Hof van Justitie EU 27-01-1999 ECLI:EU:C:1999:27
Hof van Justitie EU 27-01-1999 ECLI:EU:C:1999:27
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 27 januari 1999
Conclusie van advocaat-generaal
A. Saggio
van 27 januari 1999(*)
1. In de onderhavige zaak verzoekt het Finanzgericht Bremen het Hof om uitlegging van verordening (EEG) nr. 2551/93 van de Commissie van 10 augustus 1993(1) tot wijziging van bijlage I van verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief.(2)
De verwijzende rechter verzoekt het Hof voorts om een uitspraak over de geldigheid van artikel 522, lid 3, van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek(3), alsmede over de terugwerkende kracht van het bepaalde in de artikelen 522 en 526, lid 4, van verordening (EG) nr. 3254/94 van de Commissie van 19 december 1994 tot wijziging van verordening nr. 2454/93(4), met betrekking tot douaneaangiften van vóór haar inwerkingtreding.
Het wettelijk kader
2. De gecombineerde nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief (hierna: „GDT”) is te vinden in bijlage I bij verordening nr. 2658/87. Ingevolge artikel 12 van die verordening moet de Commissie jaarlijks „bij verordening een volledige versie vast[stellen] van de gecombineerde nomenclatuur, met de daarbij behorende tarieven van invoerrechten van het gemeenschappelijk douanetarief zoals die voortvloeit uit door de Raad of door de Commissie vastgestelde bepalingen”.
3. Ten tijde van de bestreden importen gold de in voornoemde verordening en bijlage I bij verordening nr. 2551/93 vervatte versie van de tariefnomenclatuur.
In casu zijn met name de volgende posten van de gecombineerde nomenclatuur (hierna: „GN”) van belang:
-
0802
Andere noten, vers of gedroogd, ook zonder dop of schaal, al dan niet gepeld:
— Walnoten (okkernoten):
0802 32 00
— — zonder dop
-
0811
Vruchten, ook indien gestoomd of in water gekookt, bevroren, al dan niet met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen:
0811 90 99
— — — andere.
Volgens punt 2 van de aantekeningen bij hoofdstuk 8 GN (Fruit; schillen van citrusvruchten en van meloenen) van bijlage I bij verordening nr. 2551/93 moeten gekoelde vruchten onder dezelfde post worden ingedeeld als de overeenkomstige verse vruchten. Volgens punt 3 van die aantekeningen mogen gedroogde vruchten bedoeld bij dit hoofdstuk gedeeltelijk zijn gerehydrateerd of zijn behandeld met het oog op de aanvullende verduurzaming of stabilisatie of het verbeteren of het behouden van hun uiterlijk, voor zover zij het karakter van gedroogde vruchten behouden. Geen van beide aantekeningen geven een definitie van wat onder verse of gedroogde vruchten moet worden verstaan.(5)
4. Voorts is van belang artikel 109 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (hierna: „Wetboek”)(6), volgens hetwelk de invoergoederen onder het stelsel van douane-entrepots na voorafgaande toestemming de „gebruikelijke behandelingen” kunnen ondergaan, die al dan niet met de hand worden verricht, om bewaring in goede staat te verzekeren, de presentatie of handelskwaliteit te verbeteren of de distributie of wederverkoop voor te bereiden.(7)
In het verlengde van deze bepaling bepaalt artikel 112, lid 2, van deze verordening: „Wanneer de in lid 1 bedoelde goederen gebruikelijke behandelingen in de zin van artikel 109 hebben ondergaan, wordt, op verzoek van de aangever, voor het vaststellen van het bedrag van de rechten bij invoer uitgegaan van de soort, de douanewaarde en de hoeveelheid die op het in artikel 214(8) bedoelde tijdstip in aanmerking zouden zijn genomen indien de goederen niet aan de genoemde behandelingen waren onderworpen.” Volgens de procedure van het comité als bedoeld in artikel 249 van het Wetboek kunnen echter afwijkingen van deze bepaling worden vastgesteld.(9)
5. Artikel 522, lid 3, van verordening nr. 2454/93 van de Commissie bepaalt echter, dat wanneer de behandeling tot gevolg zou hebben dat een hoger bedrag aan rechten verschuldigd wordt dan het bedrag aan rechten bij invoer dat op de goederen vóór hun behandeling van toepassing was, de belanghebbende dient af te zien van de indiening van het verzoek bedoeld in artikel 112, lid 2, van het Wetboek. In een dergelijk geval „dient de entreposeur van een entrepot van het type D afstand te doen van alle voordelen die voor hem zouden kunnen voortvloeien uit de toepassing van de heffingsgrondslagen die bij de plaatsing van de behandelde goederen onder het stelsel waren vastgesteld of als juist aangenomen”.
6. Artikel 522 van verordening nr. 2454/93 werd vervolgens gewijzigd bij artikel 1, punt 16, van verordening nr. 3254/94 van de Commissie, die op 7 januari 1995 in werking is getreden. In de nieuwe versie bevat dit artikel niet meer de voordien in lid 3 geformuleerde beperking.
Feiten en prejudiciële vragen
7. De vennootschap Mövenpick Deutschland GmbH (hierna: „verzoekster”) voerde uit China een partij verse walnoten in. Tijdens het transport werden de goederen gekoeld tot een temperatuur tussen 0 en + 5 oC. Bij aankomst in Duitsland werden zij in een douane-entrepot van het type D opgeslagen, waar zij werden ingevroren tot een temperatuur van —24 oC voor een betere houdbaarheid tijdens de duur van de opslag. Voordat de goederen in het vrije verkeer werden gebracht, werden zij uit het entrepot gehaald en in een andere ruimte met een temperatuur boven het vriespunt gebracht.
8. Op 22 december 1994 deed verzoekster bij het Zollamt Neustädter Hafen (hierna: „Zollamt”) aangifte voor het vrije verkeer van voornoemde partij goederen. Deze partij bestond om precies te zijn uit 1 533 kartons à 12,5 kg „verse walnootstukken, zonder schaal, ongesuikerd”. Verzoekster gaf voor de douanebehandeling post 0802 3200 0000 van de tariefnomenclatuur aan, die betrekking heeft op „walnoten, zonder dop of schaal, vers of gedroogd”, en wees erop, dat het om ontdooide goederen ging, die de gebruikelijke behandelingen met het oog op de bewaring in goede staat, de distributie of de wederverkoop hadden ondergaan.
Het Zollamt deelde de goederen echter als „bevroren walnootstukken” onder post 0811 90 99 GN in. Het toepasselijke douanetarief werd derhalve op 18 % vastgesteld, terwijl de door verzoekster aangegeven indeling tot toepassing van het tarief van 8 % zou hebben geleid.
9. Op 16 januari 1995 maakte verzoekster hiertegen bezwaar bij het Hauptzollamt Bremen-Freihafen (hierna: „Hauptzollamt”) en vorderde zij nietigverklaring van de door het Zollamt verrichte indeling en derhalve toepassing van de gunstiger bepaling van artikel 112, lid 2, van het Wetboek. Verzoekster stelde, dat de gedroogde walnootstukken zich op het tijdstip van aangifte in ontdooide toestand bevonden; zij waren na aankomst in Hamburg uitsluitend wegens betere houdbaarheid tijdens de duur van de opslag ingevroren. Zij moesten derhalve worden beschouwd als „verse of gedroogde” producten die de gebruikelijke behandeling hebben ondergaan, zodat daarvoor het in de overeenkomstige tariefpost van het GDT voorziene douanetarief van 8 % gold. Verzoekster stelde voorts, dat de beslissing van het Hof in de zaak Riemer, dat ingevroren en weer ontdooide bessen niet als „verse bessen” kunnen worden aangemerkt, niet op het onderhavige geval kan worden toegepast, daar in casu de gedroogde walnootstukken door die behandelingen geen onomkeerbare veranderingen hebben ondergaan waardoor hun weefselstructuur is veranderd of zij hun natuurlijke toestand hebben verloren.
Verzoekster voerde verder aan, dat artikel 522, lid 3, van verordening nr. 2454/93 ongeldig is wegens schending van de voorrangsbepalingen van artikel 112 van het Wetboek, voor zover eerstgenoemde bepaling, die enkel ter uitvoering van de bepalingen van het Wetboek is vastgesteld, het de belanghebbenden niet mogelijk zou maken, zich te beroepen op het beginsel van de neutraliteit van de „gebruikelijke behandelingen” voor de toepassing van het tarief van de douanerechten.
10. Het Hauptzollamt verklaarde het bezwaar ongegrond. Met betrekking tot de eerste vraag verklaarde het, dat een voedingsproduct dat eenmaal ingevroren is — wanneer het bij de inklaring in ontdooide toestand wordt aangeboden —, niet als „vers” kan worden aangemerkt. Met betrekking tot de toepassing van het beginsel van de „neutraliteit” van de gebruikelijke behandelingen besliste het Hauptzollamt, dat de voor de importonderneming gunstiger bepaling van artikel 112, lid 2, van het Wetboek in casu niet kon worden toegepast, omdat artikel 522, lid 3, van verordening nr. 2551/93 juist was vastgesteld overeenkomstig de machtiging van artikel 112, lid 2, laatste volzin, van het Wetboek.
11. Op 3 april 1996 stelde verzoekster tegen deze beslissing beroep in bij het Finanzgericht Bremen, waarbij zij in hoofdzaak dezelfde argumenten aanvoerde als tegenover de douaneautoriteiten. Bij beschikking van 19 augustus 1996 gaf het Finanzgericht een deskundige opdracht uit te maken, of bij walnootstukken die gekoeld tot een temperatuur tussen 0 en + 5 oC overzee zijn ingevoerd, wijzigingen zijn opgetreden in weefselstructuur, smaak en uiterlijk, wanneer zij in de handel worden gebracht nadat zij na invoer tussen één en twaalf maanden in een koelruimte bij een temperatuur van —24 oC zijn opgeslagen. De deskundige kwam tot de conclusie, dat bij de beschreven behandeling in natuurkundige zin niet van „invriezing” kon worden gesproken, daar walnoten geen water bevatten dat kan worden uitgevroren. Volgens de deskundige was dus enkel sprake van afkoeling. Het Hauptzollamt bleef echter bij zijn standpunt en betoogde, dat de behandeling die de walnoten hadden ondergaan weliswaar niet gelijk stond met invriezing in natuurkundige zin, maar daarop wel invloed had uitgeoefend omdat daardoor het rijpingsproces en het ranzig worden van het nootvet was verhinderd. Derhalve kon dit bij de indeling niet buiten beschouwing blijven. Verzoekster ziet zich door het advies in haar betoog gestijfd. Volgens het advies zijn de noten nooit in eigenlijke zin „ingevroren” geweest, zodat zij per definitie niet in de post van het GDT inzake de bevroren producten konden worden ingedeeld.
12. Bij beschikking van 7 oktober 1997 heeft het Finanzgericht het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
Moet het gemeenschappelijk douanetarief in de versie van bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2551/93 van de Commissie van 10 augustus 1993 (PB L 241, blz. 1) tot wijziging van bijlage I van verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (Gecombineerde nomenclatuur 1994) aldus worden uitgelegd, dat uit een derde land ingevoerde gedroogde walnootstukken die in de Gemeenschap in een douane-entrepôt diepgevroren worden opgeslagen en later ontdooid voor het vrije verkeer worden aangegeven, onder post 0802 moeten worden ingedeeld?
Voor het geval dat de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord:
Was artikel 522, lid 3, van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 (PB L 253, blz. 1), dat als gevolg van de herformulering van artikel 522 bij verordening (EG) nr. 3254/94 van de Commissie van 19 december 1994 (PB L 346, blz. 1) is ingetrokken, ongeldig?
Voor het geval dat de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord:
Is artikel 522 juncto artikel 526, lid 4, van verordening nr. 2454/93, in de versie van artikel 1, punten 16 en 18, van verordening (EG) nr. 3254/94 van de Commissie van 19 december 1994 (PB L 346, blz. 1), ook op douaneaangiften van vóór 7 januari 1995 van toepassing?”
De eerste prejudiciële vraag
13. Met de eerste prejudiciële vraag wenst het Finanzgericht van het Hof te vernemen, of de tekst van het GDT in bijlage I bij verordening nr. 2551/93 aldus moet worden uitgelegd, dat de betrokken producten, ongeacht de behandelingen die zij na hun aankomst op het grondgebied van de Gemeenschap hebben ondergaan, in post 0802 moeten worden ingedeeld.
14. De Commissie en verzoekster — die het eens zijn over de indeling van de goederen onder post 0802 — wijzen in hun opmerkingen erop, dat volgens de rechtspraak van het Hof het beslissende criterium voor de tariefindeling van de goederen, in overeenstemming met de tekst van de tariefposten en postonderverdelingen van de gecombineerde nomenclatuur en de aantekeningen bij de afdelingen of hoofdstukken, in beginsel moet worden gezocht in hun objectieve kenmerken en eigenschappen, zoals zij bij de douaneautoriteiten van de lidstaten bij de douanaangifte worden aangeboden.(10) Voor de eenvormige uitlegging van het gemeenschappelijk douanetarief hecht het Hof ook belang aan de toelichtingen van de Internationale Douaneraad met betrekking tot het geharmoniseerd systeem.(11)
15. De oplossing van het probleem van de indeling van de betrokken goederen in het kader van de gecombineerde nomenclatuur is derhalve in dit systeem te vinden. Volgens de toelichtingen wordt onder „bevroren” product verstaan een product dat is afgekoeld tot onder het vriespunt („door en door” bevroren), terwijl een „gekoeld” product een product is waarvan de temperatuur is verlaagd zonder dat het bevriest.(12) Zoals reeds gezegd, hadden voor de tariefindeling uitsluitend de objectieve kenmerken van het product op het tijdstip van het ontstaan van de douaneschuld in aanmerking moeten worden genomen. Op dat tijdstip was de waar in technische zin „ontdooid”. Zoals de deskundige voor de verwijzende rechter heeft verklaard, had de waar namelijk wegens het geringe watergehalte van gedroogde walnoten strikt genomen geen bevriezingsproces ondergaan, doch eerder een gedwongen afkoelingsproces, dat wil zeggen een afkoeling tot een lagere temperatuur (—24 oC) dan die van koeling (0 tot 5 oC). Derhalve heeft de behandeling niet tot de „onomkeerbare veranderingen, met name wat de weefselstructuur betreft,” geleid, die het Hof in het arrest Riemer(13) als beslissend criterium voor de beoordeling van de vraag, of de desbetreffende vruchten waren ingevroren, heeft aangeduid.
16. De objectieve kenmerken van het product rechtvaardigen derhalve de indeling daarvan onder post 0802, als „Andere noten, vers of gedroogd, ook zonder dop-of schaal, al dan niet gepeld”, meer bepaald onder onderverdeling 0802 32 00„zonder dop”, waarvoor een douanetarief van 8 % geldt.
17. Ik geef het Hof derhalve in overweging de eerste prejudiciële vraag te beantwoorden als volgt: Het gemeenschappelijk douanetarief in de versie van bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2551/93 van de Commissie van 10 augustus 1993 moet aldus worden uitgelegd, dat uit een derde land ingevoerde wal nootstukken die in de Gemeenschap in een douane-entrepot zijn afgekoeld en later bij een temperatuur boven het vriespunt in het vrije verkeer worden gebracht, onder tariefpost 0802 moeten worden ingedeeld.
De tweede prejudiciële vraag
18. Deze conclusie met betrekking tot de eerste prejudiciële vraag, volgens welke de betrokken waar onder post 0802 van het gemeenschappelijk douanetarief moet worden ingedeeld, maakt beantwoording van de beide volgende vragen overbodig, die de verwijzende rechter immers van de ontkennende beantwoording van de eerste vraag afhankelijk heeft gesteld. Voor het geval dat het Hof tot een andere oplossing komt en de betrokken waren als „bevroren” in de zin van post 0811 van het gemeenschappelijk douanetarief aanmerkt, zou ik het Hof evenwel deelgenoot van de volgende opmerkingen willen maken.
19. Met de tweede prejudiciële vraag verzoekt de verwijzende rechter het Hof om een uitspraak over de geldigheid van artikel 522, lid 3, van verordening nr. 2454/93, die bij verordening nr. 3254/94 is ingetrokken, doch ten tijde van de feiten van kracht was. Meer bepaald wenst de rechter te vernemen, of deze bepaling, die door de Commissie op grond van een machtiging van de Raad werd vastgesteld, strookt met de in het Wetboek vervatte regeling van hogere rang.
20. De bepaling, waarvan de rechtmatigheid in twijfel wordt getrokken, betreft de douanebehandeling van de goederen die de in artikel 109 van het Wetboek vermelde „gebruikelijke behandelingen” hebben ondergaan. Volgens deze bepaling dient de belanghebbende af te zien van de indiening van het verzoek bedoeld in artikel 112, lid 2, van het Wetboek(14), wanneer de behandeling tot gevolg zou hebben dat een hoger bedrag aan rechten verschuldigd wordt dan het bedrag aan rechten bij invoer dat op de goederen vóór hun behandeling van toepassing was. Met andere woorden, artikel 522, lid 3, van verordening nr. 2454/93 heeft tot gevolg, dat de belanghebbende geen voordeel kan trekken van het beginsel van de „neutraliteit” van de behandelingen en dus dezelfde behandeling kan verkrijgen alsof de waar op het tijdstip van het ontstaan van de douaneschuld deze behandelingen niet had. Het Wetboek daarentegen bepaalt, dat het goed de douanebehandeling moet krijgen in de staat waarin het zich bij binnenkomst in de Gemeenschap bevindt, waarbij behandelingen die zij eventueel later hebben ondergaan, buiten beschouwing blijven.(15) In het onderhavige geval behoort de behandeling die de producten hebben ondergaan, indien zij technisch als „invriezing” wordt opgevat, zonder meer tot de „gebruikelijke behandelingen” in de zin van artikel 109 van het Wetboek. Die behandeling zou dus tot de toepassing van een douanerecht van 18 % leiden, dat hoger is dan het recht (8 %) dat voor het goed zou hebben gegolden wanneer het voornoemde behandelingen niet zou hebben ondergaan. Volgens deze uitlegging van de relevante regeling zou artikel 112 van het Wetboek de toepassing van het douanerecht mogelijk maken dat overeenkomt met de eigenschappen die het goed vóór de behandeling bezat, dus het gunstiger recht van post 0802, terwijl artikel 522 van de verordening van de Commissie de toepassing van het hogere tarief van post 0811 zou voorschrijven.
21. In dit verband zij om te beginnen erop gewezen, zoals ook de verwijzende rechter heeft opgemerkt, dat de in de verordening van de Commissie vervatte regeling tegen die van artikel 112 van het Wetboek lijkt in te gaan. Terwijl laatstgenoemd artikel de mogelijkheid voor een bepaalde gunstige tariefindeling biedt wanneer de invoergoederen „gebruikelijke behandelingen” hebben ondergaan, sluit eerstgenoemd artikel dat uit. Op grond van artikel 112, lid 2, laatste volzin, van het Wetboek kunnen „afwijkingen” van de bestaande regeling volgens de in artikel 249 bedoelde „procedure van het comité” worden vastgesteld. Daar de verordening van de Commissie met het litigieuze artikel 522 ongetwijfeld op grond van artikel 249 van het Wetboek(16) is vastgesteld, gaat het er per slot van rekening om, na te gaan of deze bepaling, zoals de Commissie stelt, een „afwijking” van het neutraliteitsbeginsel bevat, dan wel of zij in plaats daarvan, zoals verzoekster betoogt, moet worden gezien als een nieuwe regeling met een algemene strekking, die verschilt van de regeling van het Wetboek. Het is duidelijk, dat de litigieuze bepaling enkel in het eerste geval in overeenstemming met de hogere regeling en dus geldig kan worden geacht.
22. Tot staving van haar standpunt beroept de Commissie zich op de ratio van de door artikel 112 van het Wetboek aan de importeur verleende voorkeursbehandeling en dus van de aan de Commissie verleende machtiging om afwijkingen vast te stellen. De Commissie merkt op, dat de uit derde landen ingevoerde goederen op. de markten van die landen worden aangeboden met eigenschappen die niet noodzakelijkerwijs overeenkomen met de marktvoorwaarden van de lidstaten. De goederen moeten derhalve door behandelingen ter verzekering van de bewaring, ter verbetering van de presentatie of handelskwaliteit of ter voorbereiding van de distributie of wederverkoop aan de voorwaarden van de gemeenschappelijke markt worden aangepast; deze behandelingen kunnen worden verricht zonder dat de belanghebbende behoeft af te zien van de voordelen van het stelsel van douane-entrepots. Om de economische voorwaarden, met name de mededingingsverhoudingen, niet ten nadele van de communautaire producten te verstoren, dienen de toegelaten „gebruikelijke behandelingen” evenwel van zo geringe omvang te zijn, dat zij de kenmerken en de bestemming van het product niet wezenlijk wijzigen.
Volgens de Commissie zou de afwijking van artikel 522, lid 3, derhalve te verklaren zijn doordat in alle gevallen waarin de „gebruikelijke behandelingen” een verandering van de goederen bewerkstelligen, die tot de toepassing van een hoger douanetarief (zoals in het geval van bevriezing) leidt, de gunstiger behandeling niet mag worden verleend; een andere oplossing zou tot gevolg hebben dat de ingevoerde goederen gunstiger worden behandeld dan de overeenkomstige communautaire producten.
23. De door verzoekster gehuldigde opvatting lijkt mij de juiste. Er kan namelijk redelijkerwijs niet van „afwijkingen” van de regeling van artikel 112 van het Wetboek worden gesproken met betrekking tot een bepaling die in feite de normatieve inhoud daarvan wezenlijk beperkt door de voordelen te weigeren wanneer een beroep op de „gebruikelijke behandelingen” wordt gedaan. Er is inderdaad alleen sprake van een „afwijking” van een hogere regel, wanneer deze regel als algemene regel van kracht blijft en eerstgenoemde bepaling enkel in „afwijkingen” voorziet die de werkingssfeer ervan bij uitzondering beperken. In het onderhavige geval wordt door de in de verordening van de Commissie vervatte bepaling het door de regeling van het Wetboek geboden voordeel tenietgedaan, doordat zij uitsluit dat degenen op wie de verplichting tot betaling van douanerechten rust, de voordelen kunnen genieten die artikel 112 van het Wetboek hun toch wilde toekennen.
24. Indien dat het geval is, kan bovendien de in artikel 522 van de verordening van de Commissie bedoelde regeling a fortiori niet worden gerechtvaardigd op grond van de algemene machtiging van artikel 249 van het Wetboek voor de vaststelling van „de bepalingen die noodzakelijk zijn voor de toepassing van dit wetboek”.(17) In dit verband volstaat een verwijzing naar het algemene beginsel dat de Commissie bij de vaststelling van bepalingen tot uitvoering van een basisverordening van de Raad niet kan afwijken van de daarin vervatte beginselen.(18) Ter zake van het betrokken gebied heeft het Hof gepreciseerd, dat de Raad de Commissie, handelend in nauwe samenwerking met de douanedeskundigen van de lidstaten, weliswaar een ruime beoordelingsbevoegdheid heeft gelaten bij de verduidelijking van de inhoud van de posten die voor de indeling van een goed in aanmerking komen, maar dat geeft de Commissie niet de bevoegdheid wijziging te brengen in de tekst van het gemeenschappelijk douanetarief.(19) Dienovereenkomstig mag de uitvoeringsverordening niet afwijken van de bepalingen van het Wetboek die in het voordeel zijn van degenen die douanerechten moeten betalen.
25. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de tweede prejudiciële vraag van het Finanzgericht Bremen te beantwoorden als volgt: Artikel 522 van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad, is ongeldig voor zover daarbij in lid 3 wordt bepaald, dat de belanghebbende moet afzien van de indiening van het verzoek bedoeld in artikel 112, lid 2, van het Wetboek, wanneer een „gebruikelijke behandeling” tot gevolg heeft dat een hoger bedrag aan rechten verschuldigd wordt dan het bedrag aan rechten bij invoer dat op de goederen vóór hun behandeling van toepassing was.
De derde prejudiciële vraag
26. Met de derde prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen, of het bij een bevestigend antwoord op de tweede vraag — dus wanneer de ongeldigheid van artikel 522, lid 3, van verordening nr. 2454/93 is vastgesteld — mogelijk is, de in verordening nr. 3254/93 van de Commissie van 19 december 1994 vervatte regeling op de litigieuze douaneaangiften toe te passen.
27. Bij artikel 1, punt 16, van die verordening, die op 7 januari 1995 in werking is getreden, wordt de tekst van artikel 522 van verordening nr. 2454/93 vervangen. In de nieuwe formulering bevat deze bepaling niet meer de voordien voorziene beperkingen van de voordelen die voortvloeien uit de regeling van de gebruikelijke behandelingen.
28. De verwijzende rechter vraagt het Hof derhalve, of de nieuwe formulering van artikel 522 met terugwerkende kracht kan worden toegepast en dus de douanebehandeling van de goederen kan regelen, die zijn toegelaten tot de regeling van de „gebruikelijke behandelingen” ook wanneer het gaat om douaneaangiften van vóór de inwerkingtreding van de nieuwe verordening.
29. Aangezien een verordening niet kan worden uitgelegd alsof zij terugwerkende kracht heeft, wanneer daarvoor duidelijke aanwijzingen in de tekst ontbreken, volstaat het volgens mij in casu om met de Commissie op te merken, dat nadat artikel 522, lid 3, in de oorspronkelijke versie ongeldig is verklaard, alleen de algemene regel van artikel 112, lid 2, van het Wetboek kan worden toegepast. Deze is zo geformuleerd, dat zij rechtstreeks tegenover de nationale administraties kan worden aangevoerd. Het in dit artikel neergelegde beginsel van de neutraliteit van de gebruikelijke behandelingen geldt derhalve voor de betrokken douaneaangiften.
30. Ik geef het Hof derhalve in overweging de derde prejudiciële vraag te beantwoorden als volgt: Artikel 112, lid 2, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, is van toepassing op douaneaangiften van vóór de inwerkingtreding van verordening (EG) nr. 3254/94 van de Commissie.
Conclusie
31. In het licht van het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van het Finanzgericht Bremen te beantwoorden als volgt:
De gecombineerde nomenclatuur, in de versie van bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2551/93 van de Commissie van 10 augustus 1993 tot wijziging van bijlage I van verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, moet aldus worden uitgelegd, dat uit een derde land ingevoerde gedroogde walnootstukken die in de Gemeenschap in een douane-entrepot diepgevroren worden opgeslagen en later ontdooid voor het vrije verkeer worden aangegeven, onder tariefpost 0802 32 00 moeten worden ingedeeld.
Artikel 522 van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad, is ongeldig, voor zover daarbij in lid 3 wordt bepaald, dat de belanghebbende moet afzien van de indiening van het verzoek bedoeld in artikel 112, lid 2, van het Wetboek, wanneer een ‚gebruikelijke behandeling’tot gevolg heeft dat een hoger bedrag aan rechten verschuldigd wordt dan het bedrag aan rechten bij invoer dat op de goederen vóór hun behandeling van toepassing was.
Artikel 112, lid 2, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, is van toepassing op douaneaangiften van vóór de inwerkingtreding van verordening (EG) nr. 3254/94 van de Commissie.”