Home

Hof van Justitie EU 07-12-1995 ECLI:EU:C:1995:422

Hof van Justitie EU 07-12-1995 ECLI:EU:C:1995:422

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
7 december 1995

Uitspraak

Arrest van het Hof (Vijfde kamer)

7 december 1995(*)

In zaak C-17/94,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van de juge d'instruction près le Tribunal de grande instance de Bergerac (Frankrijk), in de aldaar dienende strafzaak tegen

D. Gervais,

J.-L. Nougaillon,

C. Carrara,

B. Horgue,

HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: D. A. O. Edward (rapporteur), kamerpresident, J. C. Moitinho de Almeida, C. Gulmann, P. Jann en L. Sévon, rechters,

advocaat-generaal: M. B. Elmer

griffier: D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur

  1. gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

    • D. Gervais e. a., vertegenwoordigd door Ph. Dandine, advocaat te Bergerac, en Ph. Lafarge, advocaat te Parijs,

    • de Coopérative périgorde agenaise d'élevage et d'insémination artificielle (CPAEIA), vertegenwoordigd door C. Paulmier, advocaat te Parijs,

    • de Franse regering, vertegenwoordigd door C. de Salins, onderdirecteur bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en P. Martinet, secretaris buitenlandse zaken bij dezelfde directie, als gemachtigden,

    • de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseurs M.-J. Jonczy en J. L. Iglesias Buhigues als gemachtigden,

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de mondelinge opmerkingen van D. Gervais e. a., de Coopérative périgorde agenaise d'élevage et d'insémination artificielle, de Franse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen ter terechtzitting van 11 mei 1995,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 juli 1995,

het navolgende

Arrest

1 Bij beschikking van 14 januari 1994, ingekomen bij het Hof op 17 januari daaraanvolgend, heeft de juge d'instruction près le Tribunal de grande instance de Bergerac krachtens artikel 177 EG-Verdrag vijf prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 37, 52 en 59 EG-Verdrag, alsmede van de richtlijnen van de Raad 77/504/EEG van 25 juli 1977 betreffende raszuivere fokrunderen (PB 1977, L 206, biz. 8), 78/1026/EEG van 18 december 1978 inzake de onderlinge erkenning van diploma's, certificaten en andere titels van dierenarts, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en het vrij verrichten van diensten (PB 1978, L 362, biz. 1), 78/1027/EEG van 18 december 1978 inzake de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de werkzaamheden van dierenarts (PB 1978, L 362, blz. 7), en 87/328/EEG van 18 juni 1987 betreffende de toelating van raszuivere fokrunderen tot de voortplanting (PB 1987, L 167, blz. 54).

2 Deze vragen zijn gerezen in het kader van een strafzaak tegen D. Gervais, J.-L. Nougaillon, C. Carrard en B. Horgue (hierna: de „verdachten”).

3 In maart 1992 diende de Cooperative périgorde agenaise d'élevage et d'insémination artificielle (CPAEIA), die zich op 18 maart 1993 civiele partij stelde, bij de procureur de la République de Bergerac tegen de verdachten een klacht in wegens het onwettig verrichten van kunstmatige inseminatie in haar exclusief rayon.

4 De aanklacht tegen Gervais en Nougaillon luidt, dat zij van 1989 tot 1992, in strijd met artikel 5, vierde alinea, van de Franse veeteeltwet van 28 december 1966 (wet nr. 66-1005, JORF van 29 december 1966, blz. 11619), zonder dat hun een rayon was toegewezen, kunstmatige inseminatie hebben verricht, wat bij artikel 9 van die wet strafbaar is gesteld. De aanklacht tegen Carrard en Horgue luidt, dat zij in dezelfde periode in strijd met artikel 5, eerste alinea, van dezelfde wet zonder vergunning een centrum voor kunstmatige inseminatie hebben geëxploiteerd, wat bij artikel 9 van die wet strafbaar is gesteld.

Het nationale recht

5 In Frankrijk is de kunstmatige inseminatie van dieren geregeld bij wet nr. 66-1005. Artikel 5, eerste en tweede alinea, van deze wet bepaalt, dat voor de exploitatie van een centrum voor kunstmatige inseminatie een machtiging van de minister van Landbouw is vereist. Die bepaling onderscheidt centra voor kunstmatige inseminatie die belast zijn met de produktie van sperma, en die welke zorgen voor het inbrengen van sperma, doch sluit niet uit dat één centrum de twee activiteiten tegelijkertijd verricht.

6 Centra voor kunstmatige inseminatie kunnen worden gemachtigd goedgekeurde fokdieren te houden die door pro duktie centra ter beschikking worden gesteld; in dat geval zorgen zij zelf voor het afnemen, behandelen en bewaren van het sperma van de dieren die tot die centra behoren.

7 Ingevolge artikel 5, vierde alinea, van deze wet bedient elk centrum voor kunstmatige inseminatie een rayon waarbinnen het een exclusiviteitsrecht heeft. Voorts stelt artikel 9 van de wet op inbreuken op artikel 5, eerste en vierde alinea, een geldboete van 6 000 tot 20 000 FF.

8 Volgens artikel 4 van de wet mag het afnemen en behandelen van sperma uitsluitend geschieden door of onder toezicht van personen die erkend zijn als hoofd van een centrum voor kunstmatige inseminatie. Ook het insemineren mag uitsluitend geschieden door personen die erkend zijn als hoofd van een centrum voor kunstmatige inseminatie of als inseminator.

9 Overeenkomstig artikel 1 van decreet nr. 69-258 van 22 maart 1969 inzake kunstmatige inseminatie (JORF van 23 maart 1969, blz. 2948), moet kunstmatige inseminatie, indien hiervoor fokdieren met een dekvergunning worden gebruikt, worden uitgevoerd onder leiding of toezicht van erkende centra voor kunstmatige inseminatie en door of onder toezicht van personen die erkend zijn als hoofd van een centrum voor kunstmatige inseminatie of als inseminator.

10 Artikel 14 van het besluit van 17 april 1969 betreffende de exploitatievergunningen voor centra voor kunstmatige inseminatie (JORF van 30 april 1969, blz. 4349) preciseert, dat het inbrengen van sperma wordt uitgevoerd door erkende inseminators die werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van het hoofd van het centrum dat de leiding heeft over het depot waaruit de inseminators worden bevoorraad.

11 Artikel 9 van decreet nr. 69-258 bepaalt, dat de erkenning als hoofd van een centrum voor kunstmatige inseminatie of als inseminator door de minister van Landbouw worden afgegeven. Krachtens artikel 2 van het besluit van 21 november 1991 inzake de opleiding van inseminators en hoofden van centra voor kunstmatige inseminatie en de afgifte van de desbetreffende erkenningen (JORF van 6 december 1991, blz. 15936), is voor de erkenning de overlegging vereist van een akte van bekwaamheid voor de betrokken soort en van een door de directeur van een centrum voor kunstmatige inseminatie ondertekende verklaring.

Het gemeenschapsrecht

12 Met betrekking tot het vrije verkeer van dierenartsen en veterinaire diensten bepaalt artikel 2 van richtlijn 78/1026 het volgende:

„Elke Lid-Staat erkent de door de overige Lid-Staten aan de onderdanen van Lid-Staten overeenkomstig artikel 1 van Richtlijn 78/1027/EEG afgegeven en in artikel 3 vermelde diploma's, certificaten en andere titels door daaraan met betrekking tot de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van dierenarts, op zijn grondgebied hetzelfde rechtsgevolg toe te kennen als aan de door hemzelf uitgereikte diploma's, certificaten en andere titels.”

13 Artikel 1 van richtlijn 78/1027 bepaalt, dat de Lid-Staten de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van de dierenarts afhankelijk stellen van het bezit van een diploma, certificaat of andere titel van dierenarts overeenkomstig de in de richtlijn gestelde eisen.

14 Wat de harmonisatie van de zoötechnische normen betreft, zien de Lid-Staten krachtens artikel 2 van richtlijn 77/504 erop toe dat de intracommunautaire handel in raszuivere fokrunderen of in hun sperma niet wordt verboden, beperkt of belemmerd om zoötechnische redenen.

15 Ingevolge artikel 2 van richtlijn 87/328, vastgesteld ter uitvoering van artikel 3 van richtlijn 77/504, mag een Lid-Staat onder meer de toelating tot de kunstmatige inseminatie op zijn grondgebied van raszuivere stieren of het gebruik van het sperma van die dieren niet verbieden, beperken of belemmeren, wanneer die stieren in een Lid-Staat zijn toegelaten tot de kunstmatige inseminatie op basis van tests uitgevoerd overeenkomstig beschikking 86/130/EEG van de Commissie van 11 maart 1986 houdende vaststelling van methoden inzake prestatieonderzoek en van methoden voor de beoordeling van de genetische waarde van raszuivere fokrunderen (PB 1986, L 101, blz. 37).

16 Artikel 4 van richtlijn 87/328 verplicht de Lid-Staten erop toe te zien dat voor het intracommunautaire handelsverkeer het sperma van raszuivere stieren wordt verzameld, behandeld en opgeslagen in een officieel erkend centrum voor kunstmatige inseminatie.

De prejudiciële vragen

17 Van oordeel dat de beslissing over de strafprocedures van de hoofdzaken afhangt van de uitlegging van de artikelen 37, 52 en 59 van het Verdrag, alsmede van de richtlijnen 77/504, 78/1026, 78/1027 en 87/328, heeft de juge d'instruction près le Tribunal de grande instance de Bergerac de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

  1. Staan artikel 59 EEG-Verdrag en de richtlijnen van de Raad 78/1026/EEG en 78/1027/EEG van 18 december 1978, vastgesteld ter uitvoering van dat artike-1 op het gebied van de werkzaamheden van dierenarts, in de weg aan de toepassing van een nationale wettelijke regeling die op het gebied van kunstmatige inseminatie van runderen de erkenning van dierenartsen als inseminator afhankelijk stelt van de overlegging van een verklaring van de directeur van een erkend centrum voor kunstmatige inseminatie, waarin wordt bevestigd dat de aanvrager bij het verrichten van kunstmatige inseminatie onder zijn gezag staat, zodat de dierenarts onder strafbedreiging het vrij verrichten van diensten wordt verboden en tegelijk zijn werkzaamheden aanzienlijk worden beperkt, doordat personen die deel uitmaken van zogenoemde ‚centra voor kunstmatige inseminatie’ en die niet noodzakelijk in het bezit zijn van het diploma van dierenarts, een territoriaal monopolie hebben voor het verrichten van die werkzaamheden?

  2. Staan artikel 52 EEG-Verdrag en de richtlijnen van de Raad 78/1026/EEG en 78/1027/EEG van 18 december 1978, vastgesteld ter uitvoering van dat artikel op het gebied van de werkzaamheden van dierenarts, in de weg aan de toepassing van een nationale wettelijke regeling die op het gebied van kunstmatige inseminatie van runderen dierenartsen onder bepaalde voorwaarden erkent als inseminator, maar hen onder strafbedreiging de uitoefening van die werkzaamheid verbiedt en tegelijk hun recht van vrije vestiging tenietdoet, tenzij zij zich onder het gezag stellen van een zogenoemd centrum voor kunstmatige inseminatie, dat bestaat uit personen die niet noodzakelijk het diploma van dierenarts hebben, en voor de uitoefening van die werkzaamheid een territoriaal monopolie heeft, zodat dierenartsen zich niet vrij op het gehele Franse grondgebied kunnen vestigen wanneer zij niet bij een dergelijk centrum zijn aangesloten?

  3. Moeten de richtlijnen van de Raad 77/504/EEG van 25 juli 1977 betreffende raszuivere fokrunderen, en 87/328/EEG van 18 juni 1987 betreffende de toelating van raszuivere fokrunderen tot de voortplanting — veterinairrechtelijke bepalingen vastgesteld ter verzekering van de vrijheid van het intracommunautaire handelsverkeer —, aldus worden uitgelegd, dat zij toestaan dat een nationale wettelijke regeling ten gunste van ‚centra’ bestaande uit personen die niet noodzakelijk het diploma van dierenarts hebben, een territoriaal monopolie van economische aard voor het verrichten van kunstmatige inseminatie creëert?

  4. Is een nationale wettelijke regeling die de toegang tot de werkzaamheid van inseminator afhankelijk stelt van een vergunning voor kunstmatige inseminatie van runderen en de afgifte daarvan afhankelijk stelt van de overlegging van een verklaring van de directeur van een erkend centrum voor kunstmatige inseminatie, waarin wordt bevestigd dat de aanvrager bij het verrichten van kunstmatige inseminatie onder zijn gezag staat, zodat de uitoefening van die werkzaamheid door dierenartsen wordt verboden of beperkt, op grond dat zulks moet geschieden onder het gezag van de directeur van een centrum voor kunstmatige inseminatie met een territoriaal monopolie, verenigbaar met de richtlijnen van de Raad 77/504/EEG en 87/328/EEG, die niet in enige beperking voorzien van de vestiging en de werkzaamheden van dierenartsen?

  5. Is een monopolie voor het verrichten van diensten zoals ingesteld bij de wet van 28 december 1966 inzake de veeteelt en de uitvoeringsbesluiten daarvan, verenigbaar met de artikelen 37 en 59 EEG-Verdrag, voor zover dat monopolie een beletsel vormt voor kunstmatige inseminatie door andere personen, zelfs wanneer zij gekwalificeerd en bevoegd zijn, dan het personeel van de centra voor kunstmatige inseminatie waaraan dit monopolie is toegekend?”

De ontvankelijkheid

18 De Commissie en de Franse regering stellen om te beginnen, dat het verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk is, aangezien de verwijzende rechter de hem door de raadsman van verdachten toegezonden vragen zonder meer heeft overgenomen en ze zonder voorafgaande uiteenzetting van het feitelijk en juridisch kader waarbinnen het geding moet worden geplaatst, aan het Hof heeft voorgelegd.

19 Blijkens vaste rechtspraak van het Hof dienen de in de verwijzingsbeschikking verstrekte gegevens niet enkel om het Hof in staat te stellen een bruikbaar antwoord te geven, doch ook om de regeringen der Lid-Staten en de andere belanghebbende partijen de mogelijkheid te bieden, opmerkingen te maken (beschikking van 23 maart 1995, zaak C-458/93, Saddik, Jurispr. 1995, blz. I-511, r. o. 13).

20 Er zij aan herinnerd, dat wegens het vereiste om tot een voor de nationale rechter nuttige uitlegging van het gemeenschapsrecht te komen, het noodzakelijk is dat deze een omschrijving geeft van het feitelijk en juridisch kader waarin de gestelde vragen moeten worden geplaatst, of althans de feiten uiteenzet waarop die vragen zijn gebaseerd (recentelijk de beschikking van 7 april 1995, zaak C-167/94, Grau Gomis e. a., Jurispr. 1995, blz. I-1023, r. o. 8).

21 Opgemerkt zij evenwel, dat in casu de noodzakelijke gegevens in de verwijzingsbeschikking en in het door de nationale rechter aan het Hof toegezonden dossier zijn te vinden, en dat de antwoorden op de door het Hof aan de verdachten gestelde vragen over hun nationaliteit, hun kwalificaties en de plaats waar zij beroepsmatig zijn gevestigd, hierop een aanvulling vormen.

22 De vragen zijn dus ontvankelijk.

De eerste en de tweede vraag

23 Met de eerste en de tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of de artikelen 52 en 59 van het Verdrag en de richtlijnen 78/1026 en 78/1027 zich ertegen verzetten, dat een Lid-Staat aan de toegang tot de werkzaamheid van inseminator voorwaarden stelt als die welke in de Franse regeling zijn opgenomen.

24 Volgens vaste rechtspraak kunnen de verdragsbepalingen inzake de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten niet worden toegepast op werkzaamheden die zich in alle opzichten binnen één Lid-Staat afspelen (recentelijk het arrest van 16 november 1995, zaak C-152/94, Van Buynder, Jurispr. 1995, blz. I-3981, r. o. 10).

25 In casu staat vast, dat de strafprocedures betrekking hebben op Franse onderdanen die in Frankrijk de voor toegang tot het beroep van dierenarts vereiste diploma's en certificaten hebben verkregen. Bovendien zijn zij ingevolge een regelmatige inschrijving in de nationale orde als dierenarts in Frankrijk gevestigd en oefenen zij uitsluitend aldaar hun beroepswerkzaamheid uit.

26 Deze situaties hebben bijgevolg geen enkel aanknopingspunt met een van de in het gemeenschapsrecht bedoelde situaties, zodat de verdragsregels betreffende de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten niet van toepassing zijn.

27 De richtlijnen 78/1026 en 78/1027 hebben betrekking op de opleiding van dierenarts en de erkenning van diploma's. Derhalve zijn zij niet van toepassing op een situatie waarin de houder van een diploma, afgegeven door de Lid-Staat waarvan hij onderdaan is, dit diploma wil gebruiken voor de uitoefening van de werkzaamheden van dierenarts in diezelfde Lid-Staat.

28 Mitsdien moet op de eerste en de tweede vraag worden geantwoord, dat de artikelen 52 en 59 van het Verdrag en de richtlijnen 78/1026 en 78/1027 niet van toepassing zijn op situaties die volledig binnen de interne sfeer van een Lid-Staat liggen, zoals die van onderdanen van een Lid-Staat die op diens grondgebied de werkzaamheid van inseminator wensen uit te oefenen, waarvoor zij niet vooraf in een andere Lid-Staat een opleiding hebben gevolgd en die zij evenmin in een andere Lid-Staat hebben uitgeoefend.

De derde en de vierde vraag

29 Met de derde en de vierde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of de richtlijnen 77/504 en 87/328 zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling die enerzijds een territoriaal monopolie voor het verrichten van kunstmatige inseminatie creëert ten gunste van centra voor kunstmatige inseminatie, en anderzijds de toegang tot de werkzaamheid van inseminator afhankelijk stelt van de erkenning als hoofd van een centrum voor kunstmatige inseminatie of als inseminator en aan die erkenning de voorwaarde verbindt van de overlegging van een verklaring van een directeur van een erkend centrum voor kunstmatige inseminatie.

30 Verdachten stellen, dat de richtlijnen 77/504 en 87/328 zich verzetten tegen de Franse wettelijke regeling die aan bepaalde ondernemingen of bepaalde personen het alleenrecht op inseminatiewerkzaamheden verleent en het recht op uitoefening van die werkzaamheid beperkt door een voorafgaande machtiging verplicht te stellen.

31 Dit argument kan niet slagen.

32 Uit de inhoud en de doelstelling van de richtlijnen 77/504 en 87/328 blijkt immers, dat zij beogen de voorwaarden voor toelating van raszuivere fokrunderen en hun sperma tot de voortplanting te harmoniseren teneinde de zoötechnische belemmeringen van het vrije verkeer van rundersperma weg te nemen. Deze richtlijnen regelen evenwel niet de voorwaarden voor kunstmatige inseminatie of de opleiding voor inseminator en evenmin de erkenning of machtiging die toegang verleent tot de gereglementeerde werkzaamheid van inseminator.

33 Het antwoord op de derde en de vierde vraag dient derhalve te luiden, dat de richtlijnen 77/504 en 87/328 zich niet verzetten tegen een nationale wettelijke regeling die enerzijds een territoriaal monopolie voor het verrichten van kunstmatige inseminatie creëert ten gunste van centra voor kunstmatige inseminatie, en anderzijds de toegang tot de werkzaamheid van inseminator afhankelijk stelt van de erkenning als hoofd van een centrum voor kunstmatige inseminatie of als inseminator en aan die erkenning de voorwaarde verbindt van de overlegging van een verklaring van een directeur van een erkend centrum voor kunstmatige inseminatie.

De vijfde vraag

34 Met de vijfde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of een monopolie voor het verrichten van diensten als ingesteld bij de Franse wettelijke regeling strookt met de artikelen 37 en 59 van het Verdrag, voor zover het zich verzet tegen kunstmatige inseminatie door andere personen, zelfs wanneer zij gekwalificeerd en bevoegd zijn, dan het personeel van de centra voor kunstmatige inseminatie waaraan het monopolie is toegekend.

35 Er zij aan herinnerd, dat het Hof in het arrest van 30 april 1974 (zaak 155/73, Sacchi, Jurispr. 1974, blz. 409) met betrekking tot artikel 37 van het Verdrag reeds voor recht heeft verklaard, dat het doelt op het handelsverkeer in goederen, en niet een monopolie voor het verrichten van diensten kan betreffen.

36 Het is echter niet uitgesloten, dat een monopolie voor het verrichten van diensten zijdelings invloed heeft op het intracommunautaire goederenverkeer. Het Hof heeft in het arrest van 28 juni 1983 (zaak 271/81, Amélioration de ľélevage/Mialocq, Jurispr. 1983, blz. 2057; hierna: het „arrest Mialocq”), waarin de in de hoofdzaak aan de orde zijnde wettelijke regeling reeds is onderzocht, voor recht verklaard, dat artikel 37 van het Verdrag geen betrekking heeft op een monopolie voor het verrichten van diensten, zelfs wanneer dit monopolie de betrokken Lid-Staat de mogelijkheid biedt een tak van de nationale economie te leiden, mits het geen inbreuk maakt op het beginsel van het vrije verkeer van goederen door ingevoerde produkten te discrimineren ten opzichte van produkten van nationale oorsprong.

37 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat het Hof in het arrest Mialocq, rechtsoverwegingen 11 en 12, betreffende de wettelijke regeling die ook thans aan de orde is, heeft vastgesteld, dat de in het verwijzingsvonnis vermelde feiten en die welke tijdens de procedure voor het Hof aan het licht zijn gekomen, niet volstonden om te kunnen zeggen dat die wettelijke regeling indirect een monopoliepositie creëerde die het vrije verkeer van goederen belemmerde, daar elke individuele veehouder het centrum voor kunstmatige inseminatie waaronder hij ressorteerde, kon verzoeken hem sperma te verschaffen afkomstig van een produktiestation van zijn keuze in Frankrijk of in het buitenland.

38 Hieraan zij evenwel toegevoegd dat de vraag, of de werking van de erkende centra in de praktijk leidt tot discriminatie van het ingevoerd rundersperma, in het licht van artikel 30 EG-Verdrag moet worden beoordeeld. De beoordeling van de relevante feiten valt onder de bevoegdheid van de verwijzende rechter (arrest van 5 oktober 1994, zaak C-323/93, Centre d'insémination de la Crespelle, Jurispr. 1994, blz. I-5077, r. o. 39).

39 Gezien het antwoord op de eerste vraag behoeft op de vijfde vraag niet te worden geantwoord voor zover zij artikel 59 van het Verdrag betreft.

40 riet antwoord op de vijfde vraag dient derhalve te luiden, dat artikel 37 van het Verdrag geen betrekking heeft op een monopolie voor het verrichten van diensten, ook niet wanneer dit monopolie een beletsel vormt voor kunstmatige inseminatie door andere personen, zelfs wanneer zij gekwalificeerd en bevoegd zijn, dan het personeel van de centra voor kunstmatige inseminatie waaraan het monopolie is toegekend, mits het monopolie geen inbreuk maakt op het beginsel van het vrije verkeer van goederen door ingevoerde produkten te discrimineren ten opzichte van produkten van nationale oorsprong.

Kosten

41 De kosten door de Franse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),

uitspraak doende op de door het Tribunal de grande instance de Bergerac bij beschikking van 14 januari 1994 gestelde vragen, verklaart voor recht:

  1. De artikelen 52 en 59 EG-Verdrag, richtlijn 78/1026/EEG van de Raad van 18 december 1978 inzake de onderlinge erkenning van diploma's, certificaten en andere titels van dierenarts, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en het vrij verrichten van diensten, en richtlijn 78/1027/EEG van de Raad van 18 december 1978 inzake de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de werkzaamheden van dierenarts, zijn niet van toepassing op situaties die volledig binnen de interne sfeer van een Lid-Staat liggen, zoals die van onderdanen van een Lid-Staat die op diens grondgebied de werkzaamheid van inseminator wensen uit te oefenen, waarvoor zij niet vooraf in een andere Lid-Staat een opleiding hebben gevolgd en die zij evenmin in een andere Lid-Staat hebben uitgeoefend.

  2. Richtlijn 77/504/EEG van de Raad van 25 juli 1977 betreffende raszuivere fokrunderen, en richtlijn 87/328/EEG van de Raad van 18 juni 1987 betreffende de toelating van raszuivere fokrunderen tot de voortplanting, verzetten zich niet tegen een nationale wettelijke regeling díe enerzijds een territoriaal monopolie voor het verrichten van kunstmatige inseminatie creëert ten gunste van centra voor kunstmatige inseminatie, en anderzijds de toegang tot de werkzaamheid van inseminator afhankelijk stelt van de erkenning als hoofd van een centrum voor kunstmatige inseminatie of als inseminator en aan die erkenning de voorwaarde verbindt van de overlegging van een verklaring van een directeur van een erkend centrum voor kunstmatige inseminatie.

  3. Artikel 37 EG-Verdrag heeft geen betrekking op een monopolie voor het verrichten van diensten, ook niet wanneer dit monopolie een beletsel vormt voor kunstmatige inseminatie door andere personen, zelfs wanneer zij gekwalificeerd en bevoegd zijn, dan het personeel van de centra voor kunstmatige inseminatie waaraan het monopolie is toegekend, mits het monopolie geen inbreuk maakt op het beginsel van het vrije verkeer van goederen door ingevoerde produkten te discrimineren ten opzichte van produkten van nationale oorsprong.

Edward

Moitinho de Almeida

Gulmann

Jann

Sevón

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 7 december 1995.

De griffier

R. Grass

De president van de Vijfde kamer

D. A. O. Edward