Hof van Justitie EU 15-06-2000 ECLI:EU:C:2000:320
Hof van Justitie EU 15-06-2000 ECLI:EU:C:2000:320
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 15 juni 2000
Conclusie van advocaat-generaal
D. Ruiz-Jarabo Colomer
van 15 juni 2000(1)
1. De onderhavige zaak betreft een beroep van de Commissie krachtens artikel 181 EG-Verdrag (thans artikel 238 EG), strekkende tot veroordeling van de vennootschap TVR-Tecnologie Vetroresina SpA (hierna: „verweerster” of „TVR”) tot terugbetaling van bepaalde bedragen alsmede tot betaling van een vergoeding voor de door de Commissie geleden schade wegens vermeende niet-uitvoering van een overeenkomst.
I — De overeenkomst
2. Overeenkomst BREU-0114-I(A) werd op 12 en 21 december 1989 gesloten tussen de Commissie en verweerster in het kader van het programma voor onderzoek en technologische ontwikkeling op het gebied van industriële fabricagetechnologieën en toepassingen van geavanceerde materialen (BRITE/EURAM).(2) Deze overeenkomst betrof de uitvoering van een onderzoeksproject getiteld „Ontwerp van structuren uit composietmaterialen volgens de CAD/CAM-techniek; verwezenlijking van een prototype van een installatie voor de volledig geautomatiseerde productie volgens het draadwikkelingsprocédé (filament winding)”.
3. De volgende bepalingen van de overeenkomst zijn voor de onderhavige zaak rechtstreeks van belang:
-
De duur van het project was 36 maanden, gerekend vanaf de maand volgend op de ondertekening van de overeenkomst (van 1 januari 1990 tot en met 31 december 1992); elke vertraging diende terstond aan de Commissie te worden meegedeeld (artikel 2). TVR moest de Commissie halfjaarlijks een verslag doen toekomen over de voortgang van het project, in de vijftiende maand een tussentijds verslag en aan het einde van het project een eindverslag over de bereikte resultaten (artikel 6, lid 1). De halfjaarlijkse verslagen en het tussentijds verslag moesten binnen één maand na het einde van elke betrokken periode worden toegezonden (artikel 6, lid 1, sub b, van bijlage II — algemene voorwaarden).
-
Het was TVR toegestaan met derden samen te werken bij de uitvoering van een deel van het project (artikel 1, lid 3). TVR bleef in dat geval evenwel aansprakelijk jegens de Commissie wat de behoorlijke uitvoering van de overeenkomst betreft (artikel 3, lid 2, van bijlage II). In de overeenkomst zelf was aangegeven dat TVR zou gaan samenwerken met Imperial College of Science and Technology (hierna: „ICST”) en DSM Limburg BV (hierna: „DSM”) (artikel 10, lid 2).
-
De financiële bijdrage van de Commissie (tot een maximum van 1 161 150 ECU) bestond uit een eerste voorschot van 460 000 ECU, gevolgd door periodieke betalingen op basis van de kostendeclaraties (artikel 4, lid 1).
4. Beide partijen konden de overeenkomst ontbinden op één van de in artikel 8 van bijlage II bij de overeenkomst genoemde gronden. Zo kon de Commissie ingevolge artikel 8, lid 2, sub d, de overeenkomst ontbinden indien de medecontractant één van zijn verplichtingen niet nakwam, tenzij dit te wijten was aan redelijke en gerechtvaardigde redenen van technische of economische aard, en binnen een maand na de ingebrekestelling door de Commissie bij aangetekende brief nog steeds niet tot uitvoering was overgegaan.
5. Krachtens artikel 12 van bijlage II vallen alle geschillen betreffende de overeenkomst onder de uitsluitende bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Ingevolge artikel 11 wordt de overeenkomst door Italiaans recht beheerst.
II — De feiten
6. Op de dag van de ondertekening betaalde de Commissie TVR het voorschot van 460 000 ECU, als bedoeld in artikel 6, lid 1, van de overeenkomst.
7. Blijkens de stukken begon TVR op 1 januari 1990 met de werkzaamheden en DSM op 30 maart van dat jaar. ICST slaagde er tot aan de ondertekening van de overeenkomst met TVR op 21 mei 1990 echter niet in voor haar deel van de werkzaamheden het nodige personeel te contracteren.
8. Afgezien van deze aanvankelijke vertraging bij de uitvoering van de overeenkomst kende het eerste jaar van het project een normaal verloop. De Commissie betaalde TVR derhalve op 22 juli 1991 een bedrag van 128 418,20 ECU op basis van de door verweerster ingediende kostendeclaratie.
9. Op 13 november 1991 zond TVR een verslag over de periode van 1 januari tot en met 31 oktober 1991. Bij brief van 2 december 1991 wees de Commissie TVR erop dat elk verslag betrekking diende te hebben op een periode van zes maanden, en herinnerde zij TVR voorts aan het belang van het tussentijds verslag.
10. Op 20 januari 1992 verzocht de Commissie verweerster om toezending van het tussentijds verslag, dat in april 1991 klaar had moeten zijn en waarvoor zij reeds uitstel had verleend tot september 1991.
11. Drie dagen later, op 23 januari 1992, zond de Commissie TVR opnieuw een brief, waarin zij haar onder verwijzing naar de vertraging bij de mededeling van de periodieke verslagen eraan herinnerde dat zij de overeenkomst op grond van de algemene voorwaarden kon ontbinden en terugbetaling van de betaalde bedragen kon vorderen wanneer de wederpartij een van haar verplichtingen niet nakwam.
12. Op 30 januari 1992 deed TVR de Commissie uiteindelijk een reeks documenten toekomen, waaronder het tussentijds verslag. De Commissie stelde daarop een externe deskundige aan om de inmiddels verrichte werkzaamheden te beoordelen. In zijn verslag gaf deze deskundige ter zake een negatief oordeel.
13. Bij brief van 25 maart 1992 liet de Commissie verweerster weten dat zij voornemens was de overeenkomst te beëindigen overeenkomstig artikel 8, lid 2, sub a en d, van bijlage II bij de overeenkomst. Zij wees TVR er verder op dat met deze brief de voorgeschreven termijn van een maand voor ontbinding van de overeenkomst begon te lopen.
14. Op 15 april 1992, slechts enkele dagen voor het einde van de termijn van een maand, antwoordde TVR op de brief van de Commissie dat de met deze overeengekomen en in de onderzoeksovereenkomst aangegeven doelstellingen en werkzaamheden binnen het opgestelde tijdschema waren gerealiseerd. Volgens de Commissie werd dit antwoord opnieuw aan de deskundige voorgelegd, die daarop andermaal een negatief advies uitbracht over de voortgang van het project.
15. Op 4 mei 1992 zond de Commissie TVR een brief waarin zij in niet mis te verstane bewoordingen kritiek uitte op de door DSM verrichte werkzaamheden, alsmede op de wijze waarop TVR zich van haar taak als coördinator voor de uitvoering van de overeenkomst had gekweten.
16. De Commissie richtte zich bij brief van 10 juni 1992 opnieuw tot verweerster. Zij herinnerde TVR aan haar besluit van 25 maart 1992 om de overeenkomst met TVR te beëindigen en maande verweerster tot overlegging van de kostendeclaraties van de drie medecontractanten betreffende 1991 en de periode van 1 januari tot en met 31 mei 1992.
17. Op 2 juli 1992 zond TVR de kostendeclaraties, die door de Commissie in eerste instantie werden aanvaard. Op 23 maart 1993 zond de Commissie verweerster evenwel een eindafrekening van de kosten waarin zij de bedragen over 1992 aanzienlijk verminderde. Ondanks het bezwaar dat TVR bij brief van 29 maart 1993 tegen deze eindafrekening aantekende, vorderde de Commissie de terugbetaling van 109 444,80 ECU, zijnde het verschil tussen de bedragen die reeds aan verweerster waren betaald en de door de Commissie aanvaarde kosten.
18. Op 13 augustus 1993 gaf de Commissie de vennootschap Ernst & Young opdracht de rekeningen van TVR betreffende de uitvoering van de overeenkomst aan een accountantsonderzoek te onderwerpen.
19. Op basis van de uitkomst van dat accountantsonderzoek berichtte de Commissie TVR op 6 juni 1995 dat zij had besloten het door verweerster terug te betalen bedrag tot 77 558,80 ECU te verminderen.
20. Bij brieven van 14 juli en 2 november 1995 maakte TVR bezwaar tegen de door de Commissie gevorderde terugbetaling. Verweerster stelde met name dat de Commissie naast het financiële onderzoek door Ernst & Young, dat in wezen de gedeclareerde kosten bevestigde, tevens een technisch onderzoek van het project had moeten laten uitvoeren.
21. Gezien de weigering van TVR om tot terugbetaling van het gevorderde bedrag over te gaan, heeft de Commissie bij het Hof het onderhavige beroep ingesteld.
III — De conclusies van partijen
22. De Commissie concludeert dat het het Hof behage:
-
verweerster te veroordelen tot terugbetaling van een bedrag van 77 558,80 ECU, vermeerderd met de bijbehorende interessen, te rekenen vanaf 1 februari 1990 tot de dag van volledige betaling;
-
verweerster te veroordelen tot betaling van een bedrag van 7 700 ECU of elk ander billijk geacht bedrag ter vergoeding van de schade;
-
verweerster te verwijzen in de kosten.
23. TVR concludeert dat het het Hof behage:
-
het beroep niet-ontvankelijk te verklaren op grond van het feit dat de overeenkomst niet is ontbonden;
-
subsidiair, de vordering tot terugbetaling van bepaalde bedragen af te wijzen op grond dat de overeenkomst niet rechtsgeldig is ontbonden en geen bewijs bestaat van de gestelde schuld van TVR jegens de Commissie;
-
meer subsidiair, de vordering tot schadevergoeding af te wijzen;
-
de tegenvordering toe te wijzen en te verklaren dat de Commissie is gehouden tot uitvoering van de overeenkomst en, bijgevolg, tot betaling van de rest van de financiële steun die daarin is voorzien;
-
de Commissie te verwijzen in de kosten.
IV — De ontvankelijkheid van het beroep
24. TVR stelt niet-ontvankelijkheid van het beroep, daar vanwege de toepasselijkheid van het Italiaans recht het in artikel 1458(3) van het Italiaans burgerlijk wetboek bedoelde recht op terugbetaling slechts effect sorteert in geval van rechterlijke ontbinding van de overeenkomst wegens niet-nakoming door een van partijen. Nu de Commissie het Hof niet heeft verzocht de overeenkomst wegens niet-nakoming door verweerster te ontbinden, kan zij geen terugbetaling vorderen van de in het kader van de uitvoering van de overeenkomst betaalde bedragen. Bovendien kan niet ervan worden uitgegaan dat de Commissie de overeenkomst eenzijdig heeft beëindigd, nu een formele handeling houdende beëindiging ontbreekt.
25. In repliek merkt de Commissie in de eerste plaats op dat de in de overeenkomst bepaalde procedure voor ontbinding wegens niet-nakoming is gevolgd, zodat de ontbinding van de overeenkomst van rechtswege is ingetreden en er geen enkele reden is om het Hof te verzoeken die ontbinding vast te stellen.
De Commissie verwijst voorts naar de rechtspraak van de Corte suprema di cassazione met betrekking tot artikel 1453 van het Italiaans burgerlijk wetboek ter zake van de ontbinding van overeenkomsten. Volgens deze rechtspraak behoeft de wil om een overeenkomst wegens niet-nakoming te ontbinden, niet noodzakelijkerwijs te blijken uit een uitdrukkelijke rechtsvordering, doch kan die impliciet worden afgeleid uit andere vorderingen die, ook indien de inhoud daarvan afwijkt, een verzoek om ontbinding inhouden.(4) Volgens de Commissie heeft de Corte suprema di cassazione inzonderheid uitgemaakt dat de wil om een overeenkomst te ontbinden impliciet besloten kan liggen in de vordering in rechte van een contractpartij tot veroordeling van de gebrekige wederpartij tot terugbetaling van het bedrag dat bij het aangaan van de overeenkomst aan laatstgenoemde is betaald.(5)
Derhalve verzoekt de Commissie het Hof om vaststelling van de daadwerkelijke ontbinding van de overeenkomst, ofschoon zij zulks overbodig acht, aangezien het verzoek tot vaststelling van de beëindiging hoe dan ook impliciet besloten ligt in haar vordering tot terugbetaling van de gestelde bedragen en vergoeding van de schade.
Wat verweersters tweede grond voor niet-ontvankelijkheid aangaat, stelt de Commissie dat de briefwisseling na de ontbinding slechts bevestigt dat de overeenkomst is ontbonden wegens niet-nakoming door verweerster.
26. In zijn arrest Commissie/SNUA(6), waarop ik hierna nog zal terugkomen, verwierp het Hof een vergelijkbare exceptie van niet-ontvankelijkheid, nadat het de geldigheid van de eenzijdige beëindiging van de overeenkomst door de Commissie had vastgesteld.(7) In het licht van deze rechtspraak moet onderzocht worden of in casu de overeenkomst tussen de Commissie en TVR van rechtswege teniet is gegaan op grond van de niet-nakoming door verweerster.
27. Volgens de Commissie is de overeenkomst ontbonden krachtens de daarin neergelegde ontbindingsclausule. Alhoewel verweerster geen beroep heeft gedaan op de ongeldigheid van dat beding, acht ik het niettemin dienstig dienaangaande enkele opmerkingen te maken.
A — De geldigheid van de contractuele ontbindingsclausule
28. De ontbindingsclausules zijn geregeld in artikel 1456 van het Italiaans burgerlijk wetboek.(8) Op grond van dit artikel is ontbinding van rechtswege uitsluitend mogelijk, indien zij door partijen uitdrukkelijk is overeengekomen voor het geval dateen bepaalde verbintenis niet wordt nagekomen. Volgens de rechtspraak van de Corte suprema di cassazione moet aan twee vereisten zijn voldaan, wil een partij de overeenkomst eenzijdig kunnen beëindigen op grond van een ontbindingsclausule: de betreffende clausule moet geldig zijn en de niet-nakoming moet aan de andere partij kunnen worden verweten.
29. Met betrekking tot het eerste vereiste heeft de Corte suprema di cassazione artikel 1456 van het Italiaans burgerlijk wetboek aldus uitgelegd, dat de ontbindingsclausule alleen geldig is wanneer zij betrekking heeft op bepaalde uit de overeenkomst voortvloeiende verbintenissen. Clausules die in algemene zin betrekking hebben op de niet-nakoming van alle in de overeenkomst vervatte verbintenissen, moeten als „standaardfrase” worden beschouwd en zijn bijgevolg onwerkzaam.(9) Op grond van dergelijke standaardfrases kunnen partijen een overeenkomst niet eenzijdig beëindigen; daarvoor is een vordering in rechte vereist.
30. Gelet op de rechtspraak van de Corte suprema di cassazione, zou de ontbindingsclausule in de overeenkomst tussen de Commissie en TVR gezien kunnen worden als een standaardfrase. Zoals ik reeds heb opgemerkt, behoudt de Commissie zich immers het recht voor de overeenkomst te ontbinden wanneer een of beide medecontractanten één van zijn (hun) verplichtingen niet nakomt (nakomen).
31. Ik ben nochtans van mening dat de tussen de Commissie en TVR gesloten overeenkomst op grond van de rechtspraak van het Hof kan worden vrijgesteld van het vereiste dat het om een specifieke verplichting gaat die bij niet-nakoming kan leiden tot eenzijdige ontbinding.
32. In het eerder aangehaalde arrest Commissie/SNUA bevatte de eveneens door Italiaans recht beheerste overeenkomst tussen de Commissie en de verwerende onderneming een ontbindingsclausule, die echter in andere bewoordingen was geredigeerd en bepaalde dat de overeenkomst „door de Commissie zonder rechterlijke tussenkomst kan worden opgezegd indien de contractpartij een van de krachtens de onderhavige overeenkomst op haar rustende verplichtingen niet nakomt, inzonderheid in geval van niet-eerbiediging van de in artikel 4.3 vervatte bepalingen. [...]”.(10) Op grond van deze laatste zinsnede oordeelde het Hof dat de ontbindingsclausule voldeed aan het vereiste dat het om een specifieke verplichting gaat, dat de Corte suprema di cassazione stelde voor toepassing van artikel 1456 van het Italiaans burgerlijk wetboek.
33. De verwerende onderneming stelde daarentegen dat de niet-nakoming van de overeenkomst te wijten was aan overmacht, zoals ook door de Commissie was erkend, zodat haar niets te verwijten viel en in geen geval de in de overeenkomst opgenomen uitdrukkelijke ontbindingsclausule tegen haar kon worden toegepast, aangezien daarvoor de niet-nakoming aan een van de contractpartijen moest kunnen worden toegerekend.
34. Het Hof verwierp dit argument en stelde dat blijkens de ontbindingsclausule voor beëindiging van de overeenkomst van rechtswege geen sprake behoefde te zijn van schuld van de contractpartij, maar dat daartoe niet-nakoming van bepaalde contractuele verplichtingen, ongeacht de oorzaak of de oorsprong daarvan, voldoende was.
Het Hof merkte voorts op: „Weliswaar verlangt de rechtspraak van de Corte suprema di cassazione voor een beroep op onder artikel 1456 van het Italiaans burgerlijk wetboek vallende uitdrukkelijke ontbindende voorwaarden, dat de niet-nakoming aan de gebrekige contractpartij kan worden verweten, maar artikel 1322 van dit wetboek verleent partijen in het kader van de contractvrijheid het recht, binnen de bij de wet gestelde grenzen de inhoud van hun overeenkomst vrijelijk te bepalen. Het staat er derhalve niet aan in de weg, dat partijen bij een overeenkomst, in afwijking van het gewone Italiaanse verbintenissenrecht, besluiten daarin een ontbindende voorwaarde op te nemen waarvoor niet het vereiste geldt, dat de niet-nakoming aan de contractpartij kan worden verweten.”(11)
35. Het Hof stelde dat partijen duidelijk de bedoeling hadden specifieke ontbindende voorwaarden in de overeenkomst op te nemen, met name gezien de bijzondere aard van de betrekkingen tussen de Gemeenschap en de onderneming waaraan deze steun verleende, en de praktische mogelijkheden voor de Commissie om de uitvoering van het project te volgen, die sterk afhingen van de verslagen die de contractpartij haar overeenkomstig artikel 4.3 moest uitbrengen. Het Hof concludeerde derhalve dat de Commissie zich terecht op de in de overeenkomst vervatte ontbindingsclausule had beroepen om deze van rechtswege ontbonden te verklaren.
36. De criteria van het Hof met betrekking tot het vereiste van verwijtbaarheid van de niet-nakoming van de contractuele verplichtingen, kunnen volgens mij eveneens worden toegepast op het door het Italiaans recht gestelde vereiste dat de onder de ontbindingsclausule vallende verplichtingen bepaald zijn.
37. Aldus kan betoogd worden dat partijen, op grond van de in artikel 1322 van het Italiaans burgerlijk wetboek verleende contractvrijheid en gezien de bijzondere aard van de betrekkingen tussen de Commissie en de onderneming waaraan deze steun verstrekt(12), vrijelijk zijn overeengekomen dat de Commissie de overeenkomst eenzijdig kan ontbinden in elk geval waarin TVR de op haar rustende contractuele verplichtingen niet uitvoert, onverminderd de toepasselijke bepalingen van Italiaans recht. Deze zienswijze vindt steun in de duidelijkheid en nauwkeurigheid waarmee in de overeenkomst de procedure en de gevolgen van een eenzijdige ontbinding door de Commissie in geval van niet-nakoming door TVR zijn geregeld, met name rekening houdend met het beginsel van de contractuele goede trouw waaraan de Commissie in repliek refereert.(13)
38. Bijgevolg moet worden onderzocht of de Commissie de in de ontbindingsclausule neergelegde procedure heeft gevolgd en of daadwerkelijk sprake is van de aan verweerster verweten niet-nakoming.
B — De in de ontbindingsclausule geregelde ingebrekestelling
39. Het eerste punt van geschil tussen partijen betreft het moment waarop de Commissie verweerster de in artikel 8, lid 2, sub b, van bijlage II bij de overeenkomst bedoelde ingebrekestelling heeft gezonden. De Commissie betoogt in haar verzoekschrift dat die ingebrekestelling besloten lag in haar brief aan TVR van 23 januari 1992, en dat de ontbinding plaatsvond bij aangetekende brief van 25 maart van dat jaar. Ter terechtzitting heeft verzoekster echter erkend dat uit de formulering van die laatste brief niet kan worden opgemaakt dat daarbij de overeenkomst werd ontbonden.
40. Uit de bewoordingen van de brief van 23 januari 1992 kan niet worden afgeleid dat de Commissie een beroep deed op de ontbindingsclausule van de overeenkomst. Het betreft mijns inziens meer een aan verweerster gerichte waarschuwing dat de overeenkomst zou kunnen worden ontbonden wegens de aperte vertraging bij de toezending van de periodieke verslagen. Hierbij moet worden opgemerkt dat de ruime bevoegdheid van de Commissie om de overeenkomst eenzijdig te ontbinden, meebrengt dat de instelling haar voornemen om een beroep te doen op die bevoegdheid, duidelijk kenbaar moet maken.
41. Ik ben het derhalve eens met verweerster(14) dat de ingebrekestelling is geschied bij brief van 25 maart 1992 van de Commissie.
42. Nu de datum van verzending van de ingebrekestelling is vastgesteld, moet worden onderzocht waarin de aan verweerster verweten niet-uitvoering bestond.
C — De niet-uitvoering van de overeenkomst door verweerster
43. Verzoekster begon de ingebrekestelling als volgt: „Ingevolge artikel 8, en meer in het bijzonder lid 2, sub a en d, is de Commissie voornemens de overeenkomst te ontbinden na de evaluatiebespreking halverwege het project”; daaruit kan worden afgeleid dat de reden voor ontbinding niet uitsluitend was gelegen in de omstandigheid dat verweerster een van haar verplichtingen niet was nagekomen (sub d), maar tevens in het feit dat de Commissie meende dat voortzetting van het project om technische redenen of vanwege een wijziging in de eventuele exploitatie van de resultaten van de overeenkomst (sub a) niet langer nuttig was.
Vervolgens gaf de Commissie de concrete redenen aan die haar bewogen over te gaan tot ontbinding van de overeenkomst.(15)
De Commissie eindigde als volgt: „Met deze brief wordt de opzeggingstermijn van een maand geacht in te gaan die is vereist voor ontbinding ingevolge artikel 8, lid 2, sub b, e, f en g, van de overeenkomst.”
Deze laatste verwijzing is enigszins opmerkelijk, aangezien daarmee wordt afgeweken van de in de eerste alinea van de brief genoemde bepalingen van de overeenkomst: er wordt niet meer verwezen naar de bepaling sub a (die een opzeggingstermijn van twee maanden voorschrijft), maar in plaats daarvan zijn de bepalingen sub e, f en g toegevoegd, die de overige gronden voor ontbinding van de overeenkomst regelen.(16)
44. In het verzoekschrift geeft de Commissie aan dat de aan TVR verweten niet-uitvoering bestaat in de vertraging bij de toezending van de periodieke verslagen en in het slechte toezicht op de uitvoering van het project.
45. Het is buiten kijf dat verweerster zich niet heeft gehouden aan de in de overeenkomst bepaalde termijnen voor toezending van de periodieke verslagen. Het verslag over de eerste zes maanden van 1991, dat zij binnen een maand na het einde van de periode had moeten indienen, werd pas op 13 november van dat jaar toegezonden, met een vertraging derhalve van ruim drie maanden. Het tussentijds verslag, dat in april 1991 overgelegd had moeten worden (en waarvoor de Commissie al uitstel had verleend tot en met 30 september 1991), werd op 30 januari 1992 toegezonden, nadat de Commissie daarom nog tweemaal had verzocht.
46. Ter rechtvaardiging voert TVR in het verweerschrift aan dat de aanvang van de uitvoering van de overeenkomst enkele maanden was vertraagd doordat de overeenkomst tussen verweerster en DSM pas op 30 mei 1990 ondertekend kon worden, en de overeenkomst tussen TVR en de andere partner, ICST, pas „enkele maanden later”, daar laatstgenoemde er niet in slaagde een onderzoeker aan te stellen.
47. De Commissie herinnert aan de verantwoordelijkheid van TVR voor de correcte uitvoering van de overeenkomst en antwoordt in repliek dat de vertraging bij de aanvang van de werkzaamheden door ICST aan verweerster toegerekend moet worden, nu ICST pas een onderzoeker kon aanstellen na ondertekening van de samenwerkingsovereenkomst met TVR.
48. In dupliek verwijst TVR naar de rechtspraak van de Corte suprema di cassazione op het gebied van de ontbinding van overeenkomsten wegens niet-inachtneming van termijnen, volgens welke een termijn alleen essentieel geacht kan worden — en niet-inachtneming daarvan ontbinding rechtvaardigt — wanneer de wederpartij door het verlopen van die termijn niet langer belang heeft bij uitvoering van de overeenkomst. In casu was het belang van de Commissie bij uitvoering van het project in het geheel niet verdwenen door de vertraging bij de indiening van de periodieke verslagen.(17)
49. Uit de notulen van een op 5 april 1990 in Rome bij TVR gehouden bespreking (door verweerster bij de stukken gevoegd), waarbij vertegenwoordigers van de drie samenwerkende ondernemingen en van de Commissie aanwezig waren, blijkt dat ICST vijf maanden te laat met haar werkzaamheden is begonnen, omdat laatstgenoemde het voor het onderzoek benodigde personeel niet mocht aanstellen voordat de samenwerkingsovereenkomst met TVR en DSM was ondertekend, waarover gedurende verschillende maanden onderhandelingen werden gevoerd.
50. In het licht hiervan kan TVR niet beweren dat zij volstrekt onschuldig is aan het oponthoud bij de aanvang van de werkzaamheden van ICST. Er zij immers aan herinnerd dat de overeenkomst tussen de Commissie en TVR is aangegaan op grond van een project dat is ingediend door de drie ondernemingen, die echter pas enkele maanden na de aanvang van het project tot overeenstemming konden komen over de wijze waarop het uitgevoerd moest worden.
51. Dat TVR aansprakelijk is voor deze vertraging, wordt nog benadrukt door de omstandigheid dat TVR ingevolge artikel 1, lid 4, van de overeenkomst en artikel 3, lid 2, van bijlage II erbij, ook in geval van samenwerking met derden bij de uitvoering van het project, jegens de Commissie volledig aansprakelijk blijft voor de correcte uitvoering van de overeenkomst. De vertraging waarmee DSM en ICST zijn begonnen aan de uitvoering van de overeenkomst, kan verweerster derhalve niet dienen ter disculpatie van de late indiening van de periodieke verslagen.
52. De voorwaarde die volgens de rechtspraak van de Corte suprema di cassazione geldt voor de mogelijkheid om een overeenkomst te ontbinden wegens niet-inachtneming van een termijn(18), dient te worden beoordeeld in de algemene context van de overeenkomst. Niet-inachtneming van contractuele termijnen is immers des te ernstiger wanneer de uitvoering van de overeenkomst niet geschiedt conform hetgeen door partijen is overeengekomen. Volgens de Commissie, en dit is het tweede verwijt dat zij verweerster maakt, werd het project door TVR niet naar behoren beheerd.
53. De Commissie baseert haar beoordeling op twee adviezen van een onafhankelijke externe deskundige, professor Goedel van de Universiteit van Aken. In zijn eerste advies van 4 februari 1992 stelde professor Goedel: „De resultaten zijn met aanzienlijke vertraging (ongeveer negen maanden) voorgelegd. De contractpartijen zouden hun werkzaamheden beter moeten coördineren. In de verslagen zijn de onderzoeksdoelstellingen en de redenen voor de vertraging aangegeven, en is een analyse van de beschikbare wetenschappelijke literatuur te vinden, maar worden amper gegevens verstrekt over de resultaten van het eigen onderzoek.” Professor Goedel, die de tot dan behaalde resultaten als „slecht” kwalificeerde, beklemtoonde tot slot de noodzaak van een „energiek coördinator”. Het antwoord van TVR op de ingebrekestelling van 25 maart 1992 werd volgens de Commissie vervolgens door professor Goedel eveneens negatief beoordeeld in een tweede advies.(19)
54. Verzoekster gaf dit standpunt weer in haar ingebrekestelling van 25 maart 1992, en bevestigde dit later in de brief die zij op 4 mei 1992 zond aan verweerster.
55. TVR betoogt in haar verweerschrift dat professor Goedel zijn eerste advies heeft uitgebracht zonder dat hij daartoe ook maar een enkel document onderzocht heeft(20), of een bezoek heeft gebracht aan haar complex in Pontinia, waar het project werd uitgevoerd.
Verweerster heeft voorts twijfel geuit over het bestaan van het tweede negatieve advies, aangezien dit niet door de Commissie bij het dossier gevoegd kon worden. Gesteld al dat het bestond, dan nog zou het voor de onderhavige procedure irrelevant zijn, omdat het immers betrekking heeft op het nut van het door de Commissie goedgekeurde project.
56. In repliek wijst verzoekster erop dat de deskundige, een internationaal vermaarde hoogleraar, het reeds door TVR aan de Commissie verstrekte materiaal uiterst zorgvuldig heeft bekeken, en dat hij zich in de dagen voorafgaand aan de formulering van het advies heeft beperkt tot het analyseren van de laatst ontvangen documenten. Buitendien is professor Goedel aanwezig geweest bij de evaluatiebespreking halverwege het project, waar hij de deelnemende ondernemingen een groot aantal vragen heeft gesteld.
De Commissie verklaart dat het tweede negatief advies mondeling is gegeven tijdens verschillende besprekingen met haar ambtenaren.
57. Naar mijn mening is het niet alleen geoorloofd, maar zelfs wenselijk dat de Commissie bij onderzoeksprogramma's als die waarom het in de onderhavige procedure gaat, vertrouwt op het oordeel van erkende deskundigen voor de evaluatie van de kwaliteit van de verrichte werkzaamheden. In casu kan de Commissie zich mijns inziens evenwel niet baseren op de inhoud van het veronderstelde tweede negatief advies van professor Goedel, nu daarvan, vreemd genoeg, geen enkel schriftelijk spoor voorhanden is.
58. In zijn eerste advies gaf professor Goedel over de tot dan door TVR en haar partners verrichte werkzaamheden een duidelijk negatief oordeel. In de rubriek „Noodzaak van nieuwe partners” schreef hij zelfs „Need for a ‚strong’ coordinator” en trok hij aldus de activiteit van TVR als projectcoördinator in twijfel.
59. Gezien dit advies en de vertragingen bij de mededeling van de periodieke verslagen, mocht de Commissie zich mijns inziens op het standpunt stellen dat het bestaansrecht voor het project was komen te vervallen en de financiering door de Gemeenschap derhalve moest worden gestaakt.
60. Verder moet beklemtoond worden dat de Commissie in elk geval krachtens artikel 4 van bijlage I bij de overeenkomst (Technische bepalingen) kon overgaan tot eenzijdige ontbinding van de overeenkomst op grond van haar eigen beoordeling van de bij de evaluatiebespreking halverwege het project gepresenteerde resultaten.
61. Gelet op het voorgaande, concludeer ik dat de Commissie gerechtigd was de overeenkomst te beëindigen ingevolge artikel 8, lid 2, sub d, van bijlage II bij de overeenkomst.
62. Verweerster voert aan dat zij in haar brief van 15 april 1992 de in de ingebrekestelling van de Commissie gestelde verwijten één voor één heeft weerlegd. Aangezien een antwoord daarop uitbleef, moest zij ervan uitgaan dat de Commissie de gegeven uitleg had aanvaard.
63. In repliek merkt de Commissie op dat de ingebrekestelling was gericht op de uitvoering van de overeenkomst, dat wil zeggen het verrichten van de prestaties die voorwerp waren van de overeenkomst. Die prestaties hadden uiteraard alleen kunnen worden verricht binnen de korte termijn van een maand, wanneer deze zich reeds in een vergevorderd stadium bevonden op het moment van verzending van de ingebrekestelling, hetgeen niet het geval was vanwege de enorme vertraging die TVR inmiddels had opgelopen. De Commissie stelt dat het antwoord van verweerster van 15 april 1992 louter een poging tot rechtvaardiging is, die niets van doen heeft met de gevorderde uitvoering.
64. Het ware wellicht wenselijk geweest dat de Commissie de brief van verweerster van 15 april 1992 had beantwoord op basis van de door de deskundige in diens tweede, niet op schrift gestelde, negatief advies aangevoerde punten. Evenwel moet worden erkend dat TVR met genoemd schrijven geen einde maakte aan de niet-uitvoering. Ik ben het overigens in feite met de Commissie eens dat verweerster onmogelijk binnen een maand de aan haar verweten tekortkomingen kon verhelpen.
65. Verweerster betoogt voorts dat de houding van de Commissie na de verzending van de ingebrekestelling bevestigt dat de overeenkomst niet was ontbonden. Zij baseert zich dienaangaande op het feit dat de Commissie zich ingenomen heeft getoond met de benoeming van een nieuwe projectdirecteur en de overeenkomst niet door een formele verklaring heeft beëindigd.
66. De Commissie wijst dit argument van verweerster van de hand. De aanstelling van een nieuwe projectdirecteur in februari 1992, ook al betrof het een bekend en deskundig persoon, kon een op dat moment al onherstelbare situatie niet meer redden. Wat het ontbreken van een formele ontbinding van de overeenkomst aangaat, merkt de Commissie op dat die ontbinding overeenkomstig de artikelen 1454 en 1456 van het Italiaans burgerlijk wetboek van rechtswege was ingetreden, zodat vaststelling door de rechter niet was vereist.
67. Naar mijn mening moet ook dit argument van TVR worden afgewezen. In de eerste plaats kon de Commissie, ondanks het besluit van verweerster in februari 1992 om naar aanleiding van de tegen haar gerichte kritiek de directeur van het project te vervangen, op grond van de ontbindingsclausule gewoon overgaan tot ontbinding van de overeenkomst. In de tweede plaats hielden noch voornoemde clausule, noch de toepasselijke regels van Italiaans recht voor de Commissie de verplichting in de ontbinding van de overeenkomst na afloop van de termijn van een maand te bevestigen. Die bevestiging lag mijns inziens hoe dan ook besloten in de brief die zij TVR zond op 10 juni 1992 en waarin zij verweerster onder verwijzing naar het op 25 maart 1992 meegedeelde besluit om de overeenkomst te beëindigen, verzocht om haar binnen de termijn van een maand de definitieve kostendeclaratie te doen toekomen. In antwoord op die brief zond TVR de gevraagde kostendeclaratie op 2 juli 1992, waaruit kan worden afgeleid dat verweerster zich volledig bewust was van de beëindiging van de overeenkomst.
68. Ik meen dan ook dat de overeenkomst tussen de Commissie en TVR op grond van de daarin neergelegde ontbindingsclausule van rechtswege was ontbonden. Overeenkomstig de aangehaalde rechtspraak van het Hof moet de door verweerster opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid derhalve worden verworpen, daar de Commissie, nu de overeenkomst reeds was ontbonden, gerechtigd is de terugbetaling van bepaalde bedragen en schadevergoeding te vorderen, zonder dat zij daartoe als voorafgaande noodzakelijke voorwaarde een vordering tot gerechtelijke ontbinding van de overeenkomst behoeft in te stellen.
V — Ten gronde
A — De terugbetaling van een deel van het voorschot
69. De Commissie vordert terugbetaling van een bedrag van 77 558,80 ECU, zijnde het verschil tussen de werkelijke kosten (namelijk de kosten van de daadwerkelijk ter uitvoering van de overeenkomst verrichte werkzaamheden) en de aan verweerster op 21 december 1989 en 21 juli 1991 betaalde bedragen, respectievelijk een voorschot van 460 000 ECU en een bedrag van 128 418,20 ECU voor het eerste jaar van het project.
70. Verweerster zond op 2 juli 1992 een definitieve kostendeclaratie, die in eerste instantie door de Commissie is geaccepteerd. Bij brief van 23 maart 1993 deelde de Commissie verweerster echter mee niet akkoord te gaan met de kostendeclaratie en terugbetaling te vorderen van een bedrag van 109 444,80 ECU.
71. Daar verweerster de vaststelling van de kosten betwistte, gaf de Commissie de vennootschap Ernst & Young opdracht tot het uitvoeren van een accountantsonderzoek met betrekking tot het project. In haar verslag van 8 september 1994 concludeerde Ernst & Young dat, met uitzondering van bepaalde boekhoudkundige onnauwkeurigheden(21), de gedeclareerde kosten overeenkwamen met die in de boeken van TVR en met het in de overeenkomst bepaalde.
72. Op 6 juni 1995 zond de Commissie verweerster een nieuwe brief, waarin zij het gevorderde bedrag verminderde tot 77 558,80 ECU.
73. TVR betoogt dat de Commissie zichzelf tegenspreekt, aangezien zij eerst de definitieve kostendeclaratie heeft aanvaard en vervolgens terugbetaling heeft gevorderd van een bedrag van 109 444,80 ECU. Voorts kan de Commissie volgens het accountantsonderzoek van Ernst & Young ten hoogste een bedrag van 22 miljoen ITL vorderen.
74. De Commissie bestrijdt dat van een dergelijke tegenstrijdigheid sprake is. Zij verwijst in dat verband naar artikel 21, lid 4, van bijlage II bij de overeenkomst, dat luidt als volgt: „Onverminderd artikel 39 van deze bijlage, moeten de periodieke betalingen op basis van de kostendeclaraties worden aangemerkt als voorschotten, totdat overeenkomstig de in bijlage I voorgeschreven procedure de stukken zijn aanvaard die volgens die bijlage moeten worden overgelegd, of, wanneer geen stukken behoeven te worden overgelegd, totdat het eindverslag wordt aanvaard.” De Commissie meent dat zij op grond van deze bepaling terugbetaling kan vorderen van reeds betaalde bedragen, wanneer de verificatie ingevolge artikel 39 van bijlage II bij de overeenkomst ernstige tekortkomingen aantoont.
De Commissie preciseert dat zij de door TVR verrichte werkzaamheden op twee niveaus heeft geëvalueerd: financieel (Ernst & Young) en technisch (professor Goedel). Het accountantskantoor kon enkel een financiële controle verrichten, die verschilt van een technische evaluatie. Met andere woorden, accountants kunnen de kosten van een manuur berekenen, maar kunnen niet bepalen of het vanuit technisch oogpunt redelijk is om tien uur te besteden aan een handeling die slechts twee uur vereist. Om die reden moet een financiële evaluatie vergezeld gaan van een technische evaluatie, die in casu door professor Goedel is verricht, die tot een negatieve conclusie is gekomen.
75. In dupliek voert TVR aan dat de Commissie niet heeft bewezen dat het daadwerkelijk aan het project bestede aantal uren „overdreven” was. Met betrekking tot de technische evaluatie merkt verweerster op dat professor Goedel in zijn advies niet is ingegaan op de kwestie van de arbeidsuren.
76. Om te beginnen moet het argument worden afgewezen dat TVR ontleent aan een beweerde tegenstrijdigheid van de Commissie, die in eerste instantie de definitieve kostendeclaratie heeft aanvaard en vervolgens heeft geweigerd. Volgens artikel 39 van bijlage II bij de overeenkomst kunnen de kostendeclaraties immers worden geverifieerd, zelfs nadat de Commissie de kosten heeft vergoed. Verweerster moest er dus rekening mee houden dat de Commissie, zoals zij ook heeft gedaan, een accountantsonderzoek en technische evaluatie kon laten uitvoeren en, in voorkomend geval, terugbetaling kon vorderen van de bedragen die niet corresponderen met de daadwerkelijk gemaakte kosten.
77. De kosten die niet door de Commissie worden aanvaard, zijn de volgende:(22)
-
Arbeidskosten: volgens TVR bedroegen deze 333 272 000 ITL, terwijl de Commissie slechts akkoord gaat met een bedrag van 115 530 000 ITL.
-
Kosten van gebruik van duurzame goederen: op basis van de conclusies van de accountants heeft de Commissie het door verweerster gedeclareerde bedrag verminderd tot 22 miljoen ITL.
-
Kosten van externe adviseurs: van de door TVR gedeclareerde 26 481 050 ITL gaat de Commissie niet akkoord met een bedrag van 8 100 000 ITL waarvoor de accountants geen bewijsstuk aantroffen, en met een bedrag van 13 770 000 ITL dat volgens de Commissie niet onder deze post valt.
-
Algemene kosten: de Commissie aanvaardt deze kosten voor een bedrag ter hoogte van 25 % van de arbeidskosten (conform de aanbeveling van de accountants). Daar de arbeidskosten volgens de Commissie 115 530 000 ITL bedragen, komen de algemene kosten daarmee op 22 882 500 ITL (en niet op de door TVR berekende 73 683 000 ITL).
78. Op grond van deze correcties komt de Commissie tot de conclusie dat de voor 1992 aanvaardbare kosten 115 689,45 ECU bedragen, wat opgeteld bij de kosten over 1990 (128 418,20 ECU) en 1991 (266 744,75 ECU) een totaalbedrag oplevert van 510 852,40 ECU. Aangezien aan verweerster reeds betalingen zijn gedaan ten belope van 588 418,20 ECU, moet TVR de Commissie het verschil terugbetalen, zijnde een bedrag van 77 565,80 ECU.(23)
79. De vordering van de Commissie werpt het probleem van de bewijslast op: kan de Commissie vrijelijk het door haar medecontractant gedeclareerde kostenbedrag verminderen, en, zo ja, binnen welke grenzen?
80. Gelet op hetgeen is bepaald in bijlage II bij de overeenkomst, moet het antwoord op de eerste vraag bevestigend luiden. Artikel 8, lid 4, eerste alinea, bepaalt immers: „[...] in geval van ontbinding van de overeenkomst ingevolge artikel 8, lid 2, sub [...] d) [...], kan de Commissie volledige of gedeeltelijke terugbetaling vorderen van haar financiële bijdrage, waarbij zij in redelijkheid en billijkheid rekening houdt met de aard en de resultaten van de verrichte werkzaamheden en het nut daarvan voor de Commissie in het kader van een communautair programma voor onderzoek en technologische ontwikkeling”. In voornoemd artikel 21, lid 4, wordt deze mogelijkheid voor de Commissie bevestigd.
81. Noch op grond van genoemde bepalingen noch op grond van de regels van billijkheid kan evenwel gesteld worden dat die mogelijkheid voor de Commissie onbegrensd is. Naar mijn mening dienen beide contractpartijen hun kostenberekeningen op passende wijze te staven, met dit verschil evenwel dat de Commissie een ruimere beoordelingsmarge bij de correctie van de door de medecontractant aangegeven bedragen toekomt wanneer laatstgenoemde niet voldoende gegevens verstrekt.
82. In dezelfde lijn dient dan ook allereerst op basis van de aan het dossier toegevoegde stukken onderzocht te worden of verweerster haar kosten genoegzaam heeft aangetoond.
83. De briefwisseling die betrekking heeft op de kosten die zijn gemaakt in de periode van 1 januari tot en met 31 mei 1992, is de volgende:
-
Bij haar antwoord op de ingebrekestelling door de Commissie (brief van 15 april 1992) heeft verweerster een gedetailleerd werkschema gevoegd voor de periode van zes maanden lopende van 1 april tot en met 9 oktober 1992, met vermelding van de bijbehorende kosten. Dit betreft echter slechts een werkschema; over de daadwerkelijke uitvoering ervan zijn geen gegevens voorhanden.
-
TVR heeft kennelijk bij de aan de Commissie gezonden brief van 2 juli 1992 een kostendeclara tie gevoegd met betrekking tot de litigieuze periode. Verweerster heeft het evenwel niet nodig gevonden die declaratie aan het Hof over te leggen.
-
De brief van de Commissie van 14 september 1992 bevat een analytisch „rekeningafschrift” met een overzicht van de door verweerster gedeclareerde kosten. De Commissie is echter zelf achteraf teruggekomen op de bedragen van dat afschrift en bovendien is er geen informatie beschikbaar over de verrichte werkzaamheden.
-
Ten slotte zijn in de brief van verweerster van 29 maart 1993, waarin zij de definitieve afrekening van de Commissie betwistte, het aantal arbeidsuren en de gemaakte kosten voor een serie posten aangegeven, opnieuw zonder dat daarbij gegevens ten aanzien van de verrichte werkzaamheden worden verstrekt. Bovendien is, zoals de Commissie heeft opgemerkt, een van die posten hoe dan ook niet aanvaardbaar, aangezien die werkzaamheden betreft die volgens bijlage I bij de overeenkomst door ICST moeten worden verricht.
84. Mitsdien moet worden geconcludeerd dat verweerster haar kostenberekening niet voldoende met stukken heeft onderbouwd en dat de Commissie overeenkomstig de contractuele bepalingen het bedrag daarvan op grond van haar eigen technische beoordeling kon verminderen.
85. Ik geef het Hof dan ook in overweging de vordering van de Commissie tot terugbetaling van bepaalde bedragen toe te wijzen en verweerster te veroordelen tot terugbetaling van een bedrag van 77 565,80 ECU.(24)
B — De interessen
86. Luidens artikel 8, lid 4, van bijlage II bij de overeenkomst dienen in geval van ontbinding niet alleen de door de Commissie als voorschot betaalde bedragen te worden terugbetaald, maar ook de interessen over deze bedragen te worden betaald vanaf de datum waarop de medecontractant deze heeft ontvangen. De toepasselijke rentevoet is die welke het Europees Fonds voor Monetaire Samenwerking hanteert voor zijn transacties in ecu, zoals die op de eerste werkdag van elke maand wordt bekendgemaakt, vermeerderd met 2 %.
87. De Commissie vordert bijgevolg de betaling van interessen tegen een rentevoet van 11,75 %, gerekend vanaf de dag waarop verweerster het voorschot heeft ontvangen (1 februari 1990), hetgeen overeenkomt met een bedrag van 24,97 ECU per dag.(25) Verweerster voert dienaangaande geen argumenten aan en betwist slechts de opeisbaarheid van de terugbetaling uit hoofde van de hoofdverbintenis.
88. Aangezien TVR de Commissie op grond van de hoofdverbintenis een bedrag van 77 565,80 ECU dient terug te betalen, geldt dit eveneens voor de — uitdrukkelijk overeengekomen — accessoire verbintenis tot betaling van de bijbehorende interessen.(26)
C — De vergoeding van de schade
89. Ten slotte vordert de Commissie veroordeling van TVR tot betaling van een vergoeding voor de ten gevolge van de gestelde niet-nakoming geleden schade. Het gaat haars inziens om de volgende schade:
-
Enkele van haar ambtenaren hebben een groot aantal uren besteed aan het toezicht op de werkzaamheden van verweerster en het manen tot inachtneming van de voor de indiening van de periodieke verslagen voorziene termijnen.(27)
-
De Commissie heeft een accountantskantoor in de arm moeten nemen voor een boekhoudkundig onderzoek van de door TVR verrichte werkzaamheden.
-
De Commissie heeft niet de mogelijke voordelen bedoeld in artikel 19 van bijlage II bij de overeenkomst genoten, betreffende de exploitatie van de met het gefinancierde onderzoek verworven kennis of de daaruit voortvloeiende octrooien.
-
De Commissie heeft schade geleden door een overeenkomst te sluiten met een partij die haar verbintenissen niet is nagekomen, omdat dit haar geloofwaardigheid aantast ten aanzien van eenieder die mogelijkerwijs geïnteresseerd is in het sluiten van een overeenkomst met de Commissie.
90. De Commissie schat de volledige schade op 7 700 ECU, behoudens een afwijkende raming door het Hof op grond van de mogelijkheden die daartoe zijn voorzien in artikel 1226 van het Italiaans burgerlijk wetboek, dat zegt dat de rechter de schade naar billijkheid bepaalt indien de exacte omvang daarvan niet kan worden aangetoond.
91. Van de door de Commissie gestelde schade — waarvan het bestaan door verweerster wordt bestreden — kunnen mijns inziens het tweede onderdeel en wellicht ook het derde worden aanvaard. De overige twee moeten worden afgewezen:
-
De arbeidsuren van de ambtenaren van de Commissie gedurende de periode voorafgaand aan de ontbinding van de overeenkomsten kunnen niet als schade worden aangemerkt: het is hun normale taak toezicht te houden op de aangelegenheden die de door de instelling gesloten overeenkomsten betreffen. De gang van zaken rond de contractuele betrekking tussen de Commissie en TVR lijkt in dat opzicht niet zodanig ongebruikelijk dat hieraan ten nadele van andere administratieve werkzaamheden onevenredige aandacht had moeten worden besteed en hiervoor vergoeding zou moeten worden betaald. Wat de periode na de ontbinding van de overeenkomst betreft, heeft het Hof reeds uitgemaakt dat de door de partijen met betrekking tot de procedure in rechte gemaakte kosten als zodanig in geen geval kunnen worden beschouwd als een van de proceskosten onderscheiden schadepost.(28)
-
De omstandigheid dat in het kader van een contractuele relatie als de onderhavige een van de partijen niet al haar verplichtingen nakomt en dientengevolge ontbinding van de overeenkomst plaatsvindt, heeft geen „aantasting van de geloofwaardigheid” ten aanzien van derden tot gevolg.
92. Wat het verlies van de eventuele voordelen van de exploitatie van de met het gefinancierde onderzoek verworven kennis of de daaruit voortvloeiende octrooien betreft, in beginsel staat niets de schatting daarvan in de weg. In casu betreft het evenwel louter hypothetische voordelen, waarover verzoekster geen informatie heeft verstrekt. De Commissie verwijst immers slechts in algemene en abstracte zin naar deze voordelen, zonder concrete bewijsstukken over te leggen op basis waarvan althans bij benadering een raming van de winstderving mogelijk is. Bijgevolg kan het Hof, ook indien het rechtspreekt naar billijkheid, waartoe artikel 1226 van het Italiaans burgerlijk wetboek de mogelijkheid biedt, niet tot een raming van de schade komen, daar het in dat geval volkomen „blind” zou handelen.
93. De kosten (6 610 ECU) met betrekking tot de tussen de Commissie en Ernst & Young gesloten consultancyovereenkomst zijn daarentegen voldoende onderbouwd om het definitieve saldo van de contractuele relatie te kunnen vaststellen. Daar ik evenwel in zaak C-40/98 betreffende een geschil tussen dezelfde partijen met betrekking tot de uitvoering van een andere onderzoeksovereenkomst, het Hof in overweging geef verweerster te veroordelen tot betaling aan de Commissie van de kosten van het accountantsonderzoek, en de door Ernst & Young ingediende rekening het onderzoek van beide contracten gezamenlijk betrof, moet deze vordering van de Commissie in casu worden afgewezen teneinde ongerechtvaardigde verrijking te voorkomen.
VI — De tegenvordering
94. Aangezien het beroep van de Commissie naar mijn mening gegrond moet worden verklaard, dient de door TVR ingestelde tegenvordering te worden afgewezen.
VII — Kosten
95. Daar de Commissie op vrijwel alle punten in het gelijk moet worden gesteld, dient verweerster ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering overeenkomstig de vordering van verzoekster in de kosten te worden verwezen.
VIII — Conclusie
96. Ik geef het Hof dan ook in overweging het beroep op de voornaamste punten gegrond te verklaren en verweerster te veroordelen tot betaling aan de Commissie van
-
een bedrag van 77 565,80 euro, vermeerderd met interessen ter hoogte van 24,97 euro per dag, te rekenen vanaf 1 februari 1990 tot de dag van volledige betaling van de schuld,
-
alsmede verweerster te verwijzen in de proceskosten.