Hof van Justitie EU 14-07-1998 ECLI:EU:C:1998:363
Hof van Justitie EU 14-07-1998 ECLI:EU:C:1998:363
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 14 juli 1998
Conclusie van advocaat-generaal
D. Ruiz-Jarabo Colomer
van 14 juli 1998(*)
1. In deze zaak heeft de Commissie, bij verzoekschrift ingediend overeenkomstig artikel 169 EG-Verdrag, het Hof verzocht vast te stellen dat het Groothertogdom Luxemburg, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 92/29/EEG van de Raad van 31 maart 1992 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid ter bevordering van een betere medische hulpverlening aan boord van schepen(1), de krachtens die richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2. Tijdens de precontentieuze procedure had de Commissie de autoriteiten van het Groothertogdom Luxemburg bij brief van 16 mei 1995 aangemaand, de nodige maatregelen vast te stellen voor de uitvoering van richtlijn 92/29, die uiterlijk op 31 december 1994 in nationaal recht had moeten worden omgezet. Bij brief van 12 september 1996 antwoordden de Luxemburgse autoriteiten de Commissie, dat zij een voorontwerp van groothertogelijke verordening op dit gebied hadden voorbereid, en dat de tekst ervan voor advies aan de Raad van State was voorgelegd.
3. Toen de Luxemburgse autoriteiten daarna niet meer van zich lieten horen, deed de Commissie het Groothertogdom Luxemburg op 16 december 1996 een met redenen omkleed advies toekomen met het verzoek, de nodige maatregelen voor de uitvoering van richtlijn 92/29 vast te stellen. Het Groothertogdom Luxemburg antwoordde op 23 januari 1997, dat het op het punt stond om zijn wetgeving op dit gebied te wijzigen.
4. Daar het Groothertogdom Luxemburg niet had bewezen dat het zijn wetgeving na die briefwisseling aan richtlijn 92/29 had aangepast, heeft de Commissie op 21 oktober 1997 bij het Hof een beroep wegens niet-nakoming ingesteld.
5. In haar verweerschrift heeft de Luxemburgse regering erkend, dat zij zich aan de haar verweten niet-nakoming schuldig had gemaakt, en toegegeven, dat zij haar nationale recht niet binnen de haar verleende termijn aan richtlijn 92/29 had aangepast. Zij heeft echter aangevoerd, dat zij daartoe in maart 1998 bij het Luxemburgse parlement een wetsontwerp had ingediend, omdat de Raad van State in juli 1997 over de hem voorgelegde ontwerpverordening een negatief advies had uitgebracht.
6. Daar de door de Commissie aan het Groothertogdom Luxemburg verweten niet-nakoming duidelijk is, moet het beroep worden toegewezen, ook al wettigt de omvang van de Luxemburgse vloot niet het vermoeden, dat de inbreuk bijzonder ernstig is.
7. Aangezien verweerster zulks heeft gevorderd, moet verweerder overeenkomstig artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering in de kosten worden verwezen.
Conclusie
8. Mitsdien geef ik het Hof in overweging, het verzoek van de Commissie toe te wijzen en:
-
vast te stellen dat het Groothertogdom Luxemburg, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 92/29/EEG van de Raad van 31 maart 1992 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid ter bevordering van een betere medische hulpverlening aan boord van schepen, de krachtens die richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, en
-
het Groothertogdom Luxemburg in de kosten te verwijzen.