Home

Hof van Justitie EU 20-02-1997 ECLI:EU:C:1997:72

Hof van Justitie EU 20-02-1997 ECLI:EU:C:1997:72

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
20 februari 1997

Uitspraak

Arrest van het Hof (Tweede kamer)

20 februari 1997(*)

In zaak C-128/95,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van het Tribunal de commerce de Lyon (Frankrijk), in het aldaar aanhangig geding tussen

Fontaine SA,

Garage Laval SA,

Fahy SA,

Renault Lyon Ouest FLB Automobiles SA,

Diffusion Vallis Auto SA,

Horizon Sud SA

en

Aqueducs Automobiles SARL,

HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: G. F. Mancini, kamerpresident, G. Hirsch en R. Schintgen (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer

griffier: D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur

  1. gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

    • Aqueducs Automobiles SARL, vertegenwoordigd door J. C. Fourgoux, advocaat te Parijs,

    • de Franse regering, vertegenwoordigd door C. de Salins en G. Mignot, onderdirecteur respectievelijk secretaris buitenlandse zaken bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigden,

    • de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door F. E. Gonzalez Díaz, lid van haar juridische dienst, en G. Charrier, nationaal ambtenaar ter beschikking gesteld van deze dienst, als gemachtigden,

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de mondelinge opmerkingen van Aqueducs Automobiles SARL, vertegenwoordigd door J. C. Fourgoux, de Franse regering, vertegenwoordigd door G. Mignot, en de Commissie, vertegenwoordigd door G. Charrier en R. Lyal, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, ter terechtzitting van 10 december 1996,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 januari 1997,

het navolgende

Arrest

1 Bij vonnis van 2 januari 1995, zoals gerectificeerd bij vonnis van 7 februari 1995, ingekomen bij het Hof op 18 april daaraanvolgend, heeft het Tribunal de commerce de Lyon krachtens artikel 1 77 EG-Verdrag drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van verordening (EEG) nr. 123/85 van de Commissie van 12 december 1984 betreffende de toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag op groepen afzet-en klantenserviceovereenkomsten inzake motorvoertuigen (PB 1985, L 15, biz. 16).

2 Deze vragen zijn gerezen in het kader van een vordering wegens oneerlijke concurrentie, die door de vennootschappen Fontaine, Garage Laval, Fahy, Renault Lyon Ouest FLB Automobiles, Diffusion Vallis Auto en Horizon Sud (hierna: „Fontaine e. a.”) is ingesteld tegen de vennootschap Aqueducs Automobiles.

3 Fontaine e. a., gevestigd in het Franse departement Rhône, zijn exclusieve dealers van de automerken Audi, Ford, Peugeot, Renault en Volkswagen.

4 Aqueducs Automobiles, gevestigd in hetzelfde Franse departement, koopt via parallelimport nieuwe voertuigen van verschillende merken, die minder dan 3 maanden zijn ingeschreven of minder dan 3 000 kilometer hebben gereden, welke zij als onafhankelijk handelaar in Frankrijk wederverkoopt. Deze vennootschap heeft dergelijke voertuigen in voorraad en maakt reclame om de verkoop ervan te bevorderen.

5 Fontaine e. a. zijn van oordeel, dat Aqueducs Automobiles, die niet deel uitmaakt van enig distributienet van een automobielfabrikant en evenmin gevolmachtigd tussenpersoon is in de zin van artikel 3, sub 11, van verordening nr. 123/85, zich aldus jegens de exclusieve dealers van de betrokken merken schuldig heeft gemaakt aan oneerlijke concurrentie. Bijgevolg stelden zij op 1 april 1994 bij het Tribunal de commerce de Lyon een vordering in, onder meer strekkende tot een gebod aan Aqueducs Automobiles om de onafhankelijke verkoop van nieuwe voertuigen te staken, tot een verbod om een voorraad van dergelijke voertuigen aan te houden en reclame te maken ter bevordering van de verkoop ervan, alsmede tot veroordeling van deze vennootschap tot het betalen van schadevergoeding voor de door de dealers geleden schade.

6 Tot staving van hun vordering doen Fontaine e. a. een beroep op verordening nr. 123/85. Volgens hen kan een wederverkoper van auto's die niet deel uitmaakt van enig distributienet van een merk en die voertuigen betrekt via parallelimport, zijn activiteiten enkel uitoefenen als gevolmachtigd tussenpersoon in de zin van artikel 3, sub 11, van verordening nr. 123/85 en onder de voorwaarden die zijn vastgesteld bij mededeling 91/C 329/06 van de Commissie van 4 december 1991, getiteld „Toelichting op de werkzaamheden van tussenpersonen in de automobielsector” (PB 1991, C 329, biz. 20). In het bijzonder zou de lasthebber enkel mogen handelen voor rekening van een koper — eindgebruiker — en zou het hem verboden zijn een voorraad aan te houden of bij het publiek verwarring te doen ontstaan door met name via zijn reclame de indruk te wekken een wederverkoper te zijn. Voor het overige zou verordening nr. 123/85 zich ertegen verzetten, dat een marktdeelnemer de activiteiten van gevolmachtigd tussenpersoon en onafhankelijk wederverkoper cumuleert.

7 Fontaine e. a. stellen bovendien dat, in tegenstelling tot hetgeen Aqueducs Automobiles betoogt, de verkochte voertuigen niet als gebruikte voertuigen kunnen worden beschouwd louter omdat hun kilometerteller niet meer op nul staat. Overeenkomstig de Franse regeling wordt immers ieder voertuig dat binnen de 3 maanden na zijn eerste inschrijving wordt verkocht of minder dan 3 000 kilometer heeft gereden, als nieuw aangemerkt. Deze criteria zijn later zelfs uitgebreid tot 6 maanden en 6 000 kilometer, teneinde de parallelverkoop van motorvoertuigen te belemmeren.

8 Aqueducs Automobiles meent daarentegen, dat in verordening nr. 123/85 enkel de betrekkingen tussen de automobielfabrikanten en hun dealers worden geregeld. Deze verordening zou bijgevolg niet zien op de activiteiten of de reclame van onafhankelijke handelaars en evenmin de cumulatie van de activiteiten van onafhankelijk wederverkoper en gevolmachtigd tussenpersoon in één onderneming verbieden.

9 Van oordeel dat voor de beslechting van het bij hem aanhangig geding het gemeenschapsrecht moest worden uitgelegd, heeft het Tribunal de commerce de Lyon de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

  1. Is parallelimport anders dan in het kader van een aan een dienstverlenende tussenpersoon verleende volmacht en dus door middel van een aan-en verkooptransactie verboden?

  2. Is het een onafhankelijke handelaar verboden om gelijktijdig op te treden als vrije dienstverrichter die als lasthebber handelt, en als handelaar die zich onder meer met parallelinvoer bezighoudt?

  3. Is het een onafhankelijke handelaar verboden nieuwe voertuigen te verkopen en, in ieder geval, wat is de definitie van nieuw voertuig en van gebruikt voer-tuig?”

10 Na de uitspraak van het arrest van 15 februari 1996 in de zaak Nissan France e. a. (zaak C-309/94, Jurispr. 1996, blz. I-677) was het Tribunal de commerce de Lyon van oordeel, dat een antwoord op de eerste twee vragen niet meer noodzakelijk was. Het besloot daarentegen wel, de derde prejudiciële vraag te handhaven.

11 Deze vraag bestaat uit twee onderdelen. Enerzijds vraagt de verwijzende rechter in wezen, of verordening nr. 123/85 aldus moet worden uitgelegd, dat zij eraan in de weg staat dat een marktdeelnemer die noch een erkend wederverkoper in het distributienet van de fabrikant van een bepaald automerk is, noch een gevolmachtigd tussenpersoon in de zin van artikel 3, sub 11, van deze verordening, zich bezighoudt met de parallelimport van nieuwe voertuigen van dit merk en deze voertuigen als onafhankelijk wederverkoper verkoopt. Anderzijds verzoekt de verwijzende rechter het Hof, voor de toepassing van verordening nr. 123/85 te preciseren wat de definitie van nieuw voertuig is, alsmede aan de hand van welke criteria dit soort van voertuig van een gebruikt voertuig kan worden onderscheiden.

12 Wat het eerste onderdeel van deze vraag betreft, zij eraan herinnerd, dat het Hof verordening nr, 123/85 in het arrest Nissan France (reeds aangehaald) reeds heeft uitgelegd met betrekking tot de parallelimport en verkoop van motorvoertuigen door een onafhankelijke marktdeelnemer in een sector waarin een exclusieve afzetovereenkomst geldt, die tussen de fabrikant van een bepaald automerk en een van zijn dealers is gesloten.

13 In dat arrest heeft het Hof immers overwogen, dat verordening nr. 123/85, overeenkomstig de functie die zij heeft in het kader van de toepassing van artikel 85 van het Verdrag, slechts betrekking heeft op de contractsverhouding tussen de leverancier en zijn erkende dealers, waar zij de voorwaarden vaststelt waaronder bepaalde overeenkomsten tussen hen geoorloofd zijn, wat de mededingingsregels van het Verdrag betreft (r. o. 16).

14 De verordening regelt derhalve enkel de inhoud van overeenkomsten die partijen binnen een distributienet van een bepaald product rechtmatig kunnen sluiten, gelet op de verdragsregels die beperkingen van de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt verbieden (arrest Nissan France, reeds aangehaald, r. o. 17).

15 Daar in de verordening enkel wordt opgesomd waartoe de partijen bij dergelijke overeenkomsten zich in hun betrekkingen met derden al dan niet kunnen verbinden, beoogt deze verordening daarentegen niet de activiteiten van deze derden te regelen, die buiten het circuit van de afzetovereenkomsten op de markt kunnen opereren (arrest Nissan France, reeds aangehaald, r. o. 18).

16 De bepalingen van deze vrijstellingsverordening kunnen dus niet van invloed zijn op de rechten en verplichtingen van derden, in het bijzonder onafhandelijke handelaars, ten aanzien van de tussen de automobielfabrikanten en hun dealers gesloten overeenkomsten (arrest Nissan France, reeds aangehaald, r. o. 19).

17 Het Hof heeft hieruit afgeleid, dat verordening nr. 123/85 niet aldus kan worden uitgelegd, dat zij een marktdeelnemer die geen deel uitmaakt van het officiële distributienet van een bepaald automerk en die niet een gevolmachtigd tussenpersoon is in de zin van deze verordening, verbiedt via parallelimport nieuwe voertuigen van dat merk te betrekken en deze voertuigen als onafhankelijk wederverkoper te verhandelen (arrest Nissan France, reeds aangehaald, r. o. 20).

18 In het arrest Nissan France heeft het Hof dan ook voor recht verklaard, dat verordening nr. 123/85 aldus moet worden uitgelegd, dat zij niet eraan in de weg staat, dat een marktdeelnemer die noch een erkend wederverkoper in het distributienet van de fabrikant van een bepaald automerk is, noch een gevolmachtigd tussenpersoon in de zin van artikel 3, sub 11, van deze verordening, zich bezighoudt met de parallelimport van nieuwe voertuigen van dat merk en deze voertuigen als onafhankelijk wederverkoper verkoopt.

19 Om dezelfde redenen dient het eerste onderdeel van de derde prejudiciële vraag van het Tribunal de commerce de Lyon een identiek antwoord te krijgen.

20 Gezien dit antwoord, behoeft het tweede onderdeel van de derde prejudiciële vraag niet meer te worden beantwoord.

21 Zoals de advocaat-generaal in de punten 12 tot en met 15 van zijn conclusie namelijk heeft onderstreept, is het, gelet op het feit dat verordening nr. 123/85 niet beoogt de parallelimport en de verkoop van motorvoertuigen door onafhankelijke handelaars te regelen, overbodig om voor de toepassing van deze verordening te beslissen hoe in het kader van een dergelijke transactie een nieuw of een gebruikt voertuig moet worden gedefinieerd, in een geval, zoals dat in het hoofdgeding, waarin verordening nr. 123/85 juist niet van toepassing is.

22 In die omstandigheden behoeft het tweede onderdeel van de derde prejudiciële vraag niet te worden beantwoord.

23 Gelet op bovenstaande overwegingen, dient op de derde prejudiciële vraag te worden geantwoord, dat verordening nr. 123/85 aldus moet worden uitgelegd, dat zij niet eraan in de weg staat, dat een marktdeelnemer die noch een erkend wederverkoper in het distributienet van de fabrikant van een bepaald automerk is, noch een gevolmachtigd tussenpersoon in de zin van artikel 3, sub 11, van deze verordening, zich bezighoudt met de parallelimport van nieuwe voertuigen van dat merk en deze voertuigen als onafhankelijk wederverkoper verkoopt.

Kosten

24 De kosten door de Franse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),

uitspraak doende op de door het Tribunal de commerce de Lyon bij vonnis van 2 januari 1995, zoals nadien gewijzigd, gestelde vraag, verklaart voor recht:

Verordening (EEG) nr. 123/85 van de Commissie van 12 december 1984 betreffende de toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag op groepen afzet-en klantenserviceovereenkomsten inzake motorvoertuigen, moet aldus worden uitgelegd, dat zij niet eraan in de weg staat, dat een marktdeelnemer die noch een erkend wederverkoper in het distributienet van de fabrikant van een bepaald automerk is, noch een gevolmachtigd tussenpersoon in de zin van artikel 3, sub 11, van deze verordening, zich bezighoudt met de parallelimport van nieuwe voertuigen van dat merk en deze voertuigen als onafhankelijk wederverkoper verkoopt.

Mancini

Hirsch

Schintgen

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 20 februari 1997.

De griffier

R. Grass

De president van de Tweede kamer

G. F. Mancini