Home

Hof van Justitie EU 06-04-1995 ECLI:EU:C:1995:111

Hof van Justitie EU 06-04-1995 ECLI:EU:C:1995:111

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
6 april 1995

Uitspraak

Arrest van het Hof (Zesde kamer)

6 april 1995(*)

In zaak C-147/94,

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur D. Gouloussis en door F. E. Gonzalez Díaz, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,

verzoekster, tegen

Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door A. J. Navarro González, algemeen directeur Coördinatie juridische en institutionele aangelegenheden van de Europese Gemeenschappen, en G. Calvo Díaz, abogado del Estado voor het Hof van Justitie, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Spaanse ambassade, Boulevard Emmanuel Servais 4-6,

verweerder,

HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),

samengesteld als volgt: F. A. Schockweiler, kamerpresident, P. J. G. Kapteyn, C. N. Kakouris (rapporteur), J. L. Murray en H. Ragnemalm, rechters,

advocaat-generaal: F. G. Jacobs

griffier: R. Grass

gezien het rapport van de rechterrapporteur,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 maart 1995,

het navolgende

Arrest

1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 30 mei 1994, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 169 EG-Verdrag verzocht vast te stellen, dat het Koninkrijk Spanje, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en in werking te doen treden die nodig zijn voor de uitvoering van richtlijn 90/618/EEG van de Raad van 8 november 1990 tot wijziging, met name wat de wettelijke aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen betreft, van richtlijn 73/239/EEG en richtlijn 88/357/EEG tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche (PB 1990, L 330, blz. 44; hierna: de „richtlijn”), en de Commissie daarvan niet in kennis te stellen, de krachtens het Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.

2 Artikel 12, eerste alinea, van de richtlijn bepaalt, dat de Lid-Staten hun nationale bepalingen wijzigen om binnen achttien maanden na kennisgeving aan deze richtlijn te voldoen en dat zij de Commissie daarvan onverwijld in kennis stellen. Van de richtlijn is aan het Koninkrijk Spanje op 20 november 1990 kennis gegeven.

3 Daar de Commissie van het Koninkrijk Spanje geen enkel bericht had ontvangen over de maatregelen tot omzetting van de richtlijn in nationaal recht, deed zij hem op 6 augustus 1992 een aanmaningsbrief toekomen met het verzoek, zijn opmerkingen kenbaar te maken. Deze brief bleef onbeantwoord. De Commissie bracht bijgevolg op 24 mei 1993 een met redenen omkleed advies uit, waarin zij het Koninkrijk Spanje verzocht, de vereiste maatregelen te nemen om binnen twee maanden na de kennisgeving van dit met redenen omkleed advies aan de richtlijn te voldoen. Toen een reactie hierop uitbleef, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.

4 Het Koninkrijk Spanje betwist niet, dat de richtlijn niet in nationaal recht is omgezet. Het geeft enkel te kennen, dat het directoraat-generaal Verzekeringen een „Ontwerpwet houdende wijziging van de wettelijke regeling inzake particuliere verzekeringen” had voorbereid, maar dat, toen de termijn voor indiening van amendementen bij de Senaat was verstreken en deze ontwerpwet op parlementair vlak zijn normale gang volgde, de Kamers zijn ontbonden en algemene verkiezingen zijn uitgeschreven; als gevolg hiervan verviel voornoemde ontwerpwet en werd opnieuw begonnen met de wetgevingsprocedure, die nog niet is voltooid.

5 Er zij aan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak een Lid-Staat zich niet ten exceptieve kan beroepen op nationale bepalingen, praktijken of situaties ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van door een richtlijn voorgeschreven verplichtingen of termijnen.

6 Nu de richtlijn niet binnen de in artikel 12 van de richtlijn gestelde termijn volledig is omgezet, moet de ter zake door de Commissie gestelde niet-nakoming worden geacht vast te staan.

7 Anders dan de Commissie heeft geconcludeerd, behoeft het Hof daarentegen niet in aanmerking te nemen, dat de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die moesten worden vastgesteld om aan de richtlijn te voldoen, niet zijn meegedeeld, aangezien het Koninkrijk Spanje deze bepalingen nu juist niet binnen de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn heeft vastgesteld (zie arrest van 18 mei 1994, zaak C-303/93, Commissie/Italië, Jurispr. 1994, blz. I-1901, r. o. 6).

8 Mitsdien moet worden vastgesteld dat het Koninkrijk Spanje, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en in werking te doen treden die nodig zijn voor de uitvoering van de richtlijn, de krachtens het Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.

Kosten

9 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien verweerder in het ongelijk is gesteld, moet hij in de kosten worden verwezen.

HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),

rechtdoende, verstaat:

  1. Door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en in werking te doen treden die nodig zijn voor de uitvoering van richtlijn 90/618/EEG van de Raad van 8 november 1990 tot wijziging, met name wat de wettelijke aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen betreft, van richtlijn 73/239/EEG en richtlijn 88/357/EEG tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, is het Koninkrijk Spanje de krachtens het EG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.

  2. Het beroep wordt voor het overige verworpen.

  3. Het Koninkrijk Spanje wordt verwezen in de kosten van de procedure.

Schockweiler

Kapteyn

Kakouris

Murray

Ragnemalm

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 6 april 1995.

De griffier

R. Grass

De president van de Zesde kamer

F. A. Schockweiler