Hof van Justitie EU 16-02-1995 ECLI:EU:C:1995:39
Hof van Justitie EU 16-02-1995 ECLI:EU:C:1995:39
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 16 februari 1995
Uitspraak
Arrest van het Hof (Vierde kamer)
16 februari 1995(*)
In de gevoegde zaken C-29/94, C-30/94, C-31/94, C-32/94, C-33/94, C-34/94 en C-35/94,
betreffende verzoeken aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van het Tribunal de grande instance de Charleville-Mézières (Frankrijk) in de aldaar dienende strafzaken tegen
J.-L. Aubertin,
B. Collignon,
G. Creusot,
I. Diblanc,
G. Josse,
J. Martin,
C. Normand,
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: P. J. G. Kapteyn, kamerpresident, C. N. Kakouris (rapporteur) en J. L. Murray, rechters,
advocaatgeneraal: C. O. Lenz
griffier: R. Grass
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
-
de Franse regering, vertegenwoordigd door C. de Salins, adjunct-directeur bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en P. Martinet, secretaris buitenlandse zaken bij diezelfde directie, als gemachtigden,
-
de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur M.-J. Jonczy als gemachtigde,
-
gezien het rapport van de rechterrapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaatgeneraal ter terechtzitting van 15 december 1994,
het navolgende
Arrest
1 Bij zeven vonnissen van 4 oktober 1993, ingekomen bij het Hof op 26 januari 1994, heeft de strafkamer van het Tribunal de grande instance de Charleville-Mézières krachtens artikel 177 EG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van richtlijn 82/489/EEG van de Raad van 19 juli 1982 houdende maatregelen ter vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten van kappers (PB 1982, L 218, biz. 24).
2 Die vraag is gerezen in het kader van een strafvervolging die tegen J.-L. Aubertin, B. Collignon, G. Creusot, I. Diblanc, G. Josse, J. Martin en C. Normand is ingesteld op grond van artikel 5 van wet nr. 46-1173 van 23 mei 1946 houdende regeling van de voorwaarden voor toegang tot het beroep van kapper (JORF van 24.5.1946, blz. 4539). Verdachten, van Franse nationaliteit en in Frankrijk wonend, wordt ten laste gelegd, dat zij op Frans grondgebied kapsalons hebben gedreven zonder in het bezit te zijn van het school- of praktijkdiploma voor het kappersvak en zonder een technisch bedrijfsleider in dienst te hebben, zoals voorgeschreven door artikel 3 van genoemde wet, waarin wordt bepaald: „Indien de eigenaar van een kapsalon niet in het bezit is van een school- of praktijkdiploma voor het kappersvak, moet hij voor het beheer van zijn salon bij een aangemelde overeenkomst een technisch gediplomeerde technisch bedrijfsleider in dienst nemen.”
3 Ter omzetting van bovengenoemde richtlijn 82/489 is wet nr. 46-1173 gewijzigd bij wet nr. 87-343 van 22 mei 1987 houdende aanvulling van wet nr. 46-1173 voor wat betreft onderdanen van de Lid-Staten van de Europese Economische Gemeenschap (TORF van 23.5.1987, blz. 5650).
4 Bij deze laatste wet is in artikel 3 van wet nr. 46-1173 een artikel 3-1 ingevoegd, luidend als volgt:
„Van het vereiste van een diploma als bedoeld in artikel 3 zijn vrijgesteld de onderdanen van de Lid-Staten van de Europese Economische Gemeenschap die het kappersvak in een andere Lid-Staat dan Frankrijk hebben uitgeoefend onder de volgende voorwaarden:
betrokkene moet het vak daadwerkelijk en conform de in die andere Lid-Staat voor het kappersvak geldende bepalingen hebben uitgeoefend;
betrokkene moet het vak gedurende een ononderbroken periode van zes jaar als zelfstandige of als bedrijfsleider hebben uitgeoefend. Deze periode wordt tot drie jaar verminderd wanneer hij jegens de Franse controle-instanties kan aantonen:
ofwel dat hij vooraf een opleiding heeft gevolgd van ten minste drie jaar, afgesloten met een door de staat of door een bevoegde beroepsorganisatie erkend diploma, overeenkomstig de bepalingen die in de betrokken Lid-Staat voor de toegang tot het beroep gelden;
ofwel dat hij het vak gedurende ten minste vijf jaar in loondienst heeft uitgeoefend.
(...)”
5 Blijkens circulaire nr. 88010 van 27 juli 1988 betreffende de toepassing van wet nr. 87-343 van 22 mei 1987, „geldt het bepaalde in de wet van 22 mei 1987 eveneens voor kappers van Franse nationaliteit die in een andere Lid-Staat dan Frankrijk aan de voorwaarden hebben voldaan”.
6 Voor de nationale rechter betoogden verdachten, dat het hun tegengeworpen artikel 3 van wet nr. 46-1173 in strijd is met de artikelen 52 en 59 van het Verdrag. De bepaling zou discriminatie ten nadele van Franse onderdanen bewerkstelligen, aangezien artikel 3-1 van wet nr. 87-343 kappers uit andere Lid-Staten toestaat een kapsalon te drijven zonder het voor Fransen vereiste diploma, en wel zonder de verplichting een gediplomeerde technisch bedrijfsleider in dienst te nemen.
7 Van oordeel dat de uitkomst van de strafzaak afhing van de uitlegging van richtlijn 82/489, besloot het Tribunal de grande instance de Charleville-Mézières de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen:
„Bewerkstelligen de artikelen 3 en 3-1 van wetnr. 46-1173 van 23 mei 1946 discriminatie tussen EEG-onderdanen en Franse onderdanen, gelet op wet nr. 87-343 van 22 mei 1987, vastgesteld ter uitvoering van gemeenschapsrichtlijn 82/489 van 19 juli 1982?”
8 Deze vraag moet aldus worden begrepen, dat de nationale rechter wenst te vernemen, of het gemeenschapsrecht, met name richtlijn 82/489, aldus moet worden uitgelegd, dat het zich verzet tegen een nationale regeling volgens welke de onderdanen van die Lid-Staat voor het drijven van een kapsalon in het bezit moeten zijn van een diploma, terwijl het onderdanen van de andere Lid-Staten is toegestaan een kapsalon te drijven zonder dat diploma en zonder de verplichting de bedrijfsvoering aan een gediplomeerde technisch bedrijfsleider over te laten.
9 Volgens vaste rechtspraak kunnen de verdragsbepalingen inzake het vrij verrichten van diensten niet van toepassing zijn op activiteiten die zich in al hun relevante aspecten in een enkele Lid-Staat afspelen (zie bij voorbeeld arrest van 28 januari 1992, gevoegde zaken C-330/90 en C-331/90, López Brea en Hidalgo Palacios, Jurispr. 1992, biz. I-323, r. o. 7).
10 Uit de verwijzingsvonissen blijkt evenwel, dat het in de onderhavige strafzaken gaat om Franse onderdanen die in Frankrijk als kapper werkzaam zijn en die niet aanvoeren, dat zij in een andere Lid-Staat de voor de uitoefening van dat beroep vereiste beroepsbekwaamheid hebben verworven.
11 Dit geval vertoont derhalve geen enkel aanknopingspunt met een van de in het gemeenschapsrecht voorziene gevallen, zodat de verdragsbepalingen inzake de vrijheid van vestiging niet van toepassing zijn.
12 Verder blijkt uit de vierde en vijfde overweging van de considerans van richtlijn 82/489, dat deze richtlijn geen harmonisatie beoogt van de in de nationale regelingen vervatte voorwaarden voor de toegang tot en de uitoefening van het beroep van kapper.
13 Aan de nationale rechter dient derhalve te worden geantwoord, dat het gemeenschapsrecht, met name richtlijn 82/489, aldus moet worden uitgelegd, dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling volgens welke de onderdanen van die Lid-Staat voor het drijven van een kapsalon in het bezit moeten zijn van een diploma, terwijl het onderdanen van de andere Lid-Staten is toegestaan een kapsalon te drijven zonder dat diploma en zonder de verplichting de bedrijfsvoering aan een gediplomeerde technisch bedrijfsleider over te laten.
Kosten
14 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen en de Franse regering wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
uitspraak doende op de door het Tribunal de grande instance de Charleville-Mézières bij vonnissen van 4 oktober 1993 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Het gemeenschapsrecht, met name richtlijn 82/489/EEG van de Raad van 19 juli 1982 houdende maatregelen ter vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten van kappers, moet aldus worden uitgelegd, dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling volgens welke de onderdanen van die Lid-Staat voor het drijven van een kapsalon in het bezit moeten zijn van een diploma, terwijl het onderdanen van andere Lid-Staten ís toegestaan een kapsalon te drijven zonder dat diploma en zonder de verplichting de bedrijfsvoering aan een gediplomeerde technisch bedrijfsleider over te laten.
Kapteyn
Kakouris
Murray
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 16 februari 1995.
De griffier
R. Grass
De president van de Vierde kamer
P.J. G. Kapteyn