Home

Hof van Justitie EU 19-03-1996 ECLI:EU:C:1996:116

Hof van Justitie EU 19-03-1996 ECLI:EU:C:1996:116

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
19 maart 1996

Uitspraak

Beschikking van de president van het Hof

19 maart 1996(*)

In zaak C-120/94,

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door Chr. Timmermans, adjunct-directeur-generaal van haar juridische dienst, en S. van Raepenbusch, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,

verzoekster, tegen

Helleense Republiek, vertegenwoordigd door de hoogleraren K. Ioannou, V. Skouris en S. Perrakis, en door S. Zissimopoulos, juridisch adviseur bij de permanente vertegenwoordiging van Griekenland bij de Europese Gemeenschappen, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Griekse ambassade, Val Sainte-Croix 117,

verweerster,

betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen, dat de Helleense Republiek de in artikel 224 EG-Verdrag voorziene bevoegdheden heeft misbruikt om de op 16 februari 1994 eenzijdig getroffen maatregelen te rechtvaardigen, die de verhandeling van produkten van oorsprong van, afkomstig uit of bestemd voor de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, in het bijzonder via de haven van Thessaloniki, evenals de invoer in Griekenland van produkten van oorsprong van of afkomstig uit deze Republiek verbieden, en daarmee de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 113 EG-Verdrag, de gemeenschappelijke regeling voor de uitvoer, vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 2603/69 van de Raad van 20 december 1969 (PB 1969, L 324, biz. 25), de gemeenschappelijke regeling voor de invoer, vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 288/82 van de Raad van 5 februari 1982 (PB 1982, L 35, biz. 1), de regeling voor de invoer in de Gemeenschap van produkten van oorsprong uit de Republiek Bosnië-Herzegovina, de Republiek Kroatië, de Republiek Slovenië en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, vastgesteld bij verordening (EG) nr. 3698/93 van de Raad van 22 december 1993 (PB 1993, L 344, biz. 1), en de regeling betreffende communautair douanevervoer, vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 2726/90 van de Raad van 17 september 1990 (PB 1990, L 262, biz. 1),

geeft

DE PRESIDENT VAN HET HOF

de navolgende

Beschikking

1 Bij op 22 april 1994 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 225, tweede alinea, EG-Verdrag het Hof verzocht vast te stellen, dat de Helleense Republiek de in artikel 224 EG-Verdrag voorziene bevoegdheden heeft misbruikt om de op 16 februari 1994 eenzijdig getroffen maatregelen te rechtvaardigen, die de verhandeling van produkten van oorsprong van, afkomstig uit of bestemd voor de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, in het bijzonder via de haven van Thessaloniki, evenals de invoer in Griekenland van produkten van oorsprong van of afkomstig uit deze Republiek verbieden, en daarmee de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 113 EG-Verdrag, de gemeenschappelijke regeling voor de uitvoer, vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 2603/69 van de Raad van 20 december 1969 (PB 1969, L 324, biz. 25), de gemeenschappelijke regeling voor de invoer, vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 288/82 van de Raad van 5 februari 1982 (PB 1982, L 35, biz. 1), de regeling voor de invoer in de Gemeenschap van produkten van oorsprong uit de Republiek Bosnië-Herzegovina, de Republiek Kroatië, de Republiek Slovenië en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, vastgesteld bij verordening (EG) nr. 3698/93 van de Raad van 22 december 1993 (PB 1993, L 344, biz. 1), en de regeling betreffende communautair douanevervoer, vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 2726/90 van de Raad van 17 september 1990 (PB 1990, L 262, biz. 1).

2 Bij beschikking van 29 juni 1994 (zaak C-120/94 R, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1994, blz. I-3040) heeft het Hof afwijzend beschikt op het door de Commissie ingediende verzoek om de Helleense Republiek bij wege van voorlopige maatregel te gelasten, in afwachting van de uitspraak in de hoofdzaak, de op 16 februari 1994 tegen de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië getroffen maatregelen op te schorten.

3 Partijen zijn in hun mondelinge opmerkingen gehoord tijdens de op 1 februari 1995 gehouden terechtzitting met gesloten deuren.

4 De advocaatgeneraal heeft op 6 april 1995 conclusie genomen.

5 Bij brief van 23 oktober 1995 heeft de Commissie het Hof meegedeeld, dat zij van mening is dat zij geen belang meer heeft bij voortzetting van de procedure, nu tussen de Helleense Republiek en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië over een aantal punten een tijdelijk akkoord is gesloten, zodat eerstgenoemde de door haar op 16 februari 1994 getroffen handelsmaatregelen heeft opgeheven. De Commissie heeft derhalve overeenkomstig artikel 78 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof besloten, dat zij in deze zaak afstand doet van instantie, en vordert dat elk der partijen in haar eigen kosten wordt verwezen.

6 Bij brief van 22 november 1995 heeft de Griekse regering het Hof verzocht om een uitspraak ten gronde. Zij merkt in dit verband om te beginnen op, dat de noodzaak om in het kader van een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 169 EG-Verdrag vast te stellen, of het gemeenschapsrecht al dan niet is geschonden, een voldoende grondslag vormt van het belang dat zij erbij heeft, de procedure tot het einde voortgezet te zien, zelfs indien aan de beweerde schending een einde lijkt te zijn gekomen. Zij stelt voorts, dat het ingestelde beroep primair betrekking heeft op een vraag die voor de communautaire rechtsorde van fundamenteel belang is, en dat de Helleense Republiek wegens haar eventuele aansprakelijkheid jegens personen die zich zouden beroepen op schade als gevolg van de beweerde schending van artikel 224 van het Verdrag, een wettig belang heeft bij een uitspraak van het Hof. De Griekse regering merkt tot slot op, dat de beginselen van hoor en wederhoor en van de gelijkwaardigheid der partijen meebrengen, dat indien de verzoeker na de sluiting van de mondelinge behandeling afstand doet van instantie, de verweerder het recht heeft bezwaren op te werpen en gemotiveerd aan te geven, waarom het Hof uitspraak zou moeten doen ten gronde.

7 De Griekse regering vordert, dat de Commissie in de kosten wordt verwezen. Zij voert hiertoe aan dat, tenzij een conclusie harerzijds ten aanzien van de proceskosten ontbreekt dan wel partijen tot een akkoord zijn gekomen over de verdeling van die kosten, artikel 69, leden 2 en 5, eerste zin, van het Reglement voor de procesvoering de partij die afstand doet van instantie, op dezelfde wijze behandelt als de in het ongelijk gestelde partij. Zij merkt voorts op, dat zij noch het beroep van de Commissie heeft uitgelokt, noch door haar eigen houding de procedure zonder voorwerp heeft gemaakt.

8 In haar op 15 december 1995 neergelegde opmerkingen betoogt de Commissie, dat haar afstand van instantie een gevolg is van het oordeel dat zij zich, als hoedster van het Verdrag, heeft gevormd over de opportuniteit van de voortzetting van de procedure. Door gebruik te maken van artikel 169 of artikel 225 van het Verdrag, zou de Commissie niet haar eigen belangen verdedigen. Bovendien zou artikel 78 van het Reglement voor de procesvoering de aanvaarding van de afstand van instantie door het Hof niet afhankelijk stellen van de voorwaarde, dat de verweerder met die afstand instemt, noch het recht van de verzoeker om in elke stand van het geding afstand te doen van instantie, beperken. Ten aanzien van de rechtsbescherming van particulieren merkt de Commissie op, dat deze in eerste instantie wordt verwezenlijkt voor de nationale rechter, die dank zij de prejudiciële procedure van artikel 177 EG-Verdrag de betrokken voorschriften van gemeenschapsrecht verduidelijkt kan krijgen, zodat hij kan beoordelen of een nationale maatregel daarmee in overeenstemming is. Met betrekking tot de kosten betoogt de Commissie, dat zij er geen bezwaar tegen zou hebben, indien dienaangaande een onderscheid werd gemaakt tussen het beroep in de hoofdzaak en het verzoek om voorlopige maatregelen.

9 In haar op 12 januari 1996 neergelegde opmerkingen stelt de Griekse regering, dat aan het algemene beginsel van hoor en wederhoor elk nuttig effect zou worden ontnomen, indien de verweerder niet het recht had zich tegen de afstand van instantie door de verzoeker te verzetten, of niet erop mocht vertrouwen, dat zijn opmerkingen serieus in aanmerking zouden worden genomen. Zij betoogt voorts, dat in casu enkel artikel 77 van het Reglement voor de procesvoering kan worden toegepast, inzonderheid waar de procedure in de hoofdzaak is beëindigd. Tot slot beklemtoont zij, dat de inbreukprocedure niet enkel tot doel heeft, de inbreuken te doen ophouden, maar ook, de eventuele schending van het gemeenschapsrecht vast te -stellen.

De afstand van instantie

10 Artikel 77 van het Reglement voor de procesvoering bepaalt, dat indien partijen, alvorens het Hof uitspraak heeft gedaan, het Hof meedelen dat zij overeenstemming hebben bereikt ten aanzien van de oplossing van het geschil en dat zij van hun vorderingen afzien, de president de doorhaling van de zaak in het register gelast. Artikel 78 van genoemd Reglement bepaalt, dat indien de verzoeker schriftelijk aan het Hof bericht, dat hij afstand doet van instantie, de president de doorhaling van de zaak in het register gelast.

11 Vaststaat, dat in casu de afstand van instantie door de Commissie niet het gevolg is van een akkoord tussen haar en de Helleense Republiek, maar van het feit dat de Commissie, verzoekster, voornemens is af te zien van het geding, omdat zij van mening is dat er geen belang meer is bij de voortzetting van de procedure, gelet op de ontwikkelingen die zich na de sluiting van de mondelinge behandeling hebben voorgedaan.

12 Luidens artikel 78 van het Reglement voor de procesvoering volstaat het, dat de verzoeker schriftelijk aan het Hof bericht, dat hij afstand doet van instantie, opdat de president de doorhaling van de zaak gelast.

13 Hieruit volgt, dat de afstand van instantie door de Commissie in de onderhavige, zaak voldoet aan de voorwaarden van artikel 78 van het Reglement voor de procesvoering. Derhalve dient de doorhaling van de zaak in het register te worden gelast en moet een beslissing worden genomen ten aanzien van de kosten.

Kosten

14 Artikel 78 van het Reglement voor de procesvoering bepaalt, dat over de kosten wordt beslist overeenkomstig artikel 69, lid 5, van dit Reglement. Volgens deze bepaling wordt de partij die afstand doet van instantie, voor zover dit door de wederpartij is gevorderd, in de kosten veroordeeld. Op vordering van eerstbedoelde partij wordt evenwel de wederpartij in de kosten veroordeeld, indien dit op grond van de houding van deze partij gerechtvaardigd lijkt, aldus de tweede zin van artikel 69, lid 5.

15 In casu vordert de Commissie, dat op grond van artikel 69, lid 5, tweede zin, elke partij wordt veroordeeld haar eigen kosten te dragen. In dit verband heeft zij uitsluitend gewezen op het feit, dat de Helleense Republiek de gewraakte maatregelen heeft opgeheven.

16 Op grond van deze enkele omstandigheid kan niet worden gesteld, dat de houding van de Helleense Republiek rechtvaardigt dat zij in de kosten wordt verwezen. In casu zou hieruit immers enkel kunnen worden afgeleid, dat het beroep en vervolgens de afstand van instantie door de Commissie het resultaat zijn geweest van de houding van de Helleense Republiek, indien werd aangenomen dat het beroep van de Commissie gegrond was. Als gevolg van de afstand van instantie kan het door de Commissie ingestelde beroep evenwel niet meer ten gronde worden onderzocht.

17 Mitsdien moet de Commissie in de kosten worden verwezen, daaronder begrepen die welke op het kort geding zijn gevallen.

DE PRESIDENT VAN HET HOF

beschikt:

  1. Zaak C-120/94 wordt doorgehaald in het register van het Hof.

  2. De Commissie wordt in de kosten verwezen, daaronder begrepen die welke op het kort geding zijn gevallen.

Luxemburg, 19 maart 1996.

De griffier

R. Grass

De president

G. C. Rodríguez Iglesias