot verduidelijking strekt, doch in werkelijkheid veel verder gaat en hierdoor niet in overeenstemming is met het ondergeschikte doel van deze categorie van normatieve handelingen, die bedoeld zijn om de inhoud van de gecombineerde nomenclatuur aan te vullen, doch niet te wijzigen.
92. Ik ben dan ook van mening, dat ook dit laatste middel moet worden aanvaard.
Conclusie
Bijgevolg geef ik het Hof in overweging:
-
het door de Franse regering ingestelde beroep toe te wijzen en nietig te verklaren verordening (EG) nr. 1641/94 van de Commissie van 6 juli 1994 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief;
-
de Commissie in de kosten te verwijzen.