Hof van Justitie EU 09-01-1997 ECLI:EU:C:1997:3
Hof van Justitie EU 09-01-1997 ECLI:EU:C:1997:3
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 9 januari 1997
Uitspraak
Arrest van het Hof (Zesde kamer)
9 januari 1997(*)
In zaak C-143/95 P,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door F. de Sousa Fialho en Ν. Khan, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
requirante,betreffende hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Eerste kamer) van 7 maart 1995 in de gevoegde zaken T-432/93, T-433/93 enT-434/93 (Socurte e. a./Commissie, Jurispr. 1995, blz. II-503), en strekkende tot vernietiging van dat arrest,
andere partijen bij de procedure:Sociedade de Curtumes a Sul do Tejo Ld.a (Socurte),
Revestimentos de Cortiça Ld.a (Quavi),
thans Estudos e Projectos Ld.a (Esprocil), en
Sociedade Transformadora de Carnes Ld.a (Stec),
thans Estudos e Projectos Ld.a (J. A. P.),
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: G. F. Mancini, kamerpresident, J. L. Murray (rapporteur), C. N. Kakouris, G. Hirsch en H. Ragnemalm, rechters,
advocaat-generaal: C. O. Lenz
griffier: R. Grass
gezien het rapport van de rechterrapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 4 juli 1996,
het navolgende
Arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 8 mei 1995, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 49 van's Hofs Statuut-EG hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 7 maart 1995 in de gevoegde zaken T-432/93, T-433/93 en T-434/93 (Socurte e. a./Commissie, Jurispr. 1995, blz. II-503; hierna: „bestreden arrest”), waarbij het Gerecht de beschikking van de Commissie houdende verlaging van een financiële bijdrage van het Europees Sociaal Fonds voor project nr. 860012/P1 betreffende een beroepsopleidingsactie in Portugal in 1986 (hierna: „bestreden beschikking”) heeft nietig verklaard.
2 Volgens artikel 1, lid2, sub a, en artikel 3, lid 1, van besluit 83/516/EEG van de Raad van 17 oktober 1983 betreffende de taken van het Europees Sociaal Fonds (PB 1983, L 289, blz. 38), neemt het Europees Sociaal Fonds (hierna: „ESF”) deel in de financiering van acties op het gebied van de beroepsopleiding en de beroepskeuzevoorlichting, die in het kader van het arbeidsmarktbeleid van de Lid-Staten worden uitgevoerd.
3 De goedkeuring van een aanvraag brengt volgens artikel 5, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2950/83 van de Raad van 17 oktober 1983 houdende toepassing van besluit 83/516/EEG (PB 1983, L 289, blz. 1), de uitkering mee van een voorschot van 50 % van de toegekende steun op de voor de aanvang van de actie vastgestelde datum.
4 Artikel 6, lid 1, van verordening nr. 2950/83 bepaalt, dat indien de bijstand van het ESF niet wordt gebruikt op de wijze als in het goedkeuringsbesluit bepaald, de Commissie deze bijstand kan opschorten, verminderen of doen vervallen, na de betrokken Lid-Staat de gelegenheid te hebben geboden zijn opmerkingen te maken.
5 Blijkens het bestreden arrest verzocht het Departamento para os Assuntos do Fundo Social Europeu (dienst belast met de aangelegenheden van het ESF; hierna: „DAFSE”), dat onder het Portugese Ministerie van Werkgelegenheid en Sociale zekerheid ressorteert, het ESF in 1986 om bijstand voor een aantal beroepsopleidingsacties die door diverse ondernemingen waren voorgesteld, waaronder Sociedade de Curtumes a Sul do Tejo Ld.a (Socurte), Revestimentos de Cortiça Ld.a (Quavi) en Sociedade Transformadora de Carnes Ld.a (Stec) (hierna: „verweersters”). Deze verschillende projecten zijn verzameld in één dossier, geregistreerd onder nr. 860012/P1, en zijn door de Commissie goedgekeurd bij beschikking van 7 mei 1986, waarbij de financiële bijstand van het ESF aan het project werd vastgesteld op 874 905 836 ESC op een totaal bedrag van 1 905 322 299 ESC (r. o. 4).
6 Op 16 juni 1986 stelde DAFSE verweersters in kennis van dat besluit en deelde hen mee, hoeveel de bijstand van het ESF en de bijdrage van de Portugese overheid aan het opleidingsproject van elk van hen bedroeg. Op basis van de bedragen waarvoor hun acties voor bijstand in aanmerking kwamen, ontvingen verweersters voorschotten, hetzij in het kader van de bijdrage van de Portugese overheid, hetzij in het kader van de bijstand van het ESF (r. o. 5 en 6).
7 Na voltooiing van de beroepsopleidingsacties en overlegging van het definitieve evaluatierapport dienden verweersters een aanvraag in om betaling van het saldo van de financiële bijstand van het ESF, waaruit bleek dat hun acties minder hadden gekost dan was begroot. In afwachting van de beslissing van de Commissie op de aanvraag om betaling van het saldo, verrichtte DAFSE bijkomende betalingen aan verweersters (r. o. 7 en 8).
8 Bij brief van 18 maart 1991 deelde DAFSE verweersters mee, dat de Commissie de aanvraag om betaling van het saldo met betrekking tot dossier nr. 860012/P1 had goedgekeurd. Gelet op de daarin voorziene bijdrage van het ESF en gezien de reeds betaalde bedragen, verzocht DAFSE verweersters om terugbetaling van respectievelijk 17 105 465 ESC (Socurte), 22 160 566 ESC (Quavi) en 46 354 557 ESC (Stee) (r. o. 9).
9 Bij brief van 15 april 1991 verzochten verweersters DAFSE, hun de redenen voor het verzoek om terugbetaling van de genoemde bedragen mede te delen en hun een kopie te zenden van de beschikking van de Commissie waarnaar in de brief van DAFSE van 18 maart 1991 werd verwezen (r. o. 10).
10 In een brief van 24 april 1991, die verweersters op 30 april daaraanvolgend ontvingen, gaf D AFSE te kennen, dat de bedragen die volgens de brief van 18 maart 1991 moesten worden terugbetaald, uiteindelijk lager uitvielen. Als verklaring voor deze vermindering vermeldde DAFSE, dat haar diensten de beschikking van de Commissie aldus hadden begrepen, dat het ESF een bedrag van 379 373 605 ESC had toegekend in plaats van 437 452 918 ESC, zoals in werkelijkheid het geval was (r. o. 11).
11 Daartoe baseerde DAFSE zich op een brief van de bevoegde diensten van de Commissie van 14 februari 1991, die door DAFSE tegelijkertijd aan verweersters werd doorgezonden. Volgens die brief had de Commissie bij haar besluit om de totale bijdrage van het ESF op 437 452 918 ESC vast te stellen, rekening gehouden met het feit dat diverse dienstverleningsovereenkomsten waren gesloten en dat controlebezoeken waren afgelegd zowel bij degene op wiens naam het dossier was gesteld, als bij de begunstigden ervan (r. o. 12).
12 Bij brieven van 14 mei 1991 aan DAFSE en van 17 mei 1991 aan de Commissie verzochten verweersters om toezending van gewaarmerkte kopieën van het oorspronkelijke besluit van de Commissie waarbij de financiële bijstand van het ESF was verleend voor dossier nr. 860012/P1, en van de beschikking van de Commissie op hun aanvraag om betaling van het saldo van die bijstand (r. o. 13).
13 Nadat zij verweersters mondeling hadden meegedeeld, dat zij niet over de gevraagde documenten beschikten, zonden de diensten van DAFSE hun bij brief van 5 juni 1991 een kopie van een verzoek aan het ESF om toezending van een kopie van de beschikking van de Commissie inzake dossier nr. 860012/P1 (r. o. 14). Bij brief van 20 juni 1991 deelden de bevoegde diensten van de Commissie verweersters mee, dat zij de gevraagde documenten bij de diensten van DAFSE moesten opvragen (r. o. 15). Op 26 juni 1991 raadpleegden verweersters het bij de diensten van DAFSE aanwezige administratieve dossier van project nr. 860012/P1 (r. o. 16).
14 Bij brief van 30 juli 1991 zonden de diensten van DAFSE verweersters een gewaarmerkte kopie van de kennisgeving van het goedkeuringsbesluit van de Commissie met betrekking tot dossier nr. 860012/P1 (r. o. 17). Bij dit document ging het om een brief van de Commissie van 10 juli 1991 aan DAFSE, waarin de redenen voor de verlaging van de financiële bijdrage in detail waren uiteengezet. De Commissie stelde met name, dat bij een controlebezoek aan Stec tussen 26 en 29 juli 1988 aan het licht was gekomen, dat sommige uitgaven onvoldoende waren gerechtvaardigd en dat enkele posten niet op passende wijze waren geëvalueerd. Daarop had de Commissie op basis van door de Portugese autoriteiten vastgestelde nationale criteria zelf onderzocht, welke kosten redelijk waren, welk onderzoek tot verlaging van de aanvankelijk goedgekeurde financiële bijdrage leidde. Uit dit onderzoek was gebleken, dat een bedrag gelijk aan 56 % van de totale gedeclareerde uitgaven voor vergoeding in aanmerking kwam. Dit leidde tot een vordering tot terugbetaling van 71 454 000 ESC aan het ESF (r. o. 19-23). De Commissie voegde daaraan toe, dat de verantwoordelijke nationale ambtenaren tijdens een vergadering bij DAFSE, waarin de slotconclusies met betrekking tot het dossier waren gepresenteerd en besproken, hun opmerkingen kenbaar hadden gemaakt (r. o. 24). Na afloop van de procedure van artikel 6, lid 1, van verordening nr. 2950/83 was derhalve door de Commissie besloten, de bijstand van het ESF op 437 452 918 ESC te stellen, welk bedrag reeds als eerste voorschot was betaald (r. o. 25).
15 Bij drie op 10 oktober 1991 ter griffie van het Hof neergelegde verzoekschriften verzochten verweersters met name om nietigverklaring van de beschikking van de Commissie houdende verlaging van de financiële bijdrage van het ESF voor project nr. 860012/P1.
16 Bij op 13 november 1991 neergelegde memorie wierp de Commissie krachtens artikel 91 van het Reglement voor de procesvoering voor het Hof een exceptie van niet-ontvankelijkheid op. Zij betoogde met name, dat de beroepen niet-ontvankelijk waren, voor zover zij gericht waren tegen de beschikking die aan verweersters was meegedeeld bij brieven van 18 maart en 24 april 1991 van DAFSE, door hen ontvangen op 21 maart en 30 april 1991, daar de beroepen na afloop van de in artikel 173, derde alinea, EEG-Verdrag gestelde termijn waren ingesteld. Voorts stelde de Commissie, dat de beroepen niet-ontvankelijk waren, voor zover zij gericht waren tegen de brief van de Commissie van 10 juli 1991, aan verweersters meegedeeld bij brief van DAFSE van 30 juli 1991, daar, zo deze brief al een beschikking inhield, deze slechts een bevestiging was van de beschikking die aan DAFSE was meegedeeld bij de brief van de Commissie van 14 februari 1991, die verweersters ter kennis was gebracht op 18 maart en 24 april 1991.
17 Op 9 november 1992 besloot het Hof, de exceptie van niet-ontvankelijkheid te voegen met de zaak ten gronde.
18 Bij beschikking van 27 september 1993 verwees het Hof de zaken krachtens artikel 4 van besluit 93/350/Euratom, EGKS, EEG van de Raad van 8 juni 1993 tot wijziging van besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (PB 1993, L 144, blz. 21), naar het Gerecht.
19 Tot staving van hun verzoeken om nietigverklaring voerden verweersters in wezen vier middelen aan, te weten schending van het wettigheidsbeginsel en van het vertrouwensbeginsel, schending van wezenlijke vormvoorschriften en van de procedureregels van de artikelen 6, lid 1, en 7, lid 2, van verordening nr. 2950/83, alsmede schending van de regels met betrekking tot het beheer van het ESF, met name van de artikelen 1 en 5, lid 4, van verordening nr. 2950/83.
Het bestreden arrest
20 In het bestreden arrest heeft het Gerecht in de eerste plaats onderzocht, of de beschikking van de Commissie zoals die verweersters op 30 april 1991 ter kennis was gebracht, hen in staat stelde tijdig beroep in te stellen (r. o. 48).
21 In dat verband heeft het Gerecht herinnerd aan de vaste rechtspraak (arresten Hof van 5 maart 1980, zaak 76/79, Könecke, Jurispr. 1980, blz. 665; 5 maart 1986, zaak 59/84, Tezi Textiel, Jurispr. 1986, blz. 887, en 6 juli 1988, zaak 236/86, Dillinger, Jurispr. 1988, blz. 3761, r. o. 14; arrest Gerecht van 19 mei 1994, zaak T-465/93, Consorzio gruppo di azione locale „Murgia Messapica”, Jurispr. 1994, blz. II-361, r. o. 29), dat het bij gebreke van kennisgeving of openbaarmaking op de weg ligt van degene die kennis krijgt van het bestaan van een hem betreffende handeling, om binnen een redelijke termijn de volledige tekst ervan op te vragen, en dat bij inachtneming van deze voorwaarde de beroepstermijn pas ingaat op de dag waarop de betrokken derde kennis krijgt van de exacte inhoud en van de motivering van de betrokken handeling, zodat hij met vrucht van zijn beroepsrecht gebruik kan maken (r. o. 49).
22 In casu heeft het Gerecht vastgesteld, dat de brief van 14 februari 1991 weliswaar indicaties over het bestaan van de bestreden beschikking alsook een abstracte en algemene motivering bevatte, maar niet de precieze redenen voor het geven van deze beschikking vermeldde. Immers, nadat zij op 30 april 1991 de brief van DAFSE van 24 april 1991 hadden ontvangen, hadden verweersters geïnformeerd naar de precieze redenen voor de weigering van betaling van het saldo. Deze redenen werden hun pas medegedeeld op 30 juli 1991, de datum waarop DAFSE hun de eerdergenoemde brief van de Commissie van 10 juli 1991 toezond. In deze brief werd uitgebreid ingegaan op de door de diensten van het ESF verrichte controles en werd geconcludeerd, dat een bedrag van 71 454 000 ESC moest worden terugbetaald. Het Gerecht was dan ook van oordeel, dat verweersters door deze brief van 10 juli 1991 voldoende waren ingelicht over de gronden van de bestreden beschikking, zodat zij vanaf die datum met vrucht daartegen beroep konden instellen (r. o. 50).
23 Derhalve heeft het Gerecht geoordeeld, dat de beroepen tot nietigverklaring van de bestreden beschikking, zoals deze blijkt uit de brief van 10 juli 1991, binnen de gestelde termijn waren ingesteld (r. o. 51).
24 Met betrekking tot de beoordeling ten gronde van de beroepen, heeft het Gerecht eerst het middel betreffende schending van wezenlijke vormvporschriften onderzocht, waarin werd geklaagd over niet-inachtneming van de procedureregels van artikel 6, lid 1, van verordening nr. 2950/83 (r. o. 57).
25 Dienaangaande heeft het Gerecht beklemtoond, dat de door die bepaling aan de betrokken Lid-Staat geboden mogelijkheid om vóór de totstandkoming van een definitieve beschikking tot vermindering van de bijstand zijn opmerkingen kenbaar te maken over zowel de vermindering op zich als de precieze omvang ervan, een wezenlijk vormvoorschrift vormt waarvan niet-inachtneming tot nietigheid van de betrokken beschikking leidt (r. o. 65).
26 Het Gerecht leidde daaruit af, dat het horen van de betrokken Lid-Staat voordat een beschikking tot vermindering van de bijstand van het ESF is gegeven, met zekerheid en voldoende duidelijkheid moet komen vast te staan en niet op grond van vermoedens kan worden aangenomen (r. o. 66).
27 Om te kunnen beoordelen of die voorwaarden in casu in acht waren genomen, heeft het Gerecht vervolgens de door de Commissie aangehaalde documenten onderzocht. Deze documenten betroffen drie door de Commissie in de periodes van 27 oktober tot en met 3 november 1986, 28 september tot en met 2 oktober 1987 en 26 tot en met 29 juli 1988 afgelegde controlebezoeken, en twee vergaderingen in juni 1988 tussen vertegenwoordigers van de Commissie en de Portugese autoriteiten (r. o. 67-70 en 72-75).
28 Op basis daarvan is het Gerecht tot de slotsom gekomen, dat uit deze documenten niet kon worden geconcludeerd, dat de Commissie had voldaan aan de krachtens artikel 6, lid 1, van verordening nr. 2950/83 op haar rustende verplichting. Bijgevolg heeft het Gerecht de bestreden beschikking nietig verklaard (r. o. 71 en 76).
De hogere voorziening
29 Tot staving van haar hogere voorziening, strekkende tot vernietiging van het bestreden arrest, voert de Commissie twee middelen aan, betreffende respectievelijk de ontvankelijkheid van het beroep en de grond van de zaak.
Het eerste middel
30 Tot staving van haar eerste middel voert de Commissie aan, dat de door het Gerecht in rechtsoverweging 49 van het bestreden arrest aangehaalde rechtspraak in casu niet kan worden toegepast, omdat deze slechts opgaat in gevallen waarin de beschikking niet is gepubliceerd of niet ter kennis is gebracht. In de onderhavige zaak is de beschikking van 14 februari 1991 verweersters echter op 30 april 1991 ter kennis gebracht, zodat de beroepstermijn op die datum is ingegaan.
31 Dienaangaande moet worden vastgesteld, dat de kennisgeving van gemeenschapshandelingen, bedoeld in de artikelen 173, vijfde alinea, en 191 EG-Verdrag, noodzakelijkerwijs impliceert dat de inhoud en de motivering van de ter kennis gebrachte handeling uitvoerig worden uiteengezet, Immers, bij gebreke van een dergelijke uiteenzetting kan de betrokken derde geen kennis krijgen van de exacte inhoud en motivering van de betrokken handeling, wat noodzakelijk is opdat hij daartegen tijdig beroep kan instellen (zie, met betrekking tot artikel 191, met name arrest van 13 juli 1989, zaak 58/88, Olbrechts, Jurispr. 1989, blz. 2643, r. o. 10).
32 Aan dit vereiste kan slechts worden voldaan door de mededeling van de tekst van de betrokken beschikking, en niet door een beknopte weergave van de inhoud ervan, zoals die was vervat in de op 30 april 1991 aan verweersters ter kennis gebrachte brief.
33 Daaruit volgt, dat in casu de beroepstermijn niet op die datum kon ingaan en dat het eerste middel moet worden afgewezen.
Het tweede middel
34 Tot staving van haar tweede middel betoogt de Commissie, dat uit de aan het Gerecht voorgelegde bewijzen inzake de omstandigheden waarin de controlebezoeken zijn afgelegd, de contacten met de Portugese minister en de inhoud van de bestreden beschikking, die een compromisoplossing in het voordeel van verweersters inhoudt, ontegenzeglijk blijkt, dat de nationale autoriteiten de gelegenheid hebben gehad hun opmerkingen kenbaar te maken vóór de totstandkoming van de beschikking, waarvan de inhoud hun overigens ten volle bekend was op het ogenblik waarop zij werd gegeven. Het standpunt van het Gerecht, dat de Commissie de krachtens artikel 6, lid 1, van verordening nr. 2950/83 op haar rustende verplichting om de betrokken Lid-Staat te horen, niet is nagekomen, is haars inziens dan ook onjuist.
35 Dit middel betreft in wezen de vraag, of de door de Commissie in de loop van de procedure voor het Gerecht overgelegde bewijzen het Gerecht in staat stelden om met voldoende zekerheid te concluderen, dat de Commissie haar verplichting om de betrokken Lid-Staat vóór de totstandkoming van de beschikking in de gelegenheid te stellen zijn opmerkingen kenbaar te maken, niet was nagekomen.
36 Dienaangaande moet worden vastgesteld, dat de beoordeling door het Gerecht van de aan hem voorgelegde bewijzen niet vatbaar is voor toetsing door het Hof, tenzij wordt aangetoond, dat het Gerecht een dwaling ten aanzien van het recht heeft begaan (zie, met name, arrest van 2 maart 1994, zaak C-53/92 P, Hilti, Jurispr. 1994, blz. I-667, r. o. 42).
37 In casu heeft de Commissie niet aangetoond, dat het Gerecht bij de beoordeling van de overgelegde bewijzen een dwaling ten aanzien van het recht heeft begaan.
38 Bijgevolg faalt ook het tweede middel van de hogere voorziening.
39 Gelet op het voorgaande moet de hogere voorziening in haar geheel worden verworpen.
Kosten
40 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat ingevolge artikel 118 van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende:
-
Verwerpt de hogere voorziening.
-
Verwijst de Commissie van de Europese Gemeenschappen in de kosten.
Mancini
Murray
Kakouris
Hirsch
Ragnemalm
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 9 januari 1997.
De griffier
R. Grass
De president van de Zesde kamer
G. F. Mancini