Arrest van het Hof (Derde kamer) van 2 oktober 2001.
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 2 oktober 2001.
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 2 oktober 2001
Uitspraak
Arrest van het Hof (Derde kamer)
2 oktober 2001(*)
In zaak C-172/97 OP,
SIVU du plan d'eau de la Vallée du Lot, ook wel genoemd SIVU du pays d'accueil de la Vallée du Lot, gevestigd te La Canourgue (Frankrijk), vertegenwoordigd door T. Vernhet, avocat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoeker,betreffende verzet tegen het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (Derde kamer) van 10 juni 1999, Commissie/SIVU en Hydro-Réalisations (C-172/97, Jurispr. blz. I-3363),
andere partijen bij de procedure:Commissie van de Europese Gemeenschappen, aanvankelijk vertegenwoordigd door R. B. Wainwright en O. Couvert-Castéra, vervolgens door R. B. Wainwright en J.-F. Pasquier als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
en
Hydro-Réalisations SARL, gevestigd te Rodez (Frankrijk),
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
samengesteld als volgt: C. Gulmann, kamerpresident, J.-P. Puissochet (rapporteur) en F. Macken, rechters,
advocaat-generaal: S. Alber,
griffier: R. Grass,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gezien de op 18 juli 2000 ter griffie neergelegde schriftelijke antwoorden van de Commissie op de vragen van het Hof,
gezien het feit dat, waar partijen hebben afgezien van een terechtzitting, geen terechtzitting is georganiseerd,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 februari 2001,
gezien de beschikking van 29 maart 2001, waarbij de behandeling wordt heropend en de griffie wordt verzocht, aan het SIVU du plan d'eau de la Vallée du Lot de schriftelijke antwoorden van de Commissie op de vragen van het Hof mee te delen,
gezien het feit dat partijen hebben afgezien van een terechtzitting,
gezien het rapport van de rechterrapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 31 mei 2001,
het navolgende
Arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 12 juli 1999, heeft het SIVU (syndicat intercommunal à vocation unique) du plan d'eau de la Vallée du Lot, ook wel genoemd SIVU du pays d'accueil de la Vallée du Lot (hierna: „SIVU”), krachtens artikel 94, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering verzet gedaan tegen het arrest van het Hof van 10 juni 1999, Commissie/SIVU en Hydro-Réalisations (C-172/97, Jurispr. blz. I-3363).
De aan het geding ten grondslag liggende feiten
2 Op 6 december 1990 sloot de Europese Economische Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Commissie, met het SIVU en de vennootschap Hydro-Réalisations SARL (hierna: „Hydro-Réalisations”), hoofdelijk optredend, contract nr. HY 84/89 FR op grond waarvan door de Gemeenschap financiële steun werd toegekend voor de verwezenlijking van een project, getiteld „Stuwmeer op de Lot. Integratie in de stuw van een miniwaterkrachtcentrale met gering verval” (hierna: „contract”). In dat contract verbonden het SIVU en Hydro-Réalisations (hierna tezamen: „contractant”) zich ertoe, een stuw en een geïntegreerde miniwaterkrachtcentrale met gering verval op de rivier de Lot te bouwen.
3 Artikel 4.3.2 van het contract bepaalde, dat de contractant binnen drie maanden na de ondertekening ervan, en vervolgens ieder halfjaar, verslag uitbrengt over de voortgang van de werkzaamheden en daarbij opgave verstrekt over de gedane uitgaven.
4 Artikel 9, getiteld „Opzeggingsclausule”, bepaalde:
„Het onderhavige contract kan, met inachtneming van een opzeggingstermijn van twee maanden, door elk van de contractanten worden opgezegd, wanneer met de voortzetting van het in bijlage I vermelde werkprogramma geen belang meer wordt gediend wegens een voorzienbare technische of economische mislukking van dat werkprogramma of een buitensporig geachte overschrijding van de geraamde kosten van het project.
[...]
Indien bij de verificatie van de door de Commissie betaalde bedragen blijkt, dat de contractant te veel heeft ontvangen, betaalt hij dit bedrag onmiddellijk aan de Commissie terug, vermeerderd met interessen vanaf de datum van voltooiing of staking van de werkzaamheden waarop dit contract betrekking heeft.
De toepasselijk rentevoet is die welke het Europees Fonds voor monetaire samenwerking gebruikt voor zijn transacties in ecu, en die de eerste werkdag van iedere maand wordt gepubliceerd. ”
5 In artikel 13 van het contract kwamen de partijen overeen, elk eventueel geschil over de geldigheid, de uitlegging en de uitvoering van het contract, dat luidens artikel 14 door de Franse wet werd beheerst, aan het Hof van Justitie voor te leggen.
6 Op 31 december 1990 betaalde de Commissie overeenkomstig bijlage II, punt I, lid 1, sub a, van het contract de contractant, als voorschot op haar financiële bijdrage, de som van 83 928 ECU, die hij op 17 januari 1991 ontving.
7 Op 23 mei 1991 stuurde de contractant de Commissie een eerste tussentijds technisch verslag en vervolgens, op 13 augustus 1991, na aanmaning door die instelling, een financieel verslag over de periode van 1 april 1990 tot 30 juni 1991, het begin van de werkzaamheden. Aangezien de door de contractant gemaakte kosten de eerste twee fasen van het project betroffen, deed de Commissie geen nieuwe betaling.
8 Nadat de Commissie de contractant vervolgens tevergeefs om de technische en financiële verslagen over de periode van 1 juli tot 31 december 1991 had verzocht, maande zij het SIVU bij brief van 7 oktober 1992 aan, binnen een termijn van een maand zijn verplichtingen na te komen, en behield zij zich, indien hij in gebreke bleef, het recht voor, passende maatregelen te treffen wat de voortzetting van het contract betreft.
9 Op 6 november 1992 deelde het SIVU de Commissie mee, dat het project voor een stuwmeer op de Lot was gewijzigd om rekening te houden met de onder meer door verenigingen voor milieubescherming gemaakte opmerkingen en dat de bouw van de miniwaterkrachtcentrale werd opgegeven, waarvoor in de plaats een overstroombare stuw werd gebouwd. Bijgevolg zag het SIVU af van de financiële steun van de Gemeenschap, en nam het zich voor, het reeds ontvangen voorschot terug te betalen.
10 Bij brief van 18 november 1992 deelde de Commissie het SIVU mee, dat zij het contract krachtens artikel 9 ervan opzegde, en verzocht zij het SIVU om terugbetaling van het voorschot van 83 928 ECU, vermeerderd met de vanaf de ontvangst van dat bedrag vervallen interessen. Op 8 december daaraanvolgend deed zij het SIVU een debetnota toekomen voor het bedrag van het voorschot plus interessen, betaalbaar op 28 februari 1993.
11 Het SIVU gaf geen gevolg aan dit verzoek en evenmin aan de latere verzoeken tot terugbetaling van het voorschot, die de Commissie het op 27 januari 1994, 1 juni 1994, 31 oktober 1994 en 12 oktober 1995 deed toekomen.
Het voornoemde arrest Commissie/SIVU en Hydro-Réalisations
12 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 2 mei 1997, heeft de Commissie krachtens een op grond van artikel 181 EG-Verdrag (thans artikel 238 EG) opgesteld arbitragebeding beroep ingesteld, strekkende tot veroordeling van SIVU en Hydro-Réalisations tot betaling van de som van 83 928 ecu, vermeerderd met de contractuele interessen volgens de op de eerste werkdag van elke maand door het Europees Fonds voor monetaire samenwerking gepubliceerde rentevoet voor transacties in ECU, vanaf 17 januari 1991, en met de wettelijke interessen volgens de rentevoet die jaarlijks bij in het Journal officiel de la République française gepubliceerd decreet wordt vastgesteld, vanaf 28 februari 1993.
13 Aangezien noch het SIVU, noch Hydro-Réalisations, die regelmatig in het geding zijn geroepen, binnen de gestelde termijnen een verweerschrift heeft ingediend, heeft het Hof uitspraak gedaan bij verstek.
14 Bij voornoemd arrest Commissie/SIVU en Hydro-Réalisations heeft het Hof het verzoek van de Commissie gedeeltelijk ingewilligd. Het dictum van dat arrest luidt als volgt:
Veroordeelt het SIVU [...] en Hydro-Réalisations [...] hoofdelijk tot betaling aan de Commissie [...] van de som van 83 928 euro, vermeerderd met de contractuele interessen vanaf 31 mei 1991 tot de volledige voldoening van de schuld.
Verwerpt het beroep voor het overige.
Verwijst het SIVU [...] en Hydro-Réalisations [...] hoofdelijk in de kosten.”
De feiten die in de procedure waarin het voornoemde arrest Commissie/SIVU en Hydro-Réalisations is gewezen, niet tijdig ter kennis van het Hof zijn gebracht, en het verzet
15 Op 11 juni 1997 zond het SIVU de Commissie een brief, waarin het haar meedeelde dat het een nieuwe technische studie had besteld, met het doel de haalbaarheid van een minicentrale op die plaats te onderzoeken, en dat het had besloten het door de Commissie betaalde voorschot te behouden voor het geval dat het oorspronkelijke project uiteindelijk zou worden verwezenlijkt. Het SIVU was nu echter in staat, dienaangaande een negatief besluit te nemen; het verbond zich ertoe het voorschot onmiddellijk terug te betalen, en gaf de wens te kennen, dat die terugbetaling voor hem niet met een straf gepaard zou gaan.
16 Op 8 oktober 1998, dus acht maanden vóór de uitspraak van het voornoemde arrest Commissie/SIVU en Hydro-Réalisations, gaf de ordonnateur van het SIVU opdracht tot het storten van een bedrag van 587 496 FRF op een rekening van de Commissie bij de Bank Brussel Lambert. Voor dat bedrag verstrekte die bank twee creditopgaven, de eerste, gedateerd 23 oktober 1998, voor een bedrag van 554 889,97 FRF, en de tweede, gedateerd 30 oktober daaraanvolgend, voor een bedrag van 32 606,03 FRF, wat volgens de niet-betwiste omzetting door de Commissie overeenkomt met 83 928 respectievelijk 4 973,81 ECU.
17 Bij op diezelfde dag gefaxte brief van 9 juni 1999 deelde de raadsman van het SIVU de Commissie mee, dat het SIVU hem zojuist had meegedeeld dat de terugbetaling van het voorschot in hoofdsom, voor een bedrag van 587 496 FRF, had plaatsgevonden ingevolge een opdracht van 8 oktober 1998. De raadsman van het SIVU verzocht de Commissie dus, zich zo mild mogelijk op te stellen, zodat het SIVU geen verwijlinteressen zou moeten betalen.
18 Bij schrijven van zijn raadsman van diezelfde dag, dus de dag vóór de uitspraak van het voornoemde arrest Commissie/SIVU en Hydro-Réalisations, waarvan de datum op 30 april daarvóór door de griffie van het Hof ter kennis van partijen was gebracht, heeft het SIVU die brief aan het Hof doen toekomen.
19 In die omstandigheden heeft het SIVU verzet gedaan tegen het voornoemde arrest van het Hof Commissie/SIVU en Hydro-Réalisations.
20 De Commissie heeft haar opmerkingen betreffende het verzet ingediend bij op 15 oktober 1999 ter griffie ingeschreven memorie.
21 Op 26 november 1999 is een corrigendum op de opmerkingen van de Commissie door deze laatste ter griffie neergelegd.
22 Het Hof heeft op rapport van de rechterrapporteur, de advocaat-generaal gehoord, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Het heeft echter besloten, de Commissie vragen te stellen.
23 De schriftelijke antwoorden van de Commissie op de vragen van het Hof zijn op 18 juli 2000 ter griffie neergelegd.
24 Aangezien partijen hebben afgezien van een terechtzitting, heeft het Hof krachtens artikel 44 bis van het Reglement voor de procesvoering besloten, zonder een dergelijke terechtzitting uitspraak te doen. De advocaat-generaal heeft op 15 februari 2001 conclusie genomen en de mondelinge behandeling is gesloten.
25 Evenwel is gebleken, dat de schriftelijke antwoorden van de Commissie op de vragen van het Hof bij vergissing niet aan het SIVU zijn toegezonden. Het Hof heeft dan ook, bij beschikking van 29 maart 2001 krachtens artikel 61 van het Reglement voor de procesvoering de mondelinge behandeling heropend om het SIVU de gelegenheid te bieden, tijdens een terechtzitting haar standpunt omtrent die antwoorden te bepalen.
26 Daar het SIVU niet te kennen heeft gegeven dat zij wenste te worden gehoord, en de Commissie heeft afgezien van een terechtzitting, heeft het Hof krachtens artikel 44 bis van het Reglement voor de procesvoering besloten, zonder een dergelijke terechtzitting uitspraak te doen.
27 In zijn verzoekschrift concludeert het SIVU, dat het den Hove behage:
-
het verzet ontvankelijk en gegrond te verklaren en dus het voornoemde arrest Commissie/SIVU en Hydro-Réalisations in te trekken;
-
vast te stellen dat de som van 587 496 FRF op 8 oktober 1998 aan de Commissie is terugbetaald;
-
het verzoek van de Commissie, gedateerd 2 mei 1997, te verwerpen;
-
te verklaren dat de interessen slechts vanaf 11 juni 1997 — subsidiair slechts vanaf 31 mei 1991 — en enkel tot 8 oktober 1998 hebben gelopen;
-
de Commissie te verwijzen in de kosten.
28 In haar opmerkingen betreffende het verzet concludeert de Commissie tot afwijzing van het verzoek tot verzet en tot veroordeling van het SIVU in de kosten van de verzetprocedure.
Onderzoek van de argumenten van partijen
29 Het SIVU voert als bezwaar tegen het voornoemde arrest Commissie/SIVU en Hydro-Réalisations aan dat daarin de vordering van de Commissie tot terugbetaling van het voorschot van 83 928 ECU is toegewezen. Het SIVU betoogt namelijk, dat het op het moment waarop dat arrest werd gewezen, die som reeds had terugbetaald, zodat de vordering van de Commissie geen reden van bestaan meer had.
30 De Commissie repliceert, dat zelfs indien het Hof van de door het SIVU verrichte betaling kennis zou hebben gehad, het arrest niet anders zou zijn uitgevallen. Het zou immers op dezelfde wijze nebben geoordeeld dat het contract door de Commissie terecht was opgezegd, en dat zij recht had op terugbetaling van het volledige voorschot dat aan de contractant was betaald. Volgens de Commissie was de door het SIVU verrichte betaling niet van invloed op het arrest zelf, maar op de voorwaarden voor de tenuitvoerlegging ervan.
31 Er zij op gewezen, dat zeker niet wordt betwist dat de Commissie nog vóór de uitspraak van het voornoemde arrest Commissie/SIVU en Hydro-Réalisations op 23 oktober 1998 van het SIVU de som van 554 889,97 FRF heeft ontvangen, wat overeenkomt met 83 928 ECU, de tegenwaarde van het bedrag van het door de Commissie toegekende voorschot, en vervolgens op 30 oktober 1998 de som van 32 606,03 FRF, wat overeenkomt met 4 973,81 ECU.
32 Ondanks de brief van het SIVU van 11 juni 1997, waarin aan de Commissie de terugbetaling van het voorschot was aangekondigd en de wens te kennen werd gegeven dat die niet met een straf gepaard zou gaan, en de brief van 9 juni 1999, waarin werd meegedeeld dat het voorschot in hoofdsom was terugbetaald, kan niet worden aanvaard dat het SIVU de hoofdsom van zijn schuld in haar geheel heeft betaald.
33 Artikel 1254 van de Franse Code civil bepaalt immers:
„De schuldenaar van een schuld die interest geeft of rentetermijnen opbrengt, kan, buiten de toestemming van de schuldeiser, de betaling die hij doet, niet toerekenen op het kapitaal eerder dan op de rentetermijnen of de interesten; de betaling die op het kapitaal en de interesten gedaan wordt, maar waarmee de gehele schuld niet is gekweten, wordt in de eerste plaats op de interesten toegerekend. ”
34 Uit het onderzoek van de stukken blijkt echter, dat de Commissie niet heeft aanvaard dat de terugbetaalde bedragen bij voorrang op de hoofdsom van de schuld werden toegerekend.
35 Om te beginnen heeft de Commissie niet geantwoord op de brief van het SIVU van 11 juni 1997, in antwoord waarop zij eventueel had kunnen aanvaarden, betalingen bij voorrang op de hoofdsom toe te rekenen.
36 Vervolgens blijkt weliswaar uit de verklaringen van de Commissie in haar schriftelijke antwoorden op de vragen van het Hof, dat de boekhouder van die instelling de op 23 oktober 1998 door het SIVU betaalde som van 83 928 ECU heeft toegerekend op een bevel tot terugvordering dat enkel het als hoofdsom verschuldigde bedrag nauwkeurig identificeerde en daarnaast slechts de vermelding „+ interessen” bevatte. Die louter interne toerekening op een bevel tot terugvordering waarvan de formulering te verklaren is door het feit, dat het als interessen verschuldigde bedrag niet vaststond op het moment dat dat bevel werd uitgevaardigd, kan echter niet worden beschouwd als een instemming met een verzoek om een gedeeltelijke betaling bij voorrang op de hoofdsom toe te rekenen.
37 Ten slotte heeft de Commissie weliswaar in het corrigendum op haar opmerkingen betreffende het onderhavige verzoek tot verzet inlichtingen verstrekt die de indruk kunnen wekken dat zij aanvaardde dat de terugbetaalde sommen bij voorrang op de hoofdsom werden toegerekend. In haar schriftelijke antwoorden op de vragen van het Hof heeft de Commissie evenwel duidelijk haar oorspronkelijke standpunt bevestigd, dat de gedeeltelijke betaling op de interessen en niet op de hoofdsom van de schuld werd toegerekend.
38 Het SIVU heeft echter niet gereageerd op dat definitieve standpunt van de Commissie.
39 In die omstandigheden moet worden aangenomen, dat de in het corrigendum uiteengezette standpunten het gevolg waren van een eenvoudige vergissing en niet een instemming tot uitdrukking brachten.
40 Mitsdien moet worden vastgesteld dat het SIVU met zijn betalingen van 23 en 30 oktober 1998, bij voorrang de op die data vervallen interessen en slechts subsidiair het kapitaal van zijn schuld heeft terugbetaald, en dat het eventueel niet — terugbetaalde deel van het kapitaal interessen blijft opbrengen tot de schuld volledig is afgelost.
41 Wat het bedrag van de interessen betreft die op de datum van de door het SIVU verrichte betalingen waren vervallen, vormt geen enkel element van het verzoek tot verzet een aanleiding voor een herziening van de in de punten 22 tot en met 26 van het voornoemde arrest Commissie/SIVU en Hydro-Réalisations vermelde beoordeling, dat 31 mei 1991 als uitgangspunt moet worden genomen voor de berekening van de contractuele interessen.
42 Het SIVU betoogt dienaangaande, dat de betrokken interessen slechts zouden moeten beginnen te lopen vanaf de datum waarop definitief is afgezien van het project voor een minicentrale, dat wil zeggen op 11 juni 1997.
43 De Commissie betoogt daarentegen, dat met de in artikel 9 van het contract vermelde „datum van voltooiing of staking” van de werkzaamheden een objectieve situatie is bedoeld, waarvan de vaststelling niet aan het eenzijdige oordeel van een der partijen kan worden overgelaten. Zij is bovendien van mening dat, aangezien het Hof het SIVU heeft veroordeeld tot betaling van de contractuele interessen tot de volledige voldoening van de schuld en het SIVU slechts een deel ervan heeft terugbetaald, die interessen blijven oplopen.
44 In het voornoemde arrest Commissie/SIVU en Hydro-Réalisations heeft het Hof overwogen dat overeenkomstig artikel 9, derde alinea, van het contract de dooide Commissie gevorderde contractuele interessen niet begonnen te lopen vanaf de datum waarop de contractant het voorschot heeft ontvangen, maar vanaf de datum waarop hij de werkzaamheden heeft gestaakt. Daar de Commissie in haar verzoekschrift heeft opgemerkt dat de betrokken werkzaamheden tot 31 mei 1991 waren voortgezet, heeft het Hof geoordeeld dat zij enkel vanaf die datum recht had op de in artikel 9, derde alinea, van het contract bedoelde interessen.
45 Anders dan het SIVU stelt, doelen de woorden „datum van [...] staking van de werkzaamheden”, in artikel 9, derde alinea, van het contract op het tijdstip waarop effectief met de werkzaamheden is opgehouden. Daar in casu vaststaat dat de werkzaamheden niet na 31 mei 1991 zijn voortgezet, moet het verzet van het SIVU worden verworpen, voorzover het betrekking heeft op de datum van ingang van de contractuele interessen.
46 Op 23 oktober 1998 had het SIVU dus een schuld van 83 928 (hoofdsom) + 40 347,64 (interessen) ECU. Nadat rekening is gehouden met de betaling van 83 928 ECU, die bij voorrang op de vervallen interessen werd toegerekend, bedroeg de schuld van het SIVU nog 40 347,64 ECU in hoofdsom. Tot 30 oktober 1998, de datum van de tweede betaling van het SIVU, droeg dat kapitaal, op de door verzoeker niet betwiste voet van 4 %, interessen ten bedrage van 30,95 ECU. Op die datum bedroeg de totale schuld dus 40 378,59 ECU, waarvan de bij voorrang op de interessen toegerekende betaling van 4 973,81 ECU moet worden afgetrokken. Na deze betaling bedraagt de schuld dus nog 35 404,78 ECU in kapitaal, die interessen opbrengt.
47 Krachtens artikel 2, lid 1, van verordening (EG) nr. 1103/97 van de Raad van 17 juni 1997 over enkele bepalingen betreffende de invoering van de euro (PB L 162, biz. 1) moet de verwijzing naar de ecu worden vervangen door een verwijzing naar de euro, tegen een koers van één euro voor één ecu.
48 Bijgevolg dient punt 1 van het dictum van het voornoemde arrest Commissie/SIVU en Hydro-Réalisations te worden vernietigd, en dienen SIVU en Hydro-Réalisations hoofdelijk te worden veroordeeld tot betaling aan de Commissie van de som van 35 404,78 euro, vermeerderd met de contractuele interessen vanaf 30 oktober 1998 tot de schuld volledig is betaald.
Kosten
49 Volgens artikel 69, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering kan het Hof de proceskosten over de partijen verdelen of beslissen dat elke partij haar eigen kosten zal dragen, indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld, en voorts wegens bijzondere redenen.
50 Wat enerzijds de hoofdelijke veroordeling van het SIVU en Hydro-Réalisations in de kosten in het voornoemde arrest Commissie/SIVU en Hydro-Réalisations betreft, is het Hof van oordeel, dat er geen termen zijn om op dat punt van het dictum van het voornoemde arrest terug te komen. Omdat het SIVU en Hydro-Réalisations bleven weigeren het door de Commissie toegekende voorschot terug te betalen, heeft de Commissie immers een beroep bij het Hof moeten instellen. De omstandigheid dat het SIVU in de loop van het geding een deel van het aan de Commissie verschuldigde bedrag heeft terugbetaald, is in dit verband niet relevant.
51 Wat anderzijds de onderhavige verzetprocedure betreft, wijst het Hof erop dat zij grotendeels een gevolg is van het feit, dat deze laatste informatie niet tijdig ter kennis van het Hof is gebracht, zodat dit in zijn arrest daarmee geen rekening heeft kunnen houden. Aangezien de Commissie en het SIVU voor die situatie gelijkelijk verantwoordelijk lijken, zal het Hof de omstandigheden van de zaak billijk beoordelen, wanneer het beslist dat iedere partij haar eigen kosten zal dragen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
rechtdoende:
-
Vernietigt punt 1 van het dictum van het arrest bij verstek van 10 juni 1999, Commissie/SIVU en Hydro-Réalisations (C-172/97).
-
Veroordeelt het SIVU du plan d'eau de la Vallée du Lot, ook wel genoemd SIVU du pays d'accueil de la Vallée du Lot, en Hydro-Réalisations SARL hoofdelijk tot betaling aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen van de som van 35 404,78 euro, vermeerderd met de contractuele interessen vanaf 30 oktober 1998 tot de volledige voldoening van de schuld.
-
Verwerpt het verzet van het SIVU du plan d'eau de la Vallée du Lot, ook wel genoemd SIVU du pays d'accueil de la Vallée du Lot, voor het overige.
-
Verwijst het SIVU du plan d'eau de la Vallée du Lot, ook wel genoemd SIVU du pays d'accueil de la Vallée du Lot, en de Commissie van de Europese Gemeenschappen elk in hun eigen kosten in de onderhavige instantie.
Gulmann
Puissochet
Macken
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 2 oktober 2001.
De griffier
R. Grass
De president van de Derde kamer
C. Gulmann