Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 28 mei 1998.
Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 28 mei 1998.
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 28 mei 1998
Uitspraak
Arrest van het Hof (Vijfde kamer)
28 mei 1998(*)
In zaak C-8/95 P,
New Holland Ford Ltd, vennootschap naar Engels recht, gevestigd te Basildon (Verenigd Koninkrijk), vertegenwoordigd door M. Siragusa, advocaat te Rome, G. Scassellati-Sforzolini en F. Moretti, advocaten te Bologna, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Elvinger, Hoss en Preussen, advocaten aldaar, Côte d'Eich,
rekwirante,betreffende hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Tweede kamer) van 27 oktober 1994, Fiatagri en New Holland Ford/Commissie (T-34/92, Jurispr. blz. II-905), en strekkende tot vernietiging van dat arrest,
andere partij bij de procedure:Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Currall, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, bijgestaan door L. Hawkes, Solicitor, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: C. Gulmann, kamerpresident, J. C. Moitinho de Almeida, D. Α. O. Edward, P. Jann en L. Sevón (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer
griffier: L, Hewlett, administrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 3 juli 1997,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 september 1997,
het navolgende
Arrest
1 Bij op 13 januari 1995 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft de vennootschap naar Engels recht New Holland Ford Ltd krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 27 oktober 1994, Fiatagri en New Holland Ford/Commissie (T-34/92, Jurispr. blz. II-905; hierna: „bestreden arrest”), houdende verwerping van het door haar tezamen met Fiatagri UK Ltd ingestelde beroep tot nietigverklaring van beschikking 92/157/EEG van de Commissie van 17 februari 1992 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/31.370 en 31.446 — UK Agricultural Tractor Registration Exchange, PB L 68, blz. 19; hierna: „litigieuze beschikking”).
2 Met betrekking tot de aan de onderhavige hogere voorziening ten grondslag liggende feiten blijkt uit het bestreden arrest het volgende:
„1 Agricultural Engineers Association Limited (hierna: ‚ΑΕΑ’) is een beroepsvereniging die openstaat voor alle in het Verenigd Koninkrijk werkzame producenten of importeurs van landbouwtrekkers. Ten tijde van de feiten telde zij ongeveer 200 leden, waaronder met name Case Europe Limited, John Deere Limited, Fiatagri UK Limited, Ford New Holland Limited, Massey-Ferguson (United Kingdom) Limited, Renault Agricultural Limited, Same-Lamborghini (UK) Limited en Watveare Limited. Verzoeksters zijn dus alle twee lid van de AEA.
a) De administratieve procedure
2 Op 4 januari 1988 meldde de AEA ter verkrijging van, primair, een negatieve verklaring, en, subsidiair, een individuele verklaring van ontheffing, bij de Commissie een overeenkomst inzake een systeem van uitwisseling van informatie, de ‚UK Agricultural Tractor Registration Exchange’, aan, dat was gebaseerd op gegevens van het Ministerie van Verkeer van het Verenigd Koninkrijk betreffende de inschrijving van landbouwtrekkers (hierna: ‚eerste aanmelding’). Deze overeenkomst inzake de uitwisseling van informatie kwam in de plaats van een eerdere overeenkomst uit 1975, die niet bij de Commissie was aangemeld. Van deze laatste overeenkomst had de Commissie kennis gekregen in 1984 naar aanleiding van een onderzoek op een bij haar ingediende klacht wegens belemmeringen van de neveninvoer.
3 De aangemelde Exchange staat open voor alle producenten of importeurs van landbouwtrekkers in het Verenigd Koninkrijk, ongeacht of zij lid zijn van de AEA. Deze laatste verzorgt het secretariaat van de Exchange. Volgens vezoeksters schommelde het aantal bij de Exchange aangesloten ondernemingen in de loop van de instructie van de zaak, naar gelang van de herstructureringen die in de betrokken sector plaatsvonden; op het ogenblik van de aanmelding namen acht producenten, waaronder verzoekster, aan de Exchange deel. Partij bij de Exchange zijn de acht in punt 1 genoemde marktdeelnemers, die volgens de Commissie 87 à 88 % van de markt voor trekkers in het Verenigd Koninkrijk voor hun rekening nemen. De rest van de markt is verdeeld onder verschillende kleine producenten.
4 Op 11 november 1988 zond de Commissie een mededeling van punten van bezwaar aan de AEA, aan elk van de acht leden die door de eerste aanmelding werden geraakt, en aan Systematics International Group of Companies Limited (hierna: ‚SIL’), een computerbureau belast met de verwerking en de exploitatie van de in formulier V55 (zie hieronder punt 6) vervatte gegevens. Op 24 november 1988 besloten de leden van de Exchange de overeenkomst te schorsen. Volgens verzoeksters is de Exchange later opnieuw in werking getreden, maar zonder verspreiding van globale of individuele gegevens waaruit de verkopen van de concurrenten konden worden afgelezen. Tijdens een hoorzitting voor de Commissie stelden zij, dat de verstrekte informatie een gunstige invloed had op de mededinging. Zij beriepen zich daarvoor met name op een studie van professor Albach, lid van het Berlin Science Center. Op 12 maart 1990 meldden vijf partijen bij de Exchange — waaronder verzoeksters — een nieuwe overeenkomst inzake de uitwisseling van informatie, het ‚UK Tractor Registration Data System’ (hierna: ‚Data System’), bij de Commissie aan (hierna: ‚tweede aanmelding’). Daarbij verbonden zij zich ertoe, het nieuwe systeem niet toe te passen tot zij het antwoord van de Commissie op hun aanmelding zouden hebben ontvangen. Volgens verzoeksters beperkt deze nieuwe overeenkomst in aanzienlijke mate het aantal en de frequentie van de meegedeelde gegevens en schaft zij alle ‚institutionele’ elementen af waartegen de Commissie in haar reeds genoemde mededeling van punten van bezwaar was opgekomen.
(...)
b) De inhoud en de juridische context van de Exchange
6 Naar nationaal recht wordt een voertuig pas tot het verkeer op de openbare weg in het Verenigd Koninkrijk toegelaten wanneer het is ingeschreven bij het Department of Transport. Voor het verzoek om inschrijving van het voertuig moet gebruik worden gemaakt van een speciaal formulier, het administratief formulier V55. Op grond van een akkoord met de SIL verstrekt het Ministerie van Verkeer van het Verenigd Koninkrijk deze een aantal gegevens die het bij de inschrijving van de voertuigen verkrijgt. Volgens verzoekster is dit akkoord identiek aan de met de producenten en importeurs van andere soorten voertuigen gesloten akkoorden.”
3 In punt 7 van het bestreden arrest stelde het Gerecht vast, dat partijen het oneens waren over een aantal feitenkwesties betreffende de gegevens die op het formulier V55 voorkwamen en het gebruik dat daarvan werd gemaakt. Deze meningsverschillen zijn samengevat in de punten 8 tot en met 16 van het bestreden arrest.
4 In de litigieuze beschikking ontvouwde de Commissie haar juridische beoordeling op grond van artikel 85, lid 1, van het Verdrag, met betrekking tot de Exchange zoals hij vóór de aanmelding in praktijk werd gebracht en op 4 januari 1988 is aangemeld (eerste aanmelding), enerzijds, en zoals hij op 12 maart 1990 is aangemeld (tweede aanmelding), anderzijds.
5 Met betrekking tot de Exchange die het voorwerp van de eerste aanmelding was, onderzocht de Commissie in de eerste plaats in de punten 35 tot en met 52 van de litigieuze beschikking het onderdeel van het systeem van uitwisseling van informatie dat het mogelijk maakt de verkoop van individuele concurrenten te kennen. Zij hield rekening met de marktstructuur, de aard van de verstrekte gegevens, het gedetailleerde karakter van de uitgewisselde gegevens en de geregelde bijeenkomsten van de leden van de Exchange in het AEA-comité. De Commissie was van mening, dat de Exchange tot mededingingsbeperkingen leidde, doordat zij in de eerste plaats de transparantie vergrootte op een markt met een hoge concentratiegraad en in de tweede plaats de toegang tot de markt voor niet-leden sterker bemoeilijkte.
6 In de punten 53 tot en met 56 van de litigieuze beschikking beoordeelde de Commissie in de tweede plaats het systeem van uitwisseling van informatie wat betreft het verstrekken van gegevens inzake de verkoop van de dealers van de eigen onderneming. In dat verband wees zij op de mogelijkheid dat de omzet van individuele concurrenten voor elk gebied via deze gegevens aan het licht komt, wanneer de verkoopcijfers voor dit gebied voor een bepaald product en tijdvak betrekking hebben op minder dan tien verkochte eenheden. Voorts wees zij op de mogelijkheid van bemoeienis met de detailverkoop van dealers of parallelimporteurs.
7 In de punten 57 en 58 van de litigieuze beschikking beoordeelde de Commissie de gevolgen van dit systeem van uitwisseling van informatie voor de handel tussen de lidstaten.
8 In de punten 59 tot en met 64 van de litigieuze beschikking stelde de Commissie zich voorts op het standpunt, dat de Exchange die het voorwerp van de eerste aanmelding was, niet onmisbaar was, en dat derhalve de vier voorwaarden voor verkrijging van een ontheffing op grond van artikel 85, lid 3, van het Verdrag niet behoefden te worden onderzocht.
9 Met betrekking tot de gewijzigde versie van de Exchange die het voorwerp van de tweede aanmelding was, verklaarde de Commissie in punt 65 van de litigieuze beschikking inzonderheid, dat haar redenering met betrekking tot de Exchange die het voorwerp van de eerste aanmelding was, mutatis mutandis toepassing vond.
10 Bij de litigieuze beschikking heeft de Commissie derhalve:
-
vastgesteld, dat de UK Agricultural Tractor Registration Exchange, in de oorspronkelijke en in de gewijzigde versie, inbreuk maakte op artikel 85, lid 1, van het Verdrag, „in zoverre hij leidt tot uitwisseling van gegevens over de omzet van individuele concurrenten en van gegevens over de omzet van de dealers en de invoer van eigen producten” (artikel 1);
-
het verzoek om ontheffing op grond van artikel 85, lid 3, van het Verdrag afgewezen (artikel 2);
-
de AEA en de leden van de Exchange gelast de vastgestelde inbreuk te beëindigen, in zoverre dat nog niet was gebeurd, en zich in de toekomst te onthouden van deelneming aan een overeenkomst of een onderling afgestemde feitelijke gedraging die een zelfde of gelijkaardig doel of gevolg kan hebben (artikel 3).
11 Op 6 mei 1992 stelden rekwirante en Fiatagri UK Ltd beroep in, ertoe strekkende dat de litigieuze beschikking non-existent of, subsidiair, nietig zou worden verklaard en de Commissie zou worden verwezen in de kosten (punt 18 van het bestreden arrest). Tot staving van hun beroep stelden beide verzoeksters, dat de litigieuze beschikking:
-
volgens een onregelmatige procedure was gegeven;
-
niet afdoende was gemotiveerd;
-
berustte op een verkeerde omschrijving van het product en van de relevante markt;
-
met betrekking tot het onderzoek van de aangemelde gegevens vol feitelijke onjuistheden zat;
-
voortvloeide uit een rechtsdwaling bij de uitlegging van artikel 85, lid 1, van het Verdrag;
-
in casu ten onrechte geen toepassing maakte van artikel 85, lid 3, van het Verdrag (punt 23 van het bestreden arrest).
12 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het beroep in zijn geheel verworpen en beide verzoeksters verwezen in de kosten.
13 In hogere voorziening verzoekt rekwirante het Hof, te verklaren dat haar hogere voorziening tijdig is ingesteld en ontvankelijk is, het bestreden arrest in zijn geheel te vernietigen, de litigieuze beschikking in haar geheel nietig te verklaren of, subsidiair, de zaak voor afdoening naar het Gerecht vaņ eerste aanleg te verwijzen, en de Commissie te verwijzen in de kosten.
14 Rekwirante preciseert, dat zij na een reorganisatie thans is belast met de distributie van landbouwtrekkers van de merken Ford of Fiatagri in het Verenigd Koninkrijk en dat zij in de onderhavige hogere voorziening de gemeenschappelijke belangen van beide verzoeksters in zaak T-34/92 vertegenwoordigt.
15 De Commissie verzoekt het Hof, de hogere voorziening in haar geheel niet-ontvankelijk te verklaren en, subsidiair, elk van de tot staving daarvan aangevoerde middelen te verwerpen op grond dat zij niet-ontvankelijk of, meer subsidiair, ongegrond zijn; voorts verzoekt zij het Hof, rekwirante te verwijzen in de kosten.
16 Bij besluit van 6 juni 1995 heeft het Hof rekwirantes in hogere voorziening ingediende verzoek strekkende tot verkrijging van het integrale proces-verbaal van de op 16 maart 1994 voor het Gerecht in zaak T-34/92 gehouden terechtzitting afgewezen. In haar op 5 juli 1995 ter griffie van het Hof neergelegde repliek heeft rekwirante haar verzoek herhaald. Bij beschikking van het Hof van 12 juni 1997 is dit afgewezen.
17 Tot staving van haar hogere voorziening voert rekwirante in de eerste plaats twee middelen betreffende beweerde procedurefouten aan, te weten schending van de verplichting om het bestreden arrest voldoende te motiveren en verzuim van de verplichting om in te gaan op alle feitelijke onjuistheden die haars inziens aan de litigieuze beschikking kleefden en de invloed ervan op de wettigheid van de beschikking. In de tweede plaats draagt zij drie middelen voor inzake beweerde materiële onjuistheden, te weten onjuiste toepassing van artikel 85, leden 1, 2 en 3, van het Verdrag.
De ontvankelijkheid van de hogere voorziening in haar geheel
18 Primair betoogt de Commissie, dat de hogere voorziening in haar geheel niet-ontvankelijk is, zodat een gedetailleerd onderzoek van elk middel noodzakelijk noch zelfs maar mogelijk is.
19 Dienaangaande stelt de Commissie in de eerste plaats, dat het gehele eerste onderdeel van de hogere voorziening betrekking heeft op feitelijke vragen of erop is gericht, de discussie te heropenen op basis van argumenten die het Gerecht reeds in aanmerking heeft genomen en heeft verworpen. Hetzelfde geldt voor een groot aantal in het tweede onderdeel van de hogere voorziening aangevoerde middelen.
20 In de tweede plaats heeft rekwirante, door haar argumenten rechtens uitdrukkelijk te koppelen aan een andere feitelijke context dan door het bestreden arrest is vastgesteld, geen argumenten rechtens aangevoerd die tot vernietiging van dit arrest kunnen leiden.
21 In de derde plaats voert rekwirante in het tweede onderdeel van haar hogere voorziening weliswaar een aantal middelen en argumenten aan, doch deze zijn niet voldoende duidelijk en nauwkeurig om te kunnen vaststellen tegen welk onderdeel van het bestreden arrest zij zijn gericht, en op welk argument rechtens zij zich baseert.
22 Volgens artikel 168 A EG-Verdrag en artikel 51 van 's Hofs Statuut-EG is de hogere voorziening beperkt tot rechtsvragen en moet zij zijn gebaseerd op middelen ontleend aan onbevoegdheid van het Gerecht, onregelmatigheden in de procedure voor het Gerecht, waardoor aan de belangen van de verzoekende partij afbreuk is gedaan, dan wel schending van het gemeenschapsrecht door het Gerecht. Ingevolge artikel 112, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof moet het verzoekschrift in hogere voorziening de aangevoerde middelen en argumenten rechtens vermelden.
23 Uit deze bepalingen volgt, dat een hogere voorziening duidelijk moet aangeven, tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij is gericht, en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven (beschikking van 17 september 1996, San Marco/Commissie, C-19/95 P, Jurispr. blz. I-4435, punt 37).
24 Een hogere voorziening die slechts de reeds voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten — met inbegrip van die welke waren gebaseerd op door het Gerecht verworpen feiten — herhaalt of letterlijk overneemt, voldoet niet aan dit vereiste; voor zover een dergelijke hogere voorziening geen argument bevat dat specifiek tegen het bestreden arrest is gericht, beoogt zij immers in werkelijkheid slechts een nieuw onderzoek van het bij het Gerecht ingediende verzoek, iets waartoe het Hof op grond van artikel 49 van zijn Statuut-EG niet bevoegd is (zie, in die zin, onder meer beschikking San Marco/Commissie, reeds aangehaald, punt 38).
25 Uit bovenvermelde bepalingen volgt ook, dat een hogere voorziening slechts kan worden gebaseerd op middelen inzake schending van rechtsregels, met uitsluiting van iedere feitelijke beoordeling. Het Gerecht is bij uitsluiting bevoegd om de feiten vast te stellen, behoudens het geval waarin de feitelijke onjuistheid van hetgeen het heeft vastgesteld, voortvloeit uit de hem overgelegde processtukken, en om die feiten te beoordelen. Wanneer het Gerecht de feiten heeft vastgesteld of beoordeeld, ís het Hof evenwel ingevolge artikel 168 A van het Verdrag bevoegd, toezicht uit te oefenen op de wijze waarop het Gerecht de feiten juridisch heeft gekwalificeerd en daaraan rechtsgevolgen heeft verbonden (zie, onder meer, beschikking San Marco/Commissie, reeds aangehaald, punt 39).
26 Het Hof is derhalve niet bevoegd om de feiten vast te stellen, noch, in beginsel, om de bewijzen te onderzoeken die het Gerecht tot staving van die feiten in aanmerking heeft genomen. Wanneer die bewijzen regelmatig zijn verkregen en de algemene rechtsbeginselen en regels van procesrecht inzake de bewijslast en de bewijsvoering zijn geëerbiedigd, staat het enkel aan het Gerecht te beoordelen, welke waarde moet worden gehecht aan de hem voorgelegde bewijzen (zie, onder meer, beschikking San Marco/Commissie, reeds aangehaald, punt 40). Die beoordeling vormt dus, behoudens in het geval van een verkeerde opvatting van die bewijzen, geen rechtsvraag die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof (arrest van 2 maart 1994, Hilti/Commissie, C-53/92 P, Jurispr. blz. I-667, punt 42).
27 In casu moet worden vastgesteld, dat het eerste deel van het verzoekschrift, getiteld „Wezenlijke feiten”, niet nauwkeurig uiteenzet welke argumenten tegen het bestreden arrest worden aangevoerd en dat de door het Gerecht vastgestelde feiten in algemene bewoordingen ter discussie worden gesteld. Aangezien het niet voldoet aan de vereisten van de rechtspraak inzake hogere voorziening, zoals hierboven in herinnering gebracht, moet dit eerste onderdeel van de hogere voorziening niet-ontvankelijk worden verklaard.
28 Met betrekking tot de door rekwirante in het tweede deel van het verzoekschrift aangevoerde middelen zij opgemerkt, dat rekwirante in het bijzonder in repliek preciseert, tegen welke onderdelen van het bestreden arrest zij opkomt, en dat de Commissie in haar betoog ingaat op elk door het Gerecht afgewezen middel. Dit onderdeel van de hogere voorziening kan dus middel voor middel worden onderzocht.
Het eerste middel
29 Met haar eerste middel verwijt rekwirante in eerste instantie het Gerecht, dat het zich heeft beperkt tot een zuiver formeel onderzoek van de litigieuze beschikking, zonder rekening te houden met haar betoog, dat deze beschikking mank ging aan tal van kennelijke onjuistheden. Derhalve heeft het Gerecht niet voldaan aan zijn verplichting om de gronden voor de afwijzing van de voor hem aangevoerde grief aan te geven.
30 Rekwirante voegt hieraan toe, dat het Gerecht geen rekening heeft gehouden met de bewijsmiddelen die zij tijdens de schriftelijke en mondelinge behandeling had voorgelegd en dat het bestreden arrest in tegenspraak is met hetgeen het Gerecht tijdens de mondelinge behandeling over een aantal betrokken vraagstukken te kennen zou hebben gegeven.
31 Voorts stelt rekwirante, dat het Gerecht niet in aanmerking heeft genomen, dat de Commissie op verschillende punten het standpunt van rekwirante zou hebben gedeeld en derhalve de litigieuze beschikking zou hebben weersproken.
32 In tweede instantie ten slotte noemt rekwirante vier passages uit het bestreden arrest waarin het Gerecht niet zou hebben voldaan aan zijn motiveringsplicht.
33 In de eerste plaats zou het Gerecht in punt 35, dat de beoordeling door het Gerecht van het middel inzake ontoereikende motivering van de litigieuze beschikking bevat, op twee van de aangevoerde argumenten niet zijn ingegaan en de twee andere argumenten zonder duidelijke opgave van redenen hebben afgewezen.
34 In de tweede plaats is punt 38 van het bestreden arrest haars inziens onnauwkeurig doordat het niet de redenen vermeldt waarom het Gerecht de conclusie van de Commissie heeft bevestigd, dat het systeem van uitwisseling van informatie in zijn geheel de mededinging belemmert. Voorts bevat punt 39 van dit arrest, waarin het Gerecht heeft geoordeeld, dat het dispositief van de litigieuze beschikking duidelijk was wanneer het werd gelezen in samenhang met de motivering, en inzonderheid de punten 16 en 61 van de beschikking, een tegenstrijdigheid, aangezien het Gerecht enerzijds van de leden van de Exchange zou hebben verlangd dat zijzelf bepalen in welke mate het systeem van uitwisseling van informatie geoorloofd was, en anderzijds het rechtszekerheidsvereiste zou hebben erkend.
35 In de derde plaats is het bestreden arrest volgens rekwirante ontoereikend gemotiveerd wat de omschrijving van het betrokken product en de betrokken markt betreft, aangezien het Gerecht, in weerwil van de door haar aangevoerde argumenten, in punt 51 van het bestreden arrest enkel te kennen heeft gegeven, dat het instemde met de omschrijving van de Commissie.
36 In de vierde plaats stelt rekwirante, dat het begrip „machtspositie” in het bestreden arrest op oneigenlijke wijze en in strijd met artikel 86 is gebruikt, zodat punt 52 ontoereikend is gemotiveerd.
37 Dienaangaande zij om te beginnen vastgesteld, dat het door rekwirante in het kader van het eerste onderdeel van dit middel geformuleerde argument onvoldoende nauwkeurig is. Hieraan zij toegevoegd, dat aan dit nauwkeurigheidsvereiste niet wordt voldaan door bij wijze van voorbeeld een aantal punten van het arrest van het Gerecht te vermelden. Dit onderdeel van het middel is dus nictontvankelijk.
38 Vervolgens moet worden ingegaan op het tweede onderdeel van dit middel, waarin rekwirante aangeeft tegen welke onderdelen van het bestreden arrest zij zich richt.
Punt 35 van het bestreden arrest
39 In punt 35 van het bestreden arrest heeft het Gerecht het onderdeel van het middel dat was ontleend aan ontoereikende motivering van de litigieuze beschikking, verworpen.
40 In punt 33 van het bestreden arrest had het Gerecht het eerste onderdeel van het middel in vier argumenten onderverdeeld.
41 Volgens het eerste argument stond de omstandigheid dat de Commissie onvoldoende rekening had gehouden met rekwirantes argumenten, gelijk met ontoereikende motivering. Dat was het geval met punt 61 van de litigieuze beschikking, dat inzonderheid betrekking had op het feit, dat was bepaald, dat de globale gegevens niet mochten worden meegedeeld wanneer een lid van de Exchange minder dan tien eenheden verkocht in het gebied van een bepaalde dealer, alsmede dat de referentieperiode op één jaar was bepaald.
42 Het tweede argument luidde, dat in de litigieuze beschikking onvoldoende werd gezegd over het Data System, hetgeen een ontbreken van motivering betekende.
43 Volgens het derde argument ging de litigieuze beschikking eraan voorbij, dat de meeste nationale rechtsstelsels aanvaarden, dat gegevens betreffende de inschrijving aan de producenten worden meegedeeld.
44 Volgens het vierde argument ging de Commissie voorbij aan het arrest van 26 november 1975, Groupement des fabricants de papiers peints de Belgique e. a./Commissie (arrest „Papiers peints de Belgique”, 73/74, Jurispr. blz. 1491, punt 33), betreffende de omvang van de motiveringsplicht van de Commissie.
45 Wat de eerste twee argumenten betreft, zij er om te beginnen aan herinnerd, dat het Gerecht in de eerste volzin van punt 35 van het bestreden arrest heeft vastgesteld, dat „de Commissie, die in de punten 33 en 65 van de beschikking heeft geoordeeld, enerzijds dat het Data System in strijd is met artikel 85, lid 1, van het Verdrag, omdat het het eerdere systeem van uitwisseling van informatie mutatis mutandis overneemt, en anderzijds, dat het systeem van uitwisseling van informatie in strijd is met artikel 85, lid 3, van het Verdrag, omdat de mededingingsbeperkingen niet onmisbaar waren, haar beschikking op dit punt rechtens genoegzaam heeft gemotiveerd, ongeacht het oordeel over de gegrondheid van die motivering in dit stadium van het onderzoek van de zaak”.
46 Bij aandachtige lezing van deze volzin blijkt, dat het Gerecht niet heeft nagelaten de motivering van de litigieuze beschikking te onderzoeken, zowel wat de in punt 61 van de beschikking genoemde elementen betreffende de voorwaarden van artikel 85, lid 3, als wat het Data System betreft.
47 Wat het vierde argument, inzake het voorbijgaan aan het reeds aangehaalde arrest Papiers peints, betreft, in punt 35 van het bestreden arrest heeft het Gerecht uiteengezet waarom de Commissie in casu geen zwaardere motiveringsplicht had. Volgens het Gerecht deed de litigieuze beschikking niets anders dan de in de eerdere beschikkingspraktijk van de Commissie geformuleerde beginselen toe te passen op een bijzondere marktsector. Voorts heeft het Gerecht verwezen naar punt 90 van het bestreden arrest, waar het de stelling heeft onderzocht, dat de litigieuze beschikking in tegenspraak zou zijn met de eerdere beschikkingspraktijk van de Commissie.
48 Met betrekking tot het derde argument zij opgemerkt, dat het Gerecht in punt 35 heeft geoordeeld, dat de rechtsstelsels van de verschillende lidstaten niet behoefden te worden onderzocht, gelet op het feit dat de litigieuze beschikking een onderdeel was van de eerdere beschikkingspraktijk van de Commissie.
49 Nu de motivering van het bestreden arrest de redenering die het Gerecht heeft gevolgd om het in punt 33 van het bestreden arrest uiteengezette betoog van rekwirante te weerleggen, voldoende duidelijk doet uitkomen, moet haar argument met betrekking tot punt 35 van het bestreden arrest ongegrond worden geacht.
De punten 38 en 39 van het bestreden arrest
50 In de punten 38 en 39 van het bestreden arrest geeft het Gerecht zijn beoordeling ten aanzien van het onderdeel van het middel, dat de litigieuze beschikking onduidelijk is.
51 Met betrekking tot punt 38 zij vastgesteld, dat het Gerecht, na terecht te hebben herinnerd aan de rechtspraak van het Hof met betrekking tot de vraag, of de in artikel 85, lid 2, genoemde nietigheid van de overeenkomst voor de overeenkomst in haar geheel of slechts voor bepaalde bedingen van de overeenkomst geldt (arrest van 13 juli 1966, Consten en Grundig/Commissie, 56/64 en 58/64, Jurispr. blz. 449), heeft geoordeeld, dat uit de tekst zelf van de litigieuze beschikking duidelijk bleek, dat de Exchange in zijn geheel, en niet de uitwisseling van deze of gene specifieke informatie werd geacht de mededinging te belemmeren. Verder heeft het Gerecht zich uitgesproken over de toepassing van bovengenoemde rechtspraak in geval van een krachtens artikel 85, lid 3, ingediend verzoek om ontheffing. Dienaangaande heeft het overwogen, dat „hoe dan ook de rechtspraak van het Hof inzake de uitlegging van artikel 85, lid 2, van het Verdrag, zoals die is neergelegd in het reeds aangehaalde arrest Consten en Grundig, niet zonder meer kan worden toegepast op het onderzoek van een krachtens artikel 85, lid 3, van het Verdrag ingediend verzoek om ontheffing, daar de Commissie in dat geval voor haar beslissing op het verzoek van de ondernemingen die de aanmelding hebben verricht, haar standpunt moet bepalen ten aanzien van de overeenkomst zoals die haar is aangemeld, behoudens wanneer zij in de loop van het onderzoek van de zaak van partijen deze of gene aanpassing van de aangemelde overeenkomst ver-krijgt”.
52 Uit dit punt volgt, dat de motivering voldoende de redenen expliciteert waarom het Gerecht heeft geoordeeld dat de litigieuze beschikking niet onduidelijk was, toen het het gehele systeem van uitwisseling van informatie als mededingingsbeperkend kwalificeerde.
53 Wat punt 39 van het bestreden arrest betreft, blijkt bij aandachtige lezing, dat het Gerecht heeft overwogen, dat de Commissie in de punten 16 en 61 van de litigieuze beschikking en in artikel 1 van het dispositief van de beschikking de ondernemingen had laten weten in welke mate het systeem van uitwisseling van informatie geoorloofd was, en aldus had bijgedragen tot de rechtszekerheid waaraan de ondernemingen bij hun transacties behoefte hadden. Anders dan rekwirante stelt, is deze motivering niet contradictoir.
54 Het tweede onderdeel van het onderhavige middel is dus niet gegrond.
Punt 51 van het bestreden arrest
55 In de punten 49 tot en met 57 van het bestreden arrest geeft het Gerecht zijn beoordeling ten aanzien van het middel, dat de litigieuze beschikking op een verkeerde omschrijving van het betrokken product en van de relevante markt berust. In punt 51 verklaart het meer bepaald:
„Met betrekking tot de omschrijving van de markt van het product moet worden nagegaan, in welke mate het product substitueerbaar is. Het Gerecht is dienaangaande van oordeel, dat verzoeksters' argument, dat de beschikking voorbijgaat aan iedere analyse van de markt van het product, moet worden afgewezen, daar uit de beschikking duidelijk blijkt, dat deze ervan uitgaat, dat de relevante markt de markt van landbouwtrekkers in het Verenigd Koninkrijk is. Daar bovendien voor deelneming aan het betrokken systeem van uitwisseling van informatie enkel de hoedanigheid van producent of importeur van landbouwtrekkers in het Verenigd Koninkrijk en niet van deze of gene categorie van landbouwtrekkers wordt geëist, kunnen verzoeksters niet op goede gronden stellen, dat de markt van het product verkeerd is omschreven en dat de verschillende soorten landbouwtrekkers niet in ruime mate substitueerbaar zijn. Het Gerecht leidt uit deze vaststelling immers af, dat de ondernemingen in het kader van de Exchange zelf hun mededingingspositie bepalen ten aanzien van het algemene begrip landbouwtrekker dat door de Commissie wordt gehanteerd.”
56 Uit dit punt volgt, dat de gegeven motivering nauwkeurig en toereikend is. Het Gerecht kan des te minder ontoereikende motivering worden verweten, nu rekwirante geen nauwkeurig omschreven argument tot staving van haar stelling aanvoert.
57 Dit onderdeel van het middel is derhalve ongegrond.
Punt 52 van het bestreden arrest
58 Punt 52 van het bestreden arrest luidt als volgt: „Wat het oligopolistisch karakter van de referentiemarkt betreft, moet verzoeksters' kritiek op de door de Commissie verrichte analyse, als zou de markt worden gedomineerd door vier ondernemingen die 75 à 80 % van de markt voor hun rekening nemen, van de hand worden gewezen, daar (...)” [„As regards the question of the oligopolistic nature of the relevant market, the applicants' criticisms of the Commission's conclusion that the market is dominated by four undertakings holding between 75 and 80 % of the market must be rejected, since (...)”].
59 Uit deze volzin blijkt niet, dat het Gerecht heeft gezinspeeld op het specifieke begrip „machtspositie” in de zin van artikel 86. Duidelijk is immers, dat de uitdrukking „zou (...) worden gedomineerd” [„is dominated”] wordt gebruikt in de context van artikel 85, los van artikel 86.
60 Dit laatste onderdeel van het eerste middel is derhalve ongegrond.
61 Aangezien het eerste middel, gelet op vorenstaande overwegingen, deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond is, moet het in zijn geheel worden verworpen.
Het tweede middel
62 Met haar tweede middel verwijt rekwirante het Gerecht, dat dit geen rekening heeft gehouden met de feitelijke dwalingen van de Commissie en de gevolgen daarvan voor de wettigheid van de litigieuze beschikking. Dit middel betreft de punten 58 tot en met 78 van het bestreden arrest, betreffende het middel dat de analyse door de Commissie van de aangemelde informatie op feitelijke dwalingen berust.
63 Dienaangaande blijkt uit het bestreden arrest het volgende:
-
in de eerste plaats heeft het Gerecht overwogen, dat verzoeksters niet hadden aangetoond, dat de eventuele feitelijke dwalingen van de Commissie in punt 14 van de litigieuze beschikking de wettigheid daarvan aantasten (punten 66-73 van het bestreden arrest);
-
in de tweede plaats was het Gerecht van oordeel, dat verzoeksters' argument, dat de Commissie heeft gedwaald ten aanzien van de feiten door te oordelen dat de SIL de zeven cijfers van de postcode van de ingeschreven houder van het voertuig uit het formulier V55 overneemt, feitelijke grondslag miste (punt 74 van het bestreden arrest);
-
in de derde plaats heeft het Gerecht geoordeeld, dat verzoeksters ter zake van de afbakening van de dealergebieden niet hadden aangetoond, dat de Commissie feitelijk had gedwaald waar zij meende, dat voor de afbakening van deze gebieden een of meer postzones werden gebruikt (punt 75 van het bestreden arrest);
-
in de vierde plaats heeft het Gerecht vastgesteld, dat verzoeksters' argument, dat de laatste alinea van punt 26 van de litigieuze beschikking aldus moest worden uitgelegd, dat daarin werd gezegd dat de producenten een systeem van uitwisseling van informatie onder elkaar hadden opgezet en niet zozeer een systeem van uitwisseling van informatie over de betrekkingen tussen een bepaalde producent en zijn dealers, feitelijke grondslag miste (punt 76 van het bestreden arrest);
-
in de vijfde plaats heeft het Gerecht met betrekking tot het argument, dat de Commissie bij de analyse van het Data System eraan is voorbijgegaan, dat in dit systeem op kwartaalbasis een overzicht wordt gegeven van de verkopen van de dealers van een bepaalde producent in het dealergebied van elke dealer, vastgesteld, dat het door de Commissie in punt 65 van de litigieuze beschikking geformuleerde oordeel niet op een dwaling omtrent de feiten berustte (punt 77 van het bestreden arrest).
64 In hogere voorziening stelt rekwirante, dat het Gerecht in punt 66 van het bestreden arrest heeft erkend, dat de litigieuze beschikking een aantal feitelijke dwalingen omtrent de kenmerken van de Exchange bevatte, doch dat het, ondanks deze bevindingen, de litigieuze beschikking zodanig heeft „herschreven”, dat deze feitelijke dwalingen de wettigheid ervan niet aantasten. Vervolgens zijn andere fundamentele dwalingen die requirante heeft aangevoerd en die het Gerecht heeft vastgesteld, inzonderheid de meeste van de in de punten 58 tot en met 61 van het bestreden arrest opgesomde dwalingen, zonder gevolgen gebleven.
65 Aldus stelt rekwirante in de eerste plaats, dat het Gerecht de bewijsmiddelen heeft miskend die zij had voorgedragen om aan te tonen, dat de trekkers als een heterogeen product moesten worden beschouwd.
66 In de tweede plaats verwijt rekwirante het Gerecht, dat dit de Commissie heeft gecorrigeerd waar deze rekening heeft gehouden met de kenmerken van de Exchange van vóór de aanmelding.
67 In de derde plaats stelt rekwirante, dat het Gerecht in punt 75 van het bestreden arrest ten onrechte de dwaling heeft gebagatelliseerd die de Commissie heeft begaan waar zij meende, dat voor de afbakening van de dealergebieden postzones werden gebruikt.
68 In de vierde plaats stelt rekwirante, dat het door het Gerecht ingestelde onderzoek aan het licht heeft gebracht, dat de Commissie een verkeerde opvatting en op zijn minst een verkeerde voorstelling had van het soort van informatie dat uit hoofde van de Exchange en het Data System kon worden verstrekt, alsmede van de gevaren die dit meebracht voor de mededinging. In de punten 66, 67, 72, 74 en 77 van het bestreden arrest is het Gerecht evenwel aan deze fouten voorbijgegaan of heeft het daaraan niet de nodige gevolgen verbonden.
69 In de vijfde plaats merkt rekwirante op, dat het Gerecht in de punten 72 en 77 van het bestreden arrest niet is ingegaan op de rechtsgevolgen van alle verschillen tussen het systeem van uitwisseling van informatie en het Data System, doch uitsluitend op het aspect van de informatie betreffende de omzet van de dealers.
70 Ten slotte stelt rekwirante, dat het Gerecht in de punten 67 tot en met 71 haar argumenten betreffende de verklaring van de Commissie, dat het verstrekken van de identificatiegegevens uit hoofde van de Exchange een volledige transparantie creëerde en derhalve een einde moest maken aan de verkapte mededinging, verkeerd heeft opgevat.
71 Tot staving van haar stelling, dat het Hof bevoegd is om bovengenoemde argumenten te onderzoeken, verwijst rekwirante naar het arrest van 1 juni 1994, Commissie/Brazzelli Lualdi e. a. (C-136/92 P, Jurispr. blz. I-1981), waaruit blijkt, dat het Hof bevoegd is om de feiten vast te stellen, wanneer de feitelijke onjuistheid van hetgeen het Gerecht heeft vastgesteld, voortvloeit uit de hem overgelegde stukken.
72 Wat om te beginnen de bevoegdheid van het Hof betreft, in punt 25 van het onderhavige arrest is reeds eraan herinnerd, dat het Hof inderdaad bevoegd is om de vaststelling van de feiten door het Gerecht te onderzoeken, wanneer de feitelijke onjuistheid van deze vaststellingen voortvloeit uit de hem overgelegde processtukken. Daarvoor is wel vereist, dat deze onjuistheid duidelijk uit de processtukken blijkt, zonder dat daartoe de feiten opnieuw behoeven te worden beoordeeld.
73 In casu blijkt evenwel uit het onderzoek van de door rekwirante voor het Hof aangevoerde argumenten, dat zij enkel de beoordeling van de bewijsmiddelen door het Gerecht betwist. Rekwirantes betoog luidt immers, dat het Gerecht aan de hem voorgelegde bewijsmiddelen andere conclusies had moeten verbinden dan het heeft gedaan. Zij geeft niet aan, uit welke processtukken duidelijk het bestaan van een feitelijke onjuistheid blijkt; evenmin preciseert zij welke fout het Gerecht zou hebben begaan bij de toepassing van de rechtsregels inzake de bewijslast en de bewijsvoering, noch noemt zij enige andere rechtsregel die het Gerecht zou hebben geschonden.
74 Het tweede middel moet derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.
Het derde middel
75 Rekwirante stelt, dat het Gerecht artikel 85, lid 1, van het Verdrag onjuist heeft toegepast, doordat het de referentiemarkt onjuist heeft omschreven en een onjuiste uitlegging heeft gegeven aan de voorwaarden waaronder een overeenkomst of een onderling afgestemde feitelijke gedraging onverenigbaar is met deze bepaling, inzonderheid wat betreft het vereiste van een mededingingsbeperkend doel of gevolg.
76 Dit middel bestaat uit drie onderdelen, betreffende achtereenvolgens de referentiemarkt, de uit de Exchange voortvloeiende mededingingsbelemmeringen en het ontbreken van concrete argumenten ontleend aan precedenten in het gemeenschapsrecht of de economische leer.
Het eerste onderdeel van het derde middel
77 Rekwirante stelt, dat het Gerecht zich niet heeft gehouden aan zijn verplichting tot juiste toepassing van het in het arrest van 14 februari 1978, United Brands/Commissie (27/76, Jurispr. blz. 207, punt 11), geformuleerde rechtsbeginsel, dat voor de toepassing van artikel 85 van het Verdrag rekening moet worden gehouden met de bijzondere kenmerken van het betrokken product en verband moet worden gelegd met een duidelijk omschreven geografisch gebied waarin het product in de handel wordt gebracht en waar de mededingingssituatie voldoende homogeen is. Het Gerecht heeft niet de door de Commissie verrichte beoordeling onderzocht, doch zich beperkt tot een zuiver formeel onderzoek.
78 De tot staving van deze verklaring aangevoerde argumenten betreffen de beoordelingen door het Gerecht met betrekking tot, in de eerste plaats, de omschrijving van de markt van het product (punt 51 van het bestreden arrest), in de tweede plaats, de afbakening van de geografische markt (punt 56) en, in de derde plaats, de omschrijving van de marktstructuur in verschillende andere opzichten.
79 Wat de omschrijving van de markt van het product betreft, stelt rekwirante dat het Gerecht, hoewel het de noodzaak heeft onderstreept om na te gaan in welke mate het product substitueerbaar is, in punt 51 van het bestreden arrest heeft nagelaten dit aspect te beoordelen. Zo houdt de omschrijving van de markt van het product in de litigieuze beschikking en het bestreden arrest geen rekening met de door verzoeksters voorgelegde bewijsmiddelen waaruit blijkt, dat het product in hoge mate heterogeen en technisch ingewikkeld en niet homogeen is. Deze onjuiste omschrijving heeft geleid tot een verkeerde beoordeling van de transparantie op de betrokken markt.
80 Dienaangaande blijkt uit punt 51 van het bestreden arrest, dat het Gerecht is nagegaan, in welke mate het product substitueerbaar is, en heeft verklaard, dat voor deelneming aan het systeem van uitwisseling van informatie enkel de hoedanigheid van producent of importeur van landbouwtrekkers in het Verenigd Koninkrijk werd geëist en dat het niet om deze of gene categorie van landbouwtrekkers hoefde te gaan. Het Gerecht leidde uit deze vaststelling af, dat de ondernemingen in het kader van de Exchange zelf hun mededingingspositie bepaalden ten aanzien van het algemene begrip landbouwtrekker.
81 Lezing van punt 51 van het bestreden arrest leert dus, dat rekwirantes verklaring dat het Gerecht niet zou zijn nagegaan, in welke mate het betrokken product substitueerbaar was, niet opgaat. Met haar verklaring dat het Gerecht geen rekening zou hebben gehouden met de dienaangaande door verzoeksters voorgelegde bewijzen, wil zij in feite de beoordeling van de feiten door het Gerecht ter discussie stellen. Deze is evenwel niet vatbaar voor toetsing door het Hof, aangezien rekwirante niet aantoont, dat de bewijzen verkeerd zijn opgevat.
82 In de tweede plaats stelt rekwirante dat het Gerecht, door in punt 56 van het bestreden arrest de betrokken geografische markt tot het Verenigd Koninkrijk te beperken in plaats van haar uit te breiden tot de gehele gemeenschappelijke markt, een verkeerde analyse heeft gemaakt. Deze beoordeling wordt immers neergelegd door het grote aantal door verzoeksters aangevoerde bewijzen waaruit blijkt, dat de in het arrest United Brands/Commissie, reeds aangehaald, gestelde voorwaarde was vervuld, omdat de mededingingsvoorwaarden op de gehele gemeenschappelijke markt voldoende homogeen waren.
83 Dienaangaande blijkt uit punt 56 van het bestreden arrest, dat het Gerecht naar analogie van het arrest United Brands/Commissie, reeds aangehaald, van oordeel was, dat de referentiemarkt uit geografisch oogpunt kan worden omschreven als het gebied waarbinnen de mededingingsvoorwaarden, met name de vraag van de consumenten, voldoende homogeen zijn. Vervolgens heeft het overwogen, dat het niet is uitgesloten, dat de markt voor landbouwtrekkers moet worden omschreven als een markt met de Gemeenschap als geografische omvang. Het heeft evenwel opgemerkt, dat „deze oplossing, gesteld dat zij wordt aanvaard, (...) geenszins eraan in de weg [staat], dat in een geval als het onderhavige, waar de gelaakte praktijk slechts op het grondgebied van één lidstaat voorkomt, de markt waarop de gevolgen van díe praktijk moeten worden gemeten, wordt omschreven als markt met het nationale grondgebied als geografische omvang” en dat „in dit geval (...) het immers de aanbieders zelf [zijn] die door hun gedrag deze markt tot een nationale markt hebben gemaakt”.
84 Zoals het Hof reeds bij andere gelegenheden heeft overwogen, moet bij de beoordeling van de geografische omvang van de betrokken markt rekening worden gehouden met de regio waar de gevolgen van de onderling afgestemde feitelijke gedraging zich doen gevoelen (zie, in die zin, arresten van 9 juli 1969, Völk, 5/69, Jurispr. blz. 295, punt 7, en 9 november 1983, Michelin/Commissie, 322/81, Jurispr. blz. 3461, punten 25-28). Door een systeem van uitwisseling van informatie in het leven te roepen dat het mogelijk maakt informatie over de verkopen op de Britse markt te verstrekken aan de leden van dit systeem die leveranciers op deze markt zijn, heeft de Exchange zelf enkel gevolgen op de Britse markt, zodat alleen deze markt voldoende homogeen is voor het onderzoek van de mededingingsbelemmeringen. Derhalve heeft het Gerecht niet in rechte gedwaald bij zijn beoordeling van de gegrondheid van de omschrijving van de geografische markt.
85 In de derde plaats stelt rekwirante, dat de marktstructuur in de litigieuze beschikking en in het bestreden arrest in verschillende andere wezenlijke opzichten verkeerd is geanalyseerd en dat het Gerecht het grote aantal argumenten en bewijsmiddelen dat verzoeksters op dit punt hadden aangevoerd, heeft miskend.
86 Dienaangaande kan worden volstaan met op te merken, dat rekwirante enkel de beoordeling van de feiten door het Gerecht betwist, zonder argumenten rechtens aan te voeren die door het Hof kunnen worden onderzocht. Voorts preciseert rekwirante niet tegen welke onderdelen van het bestreden arrest zij opkomt.
87 Uit het onderzoek van het eerste onderdeel van het derde middel volgt, dat dit deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond is.
Het tweede onderdeel van het derde middel
88 Het tweede onderdeel van het derde middel betreft punt 93 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht heeft overwogen, dat „de omstandigheid, dat verweerster niet heeft kunnen aantonen, dat de schorsing van de Exchange per 24 november 1988 een reële invloed heeft gehad op de markt, (...) geen gevolgen [heeft] voor de beslechting van het geschil, daar artikel 85, lid 1, van het Verdrag niet alleen de reële, maar ook de zuiver potentiële mededingingsbelemmeringen verbiedt, mits deze laatste voldoende merkbaar zijn, hetgeen in casu het geval was gelet op de bijzondere kenmerken van de markt, zoals die hierboven (...) in herinnering zijn gebracht”.
89 Rekwirante stelt, dat het Gerecht heeft gedwaald ten aanzien van het recht door te verklaren, dat artikel 85, lid 1, niet alleen reële, maar ook potentiële mededingingsbelemmeringen verbiedt, mits deze laatste voldoende merkbaar zijn. Haars inziens mag op grond van de rechtspraak van het Hof slechts rekening worden gehouden met de potentiële gevolgen van een overeenkomst om vast te stellen, of zij het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt, doch niet om uit te maken, of zij de mededinging beperkt. Dienaangaande wijst zij erop, dat de Exchange dertien jaar heeft bestaan, wat zou hebben moeten volstaan om vast te stellen, of hij reële schadelijke gevolgen had.
90 Het is vaste rechtspraak van het Hof, dat, om te kunnen beoordelen of een overeenkomst als verboden moet worden beschouwd wegens de vervalsing van de mededinging die het gevolg ervan is, de mededinging moet worden bezien binnen het feitelijke kader waarin zij zich zonder de litigieuze overeenkomst zou afspelen (zie, onder meer, arresten van 30 juni 1966, Société technique miniére, 56/65, Jurispr. blz. 391, en 11 december 1980, L'Oréal, 31/80, Jurispr. blz. 3775, punt 19).
91 Ingevolge artikel 85, lid 1, is een dergelijke beoordeling niet enkel beperkt tot de werkelijke gevolgen, doch moet zij eveneens rekening houden met de potentiële gevolgen van de overeenkomst voor de mededinging op de gemeenschappelijke markt (zie, in die zin, arresten van 10 december 1985, ETA, 31/85, Jurispr. blz. 3933, punt 12, en 17 november 1987, BAT en Reynolds, 142/84 en 156/84, Jurispr. blz. 4487, punt 54). Zoals het Gerecht terecht in herinnering heeft gebracht, ontkomt een overeenkomst evenwel aan het verbod van artikel 85 wanneer zij de markt slechts in zeer geringe mate beïnvloedt (arrest Völk, reeds aangehaald, punt 7).
92 Het Gerecht heeft dus terecht overwogen, dat de omstandigheid dat de Commissie niet het bestaan van een reële mededingingsbelemmering heeft kunnen aantonen, geen gevolgen had voor de beslechting van het geschil. Het tweede onderdeel van het onderhavige middel is derhalve ongegrond.
Het derde onderdeel van het derde middel
93 In het derde onderdeel van het derde middel betoogt rekwirante, dat de onderhavige zaak verschilt van al die zaken waarin een systeem van uitwisseling van informatie is getoetst aan artikel 85 van het Verdrag, op grond dat het betrokken systeem van uitwisseling van informatie geen verband houdt met een mededingingsregeling, enkel informatie over reeds verrichte verkopen verstrekt en geen betrekking heeft op de basisproducten.
94 Rekwirante merkt op dat, hoewel het Gerecht in punt 91 van het bestreden arrest heeft erkend, dat de litigieuze beschikking „de eerste beschikking [was] waarmee de Commissie zich verzet tegen een systeem van uitwisseling van informatie dat niet rechtstreeks betrekking heeft op de prijs en evenmin een ander de mededinging belemmerend mechanisme ondersteunt”, het in punt 35 heeft geoordeeld, dat de litigieuze beschikking „niets anders doet dan de in de eerdere beschikkingspraktijk van de Commissie geformuleerde beginselen toe te passen op een bijzondere marktsector, te weten de markt voor landbouwtrekkers in het Verenigd Koninkrijk”. Deze tweede vaststelling is in tegenspraak met de eerste en heeft het Gerecht ten onrechte doen overwegen, dat de litigieuze beschikking was gegeven met eerbiediging van de motiveringsplicht, zoals gepreciseerd in het arrest Papiers peints, reeds aangehaald.
95 Voor zover rekwirante met dit argument beoogt aan te tonen, dat punt 35 van het bestreden arrest een tegenstrijdigheid bevat wat de vereisten inzake de motivering van de litigieuze beschikking betreft, is het reeds onderzocht in de punten 47 tot en met 49 van het onderhavige arrest.
96 Bovendien moet worden vastgesteld, dat rekwirante onvoldoende nauwkeurig aangeeft tegen welke onderdelen van het bestreden arrest zij opkomt en welke rechtsregels zouden zijn geschonden, om het Hof in staat te stellen dit onderdeel van het middel te onderzoeken.
97 Het derde onderdeel is derhalve niet-ontvankelijk.
98 Bijgevolg is het derde middel deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond, zodat het moet worden verworpen.
Het vierde middel
99 Het vierde middel betreft punt 38 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht verzoeksters' argument heeft onderzocht, dat de draagwijdte van het dispositief van de litigieuze beschikking, in strijd met de door het Hof in het arrest Consten en Grundig/Commissie, reeds aangehaald, geformuleerde vereisten, niet uit de motivering ervan bleek.
100 Volgens rekwirante heeft het Gerecht in casu geen toepassing gegeven aan het in voormeld arrest geformuleerde beginsel, dat de in artikel 85, lid 2, bedoelde nietigheid van rechtswege alleen geldt voor de onderdelen van de overeenkomst die door het verbod worden getroffen, of voor de gehele overeenkomst indien die onderdelen met de overeenkomst zelf een onverbrekelijk geheel vormen. Het Gerecht heeft immers overwogen, dat dit beginsel niet van toepassing is op gevallen waarin een individuele ontheffing krachtens artikel 85, lid 3, wordt aangevraagd. De leden van de Exchange, en a fortiori de leden van het Data System, hebben hun overeenkomsten bij de Commissie aangemeld, primair ter verkrijging van een negatieve verklaring en slechts subsidiair ter verkrijging van een individuele ontheffing krachtens artikel 85, lid 3.
101 Rekwirante voegt hieraan toe, dat het Gerecht de litigieuze beschikking niet als geldig had mogen aanmerken, op grond dat zij geen enkele overweging bevat met betrekking tot het mededingingsbeperkende karakter van de Exchange in zijn geheel. De Commissie heeft immers niet overeenkomstig het in het reeds aangehaalde arrest Consten en Grundig/Commissie neergelegde beginsel duidelijk aangegeven, welke leden van de Exchange hadden moeten worden uitgesloten om de Exchange en het Data System in overeenstemming te brengen met artikel 85, lid 1.
102 Uit punt 38 van het bestreden arrest blijkt duidelijk, dat het Gerecht, anders dan rekwirante stelt, het in het reeds aangehaalde arrest Consten en Grundig/Commissie geformuleerde beginsel niet heeft veronachtzaamd. Het voorbehoud dat het Gerecht in de laatste volzin van punt 38 ten aanzien van de toepassing van dit beginsel maakt, heeft immers slechts betrekking op de relevantie ervan in het kader van de toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag. Zonder dat de gegrondheid van deze uitlegging van het Gerecht behoeft te worden onderzocht, moet derhalve worden vastgesteld dat de verklaring van rekwirante ongegrond is.
103 In haar vierde middel stelt rekwirante eveneens, dat het Gerecht ten onrechte niet heeft vastgesteld, dat in de motivering van de beschikking niet wordt uitgelegd waarom de Exchange in zijn geheel de mededinging schaadde.
104 Deze verklaring is reeds in punt 52 van het onderhavige arrest onderzocht in het kader van het tweede onderdeel van het eerste middel, inzake ontoereikende motivering van punt 38 van het bestreden arrest.
105 Zo dit vierde middel ten slotte moet worden geacht te zijn gericht tegen het oordeel, dat de bedingen van de Exchange een onverbrekelijk geheel vormen in de zin van de rechtspraak voortvloeiend uit het reeds aangehaalde arrest Consten en Grundig/Commissie, zij vastgesteld, dat verzoeksters zich voor het Gerecht niet erop hadden beroepen, dat de Commissie de vraag of de bedingen al dan niet kunnen worden gescheiden, onjuist had beoordeeld, doch enkel hadden gesteld dat de draagwijdte van het dispositief van de litigieuze beschikking niet duidelijk uit de motivering ervan bleek. Voorts heeft rekwirante voor het Hof geen enkel argument aangevoerd met betrekking tot de mogelijke identificatie van scheidbare elementen van de Exchange in zijn geheel. Op dit punt is het vierde middel dus niet-ontvankelijk.
106 Uit deze overwegingen volgt, dat het vierde middel deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond is, zodat het moet worden verworpen.
Het vijfde middel
107 Het vijfde middel, ontleend aan onjuiste toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag, betreft punt 99 van het bestreden arrest.
108 In dit punt heeft het Gerecht geoordeeld, dat de Commissie het verzoek om individuele ontheffing terecht heeft afgewezen op grond dat de uit de uitwisseling van informatie voortvloeiende mededingingsbeperkingen niet onmisbaar waren. Dienaangaande heeft het Gerecht opgemerkt, dat volgens de Commissie gegevens over de eigen onderneming en globale gegevens over de bedrijfstak volstonden om op de markt voor landbouwtrekkers te opereren.
109 Het Gerecht was vervolgens in dit punt 99 van oordeel, dat de Commissie terecht had geoordeeld, dat de met betrekking tot de eerste aanmelding geformuleerde opmerkingen mutatis mutandis golden voor de tweede aanmelding, daar het Data System nog steeds in het verstrekken van gegevens op maandbasis over de omzet en het marktaandeel van de leden (en van de dealers) voorzag. Het stelde vast, dat de Commissie daarmee had willen zeggen, dat informatie waarin de verkopen van de concurrenten over korte tijdvakken werden geïndividualiseerd, niet onontbeerlijk was om de gestelde doelen te kunnen bereiken.
110 Ten slotte was het Gerecht in dit punt, in antwoord op verzoeksters' verklaring dat de informatie noodzakelijk was om de service of de garantie te verzekeren, van oordeel, dat service of garantie zeer goed konden worden verstrekt zonder een systeem van uitwisseling van informatie als het hier in geding zijnde.
111 In de eerste plaats bestrijdt rekwirante het oordeel van het Gerecht, dat de door de Commissie met betrekking tot de eerste aanmelding geformuleerde opmerkingen mutatis mutandis gelden voor de tweede aanmelding. Rekwirante beroept zich dienaangaande op de wijzigingen in het tijdschema en de aard van de verstrekte informatie die het Gerecht zou hebben miskend.
112 Er kan worden volstaan met vast te stellen, dat rekwirante met dit argument opkomt tegen de beoordeling van de feiten door het Gerecht, die in het kader van een hogere voorziening niet vatbaar is voor toetsing door het Hof.
113 In de tweede plaats wijst rekwirante erop, dat haar verzoek om individuele ontheffing was gebonden aan de vaststelling, dat artikel 85, lid 1, was geschonden. Deze schending was vastgesteld op basis van veronderstellingen met betrekking tot zuiver theoretische gevolgen van het systeem van uitwisseling van informatie voor de mededinging. Deze schending van artikel 85, lid 1, moet eveneens in aanmerking worden genomen bij het onderzoek van de vraag, of was voldaan aan de onmisbaarheidsvoorwaarde krachtens artikel 85, lid 3.
114 Dienaangaande kan worden volstaan met de vaststelling, dat, aangezien rekwirantes argumenten ten betoge dat artikel 85, lid 1, onjuist is toegepast, in het onderhavige arrest worden verworpen, het betrokken argument niet ter zake dienend is.
115 In de derde plaats stelt rekwirante om te beginnen dat, gesteld dat het Gerecht zou hebben overwogen, dat verzoeksters niet hadden aangetoond, dat de fasering in de tijd van de verspreiding van gegevens over inschrijvingen per model onmisbaar was, daartegen dan moet worden ingebracht, dat de omstandigheid dat de verspreiding onmisbaar is, valt te verklaren doordat de producenten over actuele gegevens moeten beschikken om te gelegener tijd beslissingen en maatregelen te nemen die tegemoet komen aan de behoeften van de klanten. Zij verwijt het Gerecht, dat het haar betoog heeft teruggebracht tot de noodzaak voor de belanghebbenden om over gegevens voor de service en de garantie te beschikken.
116 Rekwirante stelt vervolgens, dat enkel de grootste producenten in staat zijn om zelfstandig betrouwbare gegevens over de verkopen te verkrijgen. Voorts zijn de aldus verkregen gegevens minder betrouwbaar dan die welke in het kader van het systeem van uitwisseling van informatie worden verstrekt. Derhalve vormt dit systeem een waarborg voor informatie van dezelfde kwantiteit en kwaliteit, zowel Voor de grote als voor de kleine ondernemingen en voor de nieuwkomers op de markt. Ten slotte zijn de ondernemingen zonder het systeem van uitwisseling van informatie verplicht rechtstreeks gegevens uit te wisselen, hetgeen in strijd zou kunnen zijn met het mededingingsrecht.
117 Opgemerkt zij, dat deze argumenten dezelfde zijn als die welke voor de Commissie en het Gerecht zijn aangevoerd ten betoge dat de betrokken uitwisseling van informatie, inzonderheid die onder het Data System, voldeed aan het criterium dat de beperkingen onmisbaar moesten zijn. Voorts preciseert rekwirante niet, hoe het Gerecht bij de toetsing van de uitoefening van de door artikel 85, lid 3, aan de Commissie toegekende beoordelingsbevoegdheid zou hebben gedwaald ten aanzien van het recht, en wettigt geen enkel element van het dossier de conclusie, dat het Gerecht zich bij zijn toetsing hieraan schuldig zou hebben gemaakt.
118 Voorts blijkt niet, dat het Gerecht zijn beoordeling heeft gebaseerd op de premisse dat verzoeksters als voordeel van de uitwisseling van informatie enkel de noodzaak om de service of de garantie te verzekeren, hebben aangevoerd. Enerzijds is immers de uiteenzetting van verzoeksters' argumenten in de punten 95 en 96 van het bestreden arrest niet tot deze elementen beperkt. Anderzijds is de betrokken passage in punt 99 van het bestreden arrest blijkbaar een antwoord op voor het Gerecht aangevoerde specifieke argumenten met betrekking tot het Data System.
119 Aangezien het vijfde middel derhalve deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond is, moet het worden verworpen.
120 Uit alle vorenstaande overwegingen volgt, dat de door rekwirante tot staving van haar hogere voorziening aangevoerde middelen deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond zijn. De hogere voorziening moet derhalve in haar geheel worden verworpen.
Kosten
121 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 118 van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien rekwirante in het ongelijk is gesteld, moet zij in de kosten van de onderhavige procedure worden verwezen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende:
-
Verwerpt de hogere voorziening.
-
Verwijst New Holland Ford Ltd in de kosten.
Gulmann
Moitinho de Almeida
Edward
Jann
Sevón
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 28 mei 1998.
De griffier
R. Grass
De president van de Vijfde kamer
C. Gulmann