Home

Hof van Justitie EU 05-12-1996 ECLI:EU:C:1996:470

Hof van Justitie EU 05-12-1996 ECLI:EU:C:1996:470

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
5 december 1996

Uitspraak

Arrest van het Hof (Zesde kamer)

5 december 1996(*)

In zaak C-91/96,

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Kontou-Durande, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van deze dienst, Centre Wagner, Kirchberg,

verzoekster, tegen

Helleense Republiek, vertegenwoordigd door I. Galani-Maragoudaki, adjunct bijzonder juridisch adviseur bij de dienst communautaire geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en N. Dafniou, secretaris bij deze dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Griekse ambassade, Val Sainte-Croix 117,

verweerster,

HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),

samengesteld als volgt: G. F. Mancini, kamerpresident, J. L. Murray, C. N. Kakouris, P. J. G. Kapteyn en H. Ragnemalm (rapporteur), rechters,

advocaatgeneraal: D. Ruiz-Jarabo Colomer

griffier: R. Grass

gezien het rapport van de rechterrapporteur,

gehoord de conclusie van de advocaatgeneraal ter terechtzitting van 24 oktober 1996,

het navolgende

Arrest

1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 22 maart 1996, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EG-Verdrag beroep ingesteld, strekkende tot vaststelling dat de Helleense Republiek, door niet tijdig de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om te voldoen aan richtlijn 92/118/EEG van de Raad van 17 december 1992 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke en de gezondheidsvoorschriften voor het handelsverkeer en de invoer in de Gemeenschap van produkten waarvoor ten aanzien van deze voorschriften geen specifieke communautaire regelgeving geldt als bedoeld in bijlage A, hoofdstuk I, van richtlijn 89/662/EEG, en, wat ziekteverwekkers betreft, van richtlijn 90/425/EEG (PB 1993, L 62, biz. 49), en aan richtlijn 93/52/EEG van de Raad van 24 juni 1993 tot wijziging van richtlijn 89/556/EEG tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer in embryo's van als huisdier gehouden runderen en de invoer daarvan uit derde landen (PB 1993, L 175, biz. 21), de krachtens het Verdrag en deze richtlijnen op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.

2 Ingevolge artikel20, lidi, van richtlijn 92/118 moesten de Lid-Staten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om per 1 januari 1993 aan de artikelen 12, lid 2, en 17 en vóór 1 januari 1994 aan de overige bepalingen van deze richtlijn te voldoen. Bovendien moesten zij ingevolge dezelfde bepaling de Commissie daarvan onverwijld in kennis stellen.

3 Ingevolge artikel 2, lid 1, van richtlijn 93/52 moesten de Lid-Staten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om vóór 1 januari 1994 aan deze richtlijn te voldoen, en moesten zij de Commissie daarvan onverwijld in kennis stellen.

4 Omdat de Commissie van de Helleense Republiek geen mededeling had ontvangen over maatregelen tot omzetting van de richtlijnen 92/118 en 93/52 in nationaal recht en over geen enkel ander gegeven beschikte dat de conclusie wettigde, dat deze staat aan haar verplichting had voldaan, zond zij op 10 februari 1994 een aanmaningsbrief aan de Griekse regering.

5 Toen een antwoord hierop uitbleef, richtte de Commissie op 21 september 1994 een met redenen omkleed advies aan de Griekse regering, waarin zij haar verzocht, binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van het advies de nodige maatregelen vast te stellen.

6 Omdat zij nog steeds geen mededeling over de maatregelen tot omzetting van de richtlijnen 92/118 en 93/52 in nationaal recht had ontvangen, heeft de Commissie onderhavig beroep wegens niet-nakoming ingesteld.

7 In haar verzoekschrift herinnert de Commissie eraan, dat ingevolge de artikelen 5 en 189 EG-Verdrag de Helleense Republiek de richtlijnen binnen de vastgestelde termijnen volledig in nationaal recht moest omzetten.

8 De Helleense Republiek betwist deze verplichting niet. Zij voert evenwel aan, dat twee ontwerpen voor een presidentieel decreet strekkende tot uitvoering van de twee richtlijnen ter ondertekening aan de bevoegde minister zijn voorgelegd.

9 Daar de richtlijnen 92/118 en 93/52 niet binnen de gestelde termijnen zijn omgezet, moet het door de Commissie daartegen ingestelde beroep gegrond worden verklaard.

10 Mitsdien moet worden vastgesteld, dat de Helleense Republiek, door niet binnen de gestelde termijnen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om te voldoen aan de richtlijnen 92/118 en 93/52, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens respectievelijk de artikelen 20, lid 1, en 2, lid 1, van deze richtlijnen.

Kosten

11 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, indien dit is gevorderd. De Commissie heeft gevorderd dat de Helleense Republiek in de kosten wordt verwezen. Aangezien deze laatste in het ongelijk is gesteld, moet zij in de kosten worden verwezen.

HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),

rechtdoende, verstaat:

  1. Door niet binnen de gestelde termijnen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om te voldoen aan richtlijn 92/118/EEG van de Raad van 17 december 1992 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke en de gezondheidsvoorschriften voor het handelsverkeer en de invoer in de Gemeenschap van produkten waarvoor ten aanzien van deze voorschriften geen specifieke communautaire regelgeving geldt als bedoeld in bijlage A, hoofdstuk I, van richtlijn 89/662/EEG, en, wat ziekteverwekkers betreft, van richtlijn 90/425/EEG, en aan richtlijn 93/52/EEG van de Raad van 24 juni 1993 tot wijziging van richtlijn 89/556/EEG tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer in embryo's van als huisdier gehouden runderen en de invoer daarvan uit derde landen, is de Helleense Republiek de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens respectievelijk de artikelen 20, lid 1, en 2, lid 1, van deze richtlijnen.

  2. De Helleense Republiek wordt verwezen in de kosten.

Mancini

Murray

Kakouris

Kapteyn

Ragnemalm

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 5 december 1996.

De griffier

R. Grass

De president van de Zesde kamer

G. E Mancini