„De bepalingen van dit Verdrag zijn van toepassing op de Europese grondgebieden welker buitenlandse betrekkingen door een lidstaat worden behartigd.”
Hof van Justitie EU 16-07-1998 ECLI:EU:C:1998:368
Hof van Justitie EU 16-07-1998 ECLI:EU:C:1998:368
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 16 juli 1998
Uitspraak
Arrest van het Hof
16 juli 1998(*)
In zaak C-171/96,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van de Royal Court of Jersey, in het aldaar aanhangig geding tussen
R. A. Pereira Roque
enHis Excellency the Lieutenant Governor of Jersey,
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, C. Gulmann, H. Ragnemalm en M. Wathelet, kamerpresidenten, G. F. Mancini,
J. C. Moitinho de Almeida, P. J. G. Kapteyn, J. L. Murray, D. A. O. Edward, J.-P. Puissochet, G. Hirsch, P. Jann en L. Sevón (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: A. La Pergola
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
-
R. A. Pereira Roque, vertegenwoordigd door N. Blake, QC, gemachtigd door P. Landick, Barrister,
-
His Excellency the Lieutenant Governor of Jersey, vertegenwoordigd door M.C.St. J. Birt, QC,
-
de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. E. Collins, Assistant Treasury Solicitor, als gemachtigde, bijgestaan door R. Plender, QC,
-
de Franse regering, vertegenwoordigd door C. de Salins, onderdirecteur bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en C. Chavance, secretaris buitenlandse zaken bij die directie, als gemachtigden,
-
de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door N. Khan, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
-
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van R. A. Pereira Roque; His Excellency the Lieutenant Governor of Jersey; de regering van het Verenigd Koninkrijk, de Franse regering en de Commissie ter terechtzitting van 24 juni 1997,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 23 september 1997,
het navolgende
Arrest
1 Bij beschikking van 11 april 1996, ingekomen bij het Hof op 20 mei daaraanvolgend, heeft de Royal Court of Jersey krachtens artikel 177 EG-Verdrag drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 4 van Protocol nr. 3 betreffende de Kanaaleilanden en het eiland Man (PB 1972, L 73, biz. 164; hierna: „Protocol nr. 3”), gehecht aan de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en de aanpassing der Verdragen (PB 1972, L 73, blz. 14).
2 Die vragen zijn gerezen in een geding tussen Pereira Roque en His Excellency the Lieutenant Governor of Jersey (hierna: „Lieutenant Governor”), ter zake van het bevel tot uitzetting dat laatstgenoemde tegen Pereira Roque heeft uitgevaardigd.
3 Jersey vormt één van de twee baljuwschappen waaruit de Kanaaleilanden bestaan.
Het gemeenschapsrecht
4 Artikel 227, lid 4, EG-Verdrag luidt:
5 Artikel 227, lid 5, bepaalt:
„In afwijking van de voorgaande leden:
(...)
zijn de bepalingen van dit Verdrag op de Kanaaleilanden en op het eiland Man slechts van toepassing voor zover noodzakelijk ter verzekering van de toepassing van de regeling die voor deze eilanden is vastgesteld in het op 22 januari 1972 ondertekende Verdrag betreffende de toetreding van nieuwe lidstaten tot de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie;
(...)”
6 De in deze bepaling bedoelde regeling is opgenomen in Protocol nr. 3. Artikel 1 van dit Protocol bepaalt onder meer, dat de communautaire regeling inzake douaneaangelegenheden en kwantitatieve beperkingen op de Kanaaleilanden en het eiland Man onder dezelfde voorwaarden van toepassing zijn als die welke voor het Verenigd Koninkrijk gelden.
7 Artikel 2 van Protocol nr. 3 bepaalt:
„Aan de rechten die de onderdanen van deze gebieden in het Verenigd Koninkrijk hebben verkregen, wordt geen afbreuk gedaan door de Akte van toetreding. De communautaire bepalingen betreffende het vrije verkeer van personen en diensten zijn echter niet op hen van toepassing.”
8 Artikel 4 luidt vervolgens:
„De autoriteiten van deze gebieden behandelen alle natuurlijke of rechtspersonen van de Gemeenschap op dezelfde wijze.”
9 Ten slotte bepaalt artikel 6:
„In de zin van dit Protocol wordt als onderdaan van de Kanaaleilanden of van het eiland Man beschouwd, iedere burger van het Verenigd Koninkrijk of van zijn koloniën die deze hoedanigheid bezit op grond van de omstandigheid dat een van zijn ouders of een van zijn grootouders op het desbetreffende eiland is geboren, geadopteerd, genaturaliseerd of daar in de registers van de burgerlijke stand is ingeschreven; in dit opzicht wordt evenwel iemand niet als onderdaan van deze gebieden beschouwd indien hijzelf, een van zijn ouders of een van zijn grootouders in het Verenigd Koninkrijk is geboren, geadopteerd, genaturaliseerd of daar in de registers van de burgerlijke stand is ingeschreven. Als onderdaan wordt evenmin beschouwd degene die in welk tijdvak dan ook gedurende vijf jaar in het Verenigd Koninkrijk woonachtig is geweest.
Van de administratieve bepalingen om de identiteit van deze personen vast te stellen wordt aan de Commissie kennis gegeven.”
10 In de nieuwe verklaring van de regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland betreffende de definitie van het woord „onderdanen” (PB 1983, C 23, blz. 1), afgelegd na de inwerkingtreding van de British Nationality Act 1981, verklaarde de regering van het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Protocol nr. 3, dat „de verwijzing in artikel 6 van Protocol nr. 3 bij de Toetredingsakte betreffende de Kanaaleilanden en het eiland Man naar ‚iedere burger van het Verenigd Koninkrijk of van zijn Koloniën’ wordt geacht te verwijzen naar‚iedere Britse burger’”.
Het nationale recht
11 Blijkens de verwijzingsbeschikking is Jersey een semi-autonoom gebiedsdeel van de Britse Kroon, die op Jersey wordt vertegenwoordigd door de Lieutenant Governor. De regering van het Verenigd Koninkrijk is namens de Kroon verantwoordelijk voor de defensie en de internationale betrekkingen.
12 Voor de toepassing van de British Nationality Act 1981 wordt het Verenigd Koninkrijk geacht ook de Kanaaleilanden te omvatten. Personen die op Jersey zijn geboren en hun kinderen verkrijgen derhalve de Britse nationaliteit onder dezelfde voorwaarden als personen die in Groot-Brittannië zijn geboren en hun kinderen.
13 Voor de toepassing van de Immigration Act 1971 van het Verenigd Koninkrijk vormen de Kanaaleilanden, tezamen met het Verenigd Koninkrijk, het eiland Man en Ierland, een „common travel area”, waarbinnen geen systematische immigratiecontrole hoeft plaats te vinden.
14 Bij een Order of the Queen in Council, de „Immigration (Jersey) Order 1993”, werden de belangrijkste bepalingen van de Immigration Act 1971 uitgebreid en op Jersey toepasselijk verklaard. Bij de Order van 1993 werden voorts de belangrijkste bepalingen van de Immigration Act 1988 van het Verenigd Koninkrijk uitgebreid en op het eiland van toepassing verklaard.
15 De Sections 1(1) en 2(1) van de Immigration Act 1971 (zoals op Jersey van toepassing) luiden:
„1. (1)Eenieder die krachtens deze Act recht van verblijf in het [baljuwschap Jersey] heeft, is vrij om in het [baljuwschap Jersey] te wonen, er binnen te komen en het te verlaten, zonder enige andere belemmering dan krachtens en overeenkomstig deze Act kan worden vereist om zijn recht te bewijzen of dan anderszins rechtmatig aan eenieder mag worden opgelegd.”
„2. (1)Krachtens deze Act heeft iemand recht van verblijf in [het baljuwschap Jersey]
indien hij Brits burger is (...)”
16 Met betrekking tot de binnenkomst en het verblijf van personen die geen Brits burger zijn, bepaalt Section 7(1) van de Immigration Act 1988:
„Een persoon behoeft krachtens de [Immigration Act 1971] geen toestemming om het baljuwschap Jersey binnen te komen of er te verblijven wanneer hij krachtens afdwingbaar gemeenschapsrecht het Verenigd Koninkrijk zou mogen binnenkomen of er zou mogen verblijven (...)”
17 Section 3(5)(b) van de Immigration Act 1971 bepaalt onder meer:
„personen die niet de Britse nationaliteit hebben, kunnen uit het baljuwschap Jersey worden uitgezet (...) indien de Lieutenant Governor van oordeel is, dat de uitzetting in het algemeen belang is”.
18 Section 5(1) van de Immigration Act 1971 luidt:
„(1) Indien een persoon krachtens Section 3(5) (...) kan worden uitgewezen, kan de Lieutenant Governor onder voorbehoud van de volgende bepalingen van deze Act een uitzettingsbevel tegen hem uitvaardigen, dat wil zeggen een bevel waarbij hem wordt gelast het baljuwschap Jersey te verlaten en hem de toegang wordt ontzegd (...)”
19 Uit de verwijzingsbeschikking blijkt voorts, dat een op Jersey uitgevaardigd uitzettingsbevel een tot dat eiland beperkte werking kan hebben (zodat het de betrokkene de toegang tot het Verenigd Koninkrijk, Guernsey of het eiland Man niet belet). Paragraaf 3(2) van bijlage 4 bij de Immigration Act 1971, zoals in het Verenigd Koninkrijk van toepassing, machtigt de Secretary of State te bepalen, dat een op Jersey, Guernsey of het eiland Man uitgevaardigd uitzettingsbevel de betrokkene niet de toegang tot het Verenigd Koninkrijk belet. Soortgelijke bepalingen zijn voorzien in paragraaf 3(2) van bijlage 4 bij de Immigration Act 1971, zoals op Guernsey en het eiland Man van toepassing.
20 De verwijzende rechter zet uiteen, dat de strafrechtelijke instanties van Jersey, wanneer zij een persoon schuldig hebben bevonden aan een strafbaar feit en geen andere straf wordt opgelegd, de betrokkene kunnen verzoeken zich ertoe te verbinden Jersey te verlaten en er gedurende een bepaalde periode, gewoonlijk twee of drie jaar, niet terug te keren. Indien de betrokkene zich hiertoe niet wil verbinden, kan de rechter voor het strafbare feit een straf opleggen. Heeft de persoon zich wel verbonden en keert hij in strijd met de beschikking naar het eiland terug, dan kan hij voor de rechter die de beschikking heeft gegeven worden gebracht en kan hij worden veroordeeld voor het strafbare feit dat aan zijn verbintenis ten grondslag lag.
Het hoofdgeding
21 Pereira Roque, van Portugese nationaliteit, kwam op 18 februari 1992 op Jersey aan. Overeenkomstig Section 7(1) van de Immigration Act 1988 werd hij daar zonder enige beperking toegelaten.
22 In augustus 1993 werd hij als nachtportier in een hotel op Jersey tewerkgesteld. In oktober van dat jaar pleegde hij een diefstal in het hotel, naar aanleiding waarvan hij voorwaardelijk werd veroordeeld met een proeftijd van één jaar en hem 80 uur dienstverlening werd opgelegd.
23 Nadat hij door het hotel was ontslagen, kon Pereira Roque geen vaste baan meer vinden, totdat hij in april 1994 door een ander hotel op Jersey als portier werd aangenomen. Op 20 oktober 1994 werd hij schuldig bevonden aan drie in juni van dat jaar in het hotel gepleegde diefstallen en aan schending van de voorwaarden van zijn voorwaardelijke veroordeling. Hij werd daarvoor veroordeeld tot een gevangenisstraf van veertien weken en de voorwaardelijke veroordeling werd ingetrokken.
24 Op 22 december 1994 vaardigde de Lieutenant Governor krachtens Section 3(5)(b) van de Immigration Act 1971 een bevel tot uitzetting van Pereira Roque uit. Dit bevel werd hem op 29 december 1994 betekend.
25 Op 3 januari 1995 vorderde Pereira Roque voor de Royal Court of Jersey, dat het uitzettingsbevel nietig dan wel ongeldig zou worden verklaard en dat de tenuitvoerlegging ervan hangende de beslechting van het geding zou worden geschorst. Die dag gelastte de Royal Court de betekening van de zaak aan de Lieutenant Governor en schorste zij de tenuitvoerlegging van het uitzettingsbevel.
26 Van oordeel, dat de beslechting van het geding uitlegging van het gemeenschapsrecht behoefde, heeft de Royal Court de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
Ervan uitgaande, dat Britse burgers op Jersey zijn vrijgesteld van immigratiecontrole en niet kunnen worden uitgezet, heeft artikel 4 van Protocol nr. 3 bij het Verdrag betreffende de toetreding van het Verenigd Koninkrijk tot de Europese Gemeenschappen tot gevolg, dat onderdanen van een andere lidstaat evenmin uit Jersey kunnen worden uitgezet?
Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, staat voormeld artikel 4 eraan in de weg, dat de bevoegde autoriteiten van Jersey een onderdaan van een andere lidstaat uitzetten, tenzij die uitzetting wordt gerechtvaardigd uit hoofde van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid?
Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord, staat voormeld artikel 4 eraan in de weg, dat de bevoegde autoriteiten van Jersey een onderdaan van een andere lidstaat uitzetten, wanneer de redenen van openbare orde die de betrokken autoriteiten aanvoeren in de praktijk niet zouden leiden tot uitzetting van die persoon uit het Verenigd Koninkrijk?”
De eerste vraag
27 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de in artikel 4 van Protocol nr. 3 geformuleerde regel van gelijke behandeling tot gevolg heeft, dat de uitzetting uit Jersey van onderdanen van een andere lidstaat dan het Verenigd Koninkrijk verboden is, wanneer Britse burgers, daaronder begrepen zij die geen onderdaan van de Kanaaleilanden in de zin van artikel 6 van Protocol nr. 3 zijn, Jersey niet kunnen worden uitgezet.
28 Volgens Pereira Roque volgt uit het arrest van 3 juli 1991, Barr en Montrose Holdings (C-355/89, Jurispr. blz. I-3479), dat artikel 4 van Protocol nr. 3 geldt voor alle situaties waarbij gemeenschapsonderdanen zijn betrokken en die door het gemeenschapsrecht worden beheerst, en niet alleen op de in artikel 1 van dat Protocol genoemde gebieden. In dit verband betoogt hij, dat hij gedurende de relevante periode als werknemer en/of van een werknemer afhankelijke persoon een recht van binnenkomst en verblijf in het Verenigd Koninkrijk in de zin van het gemeenschapsrecht genoot, zodat zijn situatie onder artikel 4 van Protocol nr. 3 viel.
29 Voorts stelt Pereira Roque, dat het in artikel 4 van Protocol nr. 3 neergelegde verbod van toepassing is, aangezien een onderdaan van een andere lidstaat dan het Verenigd Koninkrijk Jersey kan worden uitgezet, terwijl een Brits burger, zelfs indien hij geen onderdaan van de Kanaaleilanden in de zin van artikel 6 van Protocol nr. 3 is, niet kan worden uitgezet. Zijns inziens moet de eerbiediging van het beginsel van gelijke behandeling dus worden beoordeeld ten opzichte van die Britse burger.
30 De andere partijen die opmerkingen bij het Hof hebben ingediend zijn echter van mening, dat het feit dat een Brits burger Jersey niet kan worden uitgezet, niet van invloed is op het recht om burgers van andere lidstaten uit te zetten.
31 De Lieutenant Governor en de regering van het Verenigd Koninkrijk betogen dienaangaande primair, dat artikel 4 van Protocol nr. 3 niet van toepassing is op het gebied van uitzetting, dat nauw verband houdt met het begrip burgerschap.
32 Subsidiair stelt de regering van het Verenigd Koninkrijk, dat artikel 4 van Protocol nr. 3 niet geldt in een situatie als die van het hoofdgeding, omdat het recht van binnenkomst en verblijf op Jersey voor Britse burgers niet voortvloeit uit het gemeenschapsrecht, maar uit het nationale recht. Onderdanen van andere lidstaten worden in elk geval op dezelfde wijze behandeld, aangezien de strafrechtelijke instanties van Jersey van een Brits burger kunnen verlangen om zich, in plaats van een straf te ondergaan, te verplichten Jersey te verlaten en daar gedurende een bepaalde periode niet terug te keren.
33 Ten slotte vraagt zowel de regering van het Verenigd Koninkrijk als de Lieutenant Governor het Hof, het arrest Barr en Montrose Holdings (reeds aangehaald) in heroverweging te nemen, zo artikel 4 van Protocol nr. 3, uitgelegd in het licht van dit arrest, met name punt 17 ervan, tot een andere dan de door hen voorgestelde oplossing zou leiden.
34 Om te beginnen moet eraan worden herinnerd, dat uit punt 16 van het arrest Barr en Montrose Holdings (reeds aangehaald) blijkt, dat de regel van artikel 4 van Protocol nr. 3 niet zodanig kan worden uitgelegd, dat daarmee indirect op het grondgebied van de Kanaaleilanden communautaire bepalingen van toepassing worden die daar ingevolge artikel 227, lid 5, sub c, van het Verdrag en artikel 1 van Protocol nr. 3 niet van toepassing zijn, zoals bijvoorbeeld de regels betreffende het vrije verkeer van werknemers.
35 Gelijk het Hof oordeelde in punt 17 van dat arrest, is het beginsel van gelijke behandeling, dat is neergelegd in artikel 4 van Protocol nr. 3, evenwel niet beperkt tot uitsluitend de onderwerpen van gemeenschapsrecht waarnaar in artikel 1 van Protocol nr. 3 wordt verwezen, maar moet aan artikel 4 een eigen draagwijdte worden toegekend. Deze bepaling moet aldus worden uitgelegd, dat zij zich verzet tegen iedere vorm van discriminatie tussen natuurlijke en rechtspersonen van de lidstaten, wanneer het gaat om situaties die, op grondgebieden waar het Verdrag volledig van toepassing is, worden beheerst door het gemeenschapsrecht.
36 Hieruit volgt, dat, voor zover de situatie van Pereira Roque onder meer zou vallen onder de regels betreffende het vrije verkeer van werknemers op de grondgebieden waar het Verdrag volledig van toepassing is, de regel van artikel 4 van Protocol nr. 3 op hem van toepassing zou zijn, ook al kunnen gemeenschapsonderdanen daarmee op de Kanaaleilanden niet profiteren van de regels betreffende het vrije verkeer van werknemers (zie hiervoor arrest Barr en Montrose Holdings, reeds aangehaald, punt 18). Deze regel van artikel 4 van Protocol nr. 3 geldt met name wanneer de autoriteiten van Jersey een uitzettingsmaatregel jegens hem hebben getroffen.
37 Teneinde te beoordelen welke gevolgen het in artikel 4 van Protocol nr. 3 neergelegde beginsel van gelijke behandeling in een situatie als die van het hoofdgeding heeft, moet er in de eerste plaats aan worden herinnerd, dat, naar het Hof heeft geoordeeld, het in artikel 48, lid 3, EG-Verdrag gemaakte voorbehoud ertoe leidt, dat de lidstaten om de in die bepaling genoemde redenen, en wel met name om redenen van openbare orde, ten aanzien van onderdanen van andere lidstaten maatregelen kunnen nemen waartoe ten aanzien van eigen onderdanen niet kan worden overgegaan, in dier voege dat zij laatstgenoemden niet van het nationale grondgebied kunnen verwijderen, noch hun de toegang tot dat grondgebied kunnen ontzeggen (zie hiervoor arresten van 4 december 1974, Van Duyn, 41/74, Jurispr. blz. 1337, punt 22; 18 mei 1982, Adoui en Cornuaille, 115/81 en 116/81, Jurispr. blz. 1665, punt 7; 7 juli 1992, Singh, C-370/90, Jurispr. blz. I-4265, punt 22, en 17 juni 1997, Shingara en Radiom, C-65/95 en C-111/95, Jurispr. blz. I-3343, punt 28).
38 Dit verschil in behandeling tussen eigen onderdanen en onderdanen van andere lidstaten vloeit voort uit een beginsel van internationaal recht, dat zich ertegen verzet, dat een staat zijn eigen onderdanen het recht van toegang tot zijn grondgebied en verblijf aldaar ontzegt, en dat het EG-Verdrag in de betrekkingen tussen de lidstaten niet kan worden geacht te miskennen (arrest Van Duyn, reeds aangehaald, punt 22).
39 Dit beginsel moet bij de toepassing van artikel 4 van Protocol nr. 3 evenzeer in acht worden genomen.
40 Wat het argument van Pereira Roque betreft, dat burgers van het Verenigd Koninkrijk, die geen onderdaan van de Kanaaleilanden zijn, en onderdanen van andere lidstaten niettemin op dezelfde wijze moeten worden behandeld, maakt Protocol nr. 3 inderdaad onderscheid tussen burgers van het Verenigd Koninkrijk die zekere banden met de Kanaaleilanden hebben en andere burgers van het Verenigd Koninkrijk.
41 Opgemerkt zij echter, dat, aangezien onderdanen van de Kanaaleilanden de Britse nationaliteit hebben, het onderscheid tussen die onderdanen en de andere burgers van het Verenigd Koninkrijk niet kan worden vergeleken met het verschil in nationaliteit tussen de onderdanen van twee lidstaten.
42 Op grond van de andere bepalingen van het statuut van de Kanaaleilanden kan evenmin worden aangenomen, dat de betrekkingen tussen die eilanden en het Verenigd Koninkrijk gelijk zijn aan die welke tussen twee lidstaten bestaan.
43 Uit de voorgaande overwegingen volgt, dat artikel 4 van Protocol nr. 3 zich niet verzet tegen een verschil in behandeling dat ontstaat doordat een onderdaan van een andere lidstaat Jersey kan worden uitgezet op grond van de nationale wettelijke regeling, terwijl burgers van het Verenigd Koninkrijk, daaronder begrepen zij die geen onderdaan van de Kanaaleilanden in de zin van artikel 6 van Protocol nr. 3 zijn, niet kunnen worden uitgezet.
44 Mitsdien moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat de regel van gelijke behandeling van artikel 4 van Protocol nr. 3 niet tot gevolg heeft, dat onderdanen van een andere lidstaat dan het Verenigd Koninkrijk Jersey niet kunnen worden uitgezet, ook al kunnen Britse burgers, daaronder begrepen zij die geen onderdaan van de Kanaaleilanden in de zin van artikel 6 van Protocol nr. 3 zijn, niet worden uitgezet.
De tweede vraag
45 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of artikel 4 van Protocol nr. 3 aldus moet worden uitgelegd, dat het de redenen waarom een onderdaan van een andere lidstaat dan het Verenigd Koninkrijk Jersey kan worden uitgezet, beperkt tot redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volks gezondheid.
46 Het voorbehoud dat in artikel 48, lid 3, van het Verdrag onder meer wordt gemaakt ten aanzien van het recht van verblijf op het grondgebied van de lidstaten, omvat beperkingen die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid. Richtlijn 64/221/EEG van de Raad van 25 februari 1964 voor de coördinatie van de voor vreemdelingen geldende bijzondere maatregelen ten aanzien van verplaatsing en verblijf, die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid (PB 1964, blz. 850), bevat preciseringen over de toepassing van die redenen.
47 Op grond van artikel 227, lid 5, sub c, van het Verdrag en Protocol nr. 3, zijn de bepalingen betreffende het vrije verkeer van werknemers op de grondgebieden van de Kanaaleilanden niet van toepassing. Bovendien kan, gelijk in punt 34 van dit arrest reeds werd uiteengezet, artikel 4 van Protocol nr. 3 niet zodanig worden uitgelegd, dat daarmee deze bepalingen indirect van toepassing worden op die grondgebieden.
48 Hieruit volgt, dat noch artikel 48, lid 3, van het Verdrag noch de bepalingen van richtlijn 64/221 precies aangeven, op welke gronden de autoriteiten van Jersey een uitzettingsmaatregel jegens een onderdaan van een andere lidstaat kunnen treffen.
49 Dit neemt niet weg, dat, zelfs al moet het verschil in behandeling tussen burgers van het Verenigd Koninkrijk en onderdanen van andere lidstaten worden aanvaard, de regel van gelijke behandeling van artikel 4 van Protocol nr. 3 de autoriteiten van Jersey verbiedt, aan de uitoefening van hun bevoegdheden gegevens ten grondslag te leggen die op een willekeurig onderscheid ten nadele van de onderdanen van andere lidstaten zouden neerkomen (zie hiervoor arrest Adoui en Cornuaille, reeds aangehaald, punt 7).
50 Van een dergelijk willekeurig onderscheid zou sprake zijn, indien een uitzettingsmaatregel jegens een onderdaan van een andere lidstaat werd genomen op basis van de beoordeling van een gedraging die, ten aanzien van onderdanen van de eerste staat, geen aanleiding is voor repressieve maatregelen noch voor andere daadwerkelijke, op bestrijding van die gedraging gerichte maatregelen (zie hiervoor arrest Adoui en Cornuaille, reeds aangehaald).
51 In het geval van Jersey moet de uitzettingsmaatregel die in het hoofdgeding aan de orde is, worden vergeleken met de maatregelen waartoe hetzelfde soort gedraging voor een burger van het Verenigd Koninkrijk aanleiding geeft.
52 Mitsdien moet op de tweede vraag worden geantwoord, dat artikel 4 van Protocol nr. 3 aldus moet worden uitgelegd, dat het de redenen waarom een onderdaan van een andere lidstaat dan het Verenigd Koninkrijk Jersey kan worden uitgezet, niet beperkt tot redenen van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid, zoals genoemd in artikel 48, lid 3, van het Verdrag en gepreciseerd door richtlijn 64/221. Artikel 4 van Protocol nr. 3 verzet zich er echter tegen, dat de autoriteiten van Jersey jegens een onderdaan van een andere lidstaat een uitzettingsmaatregel treffen wegens een gedraging die, indien door burgers van het Verenigd Koninkrijk begaan, voor hen geen aanleiding zou zijn voor repressieve maatregelen noch voor andere reële en effectieve maatregelen ter bestrijding van die gedraging.
De derde vraag
53 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of artikel 4 van Protocol nr. 3 zich ertegen verzet, dat de autoriteiten van Jersey een onderdaan van een andere lidstaat uitzetten, wanneer de door die autoriteiten aangevoerde overwegingen van openbare orde in de praktijk niet leiden tot uitzetting van die persoon uit het Verenigd Koninkrijk.
54 Ofschoon de verwijzende rechter deze vraag enkel stelt voor het geval het antwoord op de tweede vraag bevestigend zou luiden, moet, teneinde hem een nuttig antwoord te geven, één van de aspecten ervan worden behandeld.
55 Blijkens de verwijzingsbeschikking is in bijlage 4 bij de Immigration Act 1971 immers bepaald, dat de gevolgen van een door de autoriteiten van de Kanaaleilanden getroffen uitzettingsmaatregel zich eveneens uitstrekken tot het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk, tenzij de Secretary of State de gevolgen ervan in een concreet geval uitdrukkelijk tot het grondgebied van die eilanden beperkt. De regering van het Verenigd Koninkrijk heeft erop gewezen, dat tot dergelijke beperkingen in de praktijk nooit is besloten.
56 Daar de autoriteiten van de grondgebieden van de Kanaaleilanden zich voor de uitzetting van een onderdaan van een andere lidstaat kunnen baseren op andere redenen en overwegingen dan in het gemeenschapsrecht voorzien, zou de uitbreiding van de werking van de uitzettingsmaatregel tot het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk indirect tot gevolg kunnen hebben, dat de gemeenschapsrechtelijke bepalingen op het gebied van het vrije verkeer van personen in het Verenigd Koninkrijk niet meer volledig van toepassing zijn.
57 Uit artikel 227, lid 5, sub c, van het Verdrag en Protocol nr. 3 blijkt echter duidelijk, dat die bepalingen geen afbreuk beogen te doen aan de gemeenschapsrechtelijke bepalingen betreffende, met name, het vrije verkeer van onderdanen van andere lidstaten op het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk. Zij kunnen daarom niet aldus -worden uitgelegd, dat door middel van de daarin vervatte regeling de rechten van onderdanen van andere lidstaten op binnenkomst en verblijf op het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk, zouden worden aangetast.
58 Mitsdien moet op de derde vraag worden geantwoord, dat de bepalingen van Protocol nr. 3 niet aldus kunnen worden uitgelegd, dat een door de autoriteiten van Jersey jegens een onderdaan van een andere lidstaat dan het Verenigd Koninkrijk genomen uitzettingsmaatregel tot gevolg zou hebben, dat deze persoon de toegang tot en het verblijf op het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk zouden worden verboden op grond van andere redenen en overwegingen dan die op grond waarvan de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk anders het vrije verkeer van personen krachtens het gemeenschapsrecht zouden kunnen beperken.
Kosten
59 De kosten door de Franse regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door de Royal Court of Jersey bij beschikking van 11 april 1996 gestelde vragen, verklaart voor recht:
-
De regel van gelijke behandeling, neergelegd in artikel 4 van Protocol nr. 3 betreffende de Kanaaleilanden en het eiland Man, gehecht aan de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en de aanpassing der Verdragen, heeft niet tot gevolg, dat onderdanen van een andere lidstaat dan het Verenigd Koninkrijk Jersey niet kunnen worden uitgezet, ook al kunnen Britse burgers, daaronder begrepen zij die geen onderdaan van de Kanaaleilanden in de zin van artikel 6 van Protocol nr. 3 zijn, niet worden uitgezet.
-
Artikel 4 van Protocol nr. 3 moet aldus worden uitgelegd, dat het de redenen waarom een onderdaan van een andere lidstaat dan het Verenigd Koninkrijk Jersey kan worden uitgezet, niet beperkt tot redenen van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid, zoals genoemd in artikel 48, lid 3, EG-Verdrag en gepreciseerd door richtlijn 64/221/EEG van de Raad van 25 februari 1964 voor de coördinatie van de voor vreemdelingen geldende bijzondere maatregelen ten aanzien van verplaatsing en verblijf, die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid. Artikel 4 van Protocol nr. 3 verzet zich er echter tegen, dat de autoriteiten van Jersey jegens een onderdaan van een andere lidstaat een uitzettingsmaatregel treffen wegens een gedraging die, indien door burgers van het Verenigd Koninkrijk begaan, voor hen geen aanleiding zou zijn voor repressieve maatregelen noch voor andere reële en effectieve maatregelen ter bestrijding van die gedraging.
-
De bepalingen van Protocol nr. 3 kunnen niet aldus worden uitgelegd, dat een door de autoriteiten van Jersey jegens een onderdaan van een andere lidstaat dan het Verenigd Koninkrijk genomen uitzettingsmaatregel tot gevolg zou hebben, dat deze persoon de toegang tot en het verblijf op het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk zouden worden verboden op grond van andere redenen en overwegingen dan die op grond waarvan de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk anders het vrije verkeer van personen krachtens het gemeenschapsrecht zouden kunnen beperken.
Rodríguez Iglesias
Gulmann
Ragnemalm
Wathelet
Mancini
Moitinho de Almeida
Kapteyn
Murray
Edward
Puissochet
Hirsch
Jann
Sevón
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 16 juli 1998.
De griffier
R. Grass
De president
G. C. Rodríguez Iglesias